De verklaringen van François Reyskens
26 Juli 1995
De sceptische reactie van de rijkswachter op 17 juli 1995 in de brigade te Hoei is ergens te begrijpen. Tegenover hem zit een jongeman waarover de computer zegt dat die gekend is in verband met drugsdelicten. François Reyskens zit aan de coke en vertoont de klassieke kenmerken. Hij zit met een hautaine gelaatsuitdrukking op zijn stoel te wippen en herhaalt hoe men onlangs 'een foto' onder de ogen is geduwd van Mélissa Russo, een van de twee meisjes die drie weken daarvoor werden ontvoerd in Grâce-Hollogne. "In ruil voor mijn inlichtingen wil ik wel een beloning", zegt Reyskens. De rijkswachter kijkt eerst verveeld en slaagt er uiteindelijk in de junkie in grote lijnen te laten vertellen waar dit nu over gaat.
Op 12 juli, vertelt Reyskens, was hij wat drugs gaan kopen in een coffeeshop in Maastricht en raakte hij er in gesprek met een man die Franco heette. "Hij liet me de foto zien. Hij vertelde dat het kind, en zo leek het ook op de foto, in goede gezondheid verkeerde. Hij voegde eraan toe dat men haar kapsel had gewijzigd." De vraag hoe het zou kunnen komen dat iemand in een coffeeshop loopt te jongleren met een foto van een ontvoerd kind waar half België naar op zoek is, zal nooit kunnen worden gesteld. 26 juli is de laatste dag uit het leven van François Reyskens. In de vroege ochtend is hij met zijn Peugeot tot stilstand gekomen in het centrum van Amay. Geen benzine meer. Hij is in een bus gestapt en naar Jemeppe, bij Seraing, gereden. Daar belt hij omstreeks 7.45 uur aan bij Bernard Delgombe, een vriend die hem vast wel wat zal willen lenen en een lift geven.
"Ik heb hem 250 frank toegestopt", zegt Delgombe. "Wij zijn toen naar het centrum van Jemeppe gereden, tot onder de spoorwegbrug in de Rue de la Station. Ik zei hem dat hij hier de trein kon nemen en is overgestoken tot aan de bushalte. Pas de volgende dag heb ik het vernomen in de krant. Toen François bij mij was, leek hij me oké. Hij heeft me niets gezegd over een intentie om zelfmoord te plegen." Zelfmoord. Voor het parket van Luik is de conclusie duidelijk. Wat anders kan iemand ertoe aanzetten om op de treinsporen op een aanstormende trein te wachten? Voor de in eind juli 1995 al behoorlijk wanhopige Carine Russo, de moeder van Mélissa, is de episode-Reyskens slechts een van de tientallen indicaties dat er iets grondig loos is met de wijze waarop onderzoeksrechter Martine Doutrèwe in Luik de zaken aanpakt. Volgens wat zij achteraf verneemt, wordt de getuigenis van Reyskens door de speurders ernstig genomen en is er een nieuwe, grondige ondervraging gepland op ... 26 juli 1995. "Achteraf kwam men ons vertellen dat het verhoor niet had kunnen doorgaan omdat ze het lijk van Reyskens hadden teruggevonden op een spoorweg in Seraing", zegt Carinne Russo. "Twee uur voor het verhoor had moeten plaatsvinden."
Michel F.
Een andere hoofdverdachte
"Ik betwist absoluut ook maar de geringste verantwoordelijkheid te dragen voor de ontvoering van Julie en Mélissa. Waarom heeft niemand het bestaan van het onderzoeksluik rond Michel F. ter sprake gebracht? Het is een feit dat zulks ons ertoe noopt verschrikkelijke gerechtelijke disfuncties vast te stellen! Welke is de dwingende reden geweest die maakte dat verdachte Michel F. niet in beschuldiging moest worden gesteld en niet vervolgd, daar waar zoveel indicaties van hem de verdachte van de eerste keuze maken?" Al wie er zich de afgelopen week in trachtte te verdiepen, had al snel nood aan wat Dafalgan. Achtendertig pagina's maar liefst had Marc Dutroux vanuit zijn gevangeniscel in Aarlen afgescheiden ten behoeve van de raadkamer te Neufchâteau, vorige week donderdag. Hij liet geen millimeter papier onbenut en plaatste de tekstregels zo dicht als mogelijk tegen elkaar. Hij bracht, bondig, zijn "excuses" over aan de ouders van zijn slachtoffertjes, maar de rode draad door zijn betoog was en bleef: ik was niet de man die op 24 juni 1995 in Grâce-Hollogne Julie Lejeune en Mélissa Russo ontvoerde.
"Hij heeft ons diep gekwetst, maar misschien heeft hij ook waarheden verkondigd", zei Jean-Denis Lejeune, de vader van Julie na afloop. "Dutroux zegt dat Julie en Mélissa ontvoerd werden door Michel F. Ik acht dat niet onmogelijk. Dit spoor werd door het gerecht onderzocht in 1995, maar ik vraag me af of de speurders wel grondig genoeg te werk zijn gegaan." Michel F. is een wat oudere man uit Hoei, die zich na de werkuren graag ontfermt over 'probleemkinderen' en kinderanimatie verzorgt op vakantiekampen. Zo ook in Hoei, waar in juli 1994 Julie en Mélissa een deel van de zomervakantie doorbrachten. F. had een bijzondere belangstelling voor de twee vriendinnetjes, toen zeven jaar oud, uit Grâce-Hollogne. Eerder dit jaar schepte hij tegenover De Morgen nog op over het feit dat hij nog altijd in het bezit is van "een geluidscassette waarop Mélissa mij intieme zaken toevertrouwt". F. heeft de cassette nooit overgemaakt aan justitie. Hij heeft ze volgens mensen in zijn omgeving samen met "andere documenten" verstopt in een bankkluis.
Hij doet alles wat een verdachte hoort te doen
In de weken en maanden na de ontvoering van de twee meisjes zei en deed F. ongeveer alles wat een verdachte hoort te doen om dat te worden. Hij ging her der uitbazuinen dat de meisjes hem hadden gebeld vanuit Italië. Hij beweerde dat ze voor hun vertrek een "paar dagen" bij hem hadden verbleven. Tien maanden na de verdwijning moesten de ouders van Julie en Mélissa ontdekken dat F. al die tijd een t-shirt van Mélissa bij zich had gehouden, en ook een foto waarop hij haar en Julie via een montage had verenigd. Later zou de factuur van de fotozaak verraden dat F. de uitvergroting liet maken op 3 september 1995, twee maanden na de ontvoering. In het dagboek van Mélissa Russo wordt op 24 juni 1995 melding gemaakt van een afspraak: "Julie 17H00 on ira au manaige" ('Julie, om vijf uur gaan we naar de manege'). Vlak bij de plaats van de ontvoering is er een manege. Meisjes leren paardrijden, was een van de dingen die F. tijdens vakantiekampen vaak deed.
Een week voor de ontvoering, op 18 juni 1995, ziet automobilist Charles V. Julie en Mélissa van op de brug over de E42 naar de auto's wuiven. Achteraf herinnert V. zich dat hem iets was opgevallen. Naast de verlaten brug zag hij een auto "met donkere kleur en verticale achterklep" staan. Van de ontvoering is er ook een getuige, de 72-jarige Marie-Louise Henrotte, die net is ontwaakt uit haar middagdutje. Zij ziet Julie en Mélissa vanuit haar raam instappen in een "donkere" auto met "achterklep". "Als we deze getuigenis mogen geloven, stapten de meisjes in zonder enige dwang", zo benadrukt Dutroux op pagina 14, subtiel aangevend dat hem zoiets eerder zelden overkwam, en dat Michel F. in juni 1995 rondtoerde in een donkerblauwe Ford Sierra Break. "De kinderen hadden vertrouwen in de persoon die voor hen het portier opende. Iedereen zal het erover eens zijn dat Michel F. aan dit profiel beantwoordt!"
Halfweg 1995 pareert Michel F. de onvermijdelijke verdenkingen tegen hem met de melding dat zijn auto op 24 juni 1995 met een technisch defect voor de deur van zijn werkgever stond. Dat is de Luikse advocaat Georges Dehousse. Maar wat blijkt vele jaren later, bij herverificatie van dit alibi door speurders in Neufchâteau? F. is die ochtend met dezelfde auto nog een rol balatum gaan afleveren bij een kennis. F. heeft ook een verleden. Veroordeeld voor zedenfeiten met kinderen is hij nooit. Eind jaren zeventig bracht hij onder die verdenking wel twintig dagen door in de gevangenis. In 1991 volgde een tweede aanklacht. Iets met "aanrakingen" van jonge meisjes op de vakantiekampen. Michel F. is gewoon een beetje gek, zo luidt medio 2000 de eindconclusie van onderzoeksrechter Jacques Langlois te Neufchâteau. Hij staakt alle onderzoeksdaden lastens F.
De zelfmoord van Guy Goebel
25 Augustus 1995
Guy Goebel was adjudant, een van de hoogsten in rang, bij de brigade in Grâce-Hollogne. Het kan daardoor haast niet anders of hij moet hebben geweten van het stuntelig verloop van Operatie Othello. Hij moet minstens de fax van 7 juli 1995 onder de ogen hebben gekregen. Twee weken na de ontvoering van Julié en Melissa komt er in Grâce-Hollogne en Seraing een fax binnen van de rijkswacht van Charleroi. In de fax wordt gemeld dat een zekere Marc Dutroux in 1989 samen met zijn echtgenote tot een zware celstraf is veroordeeld wegens ontvoering en seksueel misbruik van kinderen.
Guy Goebel moet minstens een heel klein beetje dat gevoel hebben gehad dat leden van de parlementaire onderzoekscommissie een dik jaar later in het parlement dagelijks pijnigde, hier klopt iets niet. In de ochtend van 25 augustus wordt het levenloze lichaam van Guy Goebel aangetroffen in zijn dienstwoning, achter de rijkswachtkazerne. De adjudant heeft zich met zijn dienstpistool een kogel door het hoofd gejaagd. In zijn andere hand houdt hij de hoorn van het telefoontoestel vast, al is niet duidelijk wie hij wilde bellen. Zelfmoord, beslist het Luikse parket. De datum waarop het is gebeurd, roept pas achteraf vragen op, 25 augustus is de startdatum van Operatie Othello. Het is de beruchte geheime operatie waarbij Dutroux zonder medeweten van onderzoeksrechter Doutrewe wordt geschaduwd. De rijkswacht weet dat Dutroux kinderen wil ontvoeren.
De moord op Simon Poncelet
21 Februari 1996
De perfecte moord wordt in België halfweg de jaren negentig gepleegd in een politiekantoor. Het is 23.27 uur in de avond van 21 februari 1996, wanneer vier schoten weerklinken in het gebouw van de gerechtelijke politie in de Rue du Gouvernement in Bergen. Wat later wordt daar het lijk aangetroffen van de 30-jarige Simon Poncelet. De politieman, die die avond alleen in het gebouw doorbrengt, draagt pantoffels en een short. Het is duidelijk dat hij zich geenszins bedreigd achtte door man voor wie hij de deur opende. De regels van de nachtdienst zijn strikt, geen enkele onbekende binnenlaten. De speurder is vermoord met een .38 revolver, hetzelfde type als het dienstwapen van de Bergense GP'ers. Om meer dan een reden is er iets bijzonders aan de moord. Simon Poncelet was de zoon van de Doornikse Procureur des Konings Guy Poncelet. Jarenlang zal de hoofdbezigheid van de speurders erin bestaan 'dat is niet waar' te zeggen.
Het onderzoek wordt geleid door de Bergense GP-hoofdcommissaris Bernard Jonniaux, wiens naam later in het dossier zal vallen omdat er kennelijk een verband bestaat tussen de moord en enkele geheimen uit de interne keuken van zijn dienst. 'Er is nooit sprake van geweest dat de GP van Bergen een van haar leden zou beschermen die mogelijk betrokken zouden kunnen zijn bij de moord op Simon Poncelet, en dat zal ook nooit het geval zijn', zo verklaart de grote baas van de GP Christian De Vroom. Ook de vader van Simon sluit een interne afrekening uit omdat daar geen enkel motief voor bestaat. Ook uit te sluiten, zeggen de speurders, is enig verband met autozwendel. Want Simon Poncelet, zo heet het, was pas een beginnend speurder die zich met andere, eenvoudigere onderzoeken bezighield.
"Wat dus je reinste onzin is", zegt vader Guy Poncelet. "Naast mijn geheugen, dat heus niet zo slecht is hoor, heb ik ook toegang gekregen tot het strafdossier. Daar staat het heel duidelijk in beschreven. In de laatste twee jaren van zijn leven bestond Simons hoofdbezigheid uit het opsporen van internationale trafieken in gestolen wagens vanuit Henegouwen. Ik kan me enkel verwonderen over het feit dat zijn oversten dit na het drama zo hardnekkig wensten te betwisten." Bij de voorbereidingen van de ontvoeringen van kinderen maakte Dutroux altijd gebruik van zijn connecties in het milieu van helers van gestolen wagens. Het gerecht scheidt echter het onderzoek naar de autozwendel van dat van de kinderontvoeringen, die niettemin nauw met elkaar verbonden zijn. Jeanine Deulin, de moeder van de vermoorde Jean-Paul Taminiau, beschouwt het als een uitgemaakte zaak dat Simon Poncelet op het spoor zat van de bende waar ook haar zoon toe behoorde en om die reden uit de weg werd geruimd.
Het spaghetti-arrest
Het spaghetti-arrest is een uitspraak van het Hof van Cassatie in België van 14 oktober 1996 in verband met de zaak Dutroux. De uitspraak had tot gevolg dat onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte van de zaak werd gehaald, omdat hij had meegegeten aan een diner waar ook de slachtoffers waren.
Het diner
Op zaterdag 21 september, 39 dagen na de bevrijding van Sabine Dardenne en Laetitia Delhez uit de kelder van Dutroux, werd in Bertrix een diner georganiseerd ter ere van de overlevende slachtoffers. Aanwezig waren Sabine en Julienne, een notaris, de aanklager Michel Bourlet en de onderzoeksrechter Connerotte, die juist die dag getrouwd was. De magistraten blijven een uur, spreken niet met de twee aanwezige slachtoffers, krijgen een bord spaghetti, en een vulpen van omgerekend 27 euro. Voor hun vrouwen is er een bloemetje.
Wraking
De advocaat van Dutroux, Julien Pierre, dient een klacht in tegen beide magistraten. Op 14 oktober 1996 doet Eliane Liekendael, de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, uitspraak :
"Vanwege de schijn van afhankelijkheid wordt onderzoeksrechter Connerotte van de zaak gehaald. Een onderzoeksrechter houdt nooit op rechter te zijn. (...) Hij mag onder geen enkele omstandigheid, hoe uitzonderlijk ook, bij de partijen en bij de publieke opinie de schijn van partijdigheid wekken."
Op voorhand was haar zelfs door premier Dehaene gevraagd om inventiviteit aan de dag te leggen in deze zaak, maar Liekendael verklaarde "geen woordvoerder van het sentiment" te zijn, haar "enige taak" was "de rechtsregels toe te passen". Het onderzoek naar de ontvoeringen wordt overgedragen aan Jacques Langlois, een collega van Connerotte te Neufchâteau. Dominique Gérard krijgt het onderzoek naar de autozwendel. Bourlet mag zijn werk voortzetten, omdat hij als aanklager niet onpartijdig hoeft te zijn. Door het onderzoek in Neufchâteau te houden kon het Hof van Cassatie vermijden dat er aanzienlijke vertraging zou ontstaan door de transfer tussen parketten, zoals 2 jaar voorheen was gebeurd in de zaak-Cools.
Uitzichtloze situatie
"Het spijt me echt. Ik heb dit niet gewild. Het gevoel mag hier geen rol spelen. Maar ik kan niet anders dan de rechtsregels toepassen. Ik kan niet anders dan vragen onderzoeksrechter Jean Marc Connerotte te ontheffen van zijn taak.'' Procureurgeneraal Eliane Liekendael van het Hof van Cassatie zag gisteren geen andere weg De deelname aan een spaghettifeestje samen met en op uitnodiging van de burgerlijke partijen Sabine Laetitia en de vzw Marc en Corine gaf Connerotte een schijn van partijdigheid'' in de zaak Dutroux . Cassatie houdt zijn beslissing in beraad tot maandag. Een actie van Europese olijfboeren deed de zitting van het Hof van Cassatie een uur te laat beginnen. Meester Julien Pierre raadsman van Marc Dutroux zat vast in een lange file van Luik naar Brussel. De vraag die het Hof moest behandelen in onpopulair is rechter Jean-Marc Connerotte partijdig geweest door in te gaan op een uitnodiging voor een feestje van de vzw Marc en Corine één van de burgelijke partijen door een geschenk te ontvangen van de teruggevonden meisjes Sabine en Laetitia en door het bord spagetti dat hij kreeg niet te betalen.
De zitting met de raadsheren Stranard D'Haenens Marchal Jeanmart en procureurgeneraal Liekendael begon in een zenuwachtige sfeer. Ook de advocaten van Marc Dutroux en Michel Nihoul die de procedure in gang hadden gezet stonden op de tippen van hun tenen. Toen de vader van Mélissa Gino Russo een foto van Julie en Mélissa wilde overhandigen aan meester Pierre beet de raadsman hem toe : "Denk niet dat u zich alles kan permitteren''. De rijkswacht moest tussenbeide komen om de gemoederen te bedaren. "Voor de eerste keer weegt mijn job echt zwaar'', begon Liekendael. "Ik lees ook de kranten en hoor ook de commentaren van politici. Er is een verbroken evenwicht tussen recht en gevoel in deze zaak. Ook ik ben zeer zwaar geschokt door de feiten die de voorbije weken aan het licht kwamen. Ik weet ook dat het verdriet van de families het verdriet is van een heel land. Maar ik ben geen woordvoerder van het sentiment.''
Procureur-generaal Liekendael maakte een onderscheid tussen de gemoedstoestand van het publiek en de rechtsregels. "Als ik het gevoel moet volgen dan laat ik Connerotte voortspeuren. Maar al wie hier de deur binnenstapt moet zijn gevoel achterwege laten. Dat is eigen aan de rechtstaat. Mijn enige taak is de rechtsregels toe te passen.'' Ik hoorde een eminente professor van de ULB die om een creatieve oplossing vroeg. Ik hoorde eerste minister Jean-Luc Dehaene die smeekte om inventiviteit.'' Ik heb een andere oplossing gezocht echt. Maar ik heb ze niet gevonden'', sprak een duidelijk geëmotioneerde procureur-generaal Liekendael. "De advocaten van Dutroux en Nihoul konden kiezen tussen wraking van de onderzoeksrechter of hem in wettige verdenking van partijdigheid stellen. Ze kozen voor de laatste minst zware beschuldiging. Maar in deze zaak zijn er zelfs redenen voor wraking", stelde Liekendael onomwonden.
"Dus moet ik vragen Connerotte te ontheffen van het onderzoek. Ik kreeg vele brieven van bezorgde burgers die me oplossingen voorschotelden. Iemand stelde voor een tweede onderzoeksrechter aan te wijzen naast Connerotte. Of een raadsheer van het Hof van Cassatie aan te wijzen die hem moet controleren", aldus Liekendael. "Ik wil wel maar ik kan niet. Er bestaan geen rechtsregels voor. Er zijn vier mogelijkheden. Ik kan vragen een andere onderzoeksrechter in Neufchâteau met het onderzoek te gelasten zodat het dossier in Neufchâteau kan blijven. Geen goed idee want Bourlet hangt te zeer samen met Connerotte zodat de schijn van partijdigheid ook voor de procureur geldt. Ook kan het dossier naar een ander parket worden overgeheveld. Of kan men beslissen de zaak naar een ander rechtsgebied te brengen bijvoorbeeld naar Brussel. Ten slotte kan gekozen worden voor een splitsing het autozwendelluik naar Brussel verhuizen waar men ervaring heeft met dergelijke onderzoeken en het ontvoerings en pedofilieluik naar Charleroi brengen."Procureur-generaal Eliane Liekendael kwam er gisteren dus zelf niet uit. Ze vroeg tot slot aan het hof een periode van reflectie in acht te nemen. De eerste voorzitter Oscar Stranard zei uitspraak te zullen doen op maandag 14 oktober.
- Procureur-Generaal Eliane Liekendael
De Witte Mars
De uitspraak op maandag 14 oktober deed het land tuimelen van verbazing, ongeloof en wantrouwen. De rechters werden "wereldvreemd" genoemd. Zes dagen later, op zondag 20 oktober, werd de Witte Mars gelopen door 300.000 mensen. Op 20 oktober trokken zo'n 300.000 mensen door de straten van Brussel. Deze optocht werd de witte mars genoemd. Nog nooit was er in Brussel zoveel volk ineens op straat gekomen. Iedereen had iets wits bij zich: een ballon, een mantel, ... Sommigen hadden zelfs hun gezicht wit geschilderd. Het wit was als kleur van de hoop bedoeld als een symbolisch teken, deze symboliek was gegroeid na het witte verschijnen van Koningin Fabiola op de begrafenis van haar echtgenoot. Met de mars wilde de Belgische publieke opinie aangeven dat er iets moest veranderen in België en dat het gerecht en de politie meer aandacht moesten besteden aan 'het kind'.
Na de Witte Mars
Na de betoging werden overal in België zogenaamde "witte groepen" of "witte comités" opgericht. Zij kwamen naderhand samen in Neufchâteau om de Witte Mars te herdenken. Ze waren met zo'n 6500, waaronder de ouders van vermiste en vermoorde kinderen. De witte comités hadden veel kritiek op de toenmalige premier Jean-Luc Dehaene, omdat de schuldigen nog steeds niet waren gestraft. De nawerking van de Witte Mars bleef echter niet even sterk. Tijdens de parlementsverkiezingen van 1999 waagde Paul Marchal, de vader van de vermoorde An, zich in de politiek. Hij richtte een eigen politieke partij op, maar zonder veel succes. Ook het aantal aanwezigen bij acties van de "witte comités" ging geleidelijk achteruit. Ook kwam er kritiek op de witte marsen, schrijver Tom Lanoye noemde de marsen in zijn roman Zwarte Tranen een gezellig massagebeuren voor de hele familie.
| Meer » Michel Nihoul | X-Dossiers |
Onderzoeksrechter Langlois
Er waren nog een paar dingen die we niet wisten over hem
Langlois was in de jaren tachtig razend actief bij de Franstalige christen-democratische PSC. In zijn gemeente Etalle werd hij in 1988 verkozen tot gemeenteraadslid. Hij kandideerde op de PSC-lijst voor de provincieraad en was arrondissementeel PSC-voorzitter in Virton, de gemeente van oud-PSC-minister Joseph Michel. Volgens Langlois' eigen politieke medestanders in de provincie Luxemburg was Michel zonder meer zijn politieke mentor en was hij het die in 1993 zijn benoeming als magistraat bewerkstelligde. Daar is op zich niets bijzonders aan, want elke magistraat in dit land heeft een politieke kleur. Bijzonder wordt het wel als blijkt dat Joseph Michel in 1978 als minister van Nationale Opvoeding met succes tussenbeide kwam om Dutroux-verdachte Michel Nihoul tegen de uitdrukkelijke wil van de bevoegde ambtenaar bij Justitie uit de gevangenis van Sint-Gillis te halen. Een paar jaar later dook Nihoul in Brussel op als organisator van electorale campagnes van politici van de Cepic. Cepic was de ultrarechtse vleugel van de PSC, waar Michel zich in 1972 toe bekeerde.
Bijzonder wordt het ook als de als onderzoeksrechter vrij onervaren Langlois - het dossier-Dutroux is zijn eerste grote dossier - in Neufchâteau voor een primeur in het Belgische rechtswezen zorgt. Hij staat er met getrokken messen tegenover de procureur, Michel Bourlet. Die eist in zijn rekwisitoor de doorverwijzing van Nihoul naar het assisenhof, aan de zijde van Dutroux en consorten. Hoewel zijn rol zich in dit stadium van het onderzoek hoort te beperken tot het objectief rapporteren over zijn dossier eist Langlois, op basis van hetzelfde dossier, dat iedereen voor eens en voorgoed zou aanvaarden dat Nihoul onschuldig is. Het is in een gemoderniseerde rechtsstaat gezond dat de onderzoeksrechter méér doet dan in de rechtszaal beaat te zitten herhalen wat het openbaar ministerie al heeft gezegd. De onderzoeksrechter hoort autonoom te rapporteren over zijn dossier.
In tegenstelling tot de procureur vertegenwoordigt hij niets of niemand. Langlois drijft het in zijn streven naar zelfstandigheid wel heel erg ver. Deze week onthulde Journal du Mardi een brief waarin Bourlet op 12 januari 2000 droogjes beschrijft: "Op 12 september 1997, rond 16.30 - 17.00 uur zijn de heren Brewaeys et Deliège van Le Soir Illustré in mijn bureel binnengekomen om mij te groeten. Ze waren uitgenodigd op een vergadering met onderzoeksrechter Langlois, majoor Guissard en misschien nog andere personen in de ondergrondse ruimte van het justitiepaleis van Neufchâteau, terzelfder tijd als hun collega Gérard Rogge van het RTBF-programma Au nom de la loi. Het was zonder twijfel een vergadering om een en ander op punt te zetten voor de uitzending van Au Nom de la Loi. Als persmagistraat was ik hiervan niet op de hoogte, en ook (eens te meer) niet uitgenodigd op deze vergadering.' De publicatie van de brief leidde deze week tot heel wat commotie. Zeldzaam waren echter de media die melding maakten van de brief. Het waren De Morgen en Journal du Mardi die "beweerden" dat er zo'n vergadering was geweest.
De obsessie van sommige gerechtsjournalisten om de lezer te kunnen garanderen dat er niets van klopte, was soms ontroerend. In de brief van Bourlet staat duidelijk dat de vergadering plaatsvond in de sous-sol van het justitiepaleis. Luidens een bericht in La Libre Belgique was dat niet juist en ging het om 'un entresol', een tussenverdieping. RTBF-journalist Gerard Rogge kon in Ter Zake dan weer onthullen dat het om een "gewone vergaderzaal" ging. Volgens de strafwet mag een onderzoeksrechter onder geen beding praten met journalisten. Dat het in de alledaags praktijk wel eens durft te gebeuren, zal niemand verbazen, maar journalisten uitnodigen voor vergaderingen en - zoals uit andere nota's blijkt - artikelen voor publicatie nalezen en correcties suggereren, is zowat het summum van wat wordt verstaan onder een fatale schending van het geheim van het onderzoek. De uitzending van Au Nom de la Loi, vijf dagen na de vergadering, was zonder meer een keerpunt in de perceptie van de zaak-Dutroux bij de publieke opinie. Het was het startpunt van een heuse campagne in nagenoeg alle Belgische media die de bevolking moest verzoenen met de 'zekerheid' dat er geen sprake was van 'netwerken' of 'protectie' en dat Nihoul onschuldig is.
Een bord spaghetti
Jacques Langlois kreeg de leiding over het dossier-Dutroux op 14 oktober 1996, na het veel besproken spaghettiarrest van het Hof van Cassatie. Onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte werd toen van het dossier-Dutroux gehaald omdat hij aanwezig was op een benefietavondje van de vzw Marc et Corinne in Bertrix, waar ook de uit Dutroux' kelder bevrijde Sabine Dardenne en Laetitia Delhez aanwezig waren. Cassatie beoordeelde dat als een "gewettigd vermoeden van partijdigheden", zoals de advocaten Julien Pierre van Marc Dutroux en Virginie Baranyanka van Michel Nihoul hadden aangevoerd.
Nogal wat waarnemers fronsten destijds de wenkbrauwen bij het door procureur-generaal Eliane Liekendael gebezigde argument dat een onderzoeksrechter geen blijk mag geven van sympathie voor deze of gene 'partij', weze het nu de verdachte(n) of de burgerlijke partij(en). "De mensen bij Cassatie begrijpen blijkbaar niet dat als sympathie voor de slachtoffers niet toegelaten is, men nergens nog een 'objectieve' jury zal vinden, tenzij men gaat zoeken naar de ergste psychopaten en emotieloze monsters", stelde bijvoorbeeld moraalfilosoof Etienne Vermeersch. In zijn boek Nom de Code Neufchâteau citeerde journalist Eric Rydberg nog een hele rits eminente juristen die de uitspraak van Cassatie "een wel erg ruime interpretatie van de wet" noemden.
Connerotte wegsturen kon, aldus Rydberg, na het doorworstelen van alles wat er in de loop der jaren aan juridische analyses verscheen over het spaghettiarrest. Maar, besloot hij: "Met een net zo ruim vermogen tot interpretatie had men het omgekeerde kunnen besluiten en Connerotte voort laten doen." Onzin, zo betoogde Pierre Ghislain op 22 december 1999 in een naar aanleiding van zijn pensionering verschenen interview in Le Soir. Ghislain zat eind 1996 midden in de drukte. Hij was toen raadsheer bij het Hof van Cassatie en stond er bekend als vertrouwenspersoon van procureur-generaal Eliane Liekendael, die hem wel eens om raad kwam vragen over netelige dossiers. "Het simpele contact tussen de onderzoeksrechter en een burgerlijke partij legitimeerde de verdenking", aldus Ghislain in Le Soir. En normaal, zei hij, had het hele dossier moeten worden weggetrokken uit Neufchâteau.
"Het was een primeur dat alleen de onderzoeksrechter van de zaak werd ontheven." Pierre Ghislain was in oktober 2000 lijsttrekker voor de PSC in Neufchâteau en zetelt er vandaag in de gemeenteraad. Hij wordt in zijn eigen streek omschreven als een goede vriend van oud-minister Joseph Michel. Het spaghettiarrest werd uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer bij het Hof van Cassatie, Oscar Stranard, een hoge magistraat met een uitgesproken PSC-etiket. En procureur-generaal Liekendael? Driemaal raden. Het spaghettiarrest liet procureur Bourlet dus buiten schot, maar stipuleerde wel nauwgezet wat er moest gaan gebeuren: "Dat het aan de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Neufchâteau staat om, overeenkomstig artikel 80, eerste lid, van het GerW., een werkend rechter aan te wijzen ter vervanging van de voortaan verhinderde onderzoeksrechter."
Een nieuwe onderzoeksrechter
De voorzitter van de rechtbank in eerste aanleg te Neufchâteau is Francis Moinet (PSC). Hij stelde in eerste Jacques Langlois (PSC) aan als nieuwe onderzoeksrechter en vervolgens, ter versterking, een tweede. Het ging om Dominique Gérard (PSC). Kon de PSC voorzien dat Connerotte in de avond van 21 september 1996 deel zou nemen aan die dekselse spaghettiavond in Bertrix? Natuurlijk niet. Hadden sommigen binnen de partij in dat heftige najaar redenen om zich ongerust te maken over de evoluties in het onderzoek zoals Connerotte dat tot dan toe voerde? Je zou denken van wel. Er lagen plannen klaar voor een huiszoeking in het hoofdkwartier van de partij in de Tweekerkenstraat in Brussel, om na te gaan voor welke politici Nihoul in de jaren tachtig zoal campagnes organiseerde.
Connerotte had in de marge van het dossier-Dutroux het nevendossier 111/96 geopend. Hoofdverdachte was de Ukkelse advocaat-politicus Jean-Paul Dumont, jarenlang voorzitter van de PSC-jongeren en actief militant bij de Cepic. Dumont liet zich in de jaren tachtig op Brusselse feestjes wel eens fotograferen aan de zijde van Michel Nihoul. Tijdens een huiszoeking in de woonst van Nihoul (proces-verbaal 38.679, gerechtelijke politie Brussel, 24 oktober 1996) werd een deel van de correspondentie teruggevonden tussen Nihoul en Philippe Maystadt (PSC), die ten tijde van het exploderen van het dossier-Dutroux minister van Financiën was.
Maystadt maakte samen met Nihoul deel uit van de bierdrinkersclub Confrérie des Brasseurs. Nihoul sprak dit gepriviligeerde 'contact' aan voor een 'interventie' ten gunste van een bevriende en met zware schulden bij de fiscus kampende zakenman. Tegenwoordig heet de PSC CdH en de voorzitster Joëlle Milquet. Hoewel ze zowat symbool staat voor de metamorfose die de PSC de laatste jaren onderging, reageerde zij deze week zonder meer woest op de onthullingen in deze krant over het politieke verleden van Langlois. "Waanzin", noemde ze het. Het is maar wat je waanzin noemt. Op 27 maart 2000 vindt Michel F. deze brief tussen zijn ochtendpost: "Mijnheer. Ik stuur u deze brief als uitnodiging (...) voor het forum met als thema 'Gelijkheid tussen ouders of het recht van de kinderen om over beide ouders te beschikken.'
35 forums van dit type vinden plaats, overal in Wallonië en Brussel. Door deze ruime opening naar de burgers toe, wensen wij ons oor te luister te leggen bij iedereen, u te ontmoeten en u de gelegenheid te geven deel te nemen aan het debat (...). Ik heb het plezier u bijgevoegd een uitnodiging op te sturen voor onze ontmoeting op 1 april 2000 te Houffalize. Met de meeste hoogachtend. Joëlle Milquet." Pogingen tot het bekomen van wat uitleg bij Milquet genereerden gisteravond enige nervositeit op het partijhoofdkwartier, waar woordvoerder Alain Raviard meteen een aantal kaderleden aan het werk zette om een en ander uit te zoeken. Of we in afwachting wilden noteren dat de partij het "zonder meer grotesk vindt dat ze er impliciet van wordt beschuldigd Nihoul te beschermen". Wat bij deze is gebeurd.
Was het dan toch Michel F.?
Toen Marc Dutroux beweerde dat hij Julie en Mélissa nooit seksueel misbruikte, werd hij voetstoots geloofd door onderzoeksrechter Langlois. Paul Marchal herinnert zich levendig hoe Langlois tijdens een onderhoud met grote overtuiging poneerde dat het "materieel onmogelijk" is om met een volwassen penis de vagina van een kind te penetreren. Toen Dutroux beweerde dat de twee meisjes nog leefden toen hij ze in maart 1996 uit zijn kelder haalde, werd hij geloofd door Langlois. Volgens hem is het "mogelijk" dat twee kinderen van acht 103 dagen lang met slechts proviand voor hooguit twee maanden (dixit Dutroux) en onder wekenlange vriestemperaturen tot min 8 graden overleefden.
Toen onder druk van de ouders van Julie en Mélissa een reconstructie werd gehouden van de ontvoering, hoefde Dutroux daar van Langlois niet bij aanwezig te zijn, aangezien hij ook op dit punt geloofde wat Dutroux zei. Er is één essentieel punt waarop Langlois Dutroux niet gelooft. Zelf heeft hij geen idee wie het dan wel deed, maar dat Michel F. de ontvoerder van Julie en Mélissa was, dat weigert hij te geloven. Georges Frisque was op 1 april 2000 aanwezig op het forum van de PSC over de kinderrechten in Houffalize. "Ik stond erbij toen Michel F. handjes ging schudden en zo welkom werd geheten door Joëlle Milquet. Ik weet niet hoe die vent het in zijn hoofd haalde om daar plots de grote Jan uit te hangen, maar hij leek me niet weinig trots."
Infiltrant, pion of agent van de Staatsveiligheid
Dat Frisque aanwezig was, is geen toeval. De man is overal aanwezig waar hij denkt iets te kunnen vernemen over de zaak-Dutroux, of zoals hij zelf stelt: "De zaak-Nihoul". Frisque correspondeert ook persoonlijk met Dutroux. Sommigen dichten hem de rol toe van infiltrant, pion van de zwarte baron Benoît de Bonvoisin of agent van de staatsveiligheid. Als dat laatste het geval is, laten zijn benepen flat en zijn aftandse schrijfmachine in de Wérystraat te Elsene toe te stellen dat dat niet echt een lucratieve bezigheid is. "Ik communiceer met iedereen, maar werk alleen voor mijzelf", zegt Frisque.
"Ik ben uit op revanche." Begin jaren tachtig was Frisque een veelgevraagd ingenieur voor medische infrastructuur. Zo raakte hij betrokken bij het vooral door de Luikse PS bevroede ziekenhuisproject Centre Médicale de l'Est (CME) in Luik. Het zou hem een paar maanden cel opleveren. Zijn advocate was Annie Bouty, toen de partner van Nihoul, die zelf de rol van 'pr-man' voor CME op zich had genomen. Bouty werd echter verliefd op hoofdarts Jean-Marie Guffens. In een opwelling van amoureuze wraak muisde Nihoul er van onder met 5 miljoen frank, bestemd als smeergeld voor politici. Het CME-ziekenhuis zou uiteindelijk nooit worden gebouwd. Frisque en enkele anderen bleven achter met een geruïneerde loopbaan en een berg schulden. En, zegt Frisque: "Een deel van het door Nihoul verdonkeremaande geld kwam terecht bij de Luikse advocaat Georges Dehousse."
De werkgever van Michel F.?
Frisque: "Precies. Al sinds 1996 tracht ik duidelijk te maken dat het toch wel een gigantisch toeval moet zijn hoe de zaak-CME en de ontvoering van Julie en Mélissa elkaar raken via Nihoul. Toen ik deze week vernam dat Langlois vijf dagen voor die uitzending van Au Nom de la Loi heeft zitten vergaderen met de makers, kreeg ik zowat een hartaanval. Kijk (scharrelt in wat documenten), hier is de brief die ik op 27 september 1997, tien dagen later, naar de RTBF stuurde. In de reportage werd met grote stelligheid geponeerd dat uit het onderzoek 'onomstotelijk was gebleken' dat Nihoul geen geheime Zwitserse rekening bezit. Dat is belangrijk, aangezien die rekening gebruikt werd voor het wegmoffelen van het CME-smeergeld. Ik voegde aan de brief het bewijs toe van de opening van de rekening D5-942.276.0 bij de Société de Banque Suisse. Hier, kijk: 'Genève, 18 oktober 1982.' Getekend: Michel Nihoul, Troonstraat 16 te Brussel. Ik heb dit document, meer dan één keer al, naar Langlois opgestuurd. Als nu blijkt dat hij mee ten grondslag lag aan die reportage, dan is minstens bewezen dat hij bewust de boel heeft zitten te manipuleren."
Kan het niet gewoon toeval zijn dat F. bij Dehousse werkte?
"Dat kan, maar mag ik opmerken dat het alibi voor F. op 24 juni 1995 is verstrekt door Dehousse? Ik kom Michel F. verder tegen in een opvangtehuis voor kinderen, dat mee wordt bestuurd door lieden van de Brusselse Cepic. Dezelfden voor wie Nihoul electorale campagnes verzorgde."
Navraag bij de CdH leidt plots tot twijfels of de uitnodiging voor de bijeenkomst in Houffalize wel 'authentiek' is. "Er klopt iets niet met de handtekening van Milquet", zegt Raviard, nadat we een kopie hebben gefaxt. "En ook niet met de plaats van de datum op het briefpapier. Voor zover we nu, vrijdagavond, kunnen nagaan, zijn er voor dat forum ook geen gepersonaliseerde uitnodigingen verstuurd." Honderd procent zekerheid dat het om een vervalsing gaat, kan Raviard niet geven. "U komt hier ook erg laat mee aanzetten. Als zou blijken dat het om een echte brief gaat, dan weze het duidelijk dat het hier gaat om een schrijven uit-de-duizenden, dat is gericht aan alle vzw's in de Franstalige Gemeenschap die actief zijn op het domein van kinderrechten." Even later hangt Christian De Bast aan de lijn, kabinetschef van Joëlle Milquet.
Zo erg zeker dat de brief vals is, is hij niet. "Wat zou kunnen, is dat er briefpapier van de partij gebruikt is door mensen die bij de organisatie van dat forum betrokken waren." Raviard wil nog meegeven dat "als het zou kloppen" dat F. gezellig mee kwam debatteren over de houding van de PSC ten aanzien van kinderrechten, "dient te worden onderstreept dat de CdH zich van dit personage wenst te distantiëren". En dat de CdH "op geen enkele wijze protectie heeft verleend aan leden van de bende Dutroux of aan Michel Nihoul". Waarvan nogmaals akte. Was Michel F. de ware ontvoerder van Julie en Mélissa? Volgens Marc Dutroux wel, en volgens vader Jean-Denis Lejeune zou het wel eens kunnen dat Dutroux op dit ene punt de waarheid spreekt.
| Meer » Staatsveiligheid | CEPIC | Michel Nihoul | X-Dossiers |
Marc Toussaint
Schietpartij voor huis Marc Toussaint
Ex-rijkswachter Marc Toussaint zegt dat zijn huis beschoten is met een riotgun. Toussaint wordt door het Brusselse parket beschuldigd van 'heling' van computerdiskettes met daarop het complete dossier over de nevenonderzoeken van de zaak-Dutroux. In datzelfde verband werd op 26 juni PS-kamerlid Patrick Moriau verhoord door de Brusselse onderzoeksrechter Pignolet.
In de nacht van woensdag 24 juni op donderdag 25 juni hebben onbekenden in Ottignies schoten afgevuurd op een woning die paalt aan die van de gewezen rijkswachter MarcToussaint. In hetzelfde huis verrichtte het Brusselse parket eerder deze maand een huiszoeking binnen het kader van een onderzoek naar lekken uit de nevendossiers van de zaak-Dutroux. Op de computer van Toussaint werden sporen aangetroffen van diskettes die een volledige samenvatting van de Neufchâteau-onderzoeken bevatten. Marc Toussaint (33) was tot zijn ontslag bij de Ukkelse brigade van de rijkswacht, eind vorig jaar, actief in de speurtocht naar de daders van overvallen op geldtransporten.
Tegenover de commissie-Verwilghen maakte hij begin dit jaar, achter gesloten deuren, gewag van een mogelijk verband tussen ex-leden van de Bende Haemers-Lacroix en het milieu rond Michel Nihoul. Maar naarmate hij dichter bij de waarheid kwam, zei Toussaint, kreeg hij moeilijkheden met zijn oversten. De laatste maanden was MarcToussaint erg actief binnen de witte beweging en een aantal aanverwante initiatieven. Hij was het die een tentje opstelde voor het gebouw van de generale staf van de rijkswacht om het ontslag van luitenant-generaal Willy De Ridder te bepleiten. Hij verrichtte ook graafwerken bij een Brusselaar die zei dat men in zijn tuin lijken had begraven en justitie hem nooit ernstig wou nemen.
De schietpartij vond woensdagochtend om 2.00 uur plaats. Er werden twee kogels afgevuurd, vermoedelijk met een riotgun. Niemand werd geraakt. Schade is er wel in het huis van de buren: er werd een ruit aan diggelen geschoten en enkele tegels barstten uit elkaar. Getuigen zagen twee mannen wegrijden. Toussaint is ervan overtuigd dat hij werd geviseerd, aangezien zijn auto voor het huis van de buren geparkeerd stond en de huisnummers (18 en 19) op elkaar lijken. Bij de rijkswacht van Ottignies is men daar niet zo zeker van: "Er zijn schoten afgevuurd, dat klopt, maar uit niets blijkt dat er een verband is met de affaires waar mijnheer Toussaint in verwikkeld is." De ex-rijkswachter wordt vanwege de diskettes door de Brusselse onderzoeksrechter Jacques Pignolet beschuldigd van "heling".
Lekkenonderzoek
Datzelfde overkwam inmiddels ook Marc Reisinger, psychiater en voorzitter van de vereniging Pour la Vérité. Reisinger geniet onder meer bekendheid vanwege zijn strijd, via een proefproces bij de Raad van State, voor de legalisering van methadon als hulpmiddel voor heroïneverslaafden. Bij Reisinger werd op 16 juni een huiszoeking verricht. Ook op zijn computer werden sporen aangetroffen van de diskettes. Volgens Reisinger is het Brusselse parket zeer ongerust over het vrij circuleren van deze onderzoeksgegevens omdat ze aantonen dat het onderzoek rond de getuigenissen van Regina Louf (X1) de afgelopen maanden is vervalst. Hij zegt te kunnen bewijzen dat het zonder gevolg afsluiten van de onderzoeken gebaseerd is op 'bijgewerkte' proces-verbalen van de verhoren van X1.
Bij Reisinger werd ook een videocassette aangetroffen van een fuif in een Brusselse seksclub waarop behalve Michel Nihoul ook enkele leden van de gerechtelijke politie en de rijkswacht te zien zouden zijn. Reisinger zegt dat hij de cassette kocht van de vroegere uitbater van de seksclub en ze overmaakte aan het parket in Neufchâteau - wat ook blijkt te kloppen. (Voor een goed begrip: de cassette laat enkel de bar en het onder luid gelach aansnijden van een verjaardagstaart in de vorm van een kolossale penis zien, meer niet.) Indien de beschuldiging van heling hard kan worden gemaakt voor een rechtbank, riskeren Reisinger en Toussaint zware straffen. Sinds een recente aanpassing van artikel 505/1 van de strafwet (20 mei 1995) worden voor heling straffen voorzien van 15 dagen tot 5 jaar cel en boetes die kunnen oplopen tot 20 miljoen frank.
Nog in verband met het lekkenonderzoek volgde gisteren dan het verhoor van PS-kamerlid en gewezen lid van de commissie-Verwilghen Patrick Moriau. Een deel van de bij Reisinger aangetroffen documenten komen van bij hem. Patrick Moriau bevestigde dat. Hij is zelf, net als Marie-Noëlle Bouzet (moeder van de vermiste Elizabeth Brichet) lid van Pour la Vérité, en legde Pignolet uit dat de organisatie tot doel heeft kennis te vergaren over een aantal onopgehelderde criminele affaires, daar waar justitie daar zelf niet in lijkt te slagen. Moriau wees erop dat hij daarbuiten, als commissielid, de parlementaire plicht had om zich in deze zaken te verdiepen. Naar aanleiding van een andere uitloper van het onderzoek-Pignolet, de doorverwijzing van GP-inspecteur Eddy Suys naar de correctionele rechtbank, verklaarde ex-commissievoorzitter Marc Verwilghen deze week dat het Brusselse parket druk doende lijkt om een aantal "rekeningen te vereffenen". Het parket werd zelf met de vinger werd gewezen in het eerste commissierapport Daarin werd procureur Benoît Dejemeppe onbekwaamheid verweten. Het is Dejemeppe die Pignolet aan het werk zette.
|
Bron » De Morgen | Douglas De Coninck | Juni 1998 Meer » Bende Haemers | Michel Nihoul | X-Dossiers
|