Het leven van Marc Dutroux

Monster of zielenpoot?

Marc Dutroux, de man die vandaag door het leven gaat als 's lands gevaarlijkste crimineel, ziet het levenslicht op 6 november 1956 in Elsene. Het gezin Dutroux telt vijf kinderen, vier jongens en één meisje. De jonge Marc valt amper op tussen zijn levendige broers. Hij is een stille jongen, teruggetrokken, geïsoleerd, met opvallend weinig speelkameraadjes. Moeder is huisvrouw. De officiële vader Dutroux - want Marcs natuurlijke vader is een kortstondige minnaar van zijn moeder, voor haar huwelijk - is gevechtspiloot tijdens de tweede wereldoorlog, gaat een tijdje lesgeven in het lager onderwijs van Charleroi en besluit dan midden jaren vijftig zijn fortuin te gaan zoeken in de kolonies. Het gezin verhuist samen naar Congo, tot vader enkele jaren later beslist om zijn gezin in veiligheid te brengen in ons land omwille van de aanhoudende onlusten.

De familie Dutroux zet midden jaren zestig opnieuw voet op Belgische bodem, maar zal niet lang meer een gezin zijn. Eind jaren zestig gaan vader en moeder Dutroux uit elkaar. Zij krijgt de kinderen toegewezen. Het is allemaal beginnen fout lopen bij de thuiskomst uit Congo. Vader Victor gaat lijden aan depressies, verliest om de haverklap zijn baan en samenleven wordt dan ook onmogelijk. Pa Dutroux raakt na de scheiding op de dool, trekt zich terug op een camping in Middelkerke, niet ver van de plek waar An en Eefje verdwenen, komt later in Gent terecht. Moeder Jeanine vindt onderdak in het Waalse Obaix, een baan, een nieuwe echtgenoot. Maar gemakkelijk hebben ze het niet, dit nieuwe gezin. Het leven van moeder en kinderen Dutroux wordt voortaan getekend door armoede en onenigheid.

Breuk

Marc Dutroux groeit op, samen met zijn drie broers en een zus, in het nieuwe gezin van zijn moeder. Maar hij aardt niet in dit bestaan, heeft voortdurend woordenwisselingen met moeder en stiefvader, is rebels. Hij wordt dan ook van de ene school naar de andere gestuurd tot ze hem in de jaren zeventig - schijnbaar uit wanhoop - op de beroepsschool van Nijvel een diploma in handen duwen. Aan het diploma is een belofte gekoppeld: de onderwijzers willen Marc Dutroux volgend jaar niet meer binnen de schoolpoorten zien. Hij is afgestudeerd als elektricien en die heuglijke gebeurtenis doet hem besluiten definitief te kappen met zijn moeder. Hij zegt vaarwel aan het ouderlijke huis en zal moeder Jeanine pas terugzien in 1989, als hij terechtstaat voor vijf verkrachtingen van jonge kinderen.

Ritselaar

Nadat hij Obaix resoluut achter zich heeft gelaten, begint Marc Dutroux aan zijn lange zwerftocht langs Waalse dorpjes, van het ene huis naar het andere. Hij worstelt zich door een reeks baantjes, maar is vaker werkloos dan werkend. Zijn naam duikt vanaf dat moment ook stelselmatig op in het criminele milieu, als iemand die wel iets kan ritselen maar hij ontspringt telkens de dans. Dutroux zal twee keer trouwen. Zijn eerste vrouw, met wie hij twee kinderen heeft, spreekt van mishandeling, slagen en angst, zeven jaar lang. Zijn partner in liefde en misdaad vindt hij in 1982. Michèle Martin is geboren in Waterloo, op 15 januari 1960. Ze is nog geen zes jaar als ze haar vader verliest in een verkeersongeval waarbij ze zelf een schedelbreuk oploopt. Vanaf dat moment wordt Michèle volledig van de buitenwereld afgeschermd, door een moeder die bang is ook haar enig kind te verliezen. Ze studeert voor schooljuffrouw, behaalt in 1981 haar diploma en leert dan Marc Dutroux kennen op de schaatsbaan van Vorst. Op haar 22ste gaan ze samenwonen, aan de Rue de Philippeville in Marcinelle, het latere gruwelhuis.

In 1988 trouwen ze, Michèle en Marc. Van het stadhuis gaat het enkele maanden later samen naar de beklaagdenbank van de correctionele rechtbank. Michèle en Marc Dutroux moeten terechtstaan voor de verkrachting van minderjarigen, enkele jaren eerder. In '89 verdwijnt het pasgehuwde koppel achter de tralies, hij voor dertien jaar, zij voor vijf. Zijn moeder, die Marc jarenlang niet heeft gezien, is aanwezig, de allerlaatste keer. Ze is bang, smeekt het gerecht zelfs hem in de cel te houden. En dan gebeurt wat niemand kan verklaren. Marc en Michèle Dutroux komen voorwaardelijk vrij. Ondanks het feit dat hij in de cel nooit ofte nimmer berouw zal tonen, ondanks een belastend, negatief verslag van procureur-generaal Demanet. Dutroux blijft hardnekkig zijn onschuld volhouden, noemt zichzelf slachtoffer. En toenmalig minister van justitie Wathelet tekent zijn vrijlating. Demanet kan zijn oren niet geloven, Dutroux is de koning te rijk. Het is dan 1992. Het vrijgelaten koppel vestigt zich in Sars-la-Buissière, krijgt drie kinderen.

Amper een jaar na zijn vrijlating laat een tipgever van de rijkswacht in Charleroi zich ontvallen dat Dutroux een van zijn huizen verbouwt tot een gevangenis, cellen voor kinderen, om hen naar het buitenland te verschepen. Het dossier Othello duikt op in de annalen. Een huiszoeking naar autozwendel wordt benut om de info over de kindercellen na te trekken. Het gerucht klopt maar er wordt niets gedaan. In 1994 volgt een nieuwe huiszoeking en de werken aan de huizen van Dutroux lijken stil te liggen. Reden genoeg voor het gerecht om de man ongehinderd te laten.

Het leven van Jean Van Peteghem

Als Bende-verdachte

Kort na de aanslag van de Bende van Nijvel in Aalst werden in Hamme, op 19 november 1985, twee verdachte sujetten opgepakt van wie werd gedacht dat ze wat met de Bende te maken konden hebben. Een van hen was Jean Van Peteghem, de toenmalige assisent-kinderontvoerder van Marc Dutroux. Als er ooit een tijd was waarin je als Belgische boef, zeker in de brede regio rond Aalst, beter even de straat meed, dan waren het de dagen en weken na 9 november 1985. Die avond had de Bende toegeslagen in de Delhaize van Aalst. Acht doden. Hele generaties herinneren zich hoe je in die tijd met je winkelkarretje langs met mitrailleurs gewapende agenten moest manoeuvreren, je in het vizier van scherpschutters winkelde of een simpel geval van autopech tot gevolg had dat een patrouille je, wapen in de aanslag, sommeerde uit te stappen en je benen te spreiden.

En zo, in de avond van 19 november 1985, bemerken rijkswachters André De Munck en Jean-Pierre Christians van de mobiele eenheid te Hamme omstreeks 23.15 uur een 'verdachte auto' op een veldweg langs rijksweg 60. Een Opel Ascona, met twee mannen erin. Een van hen duikt weg, wanneer hij de patrouille ziet komen. 'Het voertuig staat ongeveer 80 meter in deze wegel met het front naar de RW60, waaruit blijkt dat het er achterwaarts is ingereden', signaleren ze in hun proces-verbaal 1900/85. Ze vragen de mannen uit te stappen en zich te identificeren, wat zonder problemen gebeurt. Ze spreken allebei Frans, komen uit Charerloi en heten Patrice Morre en Jean Van Peteghem. Vreemd, vinden de rijkswachters, is dat de hele achterkant van de Opel is leeggemaakt, een beetje zoals bij de Golf GTI's van de Bende.

Vooraan bemerken ze een grote tas. Daarin zitten, aldus het pv: 'Sleutels, schroevendraaiers, tangen en andere werktuigen. Bij de tas liggen twee overalls en rubberen handschoenen. Door de aanwezigheid van die goederen zat de bijzitter in een uiterts oncomfortabele houding.' Verder: 'Onder de zetel van de passagier, Van Peteghem, treffen we een dolk aan van het type overlevingsmes. We vinden nog een groot springmes in zijn vestzak. Op onze vraag wat de reden van hun aanwezigheid daar is, antwoorden dat ze aan het uitrusten zijn. Dat ze van Antwerpen komen, alwaar ze de haven bezichtigd hebben en nu op hun terugweg naar huis zijn. Dat ze zuiver toevallig aan deze veldweg gestopt zijn.' Er zijn veel manieren om van Antwerpen naar Charleroi te rijden, maar Hamme ligt op geen enkel traject. Zodra hij de absurditeit van versie 1 inziet, schakelt Morre onder instemmend geknik van Van Peteghem over op versie 2. De weg ligt achter het atelier van autogarage Coulier.

Morre werkt als trucker bij de firma Tramac in Laneffe. Hij heeft daar niet zo'n beste reputatie. Hij is een brokkenpiloot eerste klas. Zijn truck is op 15 november voor reparatie afgeleverd bij Coulier in Hamme. 'Ik wou komen kijken hoe het stond met de reparatie', zegt de man nu. Ook versie 2 kan de rijkswachters niet echt overtuigen: 'Uit de opstelling van het voertuig en de gedragingen van betrokken hebben opstellers het sterke vermoeden dat de ware reden wel eens gans andere zal geweest zijn.' Het Opeltje lijkt anders niet meteen geschikt voor groot banditisme. Niet verzekerd, tot de draad versleten banden, verhakkelde uitlaat: 'Deze maakte veel lawaai en bij vertrek een grote stofwolk.' Toch wekken de vaststellingen de aandacht van de Delta-cel in Dendermonde, die naar de Bende speurt. Want wat voor lefgozer of idioot moet je zijn om tien dagen na de raid in Aalst in deze regio een kraakje te komen zetten? De gerechtelijke politie van Dendermonde stuurt het dossier onder hoofding 'verdachte handelingen' door naar Charleroi. Met de bede om 'huiszoekingen met toestemming te verrichten, om na te gaan of zij in het bezit zijn van vuurwapens of andere zaken die van nut kunnen zijn in het onderzoek betreffende de roofmoorden in het grootwarenhuis te Aalst op 9.11.85'.

Als kinderontvoerder

Op 14 december 1985 schaken Marc Dutroux, Jean Van Peteghem en Michelle Martin in Nalinnes de 19-jarige ULB-studente Axelle D. Op 18 december, vier dagen later, doet het trio het nog eens. Nu gebeurt het in Pont-à-Celles en is het slachtoffer de 15-jarige Elisabeth G. Als je het zo ziet, lijkt niet veel te hebben gescheeld of het Bende-onderzoek had de vroegtijdige val van Dutroux en co. ingeluid. Op 17 december, daags voor de ontvoering van Elisabeth G., is de gerechtelijke politie van Charleroi een hele dag lang adressen aan het afschuimen, hopend ergens een spoor van 'Bende-verdachten' Morre of Van Peteghem te vinden. Wat niet meteen lukt. Het duurt tot 20 en 23 december voor eerst Morre en dan Van Peteghem kunnen worden verhoord. Het zijn vluchtige verhoren, waarbij ze opnieuw absurde redenen opgeven voor hun aanwezigheid in Hamme, die nacht van de 15de november. De door Dendermonde gevraagde huiszoekingen worden niet uitgevoerd.

Pas op drie februari 1986 krijgen de speurders in Charleroi de kinderontvoerders te pakken. Als eerste van de drie gaat Van Peteghem over tot bekentenissen. In zijn woonst wordt nu wel een huiszoeking verricht. Een bloemlezing uit wat dat blijkens het pv 566/86 van de BOB van Charleroi oplevert: 'Een carnavalsmasker, een paar combat shoes, een bruine leren vest zonder mouwen ...' Toeval, ongetwijfeld, maar in 1986 kon je er voor minder problemen krijgen. De Bende gebruikte vaak carnavalsmaskers. Van de legendarische 'killer' is het dragen van een vest zonder mouwen een van de schaarse zekerheden. Het vergt veel fantasie om in de lome Van Peteghem een 'killer' te zien, maar veel wordt er in die dagen onder politiediensten niet gecommuniceerd. In het dossier-Dutroux vind je niets terug over zijn kortstondige status als Bende-verdachte, in het Bende-dossier ook al niets over kinderontvoeringen. Jean Van Peteghem overleed vrij kort na zijn vrijlating, op 3 september 1991, in het centrum van Luik.

Als dode

Jean Van Peteghem overleed, vrij kort na zijn vrijlating, op 3 september 1991. In het centrum van Luik was hij met zijn Derbi-brommertje tegen een stadsbus aangeknald, vier dagen nadat Dutroux zijn eerste 24 uren penitentiaire vrijheid werden gegund. Familieleden spreken tot vandaag over een 'gecamoufleerde moord', de buschauffeur denkt meer aan een 'wilde achtervolging' en zijn vroegere ondervrager bij de BOB van Charleroi kon er zich enkel over verbazen dat Le Petit kort voor zijn dood nog contact met hem opnam. Gek, want figuren als Van Peteghem stappen in regel nooit zelf naar de politie. Pro memorie, Dutroux werd in 1989 veroordeeld voor vijf ontvoeringen, wie de medeplichtigen waren bij de twee waar Van Peteghem niet bij was, bleef altijd een raadsel.

Meer » Aalst | Dendermonde

Lucien Vial

De ontvoering en de overdosis

Op 21 mei ontvoeren Lucien Vial, een wijnhandelaar uit Walcourt, en een zekere Paulo Di Giorgio twee jonge meisjes van 15 en 16 jaar, Laurence en Sylvie. Pascal Meunier, 24 jaar, ziet de ontvoering gebeuren en schreeuwt de ontvoerders toe dat hij de politie zal verwittigen en krijgt als antwoord van Di Giorgio: 'Pas maar goed op, ik weet u wel te vinden.' Wanneer Pascal Meunier in een café de politie wil bellen wordt hij voor gek verklaard en wordt hij gewaarschuwd, Lucien Vial heeft namelijk heel hoge contacten. Een van de meisjes slaagt erin Di Giorgio met een mes te verwonden. Vial is in slaap gevallen en de twee meisjes kunnen vluchten. 's Anderendaags worden zowel Lucien Vial als Di Giorgio gearresteerd. Na de arrestaties belt Meunier de rijkswacht voor een verklaring.

Twaalf dagen later is Meunier dood. In de nacht van 3 op 4 juni wordt Meunier dood teruggevonden voor de ingang van een discotheek in Charleroi. Uit de autopsie blijkt dat de jongeman aan een overdosis is gestorven. Maar op zijn lichaam zijn sporen van slagen zichtbaar. Zeven jaar na de feiten stellen speurders vast dat de foto's van het lijk van deze jongen nog steeds niet ontwikkeld zijn. Zijn ouders werden nooit verhoord. Vial, die zich ook schuldig heeft gemaakt aan verscheidene diefstallen, belandt nooit in de gevangenis. Nadien werd alleen Di Giorgio veroordeeld voor de ontvoering van de meisjes. In totaal brengt Vial zesenvijftig dagen door in psychiatrische instellingen. Hij staat op goede voet met de rijkswachtbrigade van Walcourt. Het is een publiek geheim dat een aantal rijkswachters voor hem in het zwart werkt.

Als andere rijkswachters de woning van Vial in de gaten willen houden, belt de wijnhandelaar naar de brigade van Walcourt om de nummerplaten van zijn bewakers te melden. Tijdens de operatie 'Roemense Dorpen' brengt een door rijkswachters bestuurde vrachtwagen van Vial kleren en levensmiddelen naar Roemenië. Op 31 mei 1995 wordt hij gearresteerd wegens 'illegale invoer' van jonge meisjes uit Oost-Europa. Een van deze meisjes is minderjarig. Hij verblijft drie dagen in de gevangenis. Vial en Dutroux worden, op het ogenblik dat Julie en Mélissa verdwenen zijn, samen gezien in een café in Charleroi. Vial en Nihoul kennen mekaar eveneens. In jaren tachtig wordt Nihoul gesignaleerd in de snackbar van Vial in de Martinibuilding aan het Rogierplein in Brussel. Nihoul heeft op dat ogenblik zijn vrije radio JMB in hetzelfde gebouw. En het toeval wil dat Vial en Nihoul als twee druppels water op elkaar lijken. Het is commandant Duterme zelf die onderzoeksrechter Langlois verbiedt om het spoor van Lucien Vial te volgen in de zaak Dutroux.

Meer » Michel Nihoul

De moord op Jean-Pol Taminiau

2 April 1995

Op 2 april 1995 rond vier uur 's ochtends, na een zoveelste telefonische tirade, zien ze hem in het café naar achteren lopen. Zijn vrienden merken hoe hij een automatisch pistool achter zijn broeksriem propt. Het laatste wat van Jean-Pol Taminiau wordt gezien, is stof dat opwaait wanneer hij wegrijdt met zijn Renault Clio. De volgende dag komt hij niet opdagen voor het middageten bij zijn moeder. De dag erna ook niet. De moeder van Jean-Pol doet een aangifte van zijn verdwijning bij het parket van Charleroi. Op 13 augustus 1996, toevallig ook de dag van de arrestatie van Marc Dutroux, ziet een schipper op het kanaal Brussel-Charleroi ter hoogte van Luttre een hompje vlees bovendrijven.

Hij vist het op en stelt tot zijn afgrijnzen vast dat het gaat om een menselijke voet. Een rechtervoet die, zo oppert de wetsdokter, al meer dan een jaar in het water moet hebben gelegen en van het bijbehorende lichaam is afgerukt door de schroef van een schip. DNA-onderzoek wijst de rechtmatige eigenaar van de voet aan, Jean-Pol Taminiau. Een verrassing is dat niet. Eerder, op 21 februari, is zijn Renault Clio al opgevist uit de Samber. Op amper 400 meter van het huis van Marc Dutroux, zo blijkt later.

De dood van Alexandre Gosselin

4 Juli 1995

Het is iets met steentjes in de borststreek geweest, of zoiets. In de dan nog anonieme Rue Daubresse in Jumet krijgen de buren in de zomer van 1995 van dochters Francine en Yvette te horen dat de operatie is mislukt en dat ze de lieve oude man nooit meer zullen zien. Een inwendige bloeding tijdens de operatie. Maar hun vader, zeggen ze, had toch een lang en mooi leven gehad. Alexandre Gosselin had in de jaren dertig een lapje grond gekocht in de toen nog niets dan levenslust uitstralende straat in het centrum van Jumet. Hij had er zijn eigen atelier opgetrokken en het huisje verbouwd. Alexandre Gosselin bezat twee huizen in de Rue Daubresse, het grote met het bijbehorende atelier en de houten chalet op nummer 67. Na de dood van zijn vrouw beslist Gosselin om zijn atelier te verkopen.

De koper heette Bernard Weinstein. De Fransman wordt tot vandaag door Marc Dutroux omschreven als 'de beste vriend die ik ooit had'. Ook al vermoordde Dutroux hem eind 1995 eigenhandig. 'Mijn vader is een natuurlijke dood gestorven', zegt Francine Gosselin. 'Er is geen enkel element dat me doet denken aan een verdachte dood. Het is niet in de operatiezaal dat figuren als Dutroux of Weinstein zullen toeslaan.' Toch denkt niet iedereen er zo over. Peter Rochow, een van de verdachten in het luik autozwendel van het dossier Dutroux en vader van een van de drie gegijzelde jongelui, was een oude kennis van Gosselin. Ook Dutroux kende hij en ook diens vaardigheden als self-made pillendokter. 'Alexandre Gosselin verkeerde in goede gezondheid, zowel fysiek als mentaal', zegt Rochow. 'Volgens mij had hij honderd jaar moeten worden. Als ik nu de evolutie in de zaak Weinstein-Dutroux zie, stel ik me vragen over de doodsoorzaak van mijnheer Gosselin.'

De dood van Bruno Tagliaferro

5 November 1995

Fijn, weer zo'n lastpost minder. Dat is het gevoel dat afstraalt van de eerste politierapporten over de dood van Bruno Tagliaferro. Hij was een van die vele knoeiers uit een van die duistere Henegouwse uithoeken wier voornaamste bezittingen uitgestald stonden op een door onkruid overwoekerd terrein. 'Natuurlijke dood', zo heeft de Naamse wetsdokter Servais op het C3-formulier ingevuld na een bezoekje aan de caravan in het midden van het terrein. Vermoedelijk een hartaanval, specificeert hij later. Het protest van de ambulanciers had hij samen met de ter plaatste gekomen speurder van de gerechtelijke politie van Charleroi weggewuifd. 'Zij vonden het helemaal niet lijken op een hartaanval', zegt weduwe Fabienne Jaupart later. 'Het viel hen op dat enkele kasten waren leeggemaakt en er niet een doosje of flesje meer in het medicijnkastje stond. De wetsdokter heeft niet eens een bloedstaal genomen. Dat heeft hij achteraf toegegeven tegenover de familie.'

Wat Jaupart achteraf nog het meest ergert, is de identiteit van de GP'er die als een van de eersten ter plaatse was gekomen. 'Het was George Zicot. Bruno kende Zicot en hij haatte hem.' 'Bruno had altijd een wapen in huis, om ons te beschermen. Hij vreesde te worden vermoord.' Door wie? Door de familie Tagliaferro, zegt Jaupart resoluut. Zijn hele leven lang bleef Bruno balanceren tussen haat en dankbaarheid voor zij die hem opvoedden en zijn in geldnood verkerende gezin af en toe wat toestopten. 'Het had geen zin om bij de politie van Sambreville klacht in te dienen', aldus Jaupart. 'De familie genoot bescherming, en niet alleen van Zicot.' Tijdens een van haar verhoren in Neufchâteau schetst ze het hele plaatje zoals zij dat ziet. Rond de familie zwermden figuren als Michael Diakostavrianos, de Griekse pedo-playboy die in het begin van het onderzoek-Dutroux een jaar lang in voorarrest zat als vierde hoofdverdachte. Jaupart was er rotsvast van overtuigd dat Michel Nihoul een vriend des huizes was bij de Tagliaferro's. Fabienne Jaupart liep tien maanden lang te verkondigen dat haar Bruno was vermoord, maar vindt pas in de zomer van 1996 gehoor. Onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte laat in september 1996 zijn lijk opgraven met het oog op een nieuwe autopsie. De autopsie van het lijk van Bruno Tagliaferro bevestigt de vermoedens van Connerotte.

In zijn stoffelijke resten worden hoge concentraties cyanide aangetroffen en aanvullend wetenschappelijk onderzoek in de labs van de FBI sterkt de vermoedens dat Tagliaferro is vergiftigd. Maar waarom? Fabienne Jaupart denkt het antwoord te kennen: 'Kort voor zijn dood heeft Bruno ontdekt dat hij betrokken was geraakt in een autozwendel die mogelijk verband hield met de ontvoering van Julie en Mélissa.' Later komt ze via eigen deductie tot een scherper beeld. De auto waarmee de twee meisjes volgens haar zijn ontvoerd, een Citroën AX, is kort daarna 'via via' afgeleverd op het terrein van haar man. Hij heeft het vehikel tot het laatste schroefje uit elkaar gehaald en wat restte verkocht als wisselstukken. Op de een of andere manier, denkt ze, is hij erachter gekomen waarom 'men' hem dit heeft gevraagd en is hij voor zijn leven beginnen vrezen. 'In september 1995 heeft hij me gezegd dat iemand hem ervoor had gewaarschuwd dat hij op de vijfde zou sterven.'

Meer » Michel Nihoul

De dood van Fabienne Jaupart

18 December 1998

Er zijn natuurlijk Iraanse demonstranten die aan publieke zelfverbranding doen, maar de doorsneezelfmoordenaar kiest doorgaans voor een dood zonder nodeloze pijn of overmatige schade aan zijn of haar omgeving. Als de hypothese van het Naamse parket de juiste is, dan hoort Fabienne Jaupart in een aparte categorie thuis. 'Wie zelfmoord pleegt, laat toch niet de wasmachine draaien en zet toch geen aardappelen op het vuur?', merkt de boezemvriendin van Fabienne Jaupart eind 2000 op voor de camera's van de Duitse zender ZDF. Het bed waarop de brandweer van het Waalse stadje Tamines op 18 december 1998 het half verkoolde lichaam van Fabienne Jaupart aantreft, is besprenkeld met methanol. Hoe het vuur is ontstaan, kan de expert niet zeggen. Met een aansteker, wellicht. Of een sigaret die de jonge weduwe zelf had opgestoken. 'We weten het niet, zo eenvoudig is dat', zegt de Naamse procureur Cédric Visart de Bocarmé. We hebben gezocht en we hebben geen bewijs van een misdrijf of dader gevonden. Het dossier is daarom zonder gevolg afgesloten.'

Politie-informant Claude Thirault, die zijn huisbaas Marc Dutroux in 1995 al als ontvoerder van Julie en Mélissa tevergeefs trachtte te verlinken bij de rijkswacht, zegt dat die eind 1995 had gesproken over ene Tagliaferro en op zoek was naar iemand die hem in ruil voor 50.000 frank kon omleggen. 'Ook de echtgenote van Tagliaferro moest eraan', herinnert Thirault zich. Reden genoeg, voor Connerotte, om Jaupart te laten beschermen. Een lokale rijkswachtpatrouille draait dagenlang rondjes in haar buurt, een speurder van de Brusselse BOB houdt zich 24 uur per dag paraat. 'Jaupart was doodsbang', zegt een toenmalige BOB'er. Na de dood van Tagliaferro is de toestand van Jaupart op alle fronten verslechterd. Ze lijdt aan mucovisidose en is beginnen leven zoals haar man in de laatste weken van zijn leven, opgejaagd en troost zoekend in alcohol en antidepressiva. Voelde ze zich even wat beter, dan ging ze zelf op onderzoek, wat inhield dat ze bars in Charerloi afschuimde en mensen aansprak die Bruno moesten hebben gekend. 'Het is daar', zegt haar broer 'dat ze heeft horen spreken over een auto die haar man zou hebben gedemonteerd, en die zou hebben gediend bij de ontvoering van de twee meisjes.' Van enig verder onderzoek naar de dood van Fabienne Jaupart wordt na januari 1999 niets meer vernomen.