Bedrijven van Nihoul : De visboer
Nihoul en de moord op Mendez
Eind 1989 komt Michel Nihoul vrij nadat hij was veroordeeld voor het gesjoemel met zijn vzw SOS Sahel. Hij begint met wat hij een 'groothandel in vis' noemt. Nihoul wordt nu de weldoener van de zeelui. In Zeebrugge ontmoet hij - althans volgens de originele versie van Nihoul - via de zus van Marleen De Cokere, "een visser die ervan droomt iemand tegen te komen die zijn visvangst zou verkopen aan restaurants". Ontroerd door deze droom "zoekt hij in boeken zoveel mogelijk informatie over maricultuur, aquacultuur, mosselkweek, oesterkweek en visteelt" en lanceert hij zich "als een oude zeerot op zoek naar mijn eerste klanten". Een nieuw bedrijf, een nieuwe techniek.
In januari 1990 richt hij de vennootschap DCN, De Cokere-Nihoul, op. Marleen wordt de 'zaakvoerder' en hij de verkoper. Marleen zegt later dat ze hierin geen enkele rol heeft gespeeld. Ze lag in die periode verschillende keren in het ziekenhuis. Omdat DCN geen opslagplaats heeft, rijdt Nihoul naar Zeebrugge om de goederen die telefonisch zijn besteld, op te halen. "Elke dag, om drie uur 's morgens", zegt Marleen vol bewondering. Hij komt dezelfde morgen nog terug om de restaurants te bevoorraden. In de namiddag zoekt hij nieuwe klanten. Het lukt allemaal zo goed dat "de kleine visser niet kan volgen". Marleen vindt dan een groothandelaar.
Een andere versie vinden we in het onderzoek naar corruptie ten laste van een netwerk rond de voorzitter van de beroepskamer in Gent, Jan Beirens. Die rechter zou geld hebben gekregen in ruil voor milde vonnissen. De rechtbank sprak hem vrij omdat ze de bewijzen onvoldoende achtte en de getuigenissen te vaag. Maar in het kader van datzelfde onderzoek arresteerde de politie de Brugse onderzoeksrechter Erik Denolf. Die zou documenten hebben doorgespeeld aan zijn vriend Gustaaf de Keyser. Deze 'visverkoper' is gespecialiseerd in het opzetten van spookfirma's waarmee hij groothandelaars in Noorwegen, Canada en Nederland oplicht. Op naam van failliete bedrijven, zoals Joma en World Fish, bestelt hij containers vol krab en zalm voor verschillende miljoenen frank.
De eerste bestelling betaalt hij, maar de volgende niet. Nihoul besteedt een deel van zijn illegale handel uit. Een zekere Guy Bourdin zegt dat hij Nihoul leerde kennen via Staf de Keyser, een van de leveranciers van Nihoul. Staf stelde me voor Nihoul uit de puree te helpen want Nihoul moest zijn bedrijf All Fish nog een aanzienlijke som geld voor niet betaalde leveringen. Omdat Nihoul nog schulden had en op zijn naam geen bankrekening kon openen, stemde ik toe de naamloze vennootschap van Nihoul over te nemen. Nihoul bezorgde me daarvoor een identiteitskaart op naam van Lucien Braye. Die kaart had hij gekregen via een zekere Briat.
Bourdin heeft het hier over Michel Briat, die tijdens een verhoor van 8 oktober 1996, in de gevangenis, erkent: "Ik maakte kennis met Nihoul via Georges Guy. Hij legde me uit dat Nihoul hem en zijn vennoot, Staf de Keyser, veel geld moest. Guy en Staf wilden Nihoul verschillende zwendelpraktijken laten opzetten om hem te verplichten zijn schulden af te betalen, onder de dekmantel van de vennootschap DCN. Aanvankelijk gaven Guy en Staf Nihoul raad over hoe hij het moest aanpakken om het gerecht en de schuldeisers op een dwaalspoor te brengen: DCN omvormen tot een naamloze vennootschap, dan de boeken neerleggen en met de bezittingen van die vennootschappen La Maison des Chefs oprichten."
"Met medeplichtigheid van meester Vander Elst, de man die Nihoul een alibi verschafte, slorpten ze een Panamees bedrijf (Honeygest) op als vennoot zodat ze in geval van problemen de maatschappelijke zetel konden overplaatsen naar het bedrijf in Panama, om zo aan vervolging te ontsnappen. Ze gebruikten Guy Bourdin als dekmantel in hun frauduleuze manoeuvres." Volgens een vroegere vennoot van Nihoul in dit bedrijf veranderde de maatschappelijke zetel zo vaak en werd het Panamees bedrijf ingeschakeld met de bedoeling de activa te versassen in geval van rechtsvervolging.
Eind 1991 wordt DCN dus DCN Benelux nv en zelfs een multinational. Honcygest Incorporated, het Panamese bedrijf, wordt voor 99% aandeelhouder; de andere 1% is van Bernadette De Cokere, de zus van Marleen. Marleen zelf is gedelegeerd bestuurder. In het bestuur zitten de vrienden uit de seksclub, Michel Forgeot van The Dolo en Jean-Louis Delamotte, de man van de firma Asco (Achat-Service-Commerce) en de witte Mercedessen. "Officieel was Nihoul in DCN Benelux nergens te bespeuren", zegt de curator die in september 1992 de faillissementen van DCN en DCN Benelux behandelt.
"Maar achter de schermen was hij de grote baas. DCN Benelux bestelde vis. Hetzelfde deed men met koelinstallaties. De Cokere verkocht de hele handel in het zwart en geen enkele leverancier kreeg een frank te zien. In totaal hebben ze op die manier een goeie vijftien miljoen in hun zak gestoken. In het Nederlands heet een dergelijke manier van misdadig bezig zijn "overheveling". Honeygest was duidelijk een dekmantel en werd vermoedelijk gebruikt om dat gestolen geld van daarnet weg te sluizen."
In 1992 kan de curator niet ontdekken wat zich achter de combine afspeelt: "De Cokere en Nihoul zijn specialisten in overheveling", zegt hij. "In de jaren '80 heb ik minstens drie faillissementen van haar behandeld. Nihoul had een reusachtig web gesponnen. Als je één zaak aanpakte, belandde je automatisch bij een andere, en die leidde dan weer naar een nieuwe affaire. Het gerecht en de politie werkten trouwens niet echt mee." De curator begrijpt niet hoe het kan dat onderzoeksrechter De Haan hem in april 1993 laat weten dat hij Nihoul niet mag vervolgen in de zaak DCN Benelux omdat de man niet kan worden gelokaliseerd. "Als iemand om de paar jaar twintig miljoen pikt, blijkt het Brusselse gerecht zelfs niet in staat te zijn om uit te vinden waar die iemand woont", besluit hij. Hij begrijpt al evenmin waarom hij enkele dagen later een telefoontje krijgt van de BOB van Brussel die hem zegt dat hij niet moet doorgaan met de zaak-Nihoul want dat die zou leiden tot de zaak van de moord op Juan Mendez.
| Meer » Bouhouche & Beijer |
Bescherming van Nihoul : Het netwerk
Een arm zo lang als de Donau
"Hij heeft een arm zo lang als de Donau", zei een politieman over Michel Nihoul. De 'oplichter' zoals hij nu steevast wordt genoemd, was twintig jaar lang goeie maatjes met al wat in Brussel losloopt aan corrupte politici, verdachte flikken, drugdealers en kinderhandelaars, extreem rechtse types. Veel hooggeplaatste lui hebben er alle belang bij dat hij zijn mond houdt. Vandaar wellicht dat men pertinent weigert alle pistes te onderzoeken die leiden naar zijn betrokkenheid bij de ontvoeringen en moorden op kinderen.
Wanneer Nihoul in Brussel arriveert, half de jaren zeventig, heeft hij er al anderhalf jaar op zitten voor frauduleus failliet, oplichterij en misbruik van vertrouwen. Hij heeft al verschillende faillissementen achter de rug en liet zich achtereenvolgens doorgaan voor binnenhuisarchitect, juridisch consulent en immobiliënagent. In 1980 wordt hij voor de derde keer persoonlijk failliet verklaard. In 1981 volgt alweer een frauduleus failliet maar dat verhindert hem niet meteen nieuwe maatschappijen op te richten, wat volledig illegaal is. Het Brussels gerecht ziet er geen graten in. Ze gebruiken hem zelf als immobiliënexpert, terwijl hij daar geen enkele kwalificatie voor heeft.
Wat hij wel heeft is een hele resem banden in alle mogelijke kringen. Hij zit bij de vrije Radio Activité in Etterbeek. Hij richt zijn eigen radio JMB op, vanuit de Rogiertoren, vlak boven de kantoren van de PRL. Hij wordt vriendjes met de PRL van Jean Gol en met de Cepic, de rechtervleugel van de PSC, via advocaat Philippe Deleuze, een beschermeling van ex-eerste minister Vanden Boeynants. Toenmalig schatbewaarder van de Cepic, de zwarte baron de Bonvoisin, financiert het Front de la Jeunesse, een fascistische privé-militie die gespecialiseerd is in het vermoorden van migranten, folteren van progressieven en het in brand steken van kantoren van linkse organisaties. Commissaris Demol van het Vlaams Blok was ooit lid van dit Front de la Jeunesse.
Nihoul helpt bij de verkiezingscampagnes van de PRL en van de Cepis, met name bij die van Deleuze en Jean-Paul Dumont, allebei advocaat van alle misdadigers van extreem rechts in die tijd. Hij ontmoet ook Didier de Quévy, de advocaat die Dutroux verdedigde in 1989. Tiens, tiens! In het midden van de jaren '80 zet hij samen met zijn ex-vriendin advocate Annie Bouty en met advocaat Deleuze een winstgevend zaakje op voor verblijfsvergunningen voor vluchtelingen, vervroegde vrijlatingen en gratieverleningen voor gevangenen. Hij gebruikt zijn relaties op het ministerie van Justitie van Jean Gol. Daar kent hij directeur Godfroid van de vreemdelingenadministratie en Gol's persattaché Burstin, die nu op het kabinet van minister Michel werkt.
Schoon volk alom
In een high society sex-club aan de rue des Atrébates in Etterbeek en later in The Dolo, zelfde gemeente, ontmoet hij commissarissen van de gerechtelijke politie, Navo-officieren, magistraten, oud-substituut Claude Leroy, Jean Gol en zijn persattaché Burstin, advocaat Vander Elst. Die wordt zijn persoonlijke vriend en levert hem een alibi voor de dag van de ontvoering van Laetitia Delhez, een alibi dat hij later weer intrekt. Vander Elst is betrokken bij de ontvoering van Vanden Boeynants door Patrick Haemers. Nihoul was trouwens ook bekend met Patrick Haemers. Na de moord op Christine Van Hees lopen er bij de politie telefoontjes binnen om op onderzoek te gaan in de kringen van The Dolo en Radio Activité. Maar daar komt niets van in huis.
Gendarm en dief
Nihoul kent de extreem rechtse rijkswachters Beyer, Bouhouche en oud gevangenisdirecteur Bultot, die allemaal geciteerd staan in het rapport van over Bende van Nijvel. Hij is goeie maatjes met de misdadiger Ehramanni, fervent bezoeker van fuiven met minderjarigen, die vermoord wordt op het Rouppeplein. Hij kent ook de ex-politieman en boef, Frédéric Godfroid. Nihoul en Bouty kenden ook Alexis Alewaeters, die in het midden van de jaren '80 veroordeeld werd na de dood door overdosis in de dancing Mirano van de zoon uit een familie van de hoge financierskringen in Brussel. De dancing werd uitgebaat door een firma die toebehoorde aan Charlie De Pauw.
En wie is Charlie De Pauw? Precies, de bouwpromotor vriend en vennoot van Vanden Boeynants. In het dossier rond deze moord staan ook aanwijzingen omtrent sexueel misbruik van minderjarigen. Annie Bouty bezorgde Alewaeters een appartement toen hij uit de gevangenis kwam en Nihoul leende hem zijn Porsche uit. Nihoul slaagt er zelfs in de commandant van de rijkswacht van Brussel te laten optreden ten gunste van een Portugese bandiet die bij de bende van Godfroid zat. Zes dagen later steelt de bende een schilderij van Modigliani bij de weduwe van een oud-minister. Een ander lid van de bende, de schilder Mandelbaum, wordt dood aangetroffen in de grotten van Beez nabij Namen.
We kunnen er nog aan toevoegen dat de zus van rechter Van Espen de meter is van de zoon van Nihoul. Van Espen liet De Baets verwijderen van het nieuwe onderzoek naar de moord op Christine Van Hees. Volgens Nihoul heeft Van Espen zijn benoeming te danken aan Vanden Boeynants. In de jaren negentig is Nihoul informant van de Brusselse BOB. Hij betaalt zichzelf met XTC-pillen die gevonden werden op een dealer die hij had verklikt. Diezelfde pillen worden teruggevonden bij een maat van Dutroux, Michel Lelièvre, de dag na de ontvoering van Laetitia Delhez.
| Meer » Bouhouche & Beijer | Bende Haemers | Jean Bultot | Roze Balletten | CEPIC |
Affaire met een witte Mercedes
Een netwerk rond La Louvière
Eind 1995 krijgt politieagent Christian Dubois uit La Louvière een resem telefoontjes van ongeruste ouders en leerkrachten. Ze hebben mannen in een witte Mercedes opgemerkt die naar kinderen zitten te kijken in de buurt van scholen in Bergen, La Louvière, Charleroi, Couvin, Thuin, Chimay en Beaumont. Dankzij een informant ontdekt Dubois dat de Mercedes toebehoort aan het metaalbedrijf Asco in Honnelles bij de Franse grens.
De aandeelhouders zijn Marleen De Cokere, de vriendin van Nihoul, de Fransman Jean-Louis Delamotte, klant van The Dolo, en Forgeot, de eigenaar van de The Dolo. Die twee zijn goede vrienden van Nihoul, die in 1994 zelf als gerant voor het bedrijf werkte. Asco beschikt over vijf witte Mercedessen, allemaal ingeschreven in Frankrijk. Het is 1995 en niemand heeft het over Dutroux of Nihoul. De informant van Dubois zegt dat achter die Mercedessen een netwerk van pedofielen schuilgaat, met als uitvalsbasis Asco, dat ook een verkooppunt van occasiewagens in Schaarbeek heeft. De kinderen die ze ontvoeren, zouden bestemd zijn voor Oost-Europese landen of voor Thailand.
Voor ze uitgevoerd worden, worden ze een tijd in België vastgehouden. De medeplichtigen die worden genoemd door de anonieme informant van Dubois, zijn mannen met wie Dutroux in 1989 in de gevangenis van Bergen zat. Een van hen ontkent dat hij Dutroux kent, maar na bekentenissen van zijn vrouw moet hij de waarheid wel zeggen. Hij ontkent echter dat hij het met Nihoul over bepaalde plannen had. Een andere is zijn geheugen helemaal kwijt. Op 13 juli 1998 maakt de rijkswacht van Cul-des-Sarts een synthese van het onderzoek naar dit spoor. Er staat 'dat het bestaan van dit soort feiten niet in vraag zou mogen worden gesteld'. Maar de informant van Dubois blijkt niet geloofwaardig te zijn.
| Meer » De zaak Dutroux |
Het alibi van Nihoul
Wat nu volgt, is allemaal chronologisch toeval
- "Ja, euh... ja."
- "Is het dringend?"
- "Dat Dutroux mij vandaag belt. Er is geen probleem, zelfs al is het tien uur vanavond. Ik wil nieuws over mijn auto."
Het is woensdag 14 augustus 1996, 19 uur. De dame die in het huis in Sars-la-Buissière de telefoon opneemt, is Henriette Puers, de schoonmoeder van Marc Dutroux. Zij is hier ingetrokken om zich over haar kleinzoon Frédéric (12) te ontfermen. Diens vader en moeder zijn de vorige dag gearresteerd op verdenking van de ontvoering van Laetitia Delhez (14) in Bertrix. De man aan de telefoon heeft zich voorgesteld als 'Jean-Michel de Bruxelles'. Michel Nihoul moet die avond hebben geweten dat de kans dat Dutroux hem ooit nog zou terugbellen erg klein mocht worden geacht.
Hij had de vorige dag al een paar keer gebeld. In plaats van Dutroux kreeg hij een barse rijkswachter aan de lijn. Die nam deel aan een grootscheepse huiszoeking in het huis in Sars, want op dat ogenblik werd nog steeds verwoed gezocht naar Laetitia. Zelf had Nihoul diezelfde 14 augustus op zijn gsm een oproep gekregen van een speurder van de nationale brigade van de gerechtelijke politie. Die had hem in weinig vriendelijke bewoordingen medegedeeld dat in zijn flat in Brussel eveneens een huiszoeking aan de gang was, en dat hij zich onmiddellijk diende te melden bij de politie "in verband met de verdwijning van een tienermeisje".
Los van de vraag of Nihoul iets te maken had met kinderontvoeringen heeft hij in de avond van 14 augustus 1996 geen gebrek aan redenen om in paniek te raken. In zijn flat ligt een immense hoeveelheid xtc-pillen. Die komen uit een partij van 5.000, waarvan hij er op 10 augustus 1.000 heeft overhandigd aan Michel Lelièvre, de handlanger van Dutroux die op 13 augustus eveneens is gearresteerd. Je hebt domme criminelen, en je hebt slimme. Nihoul wordt tot de laatste categorie gerekend. Na al wat hij in de loop van woensdag 14 augustus verneemt, zijn er drie dingen die hij zeker weet, of moet kunnen vermoeden.
Eén: Dutroux en Lelièvre zitten vast.
Twee: Het gerecht zet de grote middelen in voor de zoektocht naar een verdwenen kind.
Drie: Logischerwijs worden alle telefoonlijnen van Dutroux afgetapt.
Wat horen de speurders Nihoul om 19 uur op het bandje zeggen? "Ik wil nieuws over mijn auto." Dit telefoongesprek is het allerlaatste in een reeks van meer dan twintig van Nihoul naar Dutroux (of omgekeerd) tussen 6 en 14 augustus. In geen enkele daarvan wordt gesproken over een auto. Dat gebeurt nu wel. Toen Laetitia Delhez op zaterdag 10 augustus in Dutroux' huis in Marcinelle uit haar Rohypnol-slaap ontwaakte, hoorde ze haar ontvoerder bellen met een man die hij aansprak als 'Jean-Michel'. Ze hoorde Dutroux zeggen 'ça à marché.' ("Het is gelukt.") Dit was de zaterdag waarop Nihoul in Brussel duizend xtc-pillen overhandigde aan Lelièvre.
Diezelfde Lelièvre zou een week later aan justitie verklaren dat Dutroux hem altijd had gezegd dat hij "op bestelling" kinderen schaakte. Er meldden zich acht getuigen die Nihoul kort voor de ontvoering van Laetitia in Bertrix meenden te hebben gezien in het gezelschap van Dutroux en co. Nadat de nationale brigade hem had gevraagd zich onmiddellijk te melden, was Nihoul op de vlucht geslagen, om zich 24 uur lang te verstoppen. Deze optelsom van feiten bracht onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte ertoe hem in staat van beschuldiging te stellen wegens "bendevorming" en medeplichtigheid aan de ontvoering van Laetitia.
Zes jaar en zes maanden later beoordeelde Francis Moinet, de voorzitter van de raadkamer van Neufchâteau, de hele optelsom als een chronologisch toeval. De getuigen hebben het zich collectief ingebeeld, de xtc-handel staat totaal los van de kinderontvoeringen, aldus Moinet vorige week vrijdag. In zijn beschikking staat: "De verschillende telefonische contacten tussen diverse protagonisten houden verband met de problematiek van de Audi 80 van Nihoul, die in panne stond. Niets laat toe te stellen dat deze communicaties iets te maken zouden kunnen hebben met een ontvoering. Er bestaat geen enkele contradictie tussen de verklaringen van Nihoul, Dutroux, Lelièvre en Randazzo."
Veel geld voor een wrak
Michel Nihoul heeft Lelièvre in de zomer van 1996 inderdaad de sleutels van zijn Audi 80 toevertrouwd. En het vehikel verkeert inderdaad in een zorgwekkende staat. Op 31 juli 1996 zijn Lelièvre en Damien Randazzo inderdaad naar Brussel gereden om de Audi 80 op te halen. Randazzo is een vriend van Lelièvre, carjacker en zelfverklaard "reparateur van auto's" uit Fleurus. Daar zal de wagen moeten worden hersteld. Het loopt op 31 juli echter helemaal fout. Lelièvre en Randazzo vallen met de Audi in panne aan de Naamse Poort. Takelfirma Radar moet de Audi komen ophalen en de Brusselse politie houdt Lelièvre een tijdlang vast omdat die geseind staat wegens een niet uitgezeten celstraf.
Elf dagen zullen hierna verstrijken. Op zondag 11 augustus, de dag na de xtc-transactie, komt dan vanuit Sars-la-Buissière Marc Dutroux aangereden met een eigen takelwagen. Hij haalt de Audi 80 op bij Radar en brengt het voertuig over naar Fleurus, waar hij het neerzet voor de woning van Randazzo. De verklaringen van de diverse protagonisten in het dossier-Dutroux zijn inderdaad eensluidend. Randazzo zou op 15 augustus op vakantie vertrekken. "Vandaar", zegt Nihoul, "dat ik in die periode de hele tijd naar Dutroux zat te bellen. Die Randazzo had geen telefoon." Eén ding is moeilijk te begrijpen. De reparatie van de Audi 80, zeggen alle protagonisten, zal worden "gefinancierd" met de opbrengst van xtc-pillen, waarmee Lelièvre een paar dancings zal aandoen.
De reparatie, zo zegt Randazzo tijdens een van zijn verhoren, zou 8.000 frank kosten. Lelièvre krijgt echter van Nihoul duizend xtc-pillen. Naar rato van een marktprijs van 500 frank per pil in 1996, bedraagt de straatwaarde... een half miljoen frank. Dekte dat alleen de kosten aan de Audi? Wou Nihoul en passant als tipgever van de rijkswacht de bende-Dutroux infiltreren, zoals hij op het laatst zelf aanvoerde? Of heeft Bourlet het bij het rechte eind als die stelt dat de chronologische samenhang tussen xtc en ontvoering zo frappant is dat ze moet worden beoordeeld door een assisenjury? "Het is een kwestie van interpretatie", zei Victor Hissel, de advocaat van de familie Marchal, vorige week vrijdag. "Je kunt de elementen in het dossier op twee manieren lezen."
Een invloedrijke man
Bepaalde elementen uit het dossier zijn nooit geïnterpreteerd. De grijze kaart en alle andere boorddocumenten van de Audi 80 werden door de speurders van Connerotte teruggevonden in het huis van Dutroux. De factuur van Radar wordt op 1 september 1996 door de BOB van Charleroi teruggevonden bij Dutroux. Het kan dan ook bijna niet anders dan dat hij, hoewel bekendstaand als extreem krenterig, op 12 augustus uit eigen zak de factuur bij Radar heeft betaald. Zoals elke automobilist weet, bestaat er bij Brusselse takelfirma's geen mogelijkheid om een auto te recupereren zonder dat je cash betaalt. Elke journalist die op 16 augustus 1996 in Sars-la-Buissière neerstreek, kon vaststellen hoe Dutroux een zekere verzamelwoede had ontwikkeld voor auto's en wrakken waarmee hij ooit nog iets van plan dacht te zijn.
Wat als Nihoul de Audi 80 liever kwijt was dan rijk? Wat als hij de auto aan Dutroux wou schenken? Dan hebben de protagonisten 6,5 jaar lang gelogen, en was het telefoontje van Nihoul in de avond van 14 augustus ("Ik wil nieuws over mijn auto") opgezet spel, met als doel zichzelf in te dekken. Waarom beamen Lelièvre, Dutroux en Randazzo dan volmondig de versie van Nihoul? Misschien wel omdat hij hen heeft verteld dat hij een invloedrijk man is en dat het op termijn in hun voordeel zal spelen als ze hem uit de wind zetten. Het is een kwestie van interpretatie. Mensen geven niet zomaar auto's weg, toch niet alleen maar omdat er kosten aan zijn. Zondag onthulde Gino Russo, de vader van de vermoorde Mélissa, in het RTBF-programma Mise au Point dat de Audi eigenlijk nooit eigendom was van Nihoul. Gino Russo verwonderde er zich over "dat dit nooit is uitgelekt in de pers".
De Audi 80 komt op 29 juli 1988 in gebruik en wordt bij de Dienst Inschrijving der Voertuigen (DIV) geregistreerd als eigendom van de nv Intres Management. Dat is in die tijd een van de bedrijfjes van niemand minder dan Léon-François Deferm, de man die in 1993 alle schijnwerpers op zich gericht krijgt tijdens het onderzoek naar de moord op minister van Staat André Cools (PS). Deferm begon zijn loopbaan ooit als kelner, maar werkte zich in de jaren zeventig mede via zijn vriendschap met het PS-kopstuk Guy Mathot op tot internationaal gerespecteerd zakenman in de farmaceutische branche. Nadat hij een paar lang de wereld afreisde, vestigde Deferm zich begin jaren tachtig opnieuw in België, nu als 'wonderdokter' voor in nood verkerende bedrijven. De man heeft een neus voor zaken.
In november 1988 hevelt hij alle auto's van zijn bedrijven over naar een nieuwe vennootschap, de Management Car Company. Dat is fiscaal interessanter, en zo kan hij nu ook aan autoleasing doen. Het volledige wagenpark van Intres Management verhuist mee, en ook de Audi 80 met nummerplaat FBD 444.
Een reddende engel
Eind 1987 zien de 300 personeelsleden bij het noodlijdende Luikse technologiebedrijf Unisys in Deferm hun reddende engel. Deferm neemt het bedrijf over voor duizend frank en doopt het om tot Trident Technology Holding. Hij incasseert een subsidie van 70 miljoen frank van het Waalse Gewest en wordt de uitverkorene voor het Waalse deel van de "economische compensaties" die zijn verbonden aan het miljardencontract voor de aankoop van 46 gevechtshelikopters voor de landmacht bij het Italiaanse Agusta. Oud-PS-minister André Cools is daarover zelf gaan onderhandelen met de Italianen en heeft de belofte gekregen dat Trident zal worden begiftigd met een reeks helikopter-gebonden contracten voor 500 miljoen frank. Cools droomt hardop van "een Barco in Luik".
Hoewel Deferm in het Cools-onderzoek nooit in staat van beschuldiging werd gesteld, is het na al die jaren nog steeds moeilijk om blind te blijven voor een mogelijk verband tussen de moord en hoe het Trident verder verging. Op 10 juli 1989 gaat Deferm doodleuk over tot de vereffening van Trident en alle verbonden bedrijven. De hele winkel wordt in 24 uur tijd opgedoekt. Cools is zonder meer ziedend en verdenkt Deferm ervan dubbel spel te hebben gespeeld. Volgens hem doekte hij Trident op in ruil voor 175 miljoen frank cash van Agusta, waardoor de helikopterbouwer werd verlost van de verplichting om in Luik te investeren. In een van de vele boeken die achteraf over het Agusta-schandaal verschenen, staat te lezen hoe Cools later met opgegeven vinger Deferm zou hebben toegesproken: "U bent dood." Het draaide anders uit.
|
Bron » De Morgen | 25 Januari 2003 | Douglas De Coninck Forum »
|
| Meer » De zaak Cools | De zaak Dutroux |