Politieke carrière

Een kort overzicht

Paul Vanden Boeynants, bijgenaamd "VDB" door de journalisten, was actief in de vleesindustrie en een erg flamboyant Belgisch politicus. Van 1949 tot 1979 was hij volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Brussel van de PSC, toen nog een unitaire partij. Hij was partijvoorzitter van 1961 tot 1966 en is verscheidene malen Minister van Middenstand geweest. Van 1966 tot 1968 was hij eerste minister. In de buitenlandse politiek speelde België in die periode een actieve rol in het kader van de NAVO, de EEG en de Oost-West-verhoudingen. Paul Vanden Boeynants leidde verder het departement van Landsverdediging van 1972 tot 1979. Zijn legerhervorming kon niet doorgaan omdat er uitgebreid tegen geprotesteerd werd. Van oktober 1978 tot begin april 1979 was hij een tweede maal eerste minister. Op 8 oktober 1979 werd hij nog verkozen tot voorzitter van de PSC en dat bleef hij tot 1981. Vanden Boeynants werd minister van Staat in 1969. In 1995 besloot hij de politiek te verlaten. Hij overleed begin 2001 na een hartoperatie.

21 Januari 1972 | Oprichting van PIO

Vanuit het kabinet van Defensie, waar minister Paul Vanden Boeynants vanaf 21 januari 1972 de scepter zwaaide, werd het officiele speakersbureau van het Belgische leger steeds meer onder druk gezet om de politiek van de minister bij het grote publiek aan de man te brengen. En daar voelden de op hun onafhankelijkheid gestelde officieren die als speakers werkten niets voor. Gesteund door hun leiding weigerden vrijwel alle conferenciers zich voor de kar van de politicus te laten spannen. In de loop van 1972 kwamen de spanningen tussen het kabinet van Vanden Boeynants en het speakersbureau tot een hoogtepunt. In dat jaar lanceerde Vanden Boeynants zijn inmiddels berucht geworden plan tot hervormingen van het Belgisch leger.

Deze hervormingen kaderden in wat in die kringen 'de alles omvattende strijd tegen de binnenlandse subversie' werd genoemd. Hoewel het project berucht werd als het 'Plan VDB', was de echte promotor van de hervormingen een hooggeplaatste intimus van de minister: Nicolas de Kerckhove d'Ousselghem, notoir lid van het CEPIC, compagnon de route van baron Benoît de Bonvoisin en sinds 1967 kabinetsmedewerker van Vanden Boeynants. Tegen de hervormingsplannen stak een golf van protest op, studenten en scholieren ontvouwden spandoeken en arbeiders gingen in staking. Een van de middelen om dit verzet te counteren was volgens het kabinet van Defensie het inzetten van het speakersbureau om het Plan VDB bij de bevolking te verdedigen. Andermaal weigerden de meeste conferenciers deze politieke opdracht te aanvaarden. Nicolas de Kerckhoven en Vanden Boeynants konden niet anders dan vaststellen dat het speakersbureau hen politiek van geen enkel nut was en dus besloten ze een eigen propagandastaf in het leven te roepen, het Public Information Office.

15 Oktober 1979 | Eerste ontslag

Paul Vanden Boeynants neemt gehaast ontslag als minister van Landsverdediging en stopt eveneens als voorzitter van het CEPIC. Dit om voorzitter te worden van de Waalse Christen Democraten, het PSC.

1 December 1981 | Tweede ontslag

Op 1 december neemt Vanden Boeynants ontslag als PSC-voorzitter. Onder VDB's stuwende leiding ging zijn partij er electoraal niet echt op vooruit, want hij was in die jaren vooral bezig zichzelf onsterfelijk te maken.

9 Januari 2001 | Vanden Boeynants overleden

In het Onze-Lieve-Vrouw Ziekenhuis van Aalst sterft oud-premier Vanden Boeynants op dinsdag 9 januari aan de gevolgen van een hervallende longontsteking. VDB herstelde nooit van een open hartoperatie die hij op 6 december het jaar daarvoor onderging. Hij werd 81.

Zie ook » Bende Haemers | Bendecommissie I | Benoît de Bonvoisin

De affaire Cogel

En de verdachte zelfmoord van een rijkswachter

In de lente van 1978 was de BOB van het Waalse stadje Ciney op het spoor gekomen van het drughandeltje van ene Mohamed Jouida, een Tunesiër die in Rochefort een café uitbaatte. De man belde verdacht vaak met de Luxemburgse firma Cogel, een bedrijf dat - vlakbij de Belgische grens - diepgevroren vlees verhandelde. Het vermoeden was groot dat Cogel drugs vervoerde voor rekening van Jouida. Maar Cogel zou ook een van de leveranciers zijn geweest van de Boucherie Ghysels, een drukbeklante slagerszaak in hartje Brussel, waarmee VDB en zijn vriend Jacques Vanderhaeghe zaken deden.

In mei 1978 correspondeerde de BOB van Ciney over deze zaak met eerste wachtmeester Luc van den Daele van het Centraal Bureau voor Inlichtingen. Op 13 maart 1981 pleegt rijkswachter Luc van den Daele in de buurt van zijn huis zelfmoord. Hij wordt vlakbij zijn woning met een kogel in zijn borst teruggevonden. 'Gezelfmoord', denken zijn gewezen collega's nog altijd. Volgens van den Daele had hij de financier en andere betrokkenen ontdekt in de Cogel-smokkelzaak. De rijkswachter had zich in deze zaak vastgebeten en had al verschillende dossiers aangelegd. Niemand vroeg zich af hoe het kwam dat op dezelfde dag van zijn zelfmoord zijn bureau werd opengebroken en de dossiers werden gestolen. De administratie van de firma Cogel is op een merkwaardige manier in het begin van de jaren tachtig volledig in de vlammen opgegaan. De vrachtwagens bleven echter wonderwel gespaard. Op 10 november 1981 werd de zogenaamde affaire Cogel zonder gevolg geklasseerd.

Het onderzoek naar fraude

7 Januari 1981

In een gerechtelijk onderzoek naar fiscale fraude binnen de Caisse Privé, een Brusselse bank, worden de eerste sporen gevonden van het fiscaal geknoei van Vanden Boeynants.

17 Juni 1982

Op 29 april 1982 dreunde Kamervoorzitter Jean Defraigne emotieloos zijn spiekbriefje op, procureur-generaal Victor van Honsté verzocht de leden van de joge vergadering om de parlementaire onschendbaarheid van hun collega Paul Vanden Boeynants op te heffen. VDB zat in het halfrond aan zijn leesbril te frunniken, hij deed alsof zijn neus bloeide. Op een bepaald moment stond hij op en liep naar premier Wilfried Martens. Ze schudden elkaar de hand, VDB wilde een gesprek aanknopen maar Martens had daar duidelijk geen zin in. Schuddebollend droop VDB af. Hij was een verdachte, hij was niets meer.

Op 17 juni van hetzelfde jaar werd zijn onschendbaarheid opgeheven. 'Het gerechtelijk onderzoek was eerlijk', schreef Louis de Lentdecker, gerechtsverslaggever van De Standaard. 'Dat gaf VDB zelf toe. Maar tegenover de aanklachten was zijn houding ontgoochelend. Hij had niet de openheid, de waardigheid en de kracht die men bij een gewezen eerste minister mag veronderstellen. Hij zou de hele tent stukslaan, zei hij. Hij zou zijn onschuld bewijzen, zei hij. Hij zou op het gepaste ogenblik de spijkers met koppen slaan, zei hij. Het werd een fiasco. VDB mocht vrij spreken, maar hij had bitter weinig te zeggen. In veel gevallen beweerde hij dat zijn geheugen tekort schoot, dat veel zaken buiten hem om gedaan werden door mensen die ondertussen overleden waren, dat hij van diverse zaken geen weet had.

Mogelijk was ik onvoorzichtig, zei hij, misschien zelfs naïef, maar ik ben geen bedrieger.' VDB had vooral zwaar gewerkt om zijn zuurverdiende centen aan het alziend oog van de fiscus te onttrekken. De rechtbank kon bewijzen dat hij zo'n 200 miljoen frank wederrechtelijk achterover had gedrukt, via 'onverklaarbare' aan- en verkopen van aandelen en bedrijven, en het doorsluizen van de winsten naar Luxemburgse en Zwitserse bankrekeningen. Maar het zwaarst werd getild aan een document dat VDB tijdens een huiszoeking zelf tevoorschijn had gehaald, om een injectie van 40 miljoen in zijn bedrijf te verantwoorden. Met het document wilde VDB bewijzen dat de gewezen ambassadeur van Libanon in Brussel, Antoine Francis, voor 40 miljoen had ingetekend in de kapitaalverhoging. Francis was inmiddels dood en begraven maar zijn weduwe ontkende bij hoog en bij laag dat wijlen haar man ooit iets zakelijks had gehad met VDB. Bovendien bleek het stuk dat VDB voorlegde vervalst te zijn.

25 Juni 1986

Op 25 juni 1986 sprak Carlos Amores Martinez y Amore, de voorzitter van de correctionele rechtbank van Brussel, het verdict uit in de zaak VDB. Hij richtte zich tot VDB en zei letterlijk: 'Wij, leden van de rechtbank, hebben de modernste juridische scalpels gebruikt om het ingewikkelde mechanisme van u fraude te ontrafelen. Wat u deed, was zeer erg. U was de eerste minister van België. U hebt de wetten verkracht die u anderen hebt opgelegd. U moest de justitie steunen en helpen. U hebt dat niet gedaan, u hebt haar bedrogen. Slecht uw leeftijd, uw sterke persoonlijkheid en de diensten die u ontegensprekelijk aan het land hebt bewezen beschermen u tegen een opsluiting in de gevangenis. Het zou ons aangenaam geweest zijn u vrij te spreken. Wij zochten argumenten in u voordeel. Het hielp niet, wij konden niets anders doen dat dit vonnis uitspreken. Mijnheer Vanden Boeynants, u bent een geboren, een verstokt en een onverbetelijk fraudeur.' VDB kreeg twee jaar onvoorwaardelijk wegen fraude, een jaar uitstel wegens schriftvervalsing, en een boete van 620.000 frank.

21 Januari 1987

De veroordeling van Vanden Boeynants op 25 juni 1986 wegens fiscale fraude wordt in beroep bevestigt.

De affaire Roger Boas

De brief van Louis Sik

Op 8 juli 1988, twee maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen, arriveerde er een brief op het kabinet van Charles-Ferdinand Nothomb, de toenmalige voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het waren vijf zorgvuldig getikte vellen en de afzender was procureur-generaal Victor van Honsté. De hoogste magistraat van Brusel bracht de Kamervoorzitter ervan op de hoogte dat ene Louis Sik, een gewezen kaderlid van een van de bedrijven van wapentrafikant Roger Boas, minister van Staat Paul Vanden Boeynants beschuldigde van corruptie. VDB zou als minister van Landsverdediging 850 miljoen smeergeld hebben gekregen van Boas, in ruil voor twee grote bestellingen van het Belgisch leger.

Voor nog wat kleinere opdrachten zou de wapenfabrikant de minster een paar keer twintig miljoen cash hebben toegestopt. Omdat het ging over malversaties die VDB tijdens zijn ministerschap zou hebben gepleegd, was het de taak van het parlement om een onderzoek in te stellen en eventueel VDB's onschendbaarheid op te heffen. VDB ging gewoon door met zijn verkiezingscampagne, in de hoop dat de affaire niet zou uitlekken in de pers. Ydele hoop natuurlijk, op 21 september 1988, amper enkele weken voor de stembusslag, pakte het weekblad Knack uit met de inhoud van de brief van Van Honsté, en met nieuwe details over de vermeende corruptiezaak. VDB was nu wel verplicht om te reageren. Eerst liet zijn vriend Roger Boas de pers bij zich komen. Hij zei: 'Die Louis Sik is een perfide leugenaar, ik heb hem zelf ontslagen omdat hij had geknoeid met onze financiën, en hij is zenuwziek.' Een week later floot VDB hetzelfde deuntje op zijn eigen persconferentie.

Hij voegde er nog aan toe dat het smeergeld dat hij volgens Sik zou hebben gekregen in geen enkele verhouding stond tot de opdrachten die hij en zijn opvolgers op Landsverdediging aan Boas hadden toevertrouwd. VDB vroeg zich ook af waarom het gerecht dit zogezegde corruptieschandaal uitgerekend in de weken voor de verkiezingen te voorschijn had getoverd. Hij gaf zelf het antwoord: 'Het is een politiek complot tegen VDB'. Nog in het najaar van 1988 werd het dossier doorgeschoven naar een speciale Kamercommissie voorgezeten door VDB's partijgenoot Nothomb. Maar op het moment dat de discussies binnen die commissie moesten beginnen, in januari 1989, was VDB ineens ontvoerd.

VU-parlementariër Hugo Coveliers, lid van de commissie: 'De hoofdfiguur uit het dossier dat we moesten behandelen was weg, maar zijn afwezigheid was zo voelbaar, dat ze de stemming in de commissie - en ook het eindrapport - in een bijna dwingende mate heeft beïnvloed. De meeste commissieleden hadden zoiets van 'Och god, de arme stakker is misschien al dood, het zou van weinig fijngevoeligheid getuigen als wij nu nog eens extra op zijn graf gaan dansen.' Ik mag dus zeker niet zeggen dat wij die affaire grondig hebben uitgespit. Wat dat betreft kwam de ontvoering voor VDB op het juiste moment...'

Zie ook » Bende Haemers | Bendecommissie I

Getuigenis Paul Vanden Boeynants

Paul Vanden Boeynants kan ontvoering niet vergeten

"Tijdens die hele dertig dagen van mijn ontvoering, kreeg ik maar één keer een traan in de ogen: toen ik de voorlaatste dag een pijp en een pakje tabak kreeg van de ontvoerders," zei ex-premier Paul Vanden Boeynants voor het Brabantse assisenhof. VdB: "Deze ontvoering is de meest dramatische gebeurtenis uit mijn leven geweest. Ik schrik nog steeds als een deur dichtklapt. Als ik uit mijn wagen stap, heb ik altijd de hand op mijn pistool. Soms, overdag, denk ik eraan en ben ik enkele minuten afwezig. Maar ik heb geluk gehad. De feiten die hier besproken worden, hebben wezen en weduwen gemaakt. Ik ben correct behandeld en ben er goed vanaf gekomen."

"Alles hier opnieuw te vertellen, voor de eerste keer de mensen zien die mij ontvoerd hebben, dat heeft mij iets gedaan, uiteraard," zegde minister van Staat Paul Vanden Boeynants na zijn getuigenis. "Maar" voegde hij eraan toe, "ik heb geen wraakgevoelens, voel geen haat tegenover deze mensen. Dergelijke gevoelens kan je niet hebben voor mensen wier gezicht je nooit gezien hebt. Iets heel anders is bijvoorbeeld de man van de Gestapo die mij tijdens de oorlog geslagen heeft, die mijn handen verbrandde. Zou ik die man tegenkomen... die man heb ik gezien. Die man haat ik!" VdB's getuigenis nam amper een klein uurtje in beslag. Achteraf verontschuldigde hoofdverdachte Philippe Lacroix zich. De excuses raakten VdB niet. Buiten de assisenzaal zei VdB: "Wat wil je dat ik nu nog met zijn verontschuldigingen doe? Voor mij is deze zaak voorbij."

Gevochten

Enkel Philippe Lacroix en Marc Vandam bekennen medeplichtigheid aan de ontvoering van VdB. De andere beklaagden, Vander Elst, Zeyen, Darville, Gauthier en Tyack ontkennen elke betrokkenheid. Kroongetuige Paul Vanden Boeynants stapte tegen 9.30 uur de zaal binnen. Eerst werd zijn hoorapparaat aangesloten op het geluidssysteem in de assisenzaal zodat hij alle vragen goed kon begrijpen. Daarna zei VdB zijn naam en leeftijd: "Spijtig genoeg 74 jaar, mijnheer de voorzitter" en tot slot beloofde hij "zonder haat en zonder vrees de waarheid te vertellen." Op vraag van voorzitter Wezel verhaalde VdB wat er zich tussen zaterdag 14 januari en maandag 13 februari 1989 afgespeeld heeft.

Paul Vanden Boeynants: "Ik parkeerde mijn wagen tegen 18.20 uur thuis in de garage en ging naar de deur van de traphal. Op dat ogenblik werd ik overvallen door twee mannen met bivakmutsen aan. Eén van hen was heel groot. We hebben een tijdje gevochten, ik ben sterker dan ze dachten. Er is een auto gearriveerd en een derde man. Ik kreeg een klop op het hoofd, ben misschien enkele ogenblikken buiten westen geweest en ik werd op de bodem achteraan in een wagen gegooid. Een man zat bovenop me en duwde een revolver in mijn nek. Mijn handen en voeten werden gebonden, ik kreeg een bivakmuts over het hoofd. Ik schat dat we ongeveer drie uur gereden hebben. Ter plaatse werd ik bijna volledig uitgekleed en in een kleine kamertje aan de muur geketend."

Paniek

VdB kreeg vier dagen lang enkel een beetje licht tijdens de maaltijden. Na een oproep in de pers bezorgden de gangsters hem het geneesmiddel Adalat dat hij bij elke maaltijd moest innemen. Die donderdagochtend kreeg hij enkele Belgische en Franse kranten. VdB: "Op dat ogenblik heb ik gepanikeerd. Ik las in de kranten dat ik in handen was van de Brigades Socialisten Révolutionaires, politieke terroristen. Een dag later kreeg ik echter een brief, twee bladzijden lang. In een zeer verzorgde taal zonder schrijffouten werd uitgelegd dat de BSR maar zottigheid was en dat die truuk gebruikt was om de speurders op een dwaalspoor te brengen. De bende wilde enkel geld. Ik was opgelucht, we konden beginnen onderhandelen: zij wilden geld en ik wilde mijn vrijheid."

"Ik had algauw beet dat ik met intelligente mensen te maken had. Ze trapten niet in mijn pietluttige voorstelletjes. En het hing hen vlug de keel uit. Ik kreeg opnieuw een briefje: 'Genoeg de slimmerik uitgehangen. Wij willen vierhonderd miljoen. Anders gaat eerst je linkerpink en dan je rechteroor eraf en daarna gaan we je kleindochter halen.' Het was misschien maar bluf, maar het waren toch bedreigingen. Gelukkig schreef een journalist in Le Soir de volgende dag dat een parlementaire commissie beslist had dat de geruchten over 850 mijoen smeergeld die ik zou gekregen hebben, vals waren. Op dat ogenblik raakten onze onderhandelingen uit een impasse. En we zijn uiteindelijk gestopt aan 63 miljoen Bfr. Waarom dit cijfer? We hebben gemarchandeerd zoals tapijthandelaars, het had evengoed 61 of 65 miljoen kunnen zijn."

Vrij

Vanden Boeynants moest zelf de organisatie van de overhandiging van het losgeld uitwerken. De ontvoerders stelden twee eisen: geen contact met zijn familie en in het buitenland. VdB deed beroep op Jean Natan: "En die man heeft de moed gehad de opdracht te aanvaarden." VdB vond zelf het pseudoniem voor de ontvoerders 'monsieur Léon' uit: "Het was mijn naam in ons groepje weerstanders tijdens de oorlog." "Eens het losgeld geregeld was, verzachtte het regime. Ik kreeg enkele minuten tijd om te lezen en mocht alleen eten. Ik heb nooit dorst gehad, nooit honger gehad maar ik heb wel vreselijk slecht gegeten. Het ergste waren die dagen in het donker. Als je niet weet wat zal gebeuren, gaat de tijd ontzettend traag. Op een vrijdagnamiddag schreven mijn bewakers dat alles OK was maar er was teveel volk in Le Touquet, de motorwedstijd L'Enduro was bezig. Ik zou pas maandag worden vrijgelaten. Zo gebeurde het. Eerst kreeg ik zelfs twee souvenirfoto's. Ze hebben me 6.000 frank gegeven voor een taxi van Doornik naar Brussel." VdB kreeg zijn horloge terug, zijn portefeuille waarin tussen twintig- en dertigduizend frank zat, niet.

Geld

Over zijn ontvoerders wilde de minister van Staat gisteren nog volgende bedenking kwijt: "Mijnheer de voorzitter, ik ben ervan overtuigd dat het om drie categorieën van mensen ging. Die eerste brief was door een intelligent persoon getikt op een machine die niet in de villa stond. De tekst was foutloos. Dan waren er de briefjes uit Le Touquet met een paar spelfouten. En dan kreeg ik soms papiertjes die quasi fonetisch geschreven waren. Eén keer was de tekst onleesbaar. Ik reageerde dat ze fatsoenlijk moesten schrijven. De man antwoordde dat hij 'geen studies had gedaan'. Ik heb hem teruggeschreven dat hij binnenkort veel geld zou hebben en dat hij daarvan dan maar moest profiteren om naar school te gaan."

Ooit

De 35ste zitdag van het assisenhof tegen de bende Haemers eindigde met de getuigenis van een dame opgeroepen door de verdediging van Lacroix. Mevrouw Fuchmann en haar man - zij wonen momenteel in Brazilië - waren negen maanden lang heel goed bevriend met het koppel Lacroix-Castier in Colombia. De kinderen Fuchmann reden paard tesamen met Fanny Lacroix. De Fuchmanns die vaak naar recepties moesten waren "opgelucht dat we gewoon gezellige mensen leerden kennen met een rustig, familiaal leven."

Lacroix praatte met Fuchmann uitgebreid over zijn plannen om in Colombië bloemen te kweken en uit te voeren. Na Lacroix' aanhouding kregen de Fuchmanns Interpol over de vloer: "Toen we alles hoorden, beleefden we ongetwijfeld de ergste schok in ons leven. Wij waren heel hechte vrienden geworden. Wat we hoorden, was wreed. We hebben het een maand ontzettend moeilijk gehad, we waren ontgoocheld ..." Zacht legt de blonde mevrouw Fuchmann verder uit: "Maar beetje bij beetje hebben we beslist dat als er misschien meer dan genoeg redenen waren om alle bruggen op te blazen, er toch nog diepere gevoelens restten. Ik ben brieven beginnen schrijven. Philippe heeft geantwoord. En daarom ben ik van Brazilië naar hier gekomen. Zoals ik Philippe gekend heb, hoop ik dat hij een nieuw leven kan opbouwen, kan herbeginnen ... ooit."

Zie ook » Bende Haemers | Bendecommissie I

Drugs, sex en de Bende van Nijvel

Een slechte dag

Woensdag 21 februari moet ex-minister Paul Vanden Boeynants voor de Bende-commissie verschijnen om er te antwoorden op een serie voor hem uiterst penibele vragen. Het voorbije jaar werd VDB door een stoet getuigen - onder ede - beschuldigd van drugshandel, plannen tot staatsgreep, een huurmoord, het blokkeren van verschillende gerechtelijke onderzoeken, deelname aan drug- en seksfuiven ... Als het over de Bende van Nijvel en alle daarmee samenhangende misdaaddossiers gaat, noemen sommige kamerleden de gewezen premier zelfs de spin in het web. Bovendien zorgt het nieuws dat Le Crocodile nu toch voor de onderzoekscommissie wordt opgeroepen voor een reeks nieuwe revelaties over 's mans handel an wandel in de internationale drugbusiness. Om te beginnen is er het omstandige relaas van Alfred, alias Frederlque Collins, een tipgever van de drugsectie van de gerechtelijke politie in Brussel, over hoe een nauw met VDB geliearde drugbende in augustus 1979 door de mazen van het net glipte. Collins is wat in het politiemilieu een freelancer wordt genoemd, een sjoemelende privé-speurder die zijn informatie aan de meest biedende verkoopt.

In het geval van Collins waren dat de voorbije twintig jaar het Bureau voor Criminele Informatie, de Franse geheime dienst, het Bundeskriminalamt en de drugsectie van de Brusselse gerechtelijke politie. Collins ging de voorbije weken te biechten bij Walter De Bock van "De Morgen" en Guy Polspoel van de BRT omdat hij - vooraleer zich terug te trekken op het Portugese platteland - tabuia rasa met z'n verleden wil maken. Naar eigen zeggen kwam Alfred Collins in 1979 in de drughandel terecht via zijn infiltratiepoging in het milieu van de illegale wapenhandel. De trafikanten waren ondermeer Armand Donay, Franco Mendez, Roger Baas, Henry Cloeck, Marcellousberg en Pierre Outry. Vooral de laatste drie spelen in dit verhaal een hoofdrol. Cloeck, een vijftiger, is een deeltijdse taxichauffeur uit Villers-Ia-Ville en eigenaar van aan speelgoedwinkel aan de Waversesteenweg in Brussel. Lousberg, eveneens een vijftiger, is een officier in het Belgisch leger die ooit onder Vanden Boeynants op het kabinet van Defensie heeft gewerkt en bovendien verbonden is aan de parallelle inlichtingendienst PlO. Piens Dutry is de neef van Jean-Pierre Dutry, die op zijn beurt gehuwd is met Anne Vanden Boeynants. Pierre Dutry wordt door de anderen zowat als de bendeleider beschouwd.

Collins: 'Eind juli 1979 stelde Pierre Dutry me voor een partij heroïne met een straatwaarde van 70 miljoen te verkopen. Ik rook meteen een belangrijke zaak. Ik vertelde hem dat ik vermoedelijk wel een koper kende, maar dat ik me eerst van de kwaliteit van het spul wou vergewissen. Er werd een afspraak gemaakt om me de partij heroïne te tonen en me een monster te bezorgen. Dutry en Cloeck pikten me met een Mercedes op aan het Schumanplein, waarna ze rondjes begonnen te rijden langs de Wetstraat en de Belliardstraat.' Voor Collins was het toen al duidelijk dat de trafikanten absoluut niet bang waren om met het spul betrapt te worden. Dutry snoefde tegenover Collins dat ze beschermd werden door hoge officieren van de rijkswacht en door Paul Vanden Boeynants, destijds minister van Defensie. Merkwaardig toeval. In dezelfde periode kreeg majoor Herman Vernaillen vanwege de bij drughandel betrokken leden van het nationaal drugbureau van de rijkswacht te horen dat hen niets kon overkomen want dat ze de hoge bescherming genoten van Vanden Boeynants en baron Benoît de Bonvolsin. De partij heroïne lag verpakt in een kartonnen doos op de achterbank van de Mercedes. Collins: 'Ik nam in totaal ongeveer 200 gram uit verschillende zakjes heroïne. Daarnaast gaven ze me nog een pakje van ongeveer 30 gram. Ruim voldoende om het poeder op verschillende manieren te laten testen en onderzoeken. Het pakje van 30 gram speelde ik door aan enkele dealers die het bezorgden aan hun gebruikelijke afnemers. Uit die hoek vernam ik dat de heroïne van bijzonder goede kwaliteit was.'

Brown Sugar

Met de resterende tweehonderd gram trok Collins naar de drugsectie van de gerechtelijke politie in Brussel. Hij vertelde er aan de inspecteurs André Bohème en Jean-Paul Gosset wat hij wist over de bende van Dutry en stelde hen voor een nep-transactie op te zetten en de bende tijdens of na de transactie op te rollen. De speurders geloofden hun oren en ogen niet. Eind de jaren zeventig gold een hoeveelheid van 20 gram heroïne als een belangrijke vangst en hier dook ineens een informant op die een vangst van ruim elf kilo in het vooruitzicht stelde en zonder blikken of blozen 200 gram op tafel legde. Na labo-onderzoek bleek het bovendien om hoogwaardig spul te gaan, Brown Sugar met een zuiverheidsgraad van 82 procent. De drugsectie en Collins besloten samen scheep te gaan. Collins: 'De techniek van de undercover infiltratie was voor de gerechtelijke politie destijds een hoogst uitzonderlijk procédé, dat bovendien wettelijk verboden was.

Daarom werd besloten een beroep te doen op één van de agenten van de Drug Enforcement Adminlstration die opereerden vanuit de Amerikaanse ambassade, een zekere Cooper. Tijdens twee vergaderingen in de ambassade werkten we een plan de campagne uit. Ik zou Cooper bij Dutry en Lousberg introduceren als de vertegenwoordiger van enkele Franse casinobonzen die hun zwart geld in een of meerdere partijen heroïne wilden investeren. De deal zou plaats vinden tijdens de nacht van 7 op 8 augustus in een kamer in het Hyatt Regency hotel waar Dutry en Cooper aanpalende kamers zouden reserveren. De koop zou worden gesloten nadat ik in de kamer ven Dutry nogmaals de kwaliteit van de partij had gecontroleerd. De hele operatie werd minutieus voorbereid. In de lounge en op verschillende verdiepingen hingen politiemensen in burger rond en in de Koningsstraat stond een uitgebreid veiligheidsdispositief klaar. Nadat ik de heroïne bekeken had liet ik Cooper weten dat de koop kon doorgaan. Na het afgesproken klopsignaal op de deur van de hotelkamer verscheen echter niet Cooper maar stormden de leden van de gerechtelijke politie binnen met hun wapens in aanslag.'

Geparfumeerde bloem

De drugsectie van de gerechtelijke politie was in de wolken. De vangst van 11 .5 kilo heroïne gold als een van de grootste sinds jaren. Een bijkomend onderzoek bevestigde dat het inderdaad brown sugar met een zuiverheid van 82 procent was en in de kranten verschenen hoera-stukjes over de arrestatie van de bende. Het Bestuur voor Criminele Informatie stelde Collins zelfs een beloning in het vooruitzicht van 80.000 frank per in beslag genomen kilo. Naar die centen kon Collins evenwel fluiten. Onmiddellijk na hun arrestatie namen Cloeck, Outry en Lousberg de Brusselse advocaat Jean-Paul Dumont - een notoir lid van het CEPIC - onder de arm en die vroeg onmiddellijk een tegenexpertise van de heroïne. De resulteten daarvan sloegen in als een bom. Acht dagen na het oprollen van de bende liet een onafhankelijk labo weten dat het poeder niets anders dan 11,5 kilo geparfumeerde bloem was. Binnen de 24 uur werden alle verdachten losgelaten. De hele zaak werd als een jammerlijke vergissing afgedaan. Niemand stelde zich blijkbaar de vraag wat een stel als zakenman vermomde zware jongens op een hotelkamer zitten te doen met een doos waarin 11,5 kilo in plastiek zakjes verpakte geparfumeerde bloem. Bovendien kwam niemand van de betrokken politiediensten op het idee een onderzoek in te stellen naar de manier waarop de heroïne op de griffie was vervangen door bloem. Het enig denkbare scenario is dat al dan net echte BOB'ers zich met een vervalst opeisingsbevel op de griffie hebben aangeboden, het pakket hebben meegenomen, de inhoud hebben vervangen door bloem en de hele handel in de originele verpakking hebben teruggebracht. Een truuk die later ook door de ex BOB'ers Madani Bouhouche en Bob Beijer werd uitgehaald. In het Brusselse milieu gonsde het inmiddels van de geruchten als zouden de drugs wel degelijk door rijkswachters zijn ingepikt en verzilverd.

Collins: 'Via een privé-detective heb ik vernomen dat de drugs in Nederland zijn verkocht en dat een deel van de winst zou zijn doorgestort op een rekening van het CEPIC. Deze laatste bewering van Collins kan niet worden nagetrokken. Feit is echt er wel dat een lid van de Brusselse gerechtelijke politie, die aan de hele affaire een fikse kater overhield, begin 1980 twee brieven verzond naer onderzoeksrechter de Biseau d'Hauteville waarin de versie van Collins - met meer details wordt bijgetreden. In deze brieven staat te lezen dat leden van het Nationaal Drug Bureau op bevel van commandant François, met medeweten van VDB, de elf kilo heroïne hebben ingepikt en voor rekening van het CEPIC verkocht. Kopieën van deze brieven kwamen ook terecht bij Jean-Claude Garot, die er destijds enkele elementen uit puurde voor een stukje in " Pour". Toeval of niet , enkele weken geleden werden die kopietjes door commissaris Dorpe van het Hoog Comité van Toezicht bij Garot opgevraagd. Dorpe onderzoekt momenteel de financiële perikelen van het CEPIC en dat ondarzoek gaat nu ook in de richting van drugtrafiek. Nuttig om te weten is dat Vanden Boeynants en de Bonvolsin in 1972 mee aan de wieg stonden van het CEPIC, de extreem-rechter vleugel van de PSC waarvan VDB in de tweede helft van de jaren zeventig een tijd lang voorzitter was. De betrokkenheid van VDB in deze affaire zou ook moeten blijken uit de inbeslagname van een reeks geluidsbanden waarmee alle telefoongesprekken tussen Outry, Cloeck en Collins werden opgenomen en waarin voortdurend sprake is van de bescherming die de trafikanten genieten vanwege VDB en een aantal hoge rijkswachtofficieren. Tenslotte heeft François Raes, de rijkswachter die de beruchte affaire François aan het rollen bracht, in zijn getuigenis onder ede op 22 juni 1989 bevestigd dat de naam van VDB in een viertal drugdossiers, waaronder dat van het Hyatt Regency Hotel, voorkomt. Raes overhandigde aan de onderzoekscommissie een schema waarin verschillende verbanden worden gelegd tussen een reeks onopgeloste affaires, drugtrafiek en VDB.

Cocaïne en sex

Vanden Boeynants en zijn politieke entourage kreeg op 14 februari 1990 een zware opdoffer door de onthullingen van een gewezen luxe-prostituée die in het VTM-journaal kwam vertellen dat VDB, procureur-generaal Jean-Louis Jaspar, de Nijvelse procureur Jean Deprêtre, rijkswachtcommandant Leon François in de jaren zeventig deelnamen aan nogal woeste drug- en sexfuiven waar duchtig cocaïne werd gesnoven en ook 13-14-jarige jongens seksueel misbruikt werden. Dit verhaal is niet nieuw. Wel nieuw is het feit dat voor het eerst een getuige opduikt die man en paard noemt. Het relaas van Sarr Maud valt echter wet mooi samen met het verhaal det Humo op 3 maart 1988 publiceerde over de roze balletten van Waals Brabant, de zogenaamde affaire Pinon. Toen al stelden we dat deze affaire mogelijk de hefboom zou kunnen zijn waarmee het klem geraakte onderzoek naar de Bende van Nijvel opnieuw zou kunnen worden losgewrikt. Eind 1979 was door de gerechtelijke politie al een onderzoek gedaan neer de affaire Pinon, maar uiteindelijk belandde het dossier van commissaris Denis in de doofpot en verdween zelfs een aantal essentiële bewijsstukken.

Dat de roze balletten nu plotseling voorpaginanieuws zijn, heeft alles te maken met de onthulling van Volksunie-kamerlid Hugo Coveliers - het meest actieve lid in de Bendecommissie dat de gerechtelijke politie van Brussel vorig jaar een nieuw onderzoek naar de sexfuiven had geopend. Maar dat dit onderzoek van hogerhand was stopgezet zodra dat de namen van Jasper en VDB in de processen-verbaal opdoken. Steen des aanstoots in dit nieuwe dossier was ongetwijfeld het proces-verbaal van de ondervraging van Sarr Maud op 7 februari 1989 door de gerechtelijke politie in Namen. In dit PV noteert gerechtelijk officier Alain Etienne het volgende: " ... Ik herinner me dat in die periode - omstreeks 1978 - de Brusselse procureur des Konings, mijnheer Henri Jaspar, en mijnheer Vanden Boeynents deel uitmaakten van het cliënteel van Lydie ... Ik kan u vertetIen dat deze personen zich niet tevreden stelden met gewone prostituées, maar ook betrekkingen hadden met minderjarigen, zowel jongens als meisjes ... Tijdens de speciale avonden met dergelijke politici en magistraten werd er cocaïne gesnoven... Ik weet dat tijdens dergelijke soirées spéciales Lydia de betrekkingen tussen het cliënteel en de meisjes en de minderjarigen op video vastlegde. .. Lydia vertelde me dat ze dankzij deze films nooit serieuze problemen zou hebben omdat ze de justitie ermee in haar macht hield ... Ik geloof inderdaad dat iemand wiens politieke carrière op het spel staat doordat men hem annale sex kan zien bedrijven met een minderjarige er alle belang bij heeft, en ook alles in het werk zal stellen om een schandaal te vermijden ...'

Paul Vanden Boeynants

Toen dit onthutsende proces-verbaal in het dossier van de gerechtelijke politie terecht kwam, was dit aanleiding om het onderzoek stop te zetten. Toen Sarr Maud haar verklaring voor de camera van VTM herhaalde opende het parket van Brussel een nieuw onderzoek wegens ... schending van de openbare zeden. Vanuit het gerechtelijk milieu en In de Franstalige pers werd het gerucht gelanceerd dat Sarr Maud een mythomane is die waarheid en verzinsel niet meer uit elkaar kan houden, erger, dat zij zelfs tot een bepaald progressief milieu zou behoren en dat ze met haar getuigenis helemaal alleen staat en bijgevolg hoogst onbetrouwbaar is. Onzin. Begin 1988 schreven we al dat de roze balletten een uitloper waren ven de huwelijksperikelen van de Brusselse arts André Pinon. Die kwam er in 1979 achter dat zijn echtgenote Josianne Jeunniau deelnam aan "partouzes" waar volop drugs gebruikt werden en minderjarigen onder de zestien sexueel werden misbruikt. In een confrontatie die door Pinon op band werd opgenomen gaf Jeunniau deze feiten toe. Jean-Claude Garot, hoofdredacteur van "Pour", vond in die zelfde periode op zijn beurt een getuige die aan de sexfuiven had deelgenomen. Zij leverde Garot tientallen namen, data, locaties, details die kunnen worden nagetrokken. Ook dit getuigenis werd op band opgenomen. Zowel de geluidsbanden van Pinon als die van Garot werden aan procureur des Konings Grégoire bezorgd en toegevoegd aan dossier 3891006-79. Met inbegrip van Maud Sarr hebben zich dus tot nog toe drie getuigen gemeld. En dan zwijgen we nog van de omstreden privé-detective Bob louvigny die de nummerplaten van de deelnemers aan de sexfuiven natrok.

Dallas aan de Zenne

Terug naar het dossier dat vorig jaar door de gerechtelijke politie werd samengesteld. Op 21 december 1988, 3 januari 1989 en 22 februari 1989 stelde de GP drie interne nota's op waarin gedetailleerd wordt uitgelegd dat de affaire Pinon in feite een onderdeel is van een veel ruimer prostitutienetwerk dat in de jaren zeventig geleid werd door madame Fortunato "Tuna" Habib Israël, later overgenomen door Lydia Montaricourt ... Vanuit een appartement in de Brusilia-buildig aan de Bertrandlaan in Schaarbeek dirigeerden Tuna en Lydia een Europees callgirl-netwerk dat geregeld werd ingeschakeld in de "onderhandelingen" over miljardencontracten. Vooral de invloedrijke relaties van Tuna profiteerden van deze lucratieve sexploitatie. Tuna, die geboren werd in Alexandrië maar aan een allang vergeten huwelijk de Nederlandse nationaliteit overhield, is de maîtresse van Roger Boas, de grote baas van Asco en politieke zakenvriend van Vanden Boeynants. Begin 1976 werd het netwerk van Tuna ingeschakeld door het Consortium Eurosystem Hospitalier.

Op dat moment onderhandelde het consortium met de Saoedische nationale garde over de bouw van één of meerdere ziekenhuizen in Aman, de opleiding van medisch personeel en de integratie van het ziekenhuizencomplex in de militaire structuur van het Saoedische leger, een contract dat goed was voor 28,6 miljard en waarbij naar schatting 4 miljard smeergeld werd rondgestrooid. Tuna werd destijds zelfs als "public-relation" ingeschreven op de loonlijst van het Consortium. Niet voor lang echter. In 1979 is Tuna in loondienst van de firma Plexycca en tegelijk ook van de onderneming Soremi, twee bedrijven die eigendom zijn van Roger Boas. Deze laatste leidt op dat moment de NV Belglan Mechanlcal Fabricatlon, een combinatie waaraan ook Cockerill en de Groep Brussel-lambert participeren. BMF werd in feite opgericht om het contract voor de levering van nieuwe pantserwapens aan het Belgisch leger - goed voor 24,2 miljard - in de wacht te slepen. Ook bij het afsluiten van dit contract demonstreerden de dames van het Tuna-netwerk tot ieders tevredenheid hun kwaliteiten. Uit de nota van januari 1989 blijkt immers dat de toenmalige minister van Defensie bijzonder moet genoten hebben van een snoepreisje annex safari in Zuid-Afrika in het gezelschap van een aantal meisjes uit het Tuna-netwerk. Een uitstapje waarvan de faktuur door de NV Plexycca betaald werd.

Moord

In 1980 ontstaat in dit mondaine gezelschap grote onrust. Een van de meisjes uit het Tuna-netwerk wordt in Duitsland vermoord en de Duitse autoriteiten vragen de Belgische Justitie een onderzoek in te stellen. Dit onderzoek wordt toevertrouwd aan de Brusselse BOB, die binnenvalt in de woning van Tuna aan de Van Severlaan in Strombeek-Bever. De speurders nemen er het adressenbestand van de clientèle in beslag en voelen Tuna aan de tand. Korte tijd later verkoopt Tuna haar netwerk aan Lydia Montaricourt en vestigt zich op het eiland Malta. Toevallig de zonnige vluchtheuvel waar de weduwe Ghysels zich tien jaar geleden terugtrok. Mevrouw Ghysels was de zaekvoerdster van Boucheries Ghysels, het vleesbedrijf dat samen met Vandan Boeynsnts genoemd wordt in een zaak van hasj en cocaïne die in ladingen bevroren vlees vanuit Luxemburg naar België gesmokkeld werden. Toen Boucheries Ghysels destijds ten gevolge van een onderzoek naar fiscale fraude in de problemen kwam, belandde mevrouw Ghysels enkele dagen in de gevengenis.

Bij haar vrijlating vertrok zij onmiddellijk naar Malta waar zij met Vanden Boeynants en enkele van diens zakenrelaties het vleesverwerkend bedrijf Mediterrenean Meat Company stichtte. Dit bedrijf deelt zowel adres als accountants met Asco-Malta, één van de ondernemingen van Roger Boas. In de nota van december 1988 zet de gerechtelijke politie zelfs een scenario op papier waarbij ervan uitgegaan wordt dat leden van de Brusselse BOB na de inbeslagname van het adressenbestand van Tuna een dossier zouden hebben samengesteld waarmee ze een aantal prominenten konden chanteren. In de nota worden prins Albert, rijkswachtgeneraal Beaurir, Vanden Boeynants en Charly De Pauw genoemd. De bende die de chantage zou hebben opgezet bestond volgens de nota uit Madani Bouhouche, Jean-Marie Millet, Jean-Pierre Stienon, Martial Lekeu, Christian Pattijn en een zekere Callens. Met uitzondering van Callens figureren de namen van deze BOB-ers en ex-BOB-ers ook in het dossier van de Bende van Nijvel. Nog steeds volgens hetzelfde scenario zou één van de originele chantage-videotapes door Charly De Pauw van de afpersers zijn afgekocht voor 140 miljoen frank.

Een kopie van deze tape zou dan weer in de handen van Jacques Fourez gevallen zijn. Fourez werd op 17 september 1983 op de parking van de Colruyt in Nijvel door de Bende van Nijvel vermoord. Het dossier van de gerechtelijke politie bevat ook een vertrouwelijk syntheserapport opgesteld door Gérard Bihay van de Info-sectie de BOB van Nijvel. In dit rapport wordt aan de hand van het slachtofferonderzoek een verband gelegd tussen de roze balletten, extreem-rechts en een aantal moordaanslagen van de Bende. De aanslag op wapenhandelaar Dekaise in Waver, de moord op José Vanden Eynde in de Auberge du Chevalier in Beersel, de moord op taxichauffeur Constanting Angelou, de overval op de Colruyt in Halle, de moord op Jozef Broeders in de zeilmakerij Wittock-Van Landeghem, de moord op het koppel Fourez-Dewit op de parking van de Colruyt in Nijvel en de moord op Jacques Van Camp in restaurant Les Trois Canards in Ohain. In deze versie zou het telkens gaan om koelbloedige afrekeningen die als overvallen werden gecamoufleerd. Ook hier zou de sex-chantage weer aan de basis liggen van de moorden.

Villa

De videobeelden waarmee prominenten zouden worden gechanteerd, zouden volgens het dossier van de gerechtelijke politie gefilmd zijn in een speciale villa in Sint-Genesius-Rode. Over deze villa zegt het dossier onder referentienummer PJP-PJ08 het volgende: "Het is geweten dat Van Vreckhom Eliane haar loopbaan als publieke vrouw begon in Nederland, meer bepaald in de bar "ELGUS" in Maastricht. De naam van deze instelling was samengesteld uit de voornaam van haar pooier zijnde Gustav Krüder - welke eveneens tussenkomt in de Feluy-zaak - en uit haar eigen voornaam. Deze bar werd meer dan regelmatig bezocht door de heren Spitaels en VDB, die onderling een weddingschap aangingen teneinde vast te stellen hoe lang het zou duren vooraleer hun collega Mathot op deze bijzonder mooie vrouw verliefd zou worden. Over hun bijgedachten hoeft niet verder te worden uitgewijd. Na slechts een bezoek aan haar bar deed Mathot haar de nodige voorstellen waarop zij inging. De heer Mathot kocht haar vervolgens af van haar pooier en installeerde haar in de eerste plaats in een appartement in Ukkel dat enige tijd later door de gerechtelijke politie werd doorzocht in het kader van een handel in diamanten.

De villa in Sint-Genesius-Rode, gelegen in de omgeving van het "Rood Klooster", werd gebouwd met gelden afkomstig van Charly De Pauw. De fondsen werden via de bank Belgolaise versast naar een firma op de Cayman-eilanden. Deze villa heeft dikwijls gediend om aangename partijen in door te brengen. Ook namen minderjarigen hieraan deel, meestal afkomstig uit tehuizen uit de omgeving. Het is geweten dat Jean Bultot eind van de jaren zeventig, begin van de jeren tachtig opvoeder was in het staatstehuis te Wauthler-Braine. Nadien vervulde hij diezelfde functies, clandestien, in het tehuis Van Durme te Sint-Genesius-Rode. Dit tehuis brandde volledig af met alle mogelijke administratieve stukken. De brand werd gesticht door een geplaatste minderjarige, toeval of niet, maar er geplaatst door jeugdrechter Agneessens uit Nijvel.

Bron » Humo | Hugo Gijsels | Februari 1990
Forum » Bespreek dit artikel
Zie ook » Nijvel | Bouhouche & Beijer | Roze Balletten | Bendecommissie I | Jean-Paul Dumont

Staatsgreep in België

Inleiding

In augustus 2003 was het precies dertig jaar geleden dat door een gericht perslek definitief het waanzinnige plan werd gekelderd om een militaire staatsgreep te plegen in ons land en de parlementaire democratie te vervangen door een rechts kolonelsregime naar Grieks model. De complotteurs beschikten over geld, wapens, politieke connecties en de vereiste expertise om hun plan te kunnen uitvoeren. Een 'hoge personaliteit', wellicht toenmalig PSC-minister van Defensie Paul Vanden Boeynants, destijds het boegbeeld van de gespierde rechterzijde, weigerde echter op het cruciale moment de leiding van de operatie op zich te nemen, waarna het plan als een mislukte soufflé ineenzakte.

Het einde van een lange zomer

'We sliepen in gevechtskledij, met onze combatschoenen aan. Helmen en wapens binnen handbereik, de voertuigen startklaar in de kazerne. In eerste instantie stelde ik daar toen geen vragen bij. Wij waren gedrild om opdrachten uit te voeren. Punt, uit." Aan het woord is Christian Amory, in 1973 lid van het Speciaal Interventie Eskadron (SIE) van de rijkswacht, die zijn herinneringen aan de episode enkele jaren geleden oprakelde in La Dernière Heure. "Die dag moesten we, voor het eerst in het bestaan van onze eenheid, gedurende 24 uur stand-by blijven. Dat is zeer lang. Zelfs in periodes van terroristische dreiging duurde een stand-by nooit langer dan twaalf uur." Officieel wisten de rijkswachters niet wat er aan de hand was. Pas jaren later vielen de puzzelstukjes op hun plaats. "We waren gemobiliseerd voor een staatsgreep", begreep Amory. "Ons doelwit was de inname van het parlement. Later heb ik vernomen dat op die dag de mp's (agenten van de militaire politie) die het parlement bewaakten, waren ontwapend. Ze hadden geen kogels in de laders van hun wapens. Zogezegd om te vermijden dat ze het voorbeeld van een collega zouden volgen die onlangs zelfmoord had gepleegd met zijn dienstwapen. Later hoorden we ook dat er die dag pantsers vanuit Duitsland naar de Belgische grens werden overgebracht. Dat de para's ingezet zouden worden. Dat het doelwit niet alleen het parlement was, maar ook het koninklijke paleis, de RTBF en de belangrijkste communicatieknooppunten."

Toen, net als nu, werkte het plan met de codenaam operatie Blauwe Orde (een verwijzing naar de kleur van het rijkswachtuniform) vooral op de lachspieren. "De officieren die naar de macht willen grijpen", schreef Gazet van Antwerpen op 14 augustus 1973, "zouden niet alleen bij Franstaligen te vinden zijn. Ook een uiterst rechtse groepering zou aan dit (operette?)komplot deelnemen. Naar wij in elk geval vernamen, wordt dit 'komplot' door de staatveiligheid helemaal niet in het belachelijke getrokken. Of wij hier te doen hebben met een vaudeville, gerijpt in het brein van zekere officieren die te weinig werk omhanden hebben, of om een ernstig komplotplan van al of niet 'patologische gevallen' moeten de toekomst en de staatsveiligheid uitwijzen."

Niemand kon geloven dat een heuse staatsgreep in ons land enige kans op slagen had, maar als gevolg van dit persbericht werden niettemin verschillende informatieonderzoeken naar de kandidaat-putschisten opgestart. Daaruit bleek dat het zwaartepunt van het komplot in het Waals-Brusselse milieu van oud-kolonialen lag. De harde kern van de samenzweerders bestond uit figuren uit de rechtervleugel van de Franstalige christen-democratische partij PSC (destijds georganiseerd in het Cepic), actieve militairen en reserveofficieren, hoge rijkswachtofficieren, neo-nazi's en enkele rijke industriëlen. In de denkwereld van die lieden vormde een reeks elementen een explosieve cocktail: rancune om het verlies van Belgische Kongo, verontwaardiging over de 'subversie' en contestatie bij de tegen de Vietnam-oorlog protesterende jeugd, rabiaat anticommunisme, vaderlandsliefde, trouw aan het koningshuis en angst voor het federalisme die het voorbestaan van de Belgische staat in gevaar leek te brengen. Er was ook de internationale context. In 1973 zaten fascistische dictators als Salazar in Portugal en Franco in Spanje nog stevig in het zadel. Vijf jaar eerder had een militaire putsch in Griekenland het ultrarechtse kolonelsregime aan de macht gebracht. En later in 1973 zou de bloedige militaire staatsgreep van generaal Pinochet in Chili plaatsvinden.

"De rode Rus zit nu ook al in de fröbelklas!"

Zo begon zich in de loop van 1972, het jaar waarin Vanden Boeynants benoemd werd tot minister van Landsverdediging, een netwerk te vormen van gelijkgestemden, met steunpunten in Namen, Luik en Luxemburg en uitlopers in Brussel en Antwerpen. Ze vergaderden meestal in Brussel, in de kelder van het café La Maison du Luxembourg, in de buurt van het Luxemburgstation. "De meeste mensen die ik daar ontmoette, hadden alleen een voornaam of een pseudoniem", vertelde een anonieme deelnemer aan die vergaderingen later aan het weekblad Knack. "Het uitstekende van de organisatie is haar spoorloosheid. Je vernam er eigenlijk niet zoveel over de juiste toedracht van de plannen of de stand van zaken. Af en toe viel de naam van een militair - 'wat zou generaal B. ervan denken?" - of van iemand die bereid was te financieren. Wanneer ik vragen stelde, kreeg ik een antwoord in de richting van: 'hou je daar niet mee bezig.'"

Inspiratie vonden de putschisten bij de ideologen van het OAS, de Organisation de l'Armée Secrète van Franse kolonialen die in de jaren zestig gewapenderhand hadden gevochten tegen de dekolonisatie van Algerije. Getraumatiseerd door de vernederende nederlaag van de Fransen in Indochina raakten een aantal officieren geobsedeerd door de vraag hoe een slecht uitgerust boerenleger als de Vietminh een ervaren beroepsleger kon verslaan. Ze verdiepten zich in de militaire geschriften van Mao en andere communistische theoretici en ontwikkelden een contrarevolutionaire doctrine, een combinatie van zowel gerichte als doelloze terreuraanslagen, guerrillatechnieken, propaganda en psychologische oorlogsvoering. Ook provocatie, via het infiltreren van authentieke linkse groepen en het oprichten van zogenaamd 'linkse' verzetsbewegingen, behoorde tot het arsenaal. De Derde Wereldoorlog was in hun ogen al begonnen. De communisten waren immers bezig met een nieuw type subversieve oorlogsvoering, met als einddoel de vernietiging van de westerse beschaving. "De rode Rus zit nu ook al in de fröbelklas!", donderde Vanden Boeynants in een tv-interview.

Na de ineenstorting van het OAS waren de meeste van haar leden naar het buitenland gevlucht, onder andere naar Portugal. Daar hergroepeerden een aantal ex-OAS'ers zich, met de steun van de Portugese geheime dienst PIDE, in het persagentschap Aginter Press. Onder de dekmantel van een heus persagentschap functioneerde de organisatie in werkelijkheid als draaischijf van een internationale gewapende organisatie, gericht tegen de communistische subversie. Aginter Press was tegelijkertijd een spionagedienst die samenwerkte met diverse westerse inlichtingendiensten, een basis voor de rekrutering en training van huurlingen-terroristen en een denktank waar de 'strategie van de spanning' op punt werd gesteld. Pas jaren later bleek hoe die moorddadige strategie onder meer in Italië in de praktijk werd gebracht door de Italiaanse fascist en Aginter-medewerker Stefano della Chiaie. Aginter Press was in september 1966 opgericht door Yves Guérin-Sérac, een veteraan van de oorlog in Indochina, voormalig OAS-officier en terrorisme-expert. Als beschermeling van dictator Salazar werd hij instructeur van de antiguerrilla-eenheden van het Portugese leger. Die Guérin-Sérac stond in het begin van de jaren zeventig vrijwel permanent in contact met kopstukken van extreem-rechts in België, zoals Florimond Damman en Emile Lecerf, twee schaduwfiguren die (volgens uitgelekte BOB-rapporten) behoorden tot de bedenkers van het destabilisatieplan van 1973.

Een rode haan en een zwarte leeuw

Damman was de referentieschakel van het internationale anticommunistische netwerk. Hij werkte in een aantal semi-clandestiene Europese organisaties, zoals de Académie Européenne des Sciences Politiques (AESP), de Mouvement d'Action pour l'Union Européenne (MAUE) en de Ligue Internationale de la Liberté (LIL), de Belgische afdeling van de World Anti-Communist League (WACL), en had connecties met aristocraten die dicht bij het koninklijke paleis en de Navo stonden. Lecerf had de leiding van Nouvel Europe Magazine (NEM) en de NEM-clubs die een centrale rol speelden in het staatsgreepplan en later zouden uitgroeien tot de extreem-rechtse militie Front de la Jeunesse. Hij was de peetvader van de voornaamste neofascistische leiders, zoals Francis Dossogne (Front de la Jeunesse) en Paul Latinus (de leider van Westland New Post). Uit politierapporten en latere getuigenissen voor parlementaire onderzoekscommissies kan worden afgeleid dat het aantal complotteurs in 1973 op ongeveer honderd man mag worden geschat. Er was sprake van een dertigtal Luikse legerofficieren die zichzelf de Rode Haan noemden en een veertigtal Vlaamse officieren gegroepeerd in de Zwarte Leeuw. Zij konden rekenen op een onbekend aantal rijkswachters, een handvol ambtenaren en burgers en enkele onbekend gebleven rechtse prominenten.

Voormalig Humo-journalist Hugo Gijsels noemde in zijn boek De Bende & Co voor het eerst een aantal namen: para-kolonel en PRL-parlementslid Jean Militis, ex-minister van Defensie José Desmarets (PSC), de gewezen stafchef van het leger Georges Vivario, procureur Raymond Charles (voorzitter van het Hoog Comité van Toezicht), voormalig rijkswachtgeneraal Fernand Beaurir, majoor Jean Bougerol (chef van de privé-inlichtingendienst PIO), graaf Arnould de Briey (een hoge ambtenaar van het Abos) en natuurlijk de onvermijdelijke baron Benoît de Bonvoisin. Ondanks de maandenlange voorbereiding ging de staatsgreep niet door. Volgens de verklaringen van Christian Amory voorzag het scenario dat "een vooraanstaand politiek persoon" de macht zou overnemen. Met die omschrijving kan enkel defensieminister Vanden Boeynants bedoeld zijn. "Twee uur van tevoren werd zijn privé-secretaris op de hoogte gebracht van de plannen en de rol die hem was toebedeeld. Deze personaliteit weigerde. Daarmee hield alles op."

Halverwege de plannenmakerij beseften de samenzweerders dat ze ook Vlaamse prominenten nodig hadden, tenminste als hun plan enige kans op slagen wilde hebben. Daarom contacteerden ze de Mechelse notaris Paul Daels, de voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, die tot zijn verbijstering vaststelde dat "het geld en de wapens voor de staatsgreep klaarlagen". Via een oud-koloniaal werd in zomer van 1973 ook toenadering gezocht tot Hubert Lampo, bekend auteur van magisch-realistische romans, die werd aangezocht om in de 'regering' die na de staatsgreep zou worden gevormd de functie van minister van Cultuur te aanvaarden. Lampo bedankte voor zoveel eer en alarmeerde meteen enkele bevriende ministers, met name Willy Calewaert, Leo Tindemans en Willy De Clercq. De poging om een Vlaamse vleugel uit te bouwen werd de samenzwering uiteindelijk fataal. De aangezochte Vlamingen lagen aan de basis van het perslek in Gazet van Antwerpen, dat de doodsteek betekende voor de putschisten. "Het was een warme zomer", schreef Hugo Gijsels, "en de eerder vage berichten over 'extremistisch gekonkelfoes' veroorzaakten nauwelijks rimpels op de politieke vijver."

Bron » De Morgen | Georges Timmerman | Augustus 2003
Forum » Bespreek de staatsgreep
Zie ook » Bouhouche & BeijerWestland New Post | Staatsveiligheid | Extreem-rechts in België