Inleiding

Gladio in België

Het Belgische deel van Gladio werd in de jaren '50 opgestart en opgesplitst in twee verschillende organisaties. De SDRA8, voor de Belgische Inlichtingendienst en de STC/MOB voor de Belgische Staatsveiligheid. Het netwerk werd publiek op 14 november 1990, wanneer de toenmalige Minister van Defensie Guy Coëme het bestaan ervan officieel bevestigde. Dit gebeurde enkele maanden nadat premier Giulio Andreotti in Italië hetzelfde had ondernomen.

De moord op Communistenleider Julien Lahaut in 1950, de Roze Balletten en een poging tot staatsgreep in 1973 zijn enkele zaken die ook gelinkt zouden zijn aan Operatie Gladio. De onderzoeken hieromtrent zijn anno 2009 nog steeds lopende. Weinige functionarissen wisten toen iets af van enig Top-Secret netwerk.

Oprichting van Gladio

In de jaren vijftig is in West-Europa het geheime netwerk Gladio opgericht. De Belgische tak, met de naam SDRA-8, is rond 1950 opgericht door de militaire veiligheidsdienst en door de Staatsveiligheid. Het is dan volop Koude Oorlog en Gladio is bedoeld als verweermiddel tegen een eventuele bezetting door troepen uit de Sovjetunie. In Gladio zitten zowel burgers als militairen. Als het Belgisch Gladio in 1951 operationeel wordt, beslist het ministercomité voor Defensie de opdrachten te spreiden over de militaire strijdkrachten en de Staatsveiligheid.

Pas op 4 januari 1952, dus twee jaar na de oprichting van het netwerk, ontvangen de administrateur-generaal van de Staatsveiligheid Caeymaex en opperbevelhebber generaal Baele van hun voogdijminister een eerste concrete taakomschrijving. De Staatsveiligheid werd belast met de opdracht voorbereidingen te treffen om in geval van bezetting de regering in ballingschap te kunnen blijven informeren, belangrijke personen veilig naar het buitenland te evacueren en de tactische uitwerking van de psychologische oorlogvoering te verzorgen. Alle andere taken, waaronder actie en sabotage, gingen naar de SDRA-8, de inlichtingendienst van het Belgisch leger. Deze taakomschrijving was een rechtstreeks gevolg van een door de eerste minister Pholien bestelde studie over de clandestiene en psychologische oorlogvoering van generaal Devyver.

Reactie's

Toenmalig Eerste Minister Wilfried Martens tijdens een persconferentie op 9 oktober 1990 : "Ik ben al elf jaar premier, maar ik wist hoegenaamd niets van het bestaan in ons land van zo’n geheim netwerk."

Toenmalig Defensieminister Guy Coëme : "Natuurlijk is het abnormaal dat ik bij mijn ambtsaanvaarding niet ben ingelicht over dit netwerk. De Koude Oorlog is al lang voorbij en de recente gebeurtenissen in de landen van het Oostblok tonen overduidelijk aan dat zo'n geheim netwerk volkomen achterhaald is. Het is een anachronisme dat best kan worden opgedoekt."

Het Agalev-parlementslid Hugo Van Dienderen : "Dat geheime netwerk deed meer dan zich voorbereiden op de strijd tegen een communistische bezetter. (...) Medewerkers ervan probeerden de vredesbeweging te infiltreren. Bepaalde Amerikaanse groepen zochten toen contact met hen. (...) Een voormalige directeur van het CIA (William Colby) laat er geen twijfel over bestaan dat hun inlichtingendiensten aan de basis liggen van de netwerken."

Robert Beijer, topgangster en ex-rijkswachter, zei hierover : "Er moet een soort organisatie bestaan onder leden van de Staatsveiligheid, de rijkswacht en de parketten. De aanslagen van de CCC maakten naar mijn idee ook deel uit van een zelfde plan. Eén van de schuilplaatsen van de CCC werd gehuurd door een broer van een lid van de Staatsveiligheid."

Richard Brennecke, een ex-CIA agent, bevestigde in een interview : "We hebben de P2 loge gebruikt (...) zodat in de jaren '70 het terrorisme kon uitbarsten in Italië en in andere landen. Deze loge is nog steeds actief."

Italiaanse rechters besloten : "Het is een soort onzichtbare regering, waarin de loge P2, bepaalde afdelingen van de geheime diensten, de georganiseerde misdaad en het terrorisme nauw verbonden zijn. Een duistere groep met extra-institutionele banden heeft jarenlang in ons land geopereerd met als doel de politieke conditionering van de democratie en de persoonlijke macht te verwerven. Om zijn doelstellingen te verwezenlijken, maakte deze groep gebruik van terrorisme."

Meer » Staatsveiligheid | Strategie van de Spanning | De zaak CCC

De moord op Julien Lahaut

18 augustus 1950

Julien Lahaut, de voorzitter van de Kommunistische Partij van België, wordt voor de deur van zijn huis in Seraing te Luik vermoord. Onbekende schoten vijf kogels op Lahaut uit een Colt .45. Hij was op slag dood. Lahaut werd geboren in 1884 en engageerde zich in 1921 voor de arbeidersbeweging als kopman voor een lange staking bij Ougrée-Marihaye. In 1923 trad hij toe tot de Kommunistische Partij van België en binnen het bestuur van de partij werd hij een fervent voorstander van een volksfront. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij tegen de bezetter, maar in juni 1941 werd hij tijdens operatie Sonnewende gearresteerd. Na een viertal vluchtpogingen uit de citadel van Hoei werd hij in september 1941 gedeporteerd naar het vernietigingskamp Mauthause, maar Lahaut overleefde de genocide.

Bij zijn terugkeer na de oorlog werd hij de voorzitter van de Kommunistische Partij. Sommigen zien in een pro-republikeinse oproep van 11 augustus 1950 een verklaring voor de moordaanslag. Een persoon die naast Lahaut stond, verstoorde toen de eedaflegging van koning Boudewijn met de kreet: "Vive la republique!" Door die uitspraak werd Lahaut in de ogen van Leopoldisten een doelwit. Maar er is meer, de koude oorlog heeft de communisten bij bepaalde rechtse groeperingen tot de uit te roeien vijand gemaakt. Een van die rechtse groepen is de donkere groepering Gladio die over heel Europa actief was. Sommige onderzoekers menen dat de daders van deze aanslag in die kringen moet worden gezocht.

Een falend onderzoek

Ruim tien jaar later, in mei 1962, wordt in Antwerpen een zekere Pierre Paul als verdachte verhoord. Hij was een zakenman en tijdens de koningskwestie was hij lid geweest van een ondergrondse anti-communistische organisatie. Nadat Pierre Paul heel de moordzaak als belachelijk had genoemd, gaf hij uiteindelijk toe dat daarover binnen de groepering mogelijk gesproken was, maar hij voegde eraan toe dat er toch een verschil is tussen woord en daad. Tijdens een van de ondervragingen hierover maakte hij zich kwaad. Hij vond dat hij met heel die zaak niets te maken had.

En hij zegde dat hij een vooraanstaand Brussels katholiek politicus, met name Paul Vanden Boeynants, op de hoogte zou brengen indien de ondervragingen bleven voortduren. Maar of het vanwege de verdachte Antwerpenaar meer is geweest dan een loze kreet om de politie af te schrikken, is nooit duidelijk geworden. Het onderzoek naar de moord op Lahaut werd kort nadien afgesloten, zonder dat het iets had opgeleverd. Pierre Paul is dood, VDB weet van niets. De Antwerpse gerechtelijke politie voegde aan haar proces verbaal toe: "Wij beklagen ons er overigens over sedert enkele weken reeds voorwerp te zijn geweest van twee andere onrechtstreekse intimidatie pogingen van dezelfde middens."

Meer » Strategie van de Spanning | Paul Vanden Boeynants

Operatie Oesling

Mei 1984

Vielsalm, zondagmorgen 13 mei 1984. De kazerne van de Ardeense Jagers heeft een desolaat maar vredig aanzien. Kort na middernacht dringt een commando van een drietal man de kazerne binnen. De indringers knippen de prikkeldraadversperring stuk, zagen de tralies van het wapendepot door, overmeesteren en boeien de jonge dienstplichtige Pascal Moreau. Adjudant Carl Freches, die verantwoordelijk is voor de nachtdienst, hoort een verdacht gerucht. Hij gaat kijken, maar een overvaller opent het vuur met een Thompson machinepistool en Freches wordt genadeloos neergemaaid met 4 .45 kogels.

De overvallers gaan aan de haal met zo'n 20 FAL-geweren, vijf Vigneron-machinepistolen, drie Lee Ensfield-geweren en een FALO-machinepistool. Vijf kilometer verderop laden ze de buit in een Minerva-jeep en een Mercedes en verdwijnen spoorloos in de nachtelijke duisternis. Het militaire auditoraat van Luik stelt een onderzoek in naar deze tot in de puntjes uitgevoerde commando-actie, maar speelt spoedig het dossier door naar het parket van Marche-en-Famenne, omdat het leger niets met de overval te maken heeft. De rechercheurs staan voor een raadsel. Officieel heet het dat de overval met bijna dodelijke afloop het werk van gangsters of terroristen is geweest.

Was het de CCC?

Is de medestander van Pierre Carette, Bertrand Sassoye, niet soldaat geweest in de kazerne van Vielsalm tot hij in maart 1982 deserteerde? Het vervolg schijnt de speurders aanvankelijk gelijk te geven. Op 23 augustus 1985 ontdekt de gerechtelijke politie bij een huiszoeking in een conspiratief appartement aan de Landhuisjesstraat 73 te Ukkel een tamelijk indrukwekkend wapenarsenaal, waaronder een FAL-geweer en een FALO-machinepistool, afkomstig van de diefstal in Vielsalm. Daarnaast vinden de speurders vingeeafdrukken van Nathalie Ménigon, Jean-Marc Rouillan, Joëlle en Cipriani, stuk voor stuk topfiguren van Action Directe. Tenslotte beweren ze een fragment van een vingerafdruk van de een week eerder aangehouden Chantal Paternostre aan te treffen. Medio 1985 overheerst de indruk dat Action Directe, CCC of FRAP achter de aanslag op de kazerne van Vielsalm zitten. Op 12 september 1985 haalt een onbekende, Lucien Dislaire, de voorpagina van Le Soir.

Dislaire, een gewezen para-commando, vocht in de jaren zestig als huurling in de Zaïrese diamantprovincie Kasai. Terug in België wordt hij het prototype van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Hij is achtereenvolgens caféhouder, houthakker, filiaalhouder van een bank en exploitant van een hotel in Houfalize. Wegens zij aandeel aan twee roofovervallen veroordeelt de rechtbank van Neufchâteau Dislaire begin 1985 tot vier jaar cel. Eind juli 1985 krijgt hij van de gevangenisdirectie van Saint-Hubert voor het eerst penitentiair verlof. Dislaire poetst de plaat, licht in de gauwte nog een een bank op en duikt met een slordige elf miljoen onder in de omgeving van Parijs. In Parijs doet hij begin 1986 een journalist van Le Soir, René Haquin, de geheime NAVO-oefening 'Oesling 84' uit de doeken. Haquin valt van de ene verbazing in de andere. Dislaire zegt er zeker van te zijn dat Belgische para-commando's op aanstichting van instructeurs van de Amerikaanse Special Forces tijdens de anti-terreuroefening 'Oesling 84' de overval in Vielsalm pleegden.

Of was het iemand anders?

Als Haquin het verhaal hoort, wrijft hij zijn ogen uit, want een avonturier als Dislaire is van zijn eerste leugen niet gebarsten. Haquin trekt echter het verhaal zorgvuldig na en het blijkt in de verste verte niet uit Fabeltjeskrant te komen. Hoe zit 'Oesling 84' in elkaar? Deze NAVO-oefening speelt zich af tussen 24 april en 18 mei en wordt geleid vanuit een hoofdkwartier in Groot-Brittannië, dat in verbinding staat met twee lokale commandoposten in Vielsalm en het Luxemburgse Diekirch. Volgens het scenario moeten verzet- of terreurgroepen sabotage- en guerrilla-acties ondernemen tegen vijandelijke militaire doelwitten, met name rijkswachtposten en kazernes in de provincie Luxemburg.

Om als terroristen te opereren wordt een beroep gedaan op commando's van de basis in Flawinne. Naar aanleiding van de aanslagen van de CCC en de Bende van Nijvel zullen ze in november 1985 gemobiliseerd worden om de rijkswacht te helpen orde en rust te herstellen. Begin mei '84 worden de Belgische commando's versterkt met twaalf instructeurs van de Special Forces uit North Carolina. Leger en rijkswacht moeten proberen de terreuraanslagen te verijdelen en de terroristen in hun kraag te vatten. De commandopost van deze terroristenjagers is gevestigd in de kazerne van de Ardeense Jagers in Vielsalm. De terroristen of partizanen moeten sympathiserende burgers ronselen voor het verlenen van logistieke steun.

De commando's van Flawinne wenden zich om hulp tot een tiental ex-para's, waaronder Dislaire in wiens strafregister ze geen bezwaar zien. Dislaire zorgt voor voedsel, logies en munitie. Tevens vervoert hij de terroristen naar de doelwitten met zijn Volvo of met een gehuurde vrachtwagen en autobus. Hij staat in radiocontact met de bevelvoerder en pendelt als een soort verbindingsofficier tussen de terreurgroepen in het noorden en het zuiden van de provincie Luxemburg om orders en informatie over te brengen. Begin mei 1984 worden de twaalf deskundigen van de Special Forces gedropt in de bossen ten noorden van Houffalize waar ze zich vervoegen bij 24 Belgische commando's. De Ardeense Jagers houden meteen een klopjacht op de terroristen.

De Special Forces

De Special Forces geven zich graag uit voor de hardste gevechtseenheid van het Amerikaanse leger en ze zijn vastbesloten dat ook te laten zien. De Amerikanen hebben de in het scenario voorziene aanvallen zorgvuldig voorbereid. Voor hen is de oefening klaarblijkelijk geen 'Kriegspiel', ze sturen aan op echte terreuracties. Op een nacht doen vijf 'burgers' een verrassingsaanval op een rijkswachtpost in Neufchâteau. In werkelijkheid gaat het om een Amerikaans-Belgisch commando van terroristen. Bij de aanval explodeert een oefengranaat. Ook werkelijke aanvallen worden ondernomen tegen een rijkswachtpost in Longlier, een benzinedepot in de kazerne van Bastogne en een relaisstation van de RTBF in het bos van Anlier.

In de nacht van 12 op 13 mei staat een aanval op het programma tegen het hoofdkwartier van de Ardeense Jagers in Vielsalm. Dislaire krijgt de opdracht de terroristen op zaterdag 12 mei naar het doelwit te brengen. Zijn relaas: "Op 12 mei, voor het vallen van de avond, vervoerde ik een groep naar Beho en een andere naar de omgeving van de kazerne van Vielsalm. Ze verscholen zich en wachtten de nacht af om het helikopterpark aan te vallen. De operatieleiding gaf echter zijn fiat niet; ik verliet ze omstreeks 19 uur en waarschuwde hen ervoor dat ik de volgende dag niet zou komen. Ik ben dan met mijn vrouw naar de buurt van Spontin vertrokken."

"Zondagmorgen 13 mei vernam ik via een nieuwsuitzending van RTL dat een aanslag was gepleegd tegen de kazerne van Vielsalm. Ik keerde terug naar huis en probeerde omstreeks 18 uur vruchteloos radiocontact te krijgen met mijn groepen. Ik ging dan maar naar de plaats waar ze gebivakkeerd en waar ik ze had verlaten. Van niemand was nog een spoor te bekennen. Maandagmorgen kreeg ik een telefoontje van een officier van de kazerne van Vielsalm die me vroeg de bevelhebber van de commando's te melden 'dat de 's nachts gerecupereerde militair een ernstige oogwonde had opgelopen maar niet langer in levensgevaar verkeerde, en dat zijn wapen zoek was."

"Rond 11 uur kwamen de Belgische commando's bij mij aan en een van hen vertelde me dat er een dode was gevallen. Ik stelde de luitenant gerust, waarop hij repliceerde dat 'we een kwalijke grap achter de rug hebben'. De Amerikanen moesten volgens onze afspraak de volgende dag komen, maar ze daagden niet op. Achteraf vernam ik dat ze waren opgepikt door een helikopter en overgevlogen naar de Westduitse basis van Bitburg. Nochtans was gepland dat de oefening zich tot 18 mei zou uitstrekken."

De conclusie

Dislaire concludeert: "Volgens mij hebben de Belgische commando's de aanslag tegen de wapenopslagplaats van Vielsalm op hun geweten. Ze handelden daarbij in strijd met de orders en op aanstichting van de Amerikanen die Thompson-machinepistolen droegen." De Belgische legerleiding heeft een jaar lang de justitie een rad voor de ogen gedraaid, zogenaamd omwille van de militaire veiligheid. Ze kan het verhaal van Dislaire niet ontkrachten en geeft toe dat er 'betreurenswaardige incidenten' plaatsvonden, maar niet in de kazerne van Vielsalm.

Ze loochent met klem dat de Belgische en Amerikaanse militairen tijdens de oefening voorzien waren van echte munitie en Thompson-machinepistolen. Begin november 1985 komt een vertegenwoordiger van het Amerikaanse ministerie van Defensie speciaal naar Brussel om de versie van de Belgische legerleiding te beamen. Inmiddels is Dislaire eind september in Luxemburg aangehouden wegens de in augustus 1985 gepleegde oplichting, waarvoor onderzoeksrechter Pochet van Marche-en-Famenne een aanhoudingsbevel had uitgevaardigd.

De militaire autoriteiten fluisteren hardop dat Dislaire misschien zelf de aanslag in Vielsalm heeft gepleegd of althans echte terroristen een helpende hand geboden heeft. Op 21 november levert Luxemburg Dislaire uit en onderzoeksrechter Pochet stelt hem prompt in staat van beschuldiging voor de affaire Vielsalm. Voor oplichting krijgt Dislaire op 17 december 1986 twee jaar cel. Begin 1987 beslist het gerecht de wapendiefstal aan het CCC-dossier toe te voegen. Maar daarmee is de kous niet af. Op 21 februari 1987 worden de historische leiders van Action Directe in Vitry-aux-Loges gearresteerd. In de boerderij van Rouillan, Cipran, Ménigon en Aubron vindt de politie een van de wapens afkomstig van de diefstal in Vielsalm. Is daarmee de wapendiefstal volledig opgehelderd? Het valt te betwijfelen. Wel is duidelijk dat zonder de openbare biecht van Dislaire geen haan had gekraaid naar de supergeheime Ardeense anti-terreuroefening van de NAVO.

De getuigenis van Lucien Dislaire

Begin jaren '90 maakte de Britse zender BBC een driedelige documentaire over Gladio in West-Europa. Ook België kwam hierin uitgebreid aan bod. Het ging in de reeks onder andere over de Bende van Nijvel en de aanslag op de kazerne in Vielsalm. In deze documentaire doet Dislaire hetzelfde verhaal uit de doeken dat hij jaren voordien aan René Haquin had verteld.

Meer » Staatsveiligheid | Strategie van de Spanning | De zaak CCC

Getuigenis Jean-Claude Marlair

"Pure manipulatie. Ik zeg u: dit was niet de CC"

Volgens de geschiedenisboekjes was de wapenroof in de kazerne van Vielsalm in de nacht van 12 op 13 mei 1984 het eerste wapenfeit van de extreem linkse terreurgroep CCC. "Onzin, absolute onzin. Manipulatie. De wapenroof was het werk van Amerikaanse special forces en Belgische inlichtingendiensten, in het bezit van een license to kil." Tot ons spreekt, voor het eerst in 24 jaar, Jean-Claude Marlair, in die tijd compagniecommandant bij de Ardense Jagers in Vielsalm.

Het duurde even tot de draagwijdte van de boodschap wou doordringen tot commandant Jean-Claude Marlair. Het was 10 mei 1984. Aan de andere kant van de lijn hing de officier van wacht bij de artillerie in Bastenaken. "Hij bleef roepen: 'Mon commandant, mon commandant, ze gaan uw kazerne aanvallen!' Volgens wat hij zei, zou het twee dagen later gebeuren, in de nacht van zaterdag 12 op zondag 13 mei." Commandant Marlair, nu 65 jaar oud, zegt "niet zo naïef te zijn te denken dat de waarheid ooit aan het licht komt". Maar die minuscule kans die er mogelijk is na de arrestaties van CCC'ers Pierre Carette en Bertrand Sassoye, wil hij grijpen. "Ik ben ervan overtuigd dat ergens in dit verhaal de sleutel verscholen zit voor de mysteries van les années de plomb. De waarheid achter CCC, Gladio en Bende van Nijvel." Het telefoontje was een verrassing, zegt de commandant, en toch ook weer niet.

Op 24 april 1984 was Oesling 84 begonnen: een geheime NAVO-oefening, een oorlogsspel, in de Ardennen. Belgische para's uit Flawinnes hadden samen met een groep Amerikaanse special forces hun gezicht ingesmeerd met modder, takken op hun helm gezet en waren nu al twee weken door de bossen aan het zwerven in de rol van 'De Rus'. Hun opdracht: de paraatheid testen van de Belgische strijdkrachten. "Zulke dingen deden ze toen", zegt de commandant. "De Koude Oorlog was nog bezig." Marlair behoorde tot het selecte kransje van mensen die in die tijd al (iets) afwisten van Gladio, het geheime stay behind-netwerk dat zich in alle West-Europese landen paraat hield voor als Moskou zou aanvallen. Het bestond uit militairen en patriottische burgers die met een wapen overweg konden. In ons land kwam het bestaan van de Belgische tak SDRA-8 pas in 1991 aan het licht, maar niemand die wou zeggen wat dat geheime leger in al die jaren had uitgevreten met de via een begrotingspost bij Defensie toegestopte centen. Wapens aangeschaft en communicatiesystemen uitgebouwd. Alleen dat, of meer?

Marlair bemande een van de twee commandoposten van Oesling 84, in de kazerne Ratz in Vielsalm. En die zou nu zélf worden aangevallen. "Ik was het er niet mee eens", zegt de oud-militair. "Ik was mij al dagen lang aan het ergeren. Ze hadden een granaat gegooid naar een rijkswachtpost in de buurt van Neufchâteau. In Anlier hadden ze een zendmast onklaar gemaakt en met een MAG-machinegeweer geschoten. Losse flodders, zeiden ze, maar een van de mannen daar raakte een oog kwijt. Plezant! Dit hoorde een oefening te zijn, zij speelden Rambo." "Ik heb de leiding van Oesling 84 gebeld en gezegd: 'Kijk, ik trek een lijn voor mijn kazerne, wie die overschrijdt wordt neergeknald.' Bluf natuurlijk, want je kunt Belgische soldaten niet zomaar laten schieten op para's die hetzelfde uniform dragen. Maar de boodschap drong door. Diezelfde 10 mei kreeg ik bericht dat de raid was afgeblazen." In de Ratzkazerne ging iedereen met een gerust hart slapen.

De 'Russen' vallen aan

Zondagochtend, 13 mei, iets na middernacht. Een tiental mannen in battle dress knipt prikkeldraad stuk en sluipt blok 4 van de kazerne binnen. De eerste opponent die ze ontmoeten, is de jonge milicien Pascal Moreau. Voor hij beseft wat hem overkomt, is hij gebonden als een worst. "Zijn belagers spraken Frans", aldus Marlair. "Frans, met Belgisch accent. Ze zeiden tegen hem: 'Hou je stil, er zal worden geschoten, en als je lawaai maakt, maken we je af.' Wie waren die mannen? Dat is de vraag." De indringers sluipen naar het atelier, kleven een lap plastic tegen het ruitje, om het te breken zonder geluid, en zien in de duisternis een nieuwe stoorzender opdagen.

Adjudant Carl Fresches is om 1.30 uur aan zijn nachtronde begonnen. De Duitstalige onderofficier weegt 120 kilo. "Maar hij was een plichtsbewuste soldaat", zegt Marlair. "Later is gezegd dat hij dronken was, dat hij daardoor iets doms deed, maar dat is manipulatie van feiten. In de mess werd minutieus bijgehouden wie wat bestelde, ik heb het opgevraagd. Fresches had die avond gedronken: één limonade, één fruitsap, één koffie." Twintig minuten lang worden de bewegingen van Fresches gevolgd door een nachtkijker. De hele tijd is er een geweer op hem gericht. Met de paraatheid van Fresches is niks mis. In het donker ontdekt hij het plastic. Net voor hij alarm wil slaan, wordt hij getroffen door een regen 4.45-kogels uit een Thompsonmachinepistool.

"Oorlogsmunitie", zucht Marlair. "Dat is schieten om te doden." Soldaat Fresches zijgt neer, en is nog bij bewustzijn. "Ik deed alsof ik dood was", blikt de 70-jarige man terug. "Ik wist van die oefeningen, ik ging ervan uit dat vallen als teken van capitulatie zou volstaan." Dan gebeurt het onbegrijpelijke. De schutter stapt op het lichaam van Fresches af, richt de Thompson en schiet zijn lader leeg. "Dat ik dat heb overleefd", zegt Fresches, "is een mirakel." Zijn lichaam is gruyèrekaas, de kogel die zijn hart zou treffen, ketst af op een muntstuk van 20 frank in zijn borstzak. Pas na vele jaren en operaties zal Fresches weer kunnen stappen, maar nooit verder dan 200 meter.

"Een jeep reed voor, er waren auto's met Luxemburgse nummerplaten", zegt Marlair. "Niemand die naar de soldaat omkeek. De wapens werden ingeladen. Weg waren ze." Over het aantal buit gemaakte wapens bestaat tot vandaag discussie. Het militaire auditoriaat heeft het over 20 FALgeweren, één FALO-pistool, vijf Vigneronmachinepistolen en drie Lee Ensfieldgeweren. "Fel overdreven", zegt Marlair. "Ik heb die nacht de inventaris bekeken. Er waren niet meer dan drie FAL-geweren verdwenen. Die Lee Ensfields, dat was brol. Van die wapens waren de lopen dicht gelast. We gebruikten ze om dienstplichtigen te leren hoe ze een geweer moesten vasthouden."

Het wapenarsenaal

"De vraag is: waarom beroofden ze ons atelier, terwijl zich vijftien meter verder het echte arsenaal bevond? Daar lagen 150 schietklare wapens in kisten. Terwijl in dat atelier enkel wapens lagen die waren binnengebracht voor reparatie. De moeite die de indringers moesten doen was voor beide gebouwen identiek. Waarom dan het atelier? Simpel. Dit was begonnen als oefening, zoals de hele operatie Oesling 84. Het was de bedoeling dat ze ons na een uur zouden bellen: 'We hebben ze in dat bos verstopt.' Dat ze het atelier kozen, is hét bewijs dat dit niet de Cellules Communistes Combattantes waren." De CCC pleegt zijn eerste aanslag op 2 oktober 1984 in Evere. Pas op 16 december 1985, veertien aanslagen later, worden Pierre Carette, Bertrand Sassoye, Didier Chevolet en Pascale Vandegeerde opgepakt.

Daarvoor heeft justitie wel al een succesje geboekt. Op 23 augustus 1985 is in een flat in Ukkel een extreem links wapenarsenaal gevonden, met vingerafdrukken van kopstukken van Action Directe, de Franse zuster van CCC. Er liggen dynamietstaven die zijn gejat uit een steengroeve en, jawel, een FAL en het FALO-pistool uit Vielsalm. Vele jaren later, in een interview met Humo zegt CCC-leider Pierre Carette: "Vanaf 1983 werden er verscheidene operaties uitgevoerd om de nodige middelen voor de gewapende strijd te verzamelen. Eén ervan was de aanval op de kazerne van Vielsalm in mei 1984." Marlair: "Carette liegt dat hij zwart ziet. Het krioelde van de para's en de special forces. Wil Carette ons doen geloven dat hij kans zag om zich ongezien tussen de best getrainde speciale eenheden van dat moment te wurmen?"

Tijdens het CCC-proces in 1988 wordt met geen half woord g erept over Vielsalm. Terwijl dat toch veruit het meest agressieve wapenfeit van de CCC geweest zou moeten zijn. Het zou de enige keer geweest zijn dat de CCC'ers schoten om te doden. Op 12 september 1985, nog voor de ontmanteling van de CCC, doorbreekt een agent van de nauw met SDRA-8 verbonden 'vriendenkring van ex-para's' de omerta. Zijn naam: Lucien Dislaire. Erg geloofwaardig klinkt de man eerst niet, hij heeft dan ook een nogal woelig verleden. De ex-para vocht in de jaren zestig als huurling in de Congolese diamantprovincie Kasaï, was houthakker, bankdirecteur, oplichter en gangster. Ten tijde van operatie Oesling 84 is Dislaire uitbater van een hotel in Houffalize.

Later dat jaar wordt hij vanwege een overval opgesloten in de gevangenis van Saint-Hubert, maar hij ontsnapt en neemt de wijk naar Parijs, waar hij zijn verhaal doet aan de inmiddels overleden journalist René Haquin van Le Soir. Dislaire legt uit dat hij een van de burgers was die was aangezocht om logistieke steun te verlenen aan operatie Oesling 84. Zo gezegd, zo gedaan. Hij huurde een vrachtwagen en bracht een commando - "een stuk of tien Amerikanen, twintig Belgische para's en vijf à zes onbekenden" - op 10 mei 1984 naar Grand Halleux, vlak bij Vielsalm. Daar zouden de 'Russen' over de Salm klimmen en een kamp opzetten op minder dan een kilometer van de kazerne Ratz, hun doelwit. Later op de dag, aldus Dislaire, kwam een no go. Operatie afgeblazen, wellicht door het gebluf van Marlair.

De slag om de Ardennen

"Twee dagen later kreeg ik een nieuwe opdracht", zegt Dislaire nu. "Ik moest ter hoogte van de Martin Moulin dezelfde groep gaan oppikken. Ze droegen camouflagevesten, hadden infraroodbrillen en waren gewapend. Ik weet nog: in de bus gingen ze allemaal op de grond liggen, ze wilden door niemand worden gezien. Ik heb ze afgezet aan de rand van het bos van Hodinfosse. Van daar uit was het twee uur marcheren naar hun doelwit: opnieuw, de kazerne Ratz." Op zondagochtend hoort Dislaire op de radio over de neergeschoten soldaat. Trouwe partizaan zijnde, springt hij meteen in zijn auto en gaat in het bos op zoek naar achtergebleven soldaten. Hij vindt twee op een helikopter wachtende Amerikanen, die hem melden dat de anderen al zijn opgepikt en overgebracht naar hun basis in het Duitse Bitburg. Einde missie.

Lucien Dislaire: "Op maandagochtend 14 mei, ik zat al terug aan de balie in mijn hotel, kwamen daar opeens drie Belgische para's aan. Ze waren uitgeput, ze hadden de hele nacht gestapt. Ze waren alle radiocontact verloren en hun operatie, zeiden ze, was in het honderd gelopen. Er was, tot hun onbegrip, een dode gevallen. Enfin, dat dachten ze. Veel meer wilden ze er niet over kwijt." De biecht van Dislaire breekt hem zuur op. Op basis van zijn biecht in Le Soir wordt hij, terug in België, door het parket in Marche-en-Famenne beschuldigd van mededaderschap aan de raid in Vielsalm.

"De aanklacht heeft tot 1991 op mijn hoofd gekleefd", zegt Dislaire. "Absurd. Hoewel de CCC nooit werd aangeklaagd en ik wel, blijf je in alle naslagwerken lezen dat dit het werk was van de CCC." In de naslagwerken lees je dat de CCC erg vertrouwd was met de Ratzkazerne, want Sassoye deed er in 1982 zijn legerdienst. "Ook dat is een leugen", zegt Marlair. "Hij zou zijn opleiding, één maand, volgen in ons centre d'instruction. Dat was een apart gebouw, waar je juist niks kan zien of vernemen over de indeling van de kazerne. Niemand herinnerde zich Sassoye, ook niet toen de CCC volop in de belangstelling stond."

"Volgens onze opzoekingen is hij in maart 1982 geaffecteerd aan Vielsalm, en is hij nooit komen opdagen. Hij deserteerde nog voor hij één stap in de kazerne zette." Rest wel één vraag. In 1997 werd in Ukkel een oude wapenopslagplaats van de CCC gevonden in een garagebox. Al die jaren was een anonieme huurder braafjes elke maand een envelopje met bankbiljetten in de brievenbus van de eigenaar gaan droppen. Tussen het wapentuig: twee FAL-geweren uit Vielsalm. "Zégt men", benadrukt commandant Marlair nog eens. "In 1987, drie jaar na de wapenroof, kwam het militaire opperbevel naar onze kazerne om de serienummers van die FAL-geweren op te nemen. Ze hebben drie jaar lang niet eens geweten welke FAL's verdwenen waren. Zijn de in het strafdossier genoemde serienummers wel de juiste? kijk, in die jaren mochten wij niet spreken. Oesling 84, SDRA-8... allemaal top secret, de veiligheid van het land... Nu, nu we oud en versleten zijn, wil ik de waarheid."

"Ik heb in mijn carrière de militaire inlichtingendiensten vaak genoeg aan het werk gezien. Ik acht hen perfect in staat een paar FAL's te verstoppen in een flat in Ukkel, en de politie te tippen, om de verdenking tegen CCC te voeden. Dat is nu eenmaal waar die lui goed in zijn: brouiller les pistes. Ze deden niks anders. Je zou je kunnen afvragen of het in handen spelen van wapens aan CCC en Action Directe geen deel van de oefening was. De angst die de handelingen in die tijd stuurde, was angst voor Moskou, vergeet dat niet. Carette zegt: de CCC ging zich in Vielsalm bewapenen. Dan stel ik mij een vraag. Als zij geen wapens hadden en er moesten stelen bij ons, van waar kwam dan die Thompson? Ik zeg u: alles werd gemanipuleerd, van begin tot eind. Dit was niet het werk van de CCC. Jaren heb ik gedacht dat er per ongeluk is geschoten. Adrenaline, stress, het kan. Maar als je daarover nadenkt: er gebeurden voortdurend ongevallen tijdens Oesling 84. Dat hoorde erbij, er waren procedures voor. Men loste dat altijd op, ook voor die ene soldaat zijn oog verloor. Er is maar één conclusie mogelijk. Tussen onze para's liepen onbekenden met andere instructies en met een licence to kill."

Bommeleeër

Het is ons wat ontgaan, maar eind 2007 stond het Groothertogdom Luxemburg in rep en roer. Pierre Reuland, de nummer één van de federale politie, en zijn adjunct Guy Stebens werden geschorst. Zij werden ervan verdacht in 1984 als jonge gendarmes valse documenten te hebben opgesteld in het onderzoek naar de bommeleeër, "bommenlegger". Tussen 1984 en 1986 werden in Luxemburg 18 aanslagen gepleegd, meestal tegen elektriciteitsmasten. Er volgden afpersingsbrieven, maar gaandeweg bleek dat er een vicieus spel aan de gang was met als enige doel de politie in haar hemd te zetten. Eind vorig jaar werden twee verdachten opgepakt. De één was de ex-chauffeur van een minister, de ander een ex-politieman.

"Nu de tongen na zovele jaren los komen in Luxemburg, gaat het erop lijken dat de bommeleeër een creatie was van de geheime diensten daar", zegt Marlair. "De Luxemburgse pers legde al het verband met Vielsalm. Dislaire is ervan overtuigd dat de 'onbekenden' in zijn bus agenten waren van de Luxemburgse militaire veiligheidsdienst. En geef toe: die bommeleeër-psychose, tussen 1984 en 1986, doet wel sterk denken aan wat wij in die tijd meemaakten met de Bende van Nijvel en de CCC."

Maandag 2 juni 2008. Ten huize van Marlair in Couvin zitten vier oude mannen rond de tafel. Lucien Dislaire is van de partij en twee oudgedienden van de Ardense Jagers. De oudjes overlopen de gebeurtenissen van toen, vinden in elkaars verhaal ontbrekende stukjes voor hun eigen puzzel. "De afgelopen vier jaar ben ik drie keer tot bij de speurders van de Cel Waals Brabant gegaan, die nog altijd het onderzoek voert naar de Bende", zegt Marlair. "Ik heb hen een dossier van 70 pagina's bezorgd met alle bewijzen. Er bougeert niks. Het ene parket stuurt het door naar het andere en na drie jaar belandt het weer op het bureau waar het vertrok. Justitie noch Defensie hebben de roof in Vielsalm ooit willen ophelderen."

"Oké, vroegen wij ons af: wat nu? Lucien is ooit in beschuldiging gesteld, daar waar die Carette vrolijk loopt te verkondigen dat hij het deed. We hadden een idee. Lucien zou een brief schrijven naar het parket-generaal in Bergen, met een kopie voor de nationale media, om klacht met burgerlijke partijstelling aan te kondigen tegen Carette. Misschien, dachten we, kon langs die weg het onderzoek alsnog heropend worden. Op dinsdag 3 juni, de brief was nog niet op de post, heeft een van ons de stommiteit begaan om over die brief te spreken met een magistraat. Twee dagen later werden Carette en Sassoye opgepakt. Op basis van, weten we nu, vuurwerklonten en pasfoto's die mogelijk konden worden gebruikt voor valse documenten."

U ziet een verband tussen uw brief en de arrestaties?

Marlair: "Ik kan alleen vaststellen dat zich hier een gewéldig toeval heeft voorgedaan. Twintig jaar niks gehoord van de CCC, en dan dit."

Maar uw brief is nu toch ook bij de media terechtgekomen, en bij de justitie?

Marlair: "Ja, maar de gelegenheid om Carette te interpelleren over Vielsalm, die is weg. Er is een sfeer gecreëerd waarin we allemaal weer bang moeten zijn. Vielsalm? Oude koek, de aandacht niet meer waard. Carette wordt ervan beschuldigd contact te hebben met Sassoye, wat hij niet mocht. Ja zeg: in 2003 zag ik ze allebei in een debat op de RTBF. Justitie heeft dat nu pas ontdekt, of wat? Ik vrees dat Carette nu, waar hij ook mag zitten, onder druk wordt gezet en er nieuwe manipulaties aan de gang zijn om de waarheid voor eens en voorgoed toe te dekken onder een vals verhaal als was het de CCC, die nacht. Terwijl daar een man met een license to kill rondliep en de zekerheid van juridische immuniteit. Zoals er in die periode ook een Bende van Nijvel rondliep. De loden jaren, die zijn bij mij begonnen, in mijn kazerne. Op zondag 13 mei, iets na halftwee 's ochtends. Ik zal blijven zoeken tot ik sterf."

Bron » De Morgen | Douglas De Coninck | 14 Juni 2008
Meer » Staatsveiligheid | Strategie van de Spanning | Cel Waals Brabant | De zaak CCC | Forum

De onthulling van Gladio België

7 Oktober 1990

Als van de hand Gods geslagen , kijkt minister van Landsverdediging Guy Coëme naar de televisiecamera. "Ik heb aan de stafchef van het leger, luitenant-generaal José Charlier, gevraagd of er ook in België zoiets bestaat als Gladio. Ik wil bovendien weten of er mogelijk een verband bestaat tussen de activiteiten van dat geheim netwerk en het banditisme en het terrorisme dat ons land in de voorbije jaren heeft overspoeld. Maar voor zover mij bekend, gaat de vergelijking met Italië, waar men wel degelijk een verband vermoedt tussen Gladio en het terrorisme, niet op."

9 Oktober 1990

Twee dagen na Coëme's televisieoptreden. Het perszaaltje in de Wetstraat 16, waar de regering elke week de journalisten ontmoet, zit afgeladen vol. Flitslampen en micro's belagen de premier en zijn Defensieminister. Wilfried Martens is een beetje nerveus. Hij duwt zijn bril hoger op zijn neus. "Ik ben al elf jaar premier, maar ik wist hoegenaamd niets van het bestaan in ons land van zo'n geheim netwerk", zegt hij beduusd. De in andere omstandigheden zo alerte premier staat voor joker. Ook Coëme voelt zich niet in zijn sas, maar hij klinkt alvast vastberaden. "Natuurlijk is het abnormaal dat ik bij mijn ambtsaanvaarding niet ben ingelicht over dit netwerk. De Koude Oorlog is al lang voorbij en de recente gebeurtenissen in de landen van het Oostblok tonen overduidelijk aan dat zo'n geheim netwerk volkomen achterhaald is. Het is een anachronisme dat best kan worden opgedoekt. Ik heb in elk geval een administratief onderzoek gevraagd, want ik wil volledige opheldering."

Nog diezelfde dag kondigt de jonge socialistische volksvertegenwoordiger Dirk van der Maelen aan dat hij een wetsvoorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie zal indienen. Ook raakt bekend dat er enkele weken voordien in Brussel nog een vergadering heeft plaatsgevonden, waaraan is deelgenomen door de verantwoordelijke van de geheime netwerken in verschillende West-Europese landen. Die vergadering werd geleid door de Belgische generaal-majoor Raymond van Calster, die sinds 1 april 1986 aan het hoofd staat van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, de militaire veiligheidsdienst.

Meer » Staatsveiligheid | Gladiocommissie

De getuigenis van André Moyen

"Banden tussen onopgeloste dossiers"

"Gisteren ontvingen we de getuigenis van André Moyen, ex-agent van de SDRA van het Belgische leger. Deze voormalige geheimagent bevestigt dat hij in de jaren 1948-1949 werd benaderd door iemand van de Franse geheime dienst om correspondent te worden voor Gladio in België. Volgens André Moyen werkte Gladio nauw samen met een ander parallel net, Catena genaamd. Verder verklaarde hij dat er tot voor kort nog wapens verstopt zaten in België. Ten slotte geeft André Moyen namen van personen en verenigingen waarvan hij denkt dat ze met Gladio te maken hebben." Deze scoop van het Belgisch communistisch dagblad Le Drapeau Rouge wordt overgenomen door Agence France Press op 14 november 1990 en doet meteen de ronde van Europa. De redactie wordt overstelpt met telefoontjes, voornamelijk uit Italië, Spanje en Zwitserland.

De beweringen van André Moyen komen immers amper enkele dagen na de verontrustende verklaringen van de Belgische minister van Defensie, Guy Coëme. Op 7 november had de socialistische mandataris bevestigd dat hij door de Italiaanse overheid was benaderd om te informeren naar het bestaan van een Gladio-tak in België. In een televisie-interview preciseerde een erg ongeruste Guy Coëme dat een administratief onderzoek werd ingesteld door de Algemene Inlichtingendienst, waarvan SDRA afhangt. Last but not least had de minister van Defensie het nuttig geacht eraan toe te voegen dat hij "niet uitsloot dat eventuele banden bestonden tussen deze zaak en de onopgeloste dossiers omtrent banditisme en terrorisme" die België de laatste tien jaar in hun bloedige ban hielden. De gehaaide Luikse liberaal Jean Gol, gewezen minister van Justitie, ziet de kans schoon om de onwetende premier Wilfried Martens nog meer te discrediteren in de ogen van de publieke opinie, die met ongeloof en verbijstering de affaire volgt.

Ze beschikten over wapens

In een vraaggesprek met Le Peuple op 14 november zegt hij : "Op 16 januari 1982 heb ik een bezoek gebracht aan de Staatsveiligheid, waar ik op hoogte werd gesteld van het bestaan. De Staatsveiligheid is verantwoordelijk voor de verspreiding van inlichtingen in het geval van een bezetting. Vandaar dat deze dienst beschikt over telecommunicatiemateriaal dat de codenaam Harpoon heeft gekregen. Ook Wilfried Martens wist ervan. In 1984 heb ik samen met hem de Staatsveiligheid bezocht, waarbij we uitgebreid werden geïnformeerd. Trouwens, in 1984 werd beslist Harpoon te moderniseren en de premier heeft toen ingestemd om hiervoor een krediet van 10 miljoen frank vrij te maken." Op woensdag 14 november maakt minister Coëme de eerste resultaten bekend van het onderzoek dat hij heeft bevolen.

Gladio heet in België SDRA-8. Dat is een van de afdelingen van de Dienst Inlichtingen en Actie, SDRA, een onderdeel van de inlichtingendienst van het leger. Ook in ons land werd rond 1950 zogenaamde 'stay-behind'-groepen opgericht met het oog op een mogelijke invasie van Sovjettroepen. En er zijn inderdaad burgers bij betrokken. Maar vanaf het begin van de jaren zeventig werd het netwerk geleidelijk ontmanteld. De leden van de groepen beschikten inderdaad over wapens. Zo hadden ze elk de beschikking over een pistool. Maar einde mei van dit jaar werden de wapens allemaal teruggevorderd. Het bleek toen dat er geen enkel pistool verloren was gegaan. Coëme bevestigt nogmaals dat hij in mei 1988, na zijn benoeming tot minister van Landsverdediging, niet is ingelicht over het bestaan van SDRA-8. Het is het begin van een reeks incidenten tussen de minister en de militaire veiligheidsdienst.

Meer » Staatsveiligheid | Strategie van de Spanning

Gladio en de CCC

Het spiegelpaleis van de Gladiotoren

In het boek van de Zwitserse onderzoeker Daniele Ganser, Nato's Secret Armies, vindt men een onthullend portret van Gladio. Het clandestiene netwerk was van na de Tweede Wereldoorlog tot eind jaren tachtig in heel West-Europa en dus ook in België actief. Het doel? De linkerzijde in diskrediet brengen en, zo schrijft Ganser, "de indruk wekken dat het comfortabele en weldoorvoede koninkrijk België op de rand van een rode revolutie stond".

Op een maanloze nacht duikt een Britse onderzeeër op, ergens voor de kust van Noorwegen. Met een rubberbootje wordt een man discreet aan wal gebracht, gegidst door de lichtsignalen van een agent van het lokale netwerk op het strand. Terwijl de rubberboot terugkeert naar de duikboot, wordt de 'bezoeker' ondervraagd en volgens de regels van de kunst gefouilleerd, om zeker te zijn dat het wel degelijk om de aangekondigde persoon gaat. Vervolgens wordt de 'bezoeker' getransporteerd. Te voet, te paard of met de auto, van netwerk naar netwerk, tot hij aankomt in Kristiansand aan de zuidkust van Noorwegen. Daar wordt hij opgepikt door een visser die met de filière samenwerkt en hem overbrengt naar Alborg, waar het Deense netwerk hem overneemt. Op die manier gaat het verder, door Nederland, België en Frankrijk, om op een mooie ochtend te arriveren in het Italiaanse Friuli.

De reis heeft een maand geduurd en de 'bezoeker' heeft al die tijd geen enkele controle van douane of politie ondergaan, wat een van de bedoelingen van de oefening was. Deze oefening werd beschreven door Michel Van Ussel, codenaam Georges 723, onderbureauchef bij de NMBS en gewezen burgeragent van SDRA-8, de militaire tak van het voormalige Belgische stay behindnetwerk, beter bekend als Gladio. Een organisatie die over dergelijke middelen beschikt, heeft een formidabel clandestien instrument in handen en is in staat om gelijk welke nationale politiedienst of gerechtelijk apparaat een neus te zetten en het nakijken te geven.

Wapens voor de CCC

In het boek Nato's Secret Armies geeft de Zwitserse onderzoeker Daniele Ganser, senior researcher aan het Center for Security Studies en het Federal Institute of Technology in Zürich, tientallen voorbeelden van dergelijke clandestiene operaties, waarbij Gladio-agenten van het ene land actief waren in een ander land. Zwitserse 'Gladiatoren', die hun opleiding kregen in Groot-Brittannië, werden bijvoorbeeld ingezet voor operaties in Noord-Ierland tegen het Ira. De Zwitserse Gladio-instructeur Alois Hürlimann vertelde bijna achteloos hoe hij in mei 1984 geheime trainingen had gevolgd in Engeland. Een onderdeel daarvan bleek een echte, niet-gesimuleerdeaanval op een IRA-wapendepot waarbij minstens één IRA-lid werd gedood.

Dichter bij huis was er de raadselachtige overval op de kazerne van de Ardeense Jagers in Vielsalm, eveneens in 1984, die uitgebreid in het boek van Ganser ter sprake komt. Tijdens deze operatie, die de codenaam Oesling - naar een dorpje in Luxemburg - droeg, vertrok een groep van twaalf Amerikaanse mariniers van de special forces vanop een vliegveld ten noorden van Londen. Ze werden gedropt boven een vooraf aangeduide zone in de buurt van Houffalize, waar ze werden opgevangen en gegidst door Belgische paracommando's en Gladio-agenten. Twee dagen lang leefden ze ondergedoken in de bossen. Bij de verrassingsaanval op de legerkazerne werd een Belgische onderofficier neergeschoten en verloor een Amerikaanse marinier een oog. Nog dezelfde nacht werden de Amerikaanse militairen halsoverkop met een helikopter, die vanuit een Amerikaanse basis in Duitsland kwam overgevlogen, naar Bitburg in Duitsland geëvacueerd. Ze konden bijgevolg nooit door de Belgische justitie ondervraagd worden.

Jaren na het incident verklaarde Lucien Dislaire, een Belgische ex-paracommando en gewezen huurling, hoe hij de Amerikanen naar de omgeving van de kazerne had gebracht. Daar hadden ze zich verscholen in afwachting van de nachtelijke raid. De volgende ochtend bleken de Amerikanen verdwenen en kon Dislaire ook geen radiocontact met hen meer krijgen. Volgens Dislaire kon het niet anders dan dat de Amerikanen de daders van de overval waren. Nog mooier: de overvallers van de kazerne in Vielsalm gingen aan de haal met een grote partij wapens, onder meer twintig automatische FAL-geweren, drie Lee Ensfield-geweren en vijf Vigneron-mitrailleurs. Vreemd genoeg werden een aantal van die wapens later teruggevonden bij de extreem-linkse terreurgroepen CCC (Cellules Communistes Combattantes) en Action Directe. De eerste vondst, in een appartement van de CCC in Ukkel, dateerde van 1985 (toen de terreurorganisatie volop bomaanslagen pleegde) en gaf zuurstof aan de hypothese dat de overval in Vielsalm wel eens het werk zou kunnen geweest zijn van de Belgische terreurgroep. Had een van de CCC-kopstukken, Bernard Sassoye, kort voordien zijn legerdienst niet gedaan bij de Ardeense Jagers in Vielsalm?

De allereerste 'linkse' aanslag

Een tweede, nog grotere vondst van wapens volgde in 1998, toen de CCC'ers al lang achter de tralies zaten. In een garagebox in Ukkel, die werd gehuurd door de groep, ontdekte het gerecht vijf FAL-geweren die volgens de serienummers afkomstig waren uit de kazerne van Vielsalm. Geen toeval, meent Ganser, want de geheime anticommunistische stay behind-groepen waren gespecialiseerd in zogenaamde false flag-operaties: het plegen van terreurdaden die in de schoenen geschoven werden van extreem-links, om de linkerzijde op die manier in diskrediet te brengen. Het is een tactiek die ook veelvuldig in Italië werd toegepast. "Het doel van de Oesling-oefening was tweevoudig", citeert Ganser een Britse journalist. "De lokale Belgische politie in een hogere graad van alertheid brengen en, niet minder belangrijk, bij brede lagen van de bevolking de indruk wekken dat het comfortabele en weldoorvoede koninkrijk België op de rand van een rode revolutie stond."

Tussen neus en lippen wijst Ganser er ook op dat Marc De Laever, een van de belangrijkste luitenanten van CCC-leider Pierre Carette, van de ene dag op de andere overstapte van extreem-links naar extreem-rechts en lid werd van een Duitse neonazigroep. De Laever was in de jaren zeventig samen met Carette en advocaat Michel Graindorge een van de initiatiefnemers geweest van de steuncomités voor de gevangen leden van de Rote Armee Fraktion (RAF) in Duitsland. Er bestonden zware vermoedens dat De Laever meer wist van de mislukte aanslag op de Amerikaanse generaal en toenmalige Navo-opperbevelhebber Alexander Haig. Die aanslag, de allereerste 'linkse' terreuraanslag in België, had plaats op 25 juni 1979 in de omgeving van Bergen. Datzelfde jaar werden Carette en De Laever trouwens gearresteerd in Zwitserland wegens een wapentransactie, maar ze gingen vreemd genoeg vrijuit.

De aanslag op Haig werd opgeëist door de Brigade Julien Lahaut, een groepering waar niemand ooit van had gehoord. De naam verwees naar de door Gladio-achtige figuren vermoorde leider van de Belgische communistische partij, die "Vive la république!" geroepen had bij de eedaflegging van koning Boudewijn. "De opeising werd toegeschreven aan De Laever, die kort daarop de wijk neemt naar Parijs, waar hij onderduikt aan de Boulevard Magenta", schreef Jos Vander Velpen in zijn boek over de CCC. "Sindsdien zoekt het parket van Bergen hem 'onverpoosd' in verband met de aanslag op Haig. Carette versierde zijn kamer lang met een levensgrote foto van de aanslag, maar in tegenstelling tot De Laever wordt hij niet verdacht. Hij wordt niet eens aan de tand gevoeld. Insiders hebben wel eens het vermoeden geuit dat De Laever met zijn opeising de justitie en politie uit hun egelstellingen wilde lokken en op het spoor van advocaat Graindorge zetten."

De Laever werd door het gerecht ook opgespoord en zelfs bij verstek tot een jaar cel veroordeeld voor zijn aandeel in de zaak-Graindorge. In de aanloopfase naar de CCC leverden een aantal Belgische RAF-sympathisanten hand- en spandiensten aan misdadigers van gemeen recht, in de hoop de gangsters zover te brengen dat ze politieke aanslagen zouden plegen. Die veroordeling leek De Laever niet te deren. Hij bleef politiek actief als linkse activist vanuit zijn onderduikadres in Parijs, dat algemeen bekend was bij zijn Belgische kennissen maar kennelijk niet bij het gerecht. Tot Carette zelf in 1982 in zijn blad Subversion bekendmaakte dat De Laever was overgestapt naar de West-Duitse neonaziterreurgroep Aktionsfront Nationaler Sozialisten (ANS). Deze groep profileerde zich als het extreem-rechtse spiegelbeeld van de RAF en werd in Duitsland buiten de wet gesteld. Sterker nog: wijlen ANS-leider Michael Kühnen, gewezen luitenant in het Duitse leger en een van de bekendste en fanatiekste Duitse neonazi's, kwam oorspronkelijk uit de maoïstische beweging. Hetzelfde geldt voor zijn Nederlandse evenknie, Eite Homan, leider van het Aktiefront Nationale Socialisten, de Nederlands-Vlaamse tak van het ANS.

De communistische vijand

Uit Gansers boek blijkt dat Gladio in vrijwel alle West-Europese landen intensief en structureel heeft samengewerkt met gevaarlijke extreem-rechtse organisaties. "Ik heb me gedurende tien jaar in mijn vakgebied gespecialiseerd in thema's als geheime oorlogsvoering, terreur, staatsgrepen, counter insurgency, enzovoort", zei Ganser onlangs in een interview. "Ik verbaas me over niets meer." Meer dan veertig jaar lang hebben de stay behind-netwerken, die opgericht werden op initiatief van de CIA en gecoördineerd werden vanuit een commandocentrum bij de Navo, in het diepste geheim kunnen opereren in heel West-Europa, ook in landen die geen lid waren van de Navo.

Aanvankelijk, eind jaren veertig en begin jaren vijftig, toen nog ernstig rekening werd gehouden met een invasie door de Sovjet-Unie, was het de bedoeling om het slapende netwerk na zo'n invasie te activeren. Net als het verzet in de Tweede Wereldoorlog moesten de Gladiatoren dan inlichtingen verzamelen en sabotagedaden plegen. Voorts waren de groepen bedoeld om staatshoofden en belangrijke politici in geval van een Russische invasie naar veiliger oorden te brengen. De Belgische regering beschikte bijvoorbeeld tot 1960 over een geheim toevluchtsoord, een zogenaamde 'réduit nationale', in de luchtmachtbasis van Kamina, in de Kongolese provincie Katanga.

Van bij de start werden de stay behind-groepen echter ook ingezet tegen de binnenlandse 'communistische' vijand en daarbij werden de grove middelen niet geschuwd. Het arsenaal ging van manipulatie van het politieke klimaat en beïnvloeding van de verkiezingsresultaten over doelgerichte moorden, terreuraanslagen, op het nippertje geaborteerde of verijdelde rechtse staatsgrepen in Italië en Frankrijk, tot geslaagde staatsgrepen, die militaire dictaturen installeerden in Griekenland en Turkije. Ganser, die voor het eerst een overzicht heeft gemaakt van de Gladio-activiteiten in veertien landen, toont overtuigend aan dat Gladio een zeer efficiënt instrument was in de strijd tegen de (vermeende) linkse subversie. De internationale structuur van de clandestiene organisatie leende zich perfect tot het grensoverschrijdend inzetten van Gladiatoren, een gesofistikeerde techniek waartegen de nationaal georganiseerde politie- en justitiediensten geen enkel verweer hadden.

Zijn boek schildert een huiveringwekkend fresco van de zwartste bladzijden van de Koude Oorlog en geeft meteen aan waar zich de limieten bevinden van onze parlementaire democratie en de rechtstaat. Na de onthullingen over het bestaan van Gladio, eerst in Italië in 1990 en later in de andere landen, werd de organisatie officieel opgedoekt. Maar in het licht van de nieuwe oorlog, dit keer tegen het moslimterrorisme, blijft de geschiedenis van Gladio wel bijzonder leerzaam en relevant.

Bron » De Morgen | Georges Timmerman | 14 Mei 2005
Meer » Staatsveiligheid | De zaak CCC | Forum

Het arsenaal van Gladio

Duizend bommen en granaten

Plof plof. "Kijk, een Springfield model 1903." Marc Audenaert geeft een tik tegen wat eens de kolf was. Een witte wolk van verpulverd hout stijgt op. "Ze zijn niet allemaal zo. Die bazooka's daar bijvoorbeeld. In perfecte staat. Zelfs voor die Springfield heb ik al een bod." Jarenlang hielden Europese regeringen vol dat al die verhalen over geheime wapenopslagplaatsen van de stay behind-troepen alleen in het rijk der fabelen bestonden. Tot het Oostenrijkse leger vorig jaar op 62 plaatsen de arsenalen van Gladio uit de grond haalde. Nu ligt het gros van die buit in de kelder van wapenhandelaar Marc Audenaert in Sint-Niklaas. "Niets verkoopt beter dan een wapen waarvan een regering beweerde dat het niet bestaat."

Zoals zo vaak begint het verhaal met een man die een put groef. Het gebeurde in 1974 in Klaus, een stadje met chalets, hotels en skipistes aan de voet van de Alpen. Eerst kwam er schroot tevoorschijn, een brede laag metalen rommel. "Om metaaldetectoren te misleiden", weet Marc Audenaert. "Dat was heel goed bedacht. Wie eerst blikjes, buizen en andere rommel bovenhaalt, zal er weinig voor voelen om nog dieper te graven." Maar de bouwvakker in Klaus groef dieper, stootte na twee meter op een kist en begon al te dromen van gouden dukaten en diamanten. Toen het "maar" wapens bleken te zijn, waarschuwde hij de burgemeester, die er op zijn beurt de mijnopruimingsdienst bij haalde.

De vondst haalde niet eens de kranten. In een land dat tot tien jaar na de Tweede Wereldoorlog door Amerikanen, Russen, Fransen en Britten was bezet, worden wel vaker wapens gevonden. En vanuit Washington werd de Oostenrijkse regering verzekerd dat men geen flauw idee had waar deze kisten vandaan zouden kunnen komen. Zestien jaar na de bizarre ontdekking in Klaus ging de prijs voor de lompste politieke uitspraak van het jaar naar de Italiaanse president Cossiga. Voor een uitgebreid gezelschap van regeringsleiders, diplomaten en journalisten in Edinburgh verklaarde hij in oktober 1990 met een uitgestreken gezicht: "Ik ben er trots op dat dit geheim vijfenveertig jaar lang bewaard is gebleven."

In de weken die volgden beleefde elk West-Europees land zijn eigen aflevering van de X-Files. Dankzij het speurwerk van een vasthoudende onderzoeksrechter, die het motief achter een achttien jaar oude bomaanslag gevonden dacht te hebben, was de Italiaanse premier Andreotti er als eerste toe verplicht om tegenover een parlementaire onderzoekscommissie het bestaan van het ultrageheime Gladio-netwerk toe te geven. Gladio, van het Latijnse gladius (zwaard), was de naam van een uit burgers - veelal ex-militairen - bestaand legertje dat slechts tot leven zou worden gewekt als de Russen West-Europa binnen zouden vallen. Gladio werd in het geheim gesteund door een select kransje van conservatieve ministers. Het netwerk beschikte over wapens, moderne communicatiemiddelen en geheime onderduikadressen. Het was zo clandestien als een leger maar clandestien kan zijn. Maar, zo verdedigde Andreotti zich: "Dat soort stay behind-netwerken bestond en bestaat in heel West-Europa."

Gladio in België

Guy Coëme, socialistisch en nog onbesproken minister van Defensie gaf in november 1990 te kennen dat men hém alvast niets had gezegd. Ook eerste minister Wilfried Martens, nochtans al elf jaar in functie, viel uit de lucht. Coëmes liberale voorgangers Jean Gol en Freddy Vreven bleken vreemd genoeg wel op de hoogte te zijn en meer dan één parlementair Gladio-debat draaide uit op emotionele verdachtmakingen van socialistische voormannen. Guy Coëme ging op een zeker ogenblik in een interview zo ver dat hij "niet kon uitsluiten" dat er wel eens een verband zou kunnen bestaan met de Bende van Nijvel. De eerste gezagsdrager die in die woelige dagen duidelijkheid kon verschaffen, was minister van Justitie Melchior Wathelet. Hij was te rade gegaan bij de staatsveiligheid en bracht half november 1990 verslag uit in het parlement: "De oprichting van de stay behind-netwerken moet gesitueerd worden tegen de achtergrond van de Koude Oorlog.

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig hebben de Amerikanen en de Britten de voorloper van de staatsveiligheid gevraagd om de inlichtingendiensten zoals die tijdens de oorlog werkten, operationeel te houden. De bedoeling was de Belgische regering, in geval van bezetting van het land, de mogelijkheid te bieden naar een veilige plek uit te wijken." Dat is de filosofie achter stay behind. Ze gaat uit van het axioma dat de Russen op een goede dag West-Europa zullen binnenvallen en de ervaring heeft geleerd dat het evacueren van een regering dan een heikele onderneming kan zijn. Daarom is er behoefte aan een groep burgers die op dat moment vanuit het niets opduikt en de wapens ter hand neemt om een veilige aftocht te verzekeren.

Maar wie zijn die uitverkoren burgers? Wie kent hun namen? Wie heeft hen gerekruteerd en volgens welke criteria? Hoe wordt dat slapende leger tot leven gewekt? Beschikt het over wapens? Waar zijn die wapens? Bestaat de mogelijkheid dat zij in het verleden in het geheim vuile werkjes hebben opgeknapt, zoals de moord op de communist Julien Lahaut? Dat waren de vragen waarmee begin 1991 de Gladio-commissie in de Senaat van start ging. Negen maanden later viel de regering - over een wapenkwestie notabene - en bleef het gros van de vragen onbeantwoord. De commissieleden kregen niet eens het recht om hun eigen notulen te raadplegen en werden om de oren geslagen met begrippen als de dienst O, de organisatie Paix et Liberté, Catena en de Ligue Eltrois. Het waren allemaal militaristische clubjes met heimwee naar oorlog. Van de 37 getuigen die achter gesloten deuren zijn verschenen, heeft het overgrote deel zich verstopt achter een niet nader gespecificeerde 'wettelijke plicht tot geheimhouding'. Tussendoor raakte bekend dat de staatsveiligheid op 26 november - toen er in het hele land over niets anders werd gepraat - een geheime vergadering had belegd over een plan om alle archieven over SDRA-8, zoals de Belgische variant van Gladio heette, stante pede te vernietigen.

SDRA-8 had wapens, verklaart Wathelet, met de nadruk op 'had'. Nu niet meer dus. Volgens de staatsveiligheid waren de Belgische geheime wapenopslagplaatsen al in 1960 ontmanteld en vernietigd. De SDRA-8-agenten kregen daarna elk één pistool dat ze thuis dienden te bewaren in een verzegeld kistje in de kelder. "Kort na de val van Muur, in mei 1990, hebben ze allemaal keurig hun pistolen ingeleverd", deelt Wathelet mee. "Niet één zegel was verbroken, zo heeft men mij verzekerd." Wie die gladiatoren nu eigenlijk zijn, wist ook Wathelet niet: "De gecodeerde identiteit van de agenten is opgeslagen in verzegelde dozen in Washington en Londen." Terwijl de commissieleden zich vastreden in het koppige zwijgen van de militairen, brachten de media in 1991 bijna wekelijks getuigenissen van gewezen SDRA-agenten die vertelden dat het netwerk veel meer voorstelde dan de regeringsmededelingen lieten uitschijnen. Tot in mei 1990 zouden er nog geheime wapenopslagplaatsen hebben bestaan. Er ging ook een verhaal over goudstukken die leden van de staatsveiligheid hadden gekregen van de Amerikanen, en waarmee ze de veilige aftocht van de regering moesten zien te bewerkstelligen.

Het Oostenrijkse wapenarsenaal in Sint-Niklaas

Wat Marc Audenaert betreft, mag Gladio tot in de eeuwigheid een enigma blijven. In zijn kelder ligt het gros van het arsenaal waarvan de Oostenrijkse regering jarenlang volhield dat het niet bestond. "In Oostenrijk zijn er ook van die levendige debatten geweest, waarbij werd ontkend dat er geheime wapenopslagplaatsen bestonden", zegt hij. "En bezie dat hier, nu." Vorige maand werd het bijna complete arsenaal van de Oostenrijkse Gladio-variant uit een oplegger gelost in de nauwe straat in Sint-Niklaas waar Audenaert zijn wapenhandel Ambassador Arms exploiteert. Audenaert noemt geen bedragen. Het heeft hem "enkele miljoenen" gekost, zegt hij. "Laten we stellen dat mijn bod het beste was."

Twee jaar geleden onthulde de krant The Boston Globe het bestaan van een geheim CIA-document waarin werd beschreven hoe er in Oostenrijk nog steeds 79 geheime wapenopslagplaatsen bestonden, waarvan behalve de CIA zelf niemand het bestaan kon vermoeden. De regering in Wenen, immer bezorgd om de onrust in de Balkan, riep de VS-ambassadeur meteen op het matje. "De CIA heeft toen openheid van zaken gegeven", zegt Audenaert. "En na de dooi, in april van vorig jaar, is de mijnopruimingsdienst van het leger beginnen te graven." Er kwamen zo'n duizend geweren, meer dan vijftig bazooka's, duizenden handgranaten en 3,7 ton dynamiet boven water. Het is niet zo ontzaglijk veel, maar stay behind hield ook niet veel meer in dan het opzetten van kleine verzetskernen die belast konden worden met kleine geïsoleerde acties.

De wapens werden in de Oostenrijkse grond gestopt tussen 1952 en 1953, toen het land nog werd bezet door de geallieerden en de oorlog in Korea de angst voor een Russische invasie in Europa veel minder denkbeeldig maakte dan dat vanuit een hedendaags perspectief lijkt. Als een kind in een speelgoedwinkel leidt Marc Audenaert ons rond in zijn kelder. Een heel rek vol Springfield-geweren, model 1903. Die doen klik-klik, zoals in de film The Longest Day. Een kist Colt 45-pistolen. Authentieke 'vetspuiten', M3-A1-machinegeweren. KM1-Springfield-bajonetten, M1-karabijnen... Het meest tot de verbeelding sprekend zijn de bazooka's - zes en negen millimeter -, te monteren uit twee stukken. Audenaert doet het even voor. "Ik zou zo het huis aan de overkant kunnen opblazen."

Dat risico is niet aanwezig. De handgranaten, het dynamiet en de munitie heeft hij in Oostenrijk moeten achterlaten. "Ze hebben een deel van de buit overgebracht naar het legermuseum in Wenen. Ik heb ook al een telefoontje gekregen van het legermuseum in Brussel. Ik kan de bestellingen bijna niet bijhouden. Eigenlijk is het geen zeldzaam materiaal hoor. Gewoon het feit dat ze van een stay behind-netwerk komen, maakt ze zo gewild. Het geeft ook wel een kick om tegen je klanten te kunnen zeggen: ziehier, het arsenaal van Gladio." De meeste wapens zijn nog verpakt, gemummificeerd eigenlijk, zoals de Amerikanen dat in 1952 en '53 hebben gedaan. Elk geweer is in een kleedje van linoleum gewikkeld dat daarna is ingewreven met hars. Audenaert is er nog lang niet aan toegekomen om alles uit te pakken en te bekijken. Hij haalt nog een bazooka uit zijn verpakking. Olie druipt op de grond.

"Wat mij opvalt, is hoe professioneel het toen allemaal in zijn werk is gegaan. Militaire precisie. Niets werd aan het toeval overgelaten. Boven op de kisten lagen hamers en koevoeten om ze snel open te krijgen. Er zaten ook verbandkisten in, proviand, verrekijkers en plannetjes van de omgeving. Elk wapen is genummerd, elke opslagplaats had haar code. Wat ook opmerkelijk is: elke kist lag op een diepte van precies twee meter en twintig centimeter. Geen centimeter meer of minder." Sommige kisten zijn opengescheurd. Van enkele verrekijkers is slechts één kijker overgebleven en verwerd de andere helft tot schimmel. Het metalen deel van een klik-klik-geweer bengelt aan een verpulverde kolf. "Ja, in Oostenrijk zit je daar met een vanwege de sneeuw permanent bewegende ondergrond. Maar zelfs zo'n Springfield zonder kolf krijg ik zo verkocht. Er is iemand die dat zo, in zijn huidige toestand, in zijn collectie wil leggen. Of er nog mee te schieten valt? O, met de meeste wapens wel. Maar daarvoor kopen de mensen dat niet. Trouwens, ik laat bijna alles demilitariseren."

Toen de Oostenrijkers begonnen te graven, bleek de buit op zeventien plaatsen, zoals in Klaus, al eerder ontdekt of op onverklaarbare wijze verdwenen. De Amerikanen kan niet worden verweten dat de vrijgegeven documenten niet precies genoeg zouden zijn geweest. Het zijn vergeelde plannetjes van wegen, bossen en paden, met teksten als: 'Travel south on the Wels-Liezen highway 14,7 kilometers off southern limits of Windischgarsten to km marker 84/ on the right (west) side of the highway (...). Cache is located in the woods, 143,9 meters from marker 84/8 on a magnetic azimuth of 243 degrees. About 20 meters north of km marker is the first of a series of concrete road guards. Cache is 155,5 meters from this road guard on an azimuth of 239 degrees.'"Het geeft een idee hoe de Amerikanen de activiteiten van zo'n partizanengroep zagen", gaat Audenaert verder. "Hun Oostenrijkse contactpersonen wisten zelf niet eens waar de wapens lagen, want die routebeschrijvingen lagen ook op geheime plekken. Er was kennelijk een code om, zodra de Russen eraan kwamen, de informatie over te maken en de hele organisatie in beweging te zetten."

Als dat klopt, en gesteld dat de Amerikanen in heel Europa op die manier te werk gingen, moeten er toch ook in België opslagplaatsen bestaan waar niemand iets van af weet? "Dat denk ik wel", zegt Audenaert. "In Oostenrijk gaan ze er in elk geval van uit dat ze er slechts door een stom toeval en door een juiste diplomatieke aanpak achter zijn gekomen. Nu is de situatie ginds wel anders. Oostenrijk bleef tot 1955 bezet door de geallieerden. Die deden daar hun goesting, hé. Maar in West-Duitsland was de situatie identiek. Volgens mij ligt de grond ook daar vol wapens." En België? "O, dat hebben we nooit geweten", zegt VRT-historicus Etienne Verhoeyen, die destijds meewerkte aan een boek over Gladio. "Ik kan u enkel doorverwijzen naar het rapport van de senaatscommissie. Maar ja..."

Bron » De Morgen
Meer » Staatsveiligheid | Gladiocommissie | Forum