Gladio in Italië
Inleiding
In Italië kwam op 3 augustus 1990 de naam Gladio voor het eerst in de openbaarheid toen de toenmalig premier Giulio Andreotti het bestaan van dit netwerk toegaf. Hij deed dit in een getuigenverklaring voor een commissie van het parlement dat onderzoek deed naar terrorisme in Italië. Andreotti maakte bekend dat Gladio binnen het Ministerie van defensie bij de militaire inlichtingendienst verborgen zat. Zijn verklaring deed vermoedens rijzen dat het netwerk bij diverse bomaanslagen betrokken was met als doel om de politiek te beïnvloeden. Felice Casson, een Italiaanse rechter, was tijdens zijn onderzoek naar rechts-extremistisch terrorisme voor het eerst op het Gladio-netwerk gestuit en had Andreotti gedwongen een verklaring af te leggen.
Casson ontdekte dat het geheime netwerk verbindingen met rechtse terroristen was aangegaan. De terroristen, voorzien van materiaal door het netwerk zouden de bomaanslag plegen, ze toe laten schrijven aan linkse Italiaanse groeperingen en vervolgens door de militaire inlichtingendienst in het onderzoek buiten schot worden gehouden. Alleen ten aanzien van de aanslag in Peteano in 1972 waarbij drie leden van de Carabinieri omkwamen en welke tot 1984 aan de Rode Brigades werd toegeschreven, is de betrokkenheid van Gladio vast komen te staan. Casson's bevindingen maken echter betrokkenheid bij meerdere aanslagen aannemelijk.
Het schaduwleger
De zaak
Geheime organisaties, clandestiene paramilitaire eenheden, verborgen wapens zonder registratienummers, en de CIA in een schimmige rol op de achtergrond. Het zijn ingrediënten voor een supersamenzwering waar complotgelovigen over het algemeen erg opgewonden van raken. Als nuchter mens ben je al gauw geneigd om het hele zaakje als 'onzin' af te doen. Maar dat zou in het geval Gladio onterecht zijn. Want de geheime organisatie heeft in verschillende Europese landen, waaronder Nederland en België, wel degelijk bestaan. En vooral in Italië leidde dat tot buitengewoon smerige toestanden. De Zwitserse onderzoeker Daniele Ganser, werkzaam bij het Center for Security Studies aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich, schreef er een boek over. En dat laat zich lezen als een spionageroman.
De geruchten
Half december 1969 ontploffen in Milaan en Rome vier bommen. Alleen al op de Piazza Fontana in Milaan vallen zestien doden en tachtig gewonden. Radicale linkse groeperingen zouden verantwoordelijk zijn voor de aanslagen. Een paar jaar later worden vier politiemannen met een anoniem telefoontje naar een bos in de buurt van het plaatsje Peteano gelokt. Tussen de bomen staat inderdaad de verlaten Fiat 500 waar de beller het over had. De agenten bekijken de wagen van alle kanten en als een van hen de motorkap opent, gaat de bom af die erin verborgen is. Een van de mannen raakt zwaargewond, de drie anderen overleven de explosie niet.
Volgens een tweede anoniem telefoontje is de bom geplaatst door de Rode Bigrades (Brigate Rosse), een communistische terroristische groepering. De Italiaanse politie pakt binnen enkele dagen tweehonderd verdachten op. Op 16 maart 1978 wordt de christendemocratische oud-premier Aldo Moro ontvoerd, vermoedelijk door de Rode Brigades. Bij de ontvoering komen vijf lijfwachten om het leven. Moro wordt 55 dagen vastgehouden. Op 9 mei ontdekt de politie zijn met kogels doorzeefde lichaam in de kofferbak van een geparkeerde auto.
Twee augustus 1980. Een explosie scheurt een wachtruimte van het centraal station van Bologna aan flarden: 85 doden, 200 gewonden. Officiële cijfers wijzen uit dat tussen 1 januari 1969 en 31 december 1987 in Italië 14.591 'gewelddadigheden met een politieke achtergrond' gepleegd worden. Daarbij zouden in totaal 491 doden en 1181 gewonden gevallen zijn. Bij veel van die aanslagen werd naar 'de communisten' gewezen, die geen ander doel voor ogen zouden hebben dan Italië aan de Sovjet-Unie over te leveren. De kans op een Italiaanse zwaai naar links was al in de jaren vijftig vrij groot.
De door de Russen gesteunde communistische en socialistische partijen trokken veel kiezers en zouden een serieuze gooi naar de macht kunnen doen. Zeer tot ongenoegen van de Verenigde Staten, want Italië was in die tijd een soort protectoraat van de VS. De top van het Amerikaanse leger gaf in mei 1954 te kennen dat de beperking van de macht van de communisten in Italië - en overigens ook in Frankrijk - topprioriteit had. En daar mochten alle middelen voor gebruikt worden. In 1984 heropende de jonge rechter Felice Casson een oude zaak, die van de aanslag op de vier agenten in Peteano. Aanleiding was de ontdekking van een serie blunders en vervalsingen in de zaak.
Al snel constateerde Casson dat bij de aanslag het explosief C4 gebruikt was en niet een springstof die, zoals politiedeskundige Marco Morin beweerde, "vaker door de Rode Brigades gebruikt is." Casson vond bovendien een verband met een zaak uit 1972 waarbij politieagenten in Trieste op een partij wapens, munitie en explosieven - waaronder C4 - stuitten. Ze dachten dat ze te maken hadden met een voorraad van de maffia, maar Casson ontdekte dat de Italiaanse inlichtingendienst en de overheid er alles aan had gedaan om die vondst geheim te houden. Na diepgravend onderzoek vond Casson aanwijzingen dat de aanslag op de vier politiemannen in Peteano niet door een linkse groepering gepleegd was, maar door Ordine Nuovo, een extreem-rechtse organisatie. En bij de aanslag op de Piazza Fontana in Milaan wezen de bewijzen eveneens in de richting van Ordine Nuovo.
In de Peteano-zaak werd uiteindelijk de dader van de aanslag opgepakt. Vincenzo Vinciguerra gaf tijdens de verhoren toe dat Ordine Nuovo de klus in nauwe samenwerking met de SID, de Italiaanse militaire geheime dienst, uitgevoerd had. Maar Vinciguerra had nog belangrijker nieuws. Hij verklaarde: "Tijdens de slachting bij Peteano, en bij alle aanslagen die volgden, bestond een levende organisatie, duister en verborgen, die een strategische richting aan deze misdaden kon geven. Die organisatie huist in de staat zelf. Er is in Italië een geheime macht die, parallel aan het leger, uit burgers en militairen bestaat en die als doel heeft op Italiaanse bodem het verzet tegen een Russisch leger te regelen. Het is een geheime superorganisatie, met een telecommunicatienetwerk, wapens, explosieven en getrainde mensen die het materiaal weten te gebruiken." Langzaam maar zeker kwamen de wortels van een bijzonder vuile samenzwering bloot te liggen. En die bleken zich over heel West-Europa uit te strekken.
De feiten
Toen Casson in januari 1990 eindelijk toestemming kreeg om de archieven van de SISMI - de nieuwe naam voor SID - te doorzoeken, ontdekte hij in documenten de organisatie waar Vinciguerra op doelde: Gladio, Italiaans voor 'zwaard'. En dat niet alleen. Hij vond ook papieren die Gladio met de NAVO in verband brachten. En met de Amerikaanse CIA en de Britse MI6. Het beeld werd steeds duidelijker. In Italië waren jarenlang moordaanslagen op onschuldige en vaak willekeurige burgers gepleegd, betaald uit de schatkist, met medeweten van de politieke top, en gesteund door de Italiaanse geheime diensten en de CIA. Het doel: 'destabiliseren om te stabiliseren', spanningen veroorzaken en Italië voor het communisme behoeden door de aanslagen in de schoenen van linkse groeperingen te schuiven. Als er iets misging - zoals bij de aanslag op de Piazza Fontana in Milaan, waar een bom door een defect tijdsmechanisme niet explodeerde - was daar de geheime politie om het zaakje in de doofpot te stoppen. De bom, waarschijnlijk gemaakt van C4, werd vernietigd voordat er onderzoek naar gedaan kon worden.
Gladio was oorspronkelijk in het leven geroepen als stay behind-eenheid. Als de Russen Italië binnen zouden vallen, moesten dergelijke groepen in actie komen. Met behulp van de verborgen wapens konden ze het verzet tegen de rode bezetters op poten zetten. Maar in Italië is het netwerk schijnbaar ook 'preventief' gebruikt. Casson overhandigde zijn bevindingen aan een parlementaire commissie die eveneens naar de terroristische aanslagen keek, en die besloot het hele Gladio-verhaal in het onderzoek op te nemen. Op 3 augustus 1990 moest Giulio Andreotti voor de commissie verschijnen. Hij kon niet anders dan bevestigen dat een dergelijke geheime organisatie bestaan had. Maar om zichzelf vrij te pleiten, beweerde Andreotti dat Gladio in 1972, voordat hij in de toenmalige regering minister van defensie werd, opgedoekt was.
Al snel ontdekte de Italiaanse pers dat Andreotti gelogen had en dat Gladio nog steeds bestond. In de massale demonstraties die volgden, eisten de Italianen openheid. Andreottie zag zich in een hoek gedreven en kwam met een rapport waarin hij meldde dat Gladio inderdaad nog bestond en goed bewapend was. De geheime troepen konden beschikken over wapens en communicatiemiddelen die in waterdichte kisten op 139 plekken in Italië verstopt waren: in bossen, in weilanden, maar ook op begraafplaatsen en onder kerken. Het zou om Amerikaanse spullen gaan, waaronder 60 mm-mortieren, explosieven, wapens van klein kaliber en geweren. Andreotti bestreed overigens dat Gladio-eenheden bij de genoemde aanslagen betrokken waren. Maar dat deed er niet eens zoveel toe. Alleen al het bestaan van zo'n clandestiene organisatie betekent een schending van alle democratische beginselen.
Kort daarna schokte Andreotti de wereld opnieuw. Op 9 november 1990 benadrukte de minister-president tijdens een toespraak voor de Italiaanse senaat dat andere Europese landen, waaronder Oostenrijk (Schwert), Denemarken (Absalon), Frankrijk (Glaive), België (SDRA-8), Nederland (I&O: Inlichtingen en Operatiën) en Zwitserland (P26), eveneens stay behind-netwerken hadden. Kort na de tweede wereldoorlog werden dit soort legertjes in vrijwel geheel West-Europa opgericht. Ze waren, zo bleek later, met elkaar verbonden door het Clandestine Committee of the Western Union, waarin hooggeplaatste leden van de verschillende geheime diensten zitting hadden. Toen in 1949 de NAVO opgericht werd, ging het CCWU stilletjes over inde CPC, de Clandestine Planning Committee. Gladio is overigens de naam van het Italiaanse netwerk, maar wordt ook gebruikt om vergelijkbare eenheden in andere landen aan te duiden.
Het schandaal was compleet. In bijna alle Europese landen opereerden blijkbaar illegale militaire organisaties, betaald met weggemoffelde budgetten, en zonder medeweten van de volksvertegenwoordigers. Naar aanleiding van de Gladio-affaire vroeg het Europese parlement om acht maatregelen, zoals 'lidstaten moeten serieus onderzoek doen', 'meer informatie verstrekken', ... Maar volgens Daniele Ganser "blafte die hond wel, maar beet hij niet. Van de acht maatregelen werd er geen enkele uitgevoerd." Alleen in België, Zwitserland en Italië vonden parlementaire onderzoeken plaats waar nogal wat informatie uit opborrelde. En daar bleef het bij. Onderzoek in bijvoorbeeld oude CIA-archieven is voorlopig nog niet mogelijk. Gladio en alles wat daarmee te maken heeft, blijft top secret.
Zaak gesloten?
Vooral dankzij het onderzoek van Felice Casson naar de bomaanslag op de politieagenten in Peteano is de betrokkenheid van Gladio bewezen. Voor veel andere aanslagen, en de ontvoering van Aldo Moro, bleek dat niet mogelijk. Maar vermoed wordt dat Gladio ook daar de hand in had. In Nederland leidde het bestaan van een stay behind-netwerk niet tot schokkende taferelen. Hoewel ... Er duiken in Nederland af en toe kisten met wapens op die vermoedelijk door Gladio-eenheden bedoeld waren. Peter R. de Vries en het KRO-programma Reporter kwamen in begin 2007 met verschillende documentaires waarin beweerd werd dat een deel van die wapens in handen van de onderwereld gevallen was. Criminelen zoals de geliquideerde Sam Klepper en John Mierenet zouden daarbij betrokken zijn geweest. Bovendien zouden handelaren die de gevonden Gladio-wapens probeerden te verkopen niet vervolgd zijn om het geheime netwerk te beschermen.
Hoewel belangrijke medewerkers van de organisatie verklaringen over Gladio afgelegd hebben, hult de NAVO zich nog steeds in stilzwijgen. Op een verzoek in de zomer van 2000 om meer informatie over Gladio, CPC en ACC - een coördinatie- en commandopost van Gladio - kreeg onderzoeker Daniele Ganser het volgende antwoord: "We hebben onze archieven doorzocht en kunnen geen spoor vinden van de comités die u noemt." En toen Gasner in een brief aandrong: "Ik wens nog een keer te bevestigen dat de comités die u noemt binnen de NAVO nooit bestaan hebben. Verder heeft de organisatie die u 'Gladio' noemt nooit deel uitgemaakt van de NAVO." Vergelijkbare verzoeken van Ganser aan de CIA en MI6 liepen eveneens op niets uit.
Dat de stay behind-eenheden bestaan hebben, valt inmiddels moeilijk te ontkennen, evenals de onfrisse rol die Gladio in Italië speelde. Het lijkt er sterk op dat de netwerken na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ontmanteld werden. Maar er zijn bronnen die beweren dat op dezelfde fundamenten een nieuwe, soortgelijke organisatie opgebouwd is. Het zou kunnen dat Gladio leeft als nooit tevoren.
|
Bron » Kijk | December 2007 Forum » Bespreek dit artikel
|
De militaire basis in Capo Marrargiu
De stilte voor de storm
In de jaren die voorafgaan aan de explosie van geweld en aanslagen die de jaren '70 in Italië zal kenmerken, kent de militaire basis in Capo Marrargiu, niet ver van Alghero op Sardinië, een eigenaardig komen en gaan. De oorsprong van deze basis wordt onthuld in een dossier van het weekblad L'Europe in maart 1976 en is hoogst interessant. In 1954 verwerft een Italiaanse maatschappij, de Terra Marina, een uitgestrekt terrein op de zuidkust van Alghero op het eiland Sardinië. De zetel van de Terra Marina bevindt zich in Rome, op het nummer 8 van de Twintig Septemberstraat. Dat is het adres van SIFAR, de Italiaanse veiligheidsdienst. Op 5 januari ruimen de drie aandeelhouders van deze maatschappij, allen leden van de geheime diensten, de baan voor drie nieuwkomers, onder hen generaal De Lorenzo. In 1962 onteigent het ministerie van Defensie op discrete wijze dit terrein om redenen van openbaar nut. In 1963 wordt op dit terrein een opleidingscentrum opgericht, als onderdeel van een basis die aan de NAVO in concessie wordt gegeven. In 1968 wordt de basis heringericht onder het waakzame oog van Amerikaanse technici. Er wordt meer bepaald een luchthaven aangelegd, waar helikopters en lichte vliegtuigen kunnen landen en opstijgen.
Silencio Libertatem Servo
Tijdens de laatste maanden van 1968 wordt de basis officieel ingehuldigd. L'Europe schrijft, en het bericht is nooit tegengesproken, dat enkele maanden later de eerste groepen burgers op de basis aankomen. In Rome en Milaan wordt het officiële startstein voor de strategie van de spanning gegeven op 12 december 1969. Volgens het blad volgen de 'leerjongens' op de basis een opleiding informatie en desinformatie, guerrilla en sabotage. Na een verblijf van veertien dagen tot zes maanden keren ze terug naar huis en nemen ze hun opleidingsmateriaal mee. Ze worden in kleine groepen verdeeld en ter beschikking gesteld van de inlichtingenofficier van de dichtsbijgelegen militaire eenheid. Het blad raamt dat er in de periode 1969-1975 ongeveer 4.000 mannen zijn gepasseerd in Capo Marrargiu, om er te worden opgeleid voor destabiliserende acties. Het gebruik van deze basis op Sardinië voor de behoeften van het netwerk Gladio zal vijftien jaar later worden bevestigd. In verschillende zalen op de basis hangt het embleem van Gladio met het motto: 'Silencio Libertatem Servo'. Ik dien de vrijheid in stilte.
De Strategie van de Spanning in Italië
Het extreem-rechts slagveld
Tijdens een bijeenkomst in Madrid in augustus '69 van de intenationale neo-nazi-organisatie Nouvel Ordre Européen, stond de strategie van de spanning als belangrijkste punt op de agenda. Dat is het enigste wat er is geweten van het begin van deze strategie. Waar en wanneer Guérin-Sérac en della Chiaie hun politieke strategie op punt stelde, is niet geweten. In enigzins aangepaste versie werd de strategie in Madrid als volgt omschreven: 'Infiltreren bij extreem-links, aanslagen provoceren en extreem-links doen veroordelen voor acties die het niet gedaan heeft. Het uiteindelijke doel is de nationale opstanding in Italië op gang te brengen en een sterke macht zoals die van de Griekse kolonels te instaleren.'
Aan de bijeenkomst in Madrid werd deelgenomen door alle organisaties die in 1975 ook te gast zullen zijn in het kasteel van baron de Bonvoisin in Maizeret. Op 12 december 1969, begon in Italië een bommencampagne waarbij in Rome en Milaan binnen het uur vijf bommen ontploffen. De strategie van de spanning was begonnen. Zes mensen kwamen daarbij om het leven en er vielen 110 gewonden. Nauwelijks een week na dit bloedbad liet een informant van de Italiaanse inlichtingendienst weten dat een van de daders Mario Merlino was, een terrorist die werkte in opdracht van della Chiaie en Guérin-Sérac. Die informatie klopte, maar het zou nog twintig jaar duren vooraleer de Italiaanse justitie daar na onnoemelijk veel moeite achter kwam. De aanslagen in Milaan en Rome vormden de aanzet van een terreurgolf van een nooit geziene omvang.
De aanslagen
Op basis van een aantal cijfergegevens van professor Marco Revelli komen we tot volgend overzicht :
- 12 December 1969
De bomaanslag op de Banco dell' Agricoltura op de Piazza Fontana in Milaan, 17 doden en 88 gewonden.
- 28 Mei 1974
De bomaanslag in Brescia op de Piazza della Logia tegen een vakbondsmanifestatie, 8 doden en 94 gewonden.
- 2 Augustus 1974
De bomaanslag op de Italicus-trein tussen Bologna en Firenze, 12 doden en 105 gewonden.
- 2 Augustus 1980
De bomaanslag op het station van Bologna, 85 doden en 200 gewonden.
- 23 December 1984
De bomaanslag op de directe trein Napels-Milaan in de tunnel van San Benedetto Val di Sambro. Dit is dezelfde tunnel waarin ook de aanslag werd gepleegd op de Italicus-trein. Balans, 15 doden en meer dan honderd gewonden.
De balans van deze vijf aanslagen bedraagt 146 doden en meer dan 600 gewonden. Gedurende bijna twintig jaar slaagde de justitie er niet in ook maar een schuldige definitief te veroordelen. Daarnaast hebben ongeveer 170 rechtse terroristische organisaties tussen 1969 en 1980 meer dan drieduizend aanslagen gepleegd op personen en instellingen zoals politiekantoren, zetels van politieke partijen, vakbondsorganisaties en overheidsgebouwen.
Van slecht vijfhonderd aanslagen werd de verantwoordelijkheid opgeëist. In dezelfde periode kwamen meer dan vijftig mensen om in hinderlagen of andere vormen van neo-fascistisch geweld. Meestal waren de slachtoffers arbeiders, studenten, linkse militanten en soms ook magistraten. Het overgrote deel van de opgeëiste terroristische acties staat op naam van een beperkt aantal organisaties. Tijdens de gerechtelijke onderzoeken kwamen in die periode ten minste drie pogingen tot staatsgreep aan het licht, waarbij telkens rechtse extremisten en ook figuren uit de militaire en financiële wereld waren betrokken. Steeds weer botsten de speurders op dezelfde politieke formaties en op dezelfde sleutelfiguren.
| Zie ook » Strategie van de Spanning |
De ontvoering van Aldo Moro
16 Maart 1978
Op 16 maart 1978 ontvoeren de Rode Brigades de christen-democratische voorman en ex-premier Aldo Moro. Tijdens de ontvoering vermoorden ze zijn chauffeur en vier van zijn lijfwachten. Aldo Moro leidde in 1964 een centrum-linkse regering die zwaar in moeilijkheden kwam door geruchten over een mogelijke staatsgreep. Later bleek dat het toch meer dan geruchten waren. Giovanni De Lorenzo, van 1956 tot 1962 baas van de geheime dienst Sifar, later commandant van de carabinieri, sloot een geheim akkoord met de CIA 'om met alle mogelijke middelen de invloed van de communisten terug te dringen'. Toen de regerende socialisten een plan voor stedelijke hervorming wilden uitvoeren, werd dat uitgelegd als een aanslag op het privé-bezit en werd het plan Solo in werking gesteld.
Het dreigement van een staatsgreep volstond blijkbaar en de socialisten trokken hun plan in. Eind 1970 waren agenten van de geheime diensten betrokken bij een poging tot staatsgreep van de zwarte prins Borghese en bij de oprichting van een parallelle, ondergrondse geheime dienst, de 'Rosa dei venti'. De geheime dienst SID hield zich toen bezig met het saboteren van politie onderzoeken naar aanslagen, onder meer door valse sporen te creëren. De ontvoering van Aldo Moro was zestien jaar later nog verre van opgehelderd. Pas toen bekende een overloper van de maffia dat er onder de ontvoerders een maffiabaas was die, voor rekening van een generaal van de geheime diensten, in de Rode Brigades, de ontvoerders dus, infiltreerde. Het maakte de ontvoering van Moro nog mysterieuzer.
9 Mei 1978
Moro was op het ogenblik van zijn ontvoering volop bezig met een verdere toenadering tot de PCI, de Italiaanse communisten. In brieven tijdens zijn ontvoering smeekte hij zijn partij met de ontvoerders te onderhandelen. De regering hield het been stijf. Na 55 dagen werd Aldo Moro vermoord, zijn lijk werd gedropt tussen de Via delle Botteghe Oscure en de Piazza Gesu in Rome. In de eerste is de zetel van de PCI, de Italiaanse socialisten en in de tweede die van de DC, de christen-democraten.
De onderstaande beelden komen uit de BBC-documentaire over Gladio. Ze tonen beelden van het moment dat het lijk van Aldo Moro wordt gevonden en het laatste telefoongesprek tussen de ontvoerders en onderhandelaars.
De aanslag op een DC-9
27 Juni 1980
Op 27 juni 1980 stort een DC-9 toestel neer bij het eilandje Ustica. Bij dat 'ongeval' kwamen 81 passagiers om het leven. Italiaanse, Franse en wellicht nog andere geheime diensten spaarden nadien geen moeite om de waarheid niet aan het licht te laten komen. Radarbanden werden verbrand, verborgen of uitgewist. Bovengehaalde wrakstukken evenals getuigen verdwenen. Begin 1993 werd in Brussel de Italiaanse generaal Roberto Boemio vermoord. Een gewone roofmoord, zei het parket, alhoewel het duidelijk om een zeer professionele moord ging die nooit werd opgehelderd.
Boemio was een kroongetuige in de zaak Ustica. Hij werd eind 1991 verhoord door onderzoeksrechter Rosario Priore die vanaf 1990 de zaak probeerde op te klaren, na tien jaar algemene tegenwerking. Na zijn gesprek met Boemio liet Priore dertien militairen, onder wie negen generaals, in staat van beschuldiging stellen wegens obstructie, vier zelfs wegens verraad. Een van die generaals stond op de ledenlijst van de loge P2. Boemio was de zevende militair die in de nasleep van Ustica de dood vond. In april 1994, na de verkiezingen in Italië, legde onderzoeksrechter Rosario Prio een rapport bij de premier neer. Daarin werd gemeld dat twintig hogere en lagere officieren van de luchtmacht hem hadden laten weten dat ze niets mochten zeggen. Maar iedereen ontkende hen een zwijgplicht te hebben opgelegd. Het onderzoek van Priore leverde alleen nog meer mysteries op.
| Zie ook » Strategie van de Spanning |
De aanslag in Bologna
2 Augustus 1980
In een wachtkamer 2de klassse van het spoorwegstation van Bologna explodeert op 2 augustus 1980 een 25 kilogram zware tijdbom in een koffer. De schokgolf van de explosie is zo zwaar dat geheel in het rond alle muren worden weggeveegd. Van de wachtruimte en het aanpalende zelfbedieningsrestaurant blijft niet veel meer overeind dan de dragende constructie van gewapend beton. Splinters van de helse bom en rondvliegende stukken muur doden 85 mensen, die op deze eerste zondag van augustus op hun trein wachtten. Nog eens 200 reizigers lopen verwondingen op.
Rechtse extremisten blijken verantwoordelijk voor het bloedbad, dat werd aangericht omdat het communistisch stadsbestuur hen een doorn in het oog was. In juli 1998 veroordeelt een rechtbank in Bologna vier van de terroristen tot levenslange opsluiting. Acht mensen die zijdelings betrokken waren bij de aanslag krijgen vrijheidsstraffen van zes tot dertien jaar. De meeste veroordeelden behoren tot neofascistische kringen.
| Zie ook » Strategie van de Spanning |