Inleiding

Gladio in Italië

In Italië kwam op 3 augustus 1990 de naam Gladio voor het eerst in de openbaarheid toen de toenmalig premier Giulio Andreotti het bestaan van dit netwerk toegaf. Hij deed dit in een getuigenverklaring voor een commissie van het parlement dat onderzoek deed naar terrorisme in Italië. Andreotti maakte bekend dat Gladio binnen het Ministerie van defensie bij de militaire inlichtingendienst verborgen zat. Zijn verklaring deed vermoedens rijzen dat het netwerk bij diverse bomaanslagen betrokken was met als doel om de politiek te beïnvloeden. Felice Casson, een Italiaanse rechter, was tijdens zijn onderzoek naar rechts-extremistisch terrorisme voor het eerst op het Gladio-netwerk gestuit en had Andreotti gedwongen een verklaring af te leggen.

Casson ontdekte dat het geheime netwerk verbindingen met rechtse terroristen was aangegaan. De terroristen, voorzien van materiaal door het netwerk zouden de bomaanslag plegen, ze toe laten schrijven aan linkse Italiaanse groeperingen en vervolgens door de militaire inlichtingendienst in het onderzoek buiten schot worden gehouden. Alleen ten aanzien van de aanslag in Peteano in 1972 waarbij drie leden van de Carabinieri omkwamen en welke tot 1984 aan de Rode Brigades werd toegeschreven, is de betrokkenheid van Gladio vast komen te staan. Casson's bevindingen maken echter betrokkenheid bij meerdere aanslagen aannemelijk.

De militaire basis in Capo Marrargiu

De stilte voor de storm

In de jaren die voorafgaan aan de explosie van geweld en aanslagen die de jaren '70 in Italië zal kenmerken, kent de militaire basis in Capo Marrargiu, niet ver van Alghero op Sardinië, een eigenaardig komen en gaan. De oorsprong van deze basis wordt onthuld in een dossier van het weekblad L'Europe in maart 1976 en is hoogst interessant. In 1954 verwerft een Italiaanse maatschappij, de Terra Marina, een uitgestekt terrein op de zuidkust van Alghero op het eiland Sardinië. De zetel van de Terra Marina bevindt zich in Rome, op het nummer 8 van de Twintig Septemberstraat. Dat is het adres van SIFAR, de Italiaanse veiligheidsdienst. Op 5 januari ruimen de drie aandeelhouders van deze maatschappij, allen leden van de geheime diensten, de baan voor drie nieuwkomers, onder hen generaal De Lorenzo. In 1962 onteigent het ministerie van Defensie op discrete wijze dit terrein om redenen van openbaar nut. In 1963 wordt op dit terrein een opleidingscentrum opgericht, als onderdeel van een basis die aan de Navo in concessie wordt gegeven. In 1968 wordt de basis heringericht onder het waakzame oog van Amerikaanse technici. Er wordt meer bepaald een luchthaven aangelegd, waar helikopters en lichte vliegtuigen kunnen landen en opstijgen.

Silencio Libertatem Servo

Tijdens de laatste maanden van 1968 wordt de basis officieel ingehuldigd. L'Europe schrijft, en het bericht is nooit tegengesproken, dat enkele maanden later de eerste groepen burgers op de basis aankomen. In Rome en Milaan wordt het officiële startstein voor de strategie van de spanning gegeven op 12 december 1969. Volgens het blad volgen de 'leerjongens' op de basis een opleiding informatie en desinformatie, guerillia en sabotage. Na een verblijf van veertien dagen tot zes maanden keren ze terug naar huis en nemen ze hun opleidingsmateriaal mee. Ze worden in kleine groepen verdeeld en ter beschikking gesteld van de inlichtingenofficier van de dichtsbijgelegen militaire eenheid. Het blad raamt dat er in de periode 1969-1975 ongeveer 4.000 mannen zijn gepasseerd in Capo Marrargiu, om er te worden opgeleid voor destabiliserende acties. Het gebruik van deze basis op Sardinië voor de behoeften van het netwerk Gladio zal vijftien jaar later worden bevestigd. In verschillende zalen op de basis hangt het embleem van Gladio met het motto: 'Silencio Libertatem Servo'. Ik dien de vrijheid in stilte.

De Strategie van de Spanning in Italië

Het extreem-rechts slagveld

Tijdens een bijeenkomst in Madrid in augustus '69 van de intenationale neo-nazi-organisatie Nouvel Ordre Européen, stond de strategie van de spanning als belangrijkste punt op de agenda. Dat is het enigste wat er is geweten van het begin van deze strategie. Waar en wanneer Guérin-Sérac en della Chiaie hun politieke strategie op punt stelde, is niet geweten. In enigzins aangepaste versie werd de strategie in Madrid als volgt omschreven: 'Infiltreren bij extreem-links, aanslagen provoceren en extreem-links doen veroordelen voor acties die het niet gedaan heeft. Het uiteindelijke doel is de nationale opstanding in Italië op gang te brengen en een sterke macht zoals die van de Griekse kolonels te instaleren.'

Aan de bijeenkomst in Madrid werd deelgenomen door alle organisaties die in 1975 ook te gast zullen zijn in het kasteel van baron de Bonvoisin in Maizeret. Op 12 december 1969, begon in Italië een bommencampagne waarbij in Rome en Milaan binnen het uur vijf bommen ontploffen. De strategie van de spanning was begonnen. Zes mensen kwamen daarbij om het leven en er vielen 110 gewonden. Nauwelijks een week na dit bloedbad liet een informant van de Italiaanse inlichtingendienst weten dat een van de daders Mario Merlino was, een terrorist die werkte in opdracht van della Chiaie en Guérin-Sérac. Die informatie klopte, maar het zou nog twintig jaar duren vooraleer de Italiaanse justitie daar na onnoemelijk veel moeite achter kwam. De aanslagen in Milaan en Rome vormden de aanzet van een terreurgolf van een nooit geziene omvang.

De aanslagen

Op basis van een aantal cijfergegevens van professor Marco Revelli komen we tot volgend overzicht :

- 12 December 1969
De bomaanslag op de Banco dell' Agricoltura op de Piazza Fontana in Milaan, 17 doden en 88 gewonden.

- 28 Mei 1974
De bomaanslag in Brescia op de Piazza della Logia tegen een vakbondsmanifestatie, 8 doden en 94 gewonden.

- 2 Augustus 1974
De bomaanslag op de Italicus-trein tussen Bologna en Firenze, 12 doden en 105 gewonden.

- 2 Augustus 1980
De bomaanslag op het station van Bologna, 85 doden en 200 gewonden.

- 23 December 1984
De bomaanslag op de directe trein Napels-Milaan in de tunnel van San Benedetto Val di Sambro. Dit is dezelfde tunnel waarin ook de aanslag werd gepleegd op de Italicus-trein. Balans, 15 doden en meer dan honderd gewonden.

De balans van deze vijf aanslagen bedraagt 146 doden en meer dan 600 gewonden. Gedurende bijna twintig jaar slaagde de justitie er niet in ook maar een schuldige definitief te veroordelen. Daarnaast hebben ongeveer 170 rechtse terroristische organisaties tussen 1969 en 1980 meer dan drieduizend aanslagen gepleegd op personen en instellingen zoals politiekantoren, zetels van politieke partijen, vakbondsorganisaties en overheidsgebouwen.

Van slecht vijfhonderd aanslagen werd de verantwoordelijkheid opgeëist. In dezelfde periode kwamen meer dan vijftig mensen om in hinderlagen of andere vormen van neo-fascistisch geweld. Meestal waren de slachtoffers arbeiders, studenten, linkse militanten en soms ook magistraten. Het overgrote deel van de opgeëiste terroristische acties staat op naam van een beperkt aantal organisaties. Tijdens de gerechtlijke onderzoeken kwamen in die periode ten minste drie pogingen tot staatsgreep aan het licht, waarbij telkens rechtse extremisten en ook figuren uit de militaire en financiële wereld waren betrokken. Steeds weer botsten de speurders op dezelfde politieke formaties en op dezelfde sleutelfiguren.

Zie ook » Strategie van de Spanning

De ontvoering van Aldo Moro

16 Maart 1978

Op 16 maart 1978 ontvoeren de Rode Brigades de christen-democratische voorman en ex-premier Aldo Moro. Tijdens de ontvoering vermoorden ze zijn chauffeur en vier van zijn lijfwachten. Aldo Moro leidde in 1964 een centrum-linkse regering die zwaar in moeilijkheden kwam door geruchten over een mogelijke staatsgreep. Later bleek dat het toch meer dan geruchten waren. Giovanni De Lorenzo, van 1956 tot 1962 baas van de geheime dienst Sifar, later commandant van de carabinieri, sloot een geheim akkoord met de CIA 'om met alle mogelijke middelen de invloed van de communisten terug te dringen'. Toen de regerende socialisten een plan voor stedelijke hervorming wilden uitvoeren, werd dat uitgelegd als een aanslag op het privébezit en werd het plan Solo in werking gesteld.

Het dreigement van een staatsgreep volstond blijkbaar en de socialisten trokken hun plan in. Eind 1970 waren agenten van de geheime diensten betrokken bij een poging tot staatsgreep van de zwarte prins Borghese en bij de oprichting van een parallelle, ondergrondse geheime dienst, de 'Rosa dei venti'. De geheime dienst SID hield zich toen bezig met het saboteren van politie onderzoeken naar aanslagen, onder meer door valse sporen te creëren. De ontvoering van Aldo Moro was zestien jaar later nog verre van opgehelderd. Pas toen bekende een overloper van de maffia dat er onder de ontvoerders een maffiabaas was die, voor rekening van een generaal van de geheime diensten, in de Rode Brigades, de ontvoerders dus, infiltreerde. Het maakte de ontvoering van Moro nog mysterieuzer.

9 Mei 1978

Moro was op het ogenblik van zijn ontvoering volop bezig met een verdere toenadering tot de PCI, de Italiaanse communisten. In brieven tijdens zijn ontvoering smeekte hij zijn partij met de ontvoerders te onderhandelen. De regering hield het been stijf. Na 55 dagen werd Aldo Moro vermoord, zijn lijk werd gedropt tussen de Via delle Botteghe Oscure en de Piazza Gesu in Rome. In de eerste is de zetel van de PCI, de Italiaanse socialisten en in de tweede die van de DC, de christen-democraten.

De onderstaande beelden komen uit de BBC-documentaire over Gladio. Ze tonen beelden van het moment dat het lijk van Aldo Moro wordt gevonden en het laatste telefoongesprek tussen de ontvoerders en onderhandelaars.

Filmarchief » Bekijk alle videofragmenten

De aanslag op een DC-9

27 Juni 1980

Op 27 juni 1980 stort een DC-9 toestel neer bij het eilandje Ustica. Bij dat 'ongeval' kwamen 81 passagiers om het leven. Italiaanse, Franse en wellicht nog andere geheime diensten spaarden nadien geen moeite om de waarheid niet aan het licht te laten komen. Radarbanden werden verbrand, verborgen of uitgewist. Bovengehaalde wrakstukken evenals getuigen verdwenen. Begin 1993 werd in Brussel de Italiaanse generaal Roberto Boemio vermoord. Een gewone roofmoord, zei het parket, alhoewel het duidelijk om een zeer professionele moord ging die nooit werd opgehelderd.

Boemio was een kroongetuige in de zaak Ustica. Hij werd eind 1991 verhoord door onderzoeksrechter Rosario Priore die vanaf 1990 de zaak probeerde op te klaren, na tien jaar algemene tegenwerking. Na zijn gesprek met Boemio liet Priore dertien militairen, onder wie negen generaals, in staat van beschuldiging stellen wegens obstructie, vier zelfs wegens verraad. Een van die generaals stond op de ledenlijst van de loge P2. Boemio was de zevende militair die in de nasleep van Ustica de dood vond. In april 1994, na de verkiezingen in Italië, legde onderzoeksrechter Rosario Prio een rapport bij de premier neer. Daarin werd gemeld dat twintig hogere en lagere officieren van de luchtmacht hem hadden laten weten dat ze niets mochten zeggen. Maar iedereen ontkende hen een zwijgplicht te hebben opgelegd. Het onderzoek van Priore leverde alleen nog meer mysteries op.

Zie ook » Strategie van de Spanning

De aanslag in Bologna

2 Augustus 1980

In een wachtkamer 2de klassse van het spoorwegstation van Bologna explodeert op 2 augustus 1980 een 25 kilogram zware tijdbom in een koffer. De schokgolf van de explosie is zo zwaar dat geheel in het rond alle muren worden weggeveegd. Van de wachtruimte en het aanpalende zelfbedieningsrestaurant blijft niet veel meer overeind dan de dragende constructie van gewapend beton. Splinters van de helse bom en rondvliegende stukken muur doden 85 mensen, die op deze eerste zondag van augustus op hun trein wachtten. Nog eens 200 reizigers lopen verwondingen op.

Rechtse extremisten blijken verantwoordelijk voor het bloedbad, dat werd aangericht omdat het communistisch stadsbestuur hen een doorn in het oog was. In juli 1998 veroordeelt een rechtbank in Bologna vier van de terroristen tot levenslange opsluiting. Acht mensen die zijdelings betrokken waren bij de aanslag krijgen vrijheidsstraffen van zes tot dertien jaar. De meeste veroordeelden behoren tot neofascistische kringen.

Zie ook » Strategie van de Spanning