Het leven van Patrick Haemers
Rijkeluiszoon
Vader Achille Haemers was een West-Vlaamse textielboer die in de loop der jaren aardig wat geld verdiend had. In de jaren zeventig raakte hij vertrouwd met het Brusselse nachtleven. Eric, de broer van Patrick, was de eigenaar van een kroeg, de Gypy's. Naast Patrick Haemers waren er ook heel wat andere malafide figuren een vaste klant in de kroeg. Patrick Haemers raakte in en rond de Gypy's en in de rest van Sint-Lambrechts-Woluwe bevriend met jonge boeven zoals Thierry Smars en Philippe Lacroix, een autodief. In die periode stonden de broers Haemers, Jorgen en Axel Zeyen en Jacques Fostroy bekend als De Gouden Jekkers. Ze werden allen omschreven als rijkeluiszonen die veel vrije tijd hadden en geld kregen van hun rijke ouder(s). In dit rijkeluismilieu kwam Haemers in aanraking met drugs, voornamelijk cocaïne, en nachtclubs.
Brussels nachtleven
In 1972 richtte vader Achille nachtclub The First op. In 1973 werd Patrick Haemers de uitbater van dit etablissement. De nachtclub verdween na een hevige brand, maar er werd door de verzekering niet uitgekeerd omdat de brand opzet zou zijn geweest. Ondertussen genoot Patrick Haemers zelf ook van het uitgaansleven. Hij bezocht vaak de nachtclub Sleepy Lagoon, waar gangster Philippe De Staercke financiële belangen in had. Via dit nachtleven, en in het bijzonder de nachtclub Sleepy Lagoon, kwam Haemers in contact met het Brusselse misdaadmilieu. Hij leerde er onder meer Ramadan Dodack kennen en Denise Tyack, een prostituée uit het Israëlische pooiermilieu.
In 1979 opende Achille Haemers vlak naast de voormalige The First de privé-club Elysée 19 op. Deze was een thuishaven voor verscheidene politici, rijkswachters, criminelen, enz. Later veranderde de club haar naam in Happy Few. In 1983 werd Patrick Haemers opnieuw de uitbater van de nachtclub van zijn vader, maar ditmaal in samenwerking met zijn vriendin Denise Tyack. Ondertussen bleef Haemers ook genieten van de vele vrije tijd die hij had. Hij kreeg maandelijks 40.000 Belgische frank van zijn vader en ook zijn broer Eric gaf hem maandelijks een bepaald bedrag. Er is sprake van 10.000 Belgische frank die zijn broer hem maandelijks cadeau deed. Toch kon hij met dit geld amper zijn dure levensstijl - drugs, uitgaan, mooie wagens, zware motoren - financieren.
Geldsmokkelaar
Philippe Lacroix en Thierry Smars ontmoetten eind jaren '70 bankier Guy Cruysmans, een bekende naam uit Sint-Lambrechts-Woluwe. Cruysmans was een goede vriend van toppoliticus Paul Vanden Boeynants en maakte ook deel uit van CEPIC, Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens, een politieke beweging die symbool stond voor de verrechtsing binnen de partij PSC. In enkele ontmoetingen met Lacroix, Smars en in mindere mate ook met Patrick Haemers bracht hij hen wat politieke kennis bij en informeerde hij ook gretig naar hun (seksuele) voorkeuren. Cruysmans was in die tijd de baas van Caisse Privé Banque SA, een Brusselse bank. Het duurde dan ook niet lang alvorens de jonge boefjes door Cruysmans werden ingeschakeld. Smars werd niet meer dan de persoonlijke chauffeur van Cruysmans, maar later werd hij, samen met Lacroix en Patrick Haemers, geldsmokkelaar in dienst van de Brusselse bankier.
Het zwarte geld van sommige klanten van Caisse Privé Banque werden via Lacroix, Smars en Haemers naar het buitenland gesmokkeld. Daar zette het trio het geld op verscheidene bankrekeningen. Het criminele drietal werd goed bevriend met Cruysmans en bleven ook na de dood van de bankier in december '85 zwart geld naar het buitenland transporteren. Later bleek dat ook Paul Vanden Boeynants geld liet verdwijnen via Caisse Privé. Het misdaadgeld dat het drietal zelf verdiende verdween uiteindelijk via dezelfde strategie op buitenlandse rekeningen. Voor hulp en informatie rekende Haemers, Smars en Lacroix dan weer op advocaat Michel Vander Elst, die ze in 1983 leerden kennen.
Dood van Thierry Smars
Op 21 mei 1986 werd Thierry Smars levenloos op zijn bed gevonden, met een wapen in de hand. De conclusie was al gauw zelfmoord. Toch waren er ook al even snel twijfels bij omstandigheden die verdacht waren. Zo werden op de hand van Smars niet de sporen van antimoon gevonden die normaal wel worden gevonden indien men een wapen afvuurt. Als Smars de zware Smith & Wesson die in zijn hand lag niet zelf had afgevuurd, was er dus sprake van moord. Tot op heden is nog niet duidelijk of er sprake is van zelfmoord of moord, en wie in dat laatste geval de dader zou kunnen zijn.
Misdaadleven
Naast het minder gewelddadige leven als geldsmokkelaar had Patrick Haemers ook een leven als overvaller. Hij kon daarbij rekenen op de hulp van heel wat andere criminelen en familieleden. Zo ging hij in 1981 na een overval op een kantoor van de Bank Brussel Lambert (BBL) aan de haal met 350.000 Belgische frank. Zijn vader Achille bestuurde de vluchtwagen. Later werd het duo opgepakt en veroordeeld. Haemers hield er een gevangenisstraf van twee jaar aan over.
Bende Lacroix
Vanaf 1983 werd hij regelmatig verdacht van overvallen, vooral op geldtransporten. Media en politie spreken dan ook regelmatig van de bende Haemers. Dit wordt later door misdaadkenners en bepaalde betrokkenen tegengesproken. Haemers zou niet meer dan een handlanger van de veel slimmere Philippe Lacroix. zijn geweest, die wegens zijn grote gestalte en mooie looks ten onrechte als de leider van de bende werd beschouwd. De bende werd nooit gepakt door de politie maar toenmalig onderzoeksrechter Laffineur beweerde toch over voldoende bewijzen te beschikken om de verscheidene overvallen op geldtransporten te linken aan de bende van Lacroix en Haemers. Hoewel niet met zekerheid is vastgesteld welke overvallen al dan niet door de bende werden gepleegd, kan wel worden verondersteld dat minstens enkele van de vele overvallen het werk van de bende waren.
Lacroix en Haemers gingen tijdens die overvallen vaak heel gewelddadig en militair te werk. Bovendien maakte ze dikwijls gebruik van gestolen auto's, bij voorkeur van het merk BMW. Vaak waren geldtransporten van Securitas of de Post het doelwit. Andere bendeleden waren Marc Van Dam, Basri Bajrami en Kapllan Murat. Op 12 augustus 1987 werd Patrick Haemers ondervraagd in verband met een overval in Wilsele. Een dag later werd hij in Heverlee, in de buurt van de gevangenis van Leuven, bevrijd. Gewapende gangsters hielden het transport tegen en verwondden de agenten die Haemers begeleidden. Haemers sprong samen met de gangsters in een Audi 80 en verdween. In 1988 was de politie de bende Haemers/Lacroix op het spoor. Verondersteld werd dat Haemers tijdelijk gevlucht was naar Zuid-Amerika.
Paul Vanden Boeynants
Op 14 januari 1989 werd Paul Vanden Boeynants ontvoerd. De oud-premier, beter bekend als VDB, functioneerde al jaren lang op het hoogste politieke niveau en werd nu beschuldigd van corruptie. Al gauw werd de ontvoering opgeëist door de BRS, de Brigades Socialistes Révolutionaires. Er werd maar liefst 30 miljoen Belgische frank geëist voor de vrijlating van VDB. Na verloop van tijd ontving de politie ook een teken van leven aan de hand van enkele door VDB geschreven brieven. In werkelijkheid was er geen sprake van de BRS, maar wel van enkele gangsters die uit waren op heel veel geld. Rond 10 februari 1989 werd er losgeld betaald. Op 13 februari werd VDB vrijgelaten in de buurt van het station van Doornik. Na een kort, maar krachtig onderzoek ontdekte de politie dat Patrick Haemers en enkele andere criminelen achter de ontvoering van VDB zaten.
Op 14 februari werd er al één van de ontvoerders, Basri Bajrami, opgepakt. Al gauw ontdekte men ook de plaats waar VDB verborgen werd gehouden. Het betrof een villa in Frankrijk. Binnen in het huis vonden ze sporen van Haemers en zelfs van zijn toen 3 jaar oude zoontje Kevin. De politie kwam Patrick Haemers snel op het spoor. Haemers zat samen met zijn vriendin Denise Tyack en zijn collega-gangster Alex Zeyen in Rio de Janeiro in Brazilië. Op 27 mei 1989 werden ze opgepakt door de Braziliaanse politie, een lid van de BOB en een rijkswachtmajoor. Haemers zwaaide tevergeefs met geld in de hoop dat ze hem zouden laten gaan. Op 16 maart 1990 werd het drietal uitgeleverd aan België.
Proces
Patrick Haemers was in 1978 al eens veroordeeld wegens groepsverkrachting. In 1987 kwam hij vrij na een veroordeling wegens een overval in Deerlijk. In 1988 kreeg hij een geldboete van 500.000 Belgische frank wegens een zaak met valse facturen. Maar in 1993 stond het proces van zijn leven op het programma. Dit ging op 19 april 1993 van start. De internationale pers was aanwezig en Haemers genoot wel van de aandacht maar was enorm teleurgesteld toen bleek dat het proces werd uitgesteld. Er waren niet genoeg juryleden aanwezig en Haemers was het wachten duidelijk beu. Zowel fysiek als mentaal leed de toen 40-jarige gangster onder het gevangenisleven. Op 19 april maakte hij de rechter dan ook duidelijk dat het proces niet te lang moest worden uitgesteld.
Zelfmoord
Haemers had zijn vader via een emotionele brief gevraagd om hem te helpen ontsnappen. Zijn vader kreeg de opdracht om een wapen te kopen. Via een omgekochte bewaker zou Haemers dan het wapen ontvangen. Tenslotte waren er ook nog 'vrienden' - namen werden niet genoemd - die de ontsnapping zouden betalen. Het ging dan vooral om geld voor de omgekochte bewaker(s). Haemers werd echter naar een andere gevangenis overgeplaatst en het plan ging niet door. Dit was een klap voor Haemers, die zag hoe op 5 mei 1993 Philippe Lacroix, Kapllan Murat en Basri Bajrami op spectaculaire wijze uit de gevangenis ontsnapten.
In de gevangenis had Haemers duidelijk ook last van afkickverschijnselen. De drugverslaafde Haemers vroeg drugvervangende medicijnen maar kreeg die niet. Op 14 mei 1993 pleegde Haemers in zijn gevangeniscel zelfmoord. Met het snoer van een radio vormde hij een strop. Vervolgens hing hij zichzelf op aan de radiator (130 cm hoog). Hij liet een afscheidsbrief achter. Tot op heden doen theorieën de ronde dat de zelfmoord in het voordeel was van belangrijke personen. Haemers wist namelijk veel over het zwart geld van bekende figuren uit onder meer de politieke wereld. Hij kondigde aan dat hij zou praten op het proces omdat hij het gevangenisleed niet langer aankon.
Vader Achille zou achteraf opmerken dat er niet betaald werd voor de ontsnapping van zijn zoon Patrick, maar dat er even later door dezelfde personen wel betaald werd voor de ontsnapping van Lacroix, Murat en Bajrami. Achille denkt dat zijn zoon door heel belangrijke figuren in de steek gelaten is. Etienne Delhuvenne is een advocaat en tevens jeugdvriend van Patrick. Ook hij meent dat er vuil spelletje aan de hand was. In een interview met Humo laat Delhuvenne niets los, al komt de naam van Léon Deferm wel meerdere keren bovendrijven. Eén zaak is zeker, er waren rijke geldschieters die er baat bij hadden dat Haemers zweeg over de zaken die hij deed/wist. In 1987 kreeg hij van geldschieters 10 miljoen Belgische frank om te herbeginnen. Maar het zijn waarschijnlijk ook die geldschieters die hem in de gevangenis aan zijn lot overlieten.
Bende van Nijvel
De bende van Nijvel was de naam die de media gaf aan een bende gewapende criminelen die minstens 28 moorden op hun geweten hebben en die in 1983 en 1985 verscheidene grootwarenhuizen overvallen hebben. De gewelddadige en militaire aanpak van de bende leek erg op die van de bende Haemers. Bovendien kwam de politie tijdens het onderzoek vaak in aanraking met het Brusselse misdaadmilieu van de jaren '80 en dus ook met beruchte gangsters zoals Philippe De Staercke en Patrick Haemers. Bij de overvallen van de bende werd er naar de daders verwezen door middel van bijnamen zoals de oude, de killer en de reus.
Vooral die laatste bijnaam werd geassocieerd met Patrick Haemers, vanwege zijn grote lichaamslengte. Sommige getuigen beweerden jaren na de feiten dat ze Haemers herkenden als dader. Met deze informatie werd weinig of niets gedaan en Haemers werd nooit officieel beschouwd als een lid van de bende van Nijvel. Als de daders niet gevonden worden, zal Haemers echter altijd een hoofdverdachte blijven in het dossier rond de bende.
| Meer » Bende De Staerke | CEPIC | Paul Vanden Boeynants | De zaak Cools |
Vincent Louvaert
Auto's en drugs
Vooral de naam Vincent Louvaert valt op in de entourage van Philippe Lacroix, Smars en Patrick Haemers. Deze dief en drugsverslaafde stierf in november 1983, vermoedelijk aan een met smeerlapperij versneden dosis heroïne die hij in de flat van drugsdealer Victor Van Obberghe was gaan halen. Maar voor hij stierf, had hij aan Francis Van Binst, verklaard: "Nu werk ik voor een belangrijke vent, nu moet je me met rust laten." Een vriendgangster uit Sint-Lambrechts-Woluwe had een aantal bekentenissen gedaan over de Bende Van Nijvel. Hij had verteld dat hij betrokken was geweest bij de nachtelijke moordpartij van de Bende van Nijvel op de parking van het Colruyt-filiaal in Nijvel in de ochtend van 17 september 1983.
En, zei Van Binst, een tijdje na de overval op het bedrijf Wittock-Van Landeghem in Temse op 10 september 1983, waar de Bende zeven kogelvrije vesten had gestolen, hadden Louvaert en hij een kogelvrij vest en wapens naar een rijkswachter in de Ardennen gebracht. Die rijkswachter was de later naar de VS gevluchte Martial Lekeu. Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig had de politie van Sint-lambrechts-Woluwe elke nacht wel ellende met de Bende van Woluwe. Maar hun bezigheden beperkten zich niet altijd tot lawaai op straat en met bier en sterke drank overgoten caféruzies. De jongens van Smars en Lacroix hielden van wapens en ze gebruikten ze ook. Bij voorkeur tegen elkaar. "Ik weet nog dat er hier op een nacht herrie was op het kruispunt in Roodebeek", zegt een inwoner van Sint-Lambrechts-Woluwe.
"Dat was niet ongewoon. Er was hier altijd herrie 's nachts. Maar deze keer hadden ze geschoten. Philippe Lacroix had zijn maat Philippe Lannoy een .22-kogel in zijn voet gemikt. Toen de politie erbij kwam, beweerden hij en drie, vier vriendjes dat ze rustig over straat liepen toen er een auto voorbij kwam en iemand vanuit die auto op hen schoot. Gelul natuurlijk. Nadat de politie een van de vriendjes stevig op het rooster had gelegd, bekende die dat Lacroix Lannoy in zijn voet had geschoten. Lacroix was toen 17 jaar."
Het Brusselse nachtleven
Een paar maanden later was het opnieuw raak. Toen schoot Lannoy op zijn beurt Vincent Louvaert met een klein kaliber, een 6.35, door zijn been. Smars en Lacroix bleven geen straatboefjes. Ze maakten snel de overstap naar de hardere misdaad. Voortdurend werden zij uit gestolen auto's en motoren geplukt. Ze pikten die dingen zowat overal, tot in Oostende toe, en begonnen zich gaandeweg te specialiseren in zware BMW's, de auto's die de Bende Haemers later bij voorkeur voor haar overvallen op geldtransporten gebruikte. Philippe Lacroix zou uiteindelijk ook aan onderzoeksrechter Collin bekennen dat hij tussen 1979 en 1982 aan heel wat autodiefstallen met jeugdbendes uit het Brusselse had deelgenomen. In 1983 was hij ermee gestopt en werkte hij alleen nog als tussenpersoon in de gestolen-autotrafiek. Hij verkocht de auto's aan een heler in Bergen of aan mensen van wie hij "niet wist wat ze deden".
Onder meer samen in twee tenten in Sint-Lambrechts-Woluwe: in Les Carisiers, die werd opengehouden door Jurgen Zeyen, de broer van Axel, in de Avenue des Carisiers, en in de Gypy's. Die eigendom was van Eric Haemers, de broer van Patrick. Daar leerden ze de Blousons Doré - De Gouden Jekkers - van Sint-Lambrechts-Woluwe kennen: Patrick en Eric Haemers, Jorgen en Axel Zeyen, Jacques Fostroy, de zoon van een juwelier... Zij waren de lokale rijkeluiszoontjes en de jonge middenstanders die met veel geld en pretentie door het Brusselse nachtleven schroeiden.
|
Bron » Humo | Raf Sauviller & Hilde Geens Forum » Bespreek Vincent Louvaert
|
| Meer » Waver | Temse | Nijvel | Martial Lekeu |
Guy Cruysmans
De bende rond Lacroix
Patrick Haemers, Thierry Smars en Philippe Lacroix zouden de kern vormen van de eerste versie van een mijlpaal in de Belgische misdaadgeschiedenis, de Bende Haemers, die tussen 1983 en 1985 een vijftal overvallen op geldtransporten zou uitvoeren. De tweede versie, die zou blijven opereren tot na de ontvoering van Paul Vanden Boeynants in 1989, met onder andere Basri Bajrami en Marc Van Dam, zou nog beroemder worden. De naam Bende Haemers dekt niet echt de lading. Die naam is er gekomen omdat de media zich hebben vastgebeten in Patrick Haemers' fysieke kwaliteiten: groot, mooi en blond. Maar Haemers was niet de grote leider. De stuwkracht achter de bende was Philippe Lacroix.
Hij organiseerde de misdaad, hij was de plannenmaker die de logistiek en de planning verzorgde. Hij had er ook de intelligentie en de koelbloedigheid voor. Patrick Haemers niet. Haemers was een nietsnut, zouden leden van de Bende Haemers later tegen de onderzoekers zeggen: "Hij mocht alleen mee met het overvalcommando omdat hij absoluut niet bang was als hij cocaïne had gesnoven. Dan ging hij er met veel geweld tegenaan. Je hoefde hem maar een UZI in zijn handen te stoppen en hij knalde erop los."
Maar ook voor ze in 1983 aan hun overvallen begonnen, beschikte het drietal al over veel geld. In het geval van Patrick Haemers was dat gedeeltelijk te verklaren door de veertigduizend frank die vader Haemers zijn zoon elke maand toeschuift, de tienduizend die zijn grootmoeder er bovenop deed en de tienduizend die broer Eric hem cadeau deed. Maar zelfs dat geld kon onmogelijk het adembenemende tempo bijhouden waarmee Patrick Haemers geld door zijn neus en over de balk joeg. En hoe Smars zijn drank en drugs bekostigde, en hoe de drie - Smars, Haemers en Lacroix - hun dure vrijetijdsbesteding - zware motoren, auto's, feestjes in Luxemburg, reizen naar het Zuiden van Frankrijk, rond Perpignan en Toulouse, in de buurt van de Spaanse grens - financierden, was helemaal een raadsel.
Zoveel geld kon onmogelijk alleen van autodiefstallen komen. Niemand snapte dus echt waar de drie hun centen vandaan haalden. Tot een politieman van Sint-Lambrechts-Woluwe Thierry Smars in de loop van 1982 tegenhield voor een controle. Smars was toen twintig en zat alleen in een dure BMW met autotelefoon, nog een exclusief gegeven in het begin van de jaren tachtig. Hij lachte de flik in zijn gezicht uit en zei: "Maintenant je travaille pour un gros. Tu dois me foutre le paix." Nu werk ik voor een belangrijke vent. Nu moet je me met rust laten. De auto was niet gestolen en toen de politieman in de boordpapieren keek, trok hij bleek weg.
Een jonkheer
De naam van de eigenaar was jonkheer Guy Cruysmans. Guy Cruysmans, die in december 1985 overleed, was een belangrijk man in Sint-Lambrechts-Woluwe: ex-scoutsleider, PSC-gemeenteraadslid, van 1971 tot 1985 raadslid van het plaatselijke OCMW, medestander van de rechtse vleugel van de PSC - het CEPIC van Paul Vanden Boeynants, waarin en waarrond zich een aantal Brusselse politieke extremisten en financiële oplichters had genesteld onder leiding van de Zwarte Baron Benoît de Bonvoisin - en een grote vriend van Vanden Boeynants. Jonkheer Cruysmans legde een opvallende aandacht voor de jeugd van Sint-Lambrechts-Woluwe aan de dag.
Hij werkte mee in een organisatie voor de jeugd van Sint-Lambrechts-Woluwe, die was opgericht door de vroegere burgemeester Donald Fallon, ook een CEPIC-bestuurslid en een vriend van Vanden Boeynants, en door CEPIC'er Pierre Jonnart en door Guy Cruysmans zelf. Maar uit een politierapport blijkt dat Cruysmans ook geregeld werd opgemerkt in kroegen als Les Carisiers en de Clochemerle, de vaste stek van criminelen als Francis Van Binst en Leo 'Snaas' Davignon uit de entourage van de Noord Franse drugstrafikant Bruno Farcy.
Marginaal tuig en betere burgers
In die tenten verzamelden het marginale tuig en de zonen van de betere burgers van Sint-Lambrechts-Woluwe. En later zou, zo beweren politie-informanten, Cruysmans ook een goeie klant worden van de nachtclub Happy Few van de familie Haemers. Vermoedelijk hebben Smars en Lacroix Guy Cruysmans ergens in 1979 leren kennen. Cruysmans was duidelijk een en ander van plan met hen. Philippe Lacroix heeft aan de politie verklaard dat Cruysmans avonden organiseerde waarbij hij en gelijkgestemden zoals de Brusselse advocaat Jean Paul Dumont, nog een CEPIC-bestuurslid, de snelle jongens van Sint-Lambrechts-Woluwe enige politieke vorming probeerden bij te brengen. Lacroix zei dat hij en Smars geregeld naar die politieke avonden gingen. Patrick Haemers, die ook een vriend van Cruysmans was, kwam er niet naartoe. Hij zag dat politieke gedoe niet zitten.
Haemers was toen al zoals hij altijd gebleven is, een jongen die het alleen voor het geld deed. Vermoedelijk kon dat Guy Cruysmans ook niet zo heel veel schelen. Haemers zag er wel goed uit, maar hij was al te oud. Guy Cruysmans richtte zijn aandacht in de eerste plaats op jongere jongens zoals Philippe Lacroix, Thierry Smars, Georges Lacroix, de jongere broer vanPhilippe, Serge Nenin of Jean-François Collet. Allemaal kereltjes die rond de Bende van Woluwe draaiden. De broer van Philippe, Georges Lacroix, vertelde op zijn beurt aan de politie dat Guy Cruysmans thuis een fichebak bijhield van al dat jeugdige grut. Op die fiches stonden alle gegevens die Cruysmans tijdens vraaggesprekken met die jongens verzamelde over hun opvoeding en hun interesses, maar hij besteedde vooral aandacht aan het in kaart brengen van hun seksuele geaardheid en voorkeur.
Guy Cruysmans was in Brussel een zeer belangrijk man. Hij was de grote baas van de Brusselse bank Caisse Privé Banque SA, nu op het Marsveldplein, toen nog in de Edinburghstraat. Jonkheer Cruysmans, die de bank nogal eigengereid bestuurde en niet te veel tegenspraak duldde, nam een paar van zijn jonge vrienden in dienst, Georges Lacroix, Serge Nenin en Jean-François Collet. Zij werden ingeschakeld in de dienst Transit, waar het in- en uitgaande geld werd geteld en verpakt.
Caisse Privé
In juni 1985 openden Georges Lacroix en Corinne Castier, de vrouw van zijn broer Philippe, een rekening bij de Bank of Credit and Commerce International in Luxemburg. Er werd een bedrag van 1,6 miljoen frank op gestort. Als naam van een werkgever gaf Georges Lacroix op: Caisse Privé Banque, 18 Rue d'Edinbourgh, 1050 Bruxelles. Twee jaar later, in oktober 1987, werd de rekening leeggemaakt en het geld overgeschreven naar een rekening bij de Caisse Privé. Georges Lacroix, die tot eind 1986 bij de Caisse Privé heeft gewerkt, zou later voor de rechter staan voor een gewapende overval en drugsmokkel.
De naam van Serge Nenin kwam voor op het lint van de typemachine die de Franse politie in 1989, na de ontvoering van Paul Vanden Boeynants, vond in de Zuid Franse villa in Opio. Philippe Lacroix en Jean-François Collet hielpen de ouders van Smars na de dood van hun zoon Thierry om de kluis, die Thierry Smars in de kelder had laten plaatsen en die door de politie was verzegeld, open te maken, waarna de inhoud verdween. Thierry Smars, Philippe Lacroix en Patrick Haemers kwamen niet in loondienst bij de Caisse Privé. Smars werd gewoon een beetje de freelance privé-chauffeur van Cruysmans en hij voerde de bankier - vooral 's avonds - naar nogal onduidelijke bestemmingen. En, samen met Patrick Haemers en Philippe Lacroix, werd Smars ingeschakeld als zwart-geldkoerier voor de Caisse Privé.
Zij brachten eind jaren zeventig, begin jaren tachtig het zwarte geld van de bank en haar klanten van Brussel naar Zwitserland, Liechtenstein, Andorra en Jersey, waar het, voorzien van een code, werd afgegeven en op de juiste rekening werd gestort. Hun beloning per trip was een percentage van de gesmokkelde som. Smars gebruikte voor zijn tochten naar Zwitserland zelfs de auto van Guy Cruysmans. Corinne Castier, de vrouw van Philippe Lacroix, verklaarde in januari 1991 aan de politie dat Philippe, Thierry Smars en Patrick Haemers zeer goeie vrienden waren van Guy Cruysmans - tijdens een huiszoeking bij Philippe Lacroix werd een naamkaartje van Guy Cruysmans gevonden - dat ze Philippe geregeld naar het huis van Cruysmans had gereden, en dat de drie voor de Caisse Privé zelfs naar Panama waren gereisd om er zwart geld te deponeren. Ze zei ook dat die geldtransporten ook waren voortgegaan, nadat Guy Cruysmans in december 1985 was gestorven. Na de gewelddadige ontsnapping van Patrick Haemers uit een celwagen in 1987, verdween Philippe Lacroix naar Zuid-Frankrijk, waar hij eerst een villa huurde in Roquefort-les-Pins.
Een tijdje later verhuisden Corinne Castier en hij naar een villa in Opio, maar toch bleef hij de villa in Roquefort-les-Pins houden. Corinne Castier vond dat vreemd. Maar Philippe vertelde haar dat ze zich niet druk moest maken, de villa in Roquefort werd door "iemand anders" betaald en daar ontving hij mensen die "liever niet met hem gezien werden". Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig zagen Smars, Haemers en zeker de intelligente Philippe Lacroix, die ooit nog boekhouding had gestudeerd, dus met eigen ogen hoe rijke mensen hun zwarte geld via allerlei trucjes lieten verdwijnen en witwasten. Zij wisten dat die systemen bestonden, en begonnen er zelf gebruik van te maken.
Van zwart naar wit
Al in het begin van de jaren tachtig begonnen ze bedrijfjes op te richten die hun misdaadgeld weer boven lieten komen als eerlijk, met hard werken verdiend geld. Voor de technische details gingen ze ten rade bij zakenadvocaat Michel Vander Elst. Vander Elst verklaarde in 1989: "Ik heb Haemers en Lacroix in 1983 leren kennen. Ze hadden het bedrijfje Sofileo gekocht en ze wilden raad. Ik ben hun financieel adviseur geworden. En ik regelde ook zaken voor de firma Belgopap van Lacroix en Smars. Voor de rest heb ik een aantal off shores voor hen opgezet. Dat waren vijf of zes dossiers, geloof ik. Natuurlijk kan ik niet zeggen over welke off shores het gaat. Ik ben gebonden door mijn beroepsgeheim."
De meeste van die buitenlandse rekeningen en spookbedrijven van de Bende Haemers zijn nooit boven water gekomen. Nadat Philippe Lacroix in 1991 in Colombia was gearresteerd en aan België was uitgeleverd, vond de politie in zijn agenda's een pak gecodeerde nummers. "Als je die codes kunt breken, ben ik al mijn geld kwijt", lachte Lacroix. Men heeft ze niet kunnen breken. Een belangrijk deel van het geld van de bende is nog altijd niet teruggevonden. Uiteraard kwam de Caisse Privé ook in deze criminele zakenconstructies voor. Patrick Haemers en Philippe Lacroix hadden zelf een rekening bij de Caisse Privé. Het rekeningnummer bij de Caisse Privé voor hun bedrijfje Solfico was 630011792431. Maar Patrick en Philippe waren wel zo verstandig niet zelf in de firma te gaan zitten.
Ze lieten Solfico oprichten door Georges Lacroix en door het lief van Philippe Lacroix. Corinne Castier. Belgopap, het bedrijf van Smars en Lacroix, leverde toiletartikelen en 'hygiënische diensten' aan de Caisse Privé. Chantal de Bassompierre, de weduwe van Guy Cruysmans, valt uit de lucht, ze weet alleen dat haar man bij de Caisse Privé werkte en dat hij vroeger scoutsleider was. "Philippe, Thierry, Georges Haemers en Guy Lacroix, ik heb die namen nog nooit gehoord", zegt ze. En ze raadt ons ook af naar de Caisse Privé te bellen, want daar zal niemand ons inlichtingen kunnen geven. In elk geval ziet het ernaar uit dat Patrick Haemers de waarheid sprak toen hij zei dat hij zwart geld trafikeerde, maar hij loog waarschijnlijk toen hij zei dat hij nooit opdrachten heeft uitgevoerd voor VDB, want de Brusselse spekslager Vanden Boeynants is altijd een van de belangrijkste klanten van de Caisse Privé geweest. De Caisse Prive, die gespecialiseerd is in vermogensbeheer en het leveren van financiële diensten aan bedrijven, is niet zomaar een bank. Ze wordt de 'Banque de la Noblesse' genoemd vanwege het blauwe bloed van de oprichters, de bestuurders en een belangrijk deel van het klantenbestand.
Het centrale punt
De bank is het centrale punt van een aantal zakelijke en familiale banden tussen een hoop Belgische adellijke families, banden die doorlopen tot in het Koninklijk Paleis. In 1949 werd de Caisse Privé, die in 1923 was opgericht, ontbonden en opnieuw opgericht. Grote heren achter de bank werden toen Jean Cruysmans, vader van Guy, en de familie d'Ursel, serieuze Belgische grootadel, die in aristocratische kringen 'Des Princes du Salon Bleu' wordt genoemd. Vanaf dat ogenblik speelde de familie Cruysmans, die zich ook via een paar goed gemikte huwelijken in de toplaag van de financiële adel had ingewerkt, in bedrijven als de verzekeraar AG, Stella Artois en de Bank Brussel lambert, een hoofdrol in het beheer van Caisse.
Die lieerde zich al snel met een financiële groep rond de Zwitserse Banque Pietet en de Banque d'Investissements Privé in Genéve. De Banque Pietet is de grootste privebank van Zwitserland, die zich heeft gespecialiseerd in vermogensbeheer. Naast de adel heeft de Caisse Privé ook een uitermate geprivilegieerde relatie met de Brusselse magistratuur en advocatuur, waarvan een flink deel nog altijd zijn geld bij de Caisse Privé onderbrengt. Maar de bank koesterde vooral Paul Vanden Boeynants en zijn politieke en commerciële entourage. Ze draaide actief mee in veel van hun - vaak wazige - financiële deals en commerciële plannen. Het mooiste voorbeeld is dat van de sympathieke, maar helaas al lang dode Brusselse ket, Charlie De Pauw, de Brusselse self-made man en immobiliënspeculant die zijn zakensuccessen voor het grootste deel te danken had aan de politicus Paul Vanden Boeynants en zijn politieke vrienden over alle partijgrenzen heen.
Die gebruikten hun macht en hun invloed om het pad te effenen voor de megalomane bouwprojecten van De Pauw. Zij pasten de regels aan en duwden alle tegenstand uit de weg, zodat De Pauw ongestoord Brussel vol beton kon storten. Uiteraard deden VDB en zijn politieke militie dat niet zomaar. Op zijn beurt was De Pauw een van die ondernemers die VDB en aanhang de financiële middelen leverden om hun macht en invloed uit te breiden. En het ziet ernaar uit dat achter het ondoorzichtige scherm dat de Caisse Privé en de Banque Pietet optrokken, de financiële verwevenheid tussen het politieke milieu van Vanden Boeynants en de investeringen van Charlie De Pauw heel intens was.
Massa's beton
Charlie De Pauw begon vlak na de Tweede Wereldoorlog aan zijn onstuitbare opgang met een bedrijf dat brandblusapparaten verkocht. De hoofdaandeelhouder van dat bedrijf was graaf Philippe d'Ursel, de zichtbare geldleveranciers voor de kapitaalverhogingen van De Pauw waren de Banque Pietet en de Caisse Privé van Jean Cruysmans. Vermoedelijk gebruikten die daarvoor het zwarte geld dat mensen uit het Brusselse politiek, financiële PSC-milieu in Zwitserland op rekeningen hadden staan en dat via die leningen werd gerecycleerd. Maar de brandblusapparaten werden opzij geschoven toen de voorbereidingen voor de Expo '58 de Brusselse vastgoedmarkt openbraken en Vanden Boeynants de voor de infrastructuur en accomodatie van Expo '58 verantwoordelijke Brusselse schepen werd.
Het bedrijf van De Pauw ging in 1957 een fusie aan met de vennootschap Terres et Domaines, die werd gecontroleerd door de Banque Pietet. Terres et Domaines was in 1953 opgericht door Jean Cruysmans en de Caisse Privé, en de Banque Pietet liet zich in de vennootschap vertegenwoordigen door... Jean Cruysmans. Uiteindelijk zou Terres et Domaines de Compagnic de Promotion opkopen en Charlie De Pauw de grootste bouwpromotor van Brussel worden, die zich specialiseerde in parkings, administratieve complexen en bouwschandalen. In veel van de bedrijven en bedrijfjes die De Pauw uit de grond stampte, zag je het Caisse Privé en de Banque Pietet samenwerkingsverband opduiken in de vorm van VDB-vertrouwensmannen Jean en Yvan Cruysmans, die in de diverse raden van bestuur zetelden.
En ook de andere zakenpartner van VDB, Jean Natan, zat mee in die Zwitsers-Belgische unie tussen de Banque Pietet, de Caisse Prive en het imperium van Charlie De Pauw. Jean Natan was de man die in 1989 het losgeld voor de ontvoerde Vanden Boeynants ging oppikken in het Zwitserse Genéve, en het daar ergens op straat aan de bende Haemers overhandigde. Het Brussels parket had toen aan de familie Vanden Boeynants moeten beloven dat het nooit op zoek zou gaan naar de herkomst van dat losgeld. Misschien kan men er in de Banque Pietet wel meer over vertellen. De Caisse Privé speelde ook enthousiast mee in de sjoemelconstructies die de frauderend minister van Staat Paul Vanden Boeynants opzette om zijn vele centen uit de handen van de Belgische fiscus te houden. Jean Cruysmans werd niet voor niks de bankier van VDB genoemd.
|
Bron » Humo | Raf Sauviller & Hilde Geens Forum » Bespreek de Bende Haemers
|
| Meer » CEPIC |
Vrienden van Patrick Haemers
Een orkaan van bloed
In november 1985 moordde de reus van de Bende van Nijvel op de parking van de Delhaize in Aalst een volledig gezin uit: vader, moeder en dochter werden koudweg afgemaakt. Alleen het zoontje van negen overleefde per toeval de slachting. De reus liep het op de grond liggende kind toe, richtte zijn jachtgeweer en schoot het been van de jongen weg. Elf jaar na de feiten herkende een getuige van de slachting die reus: Patrick Haemers.
Sommige 'Bende-specialisten' keken moeilijk toen ze dat verhaal hoorden. Zij vinden het weinig waarschijnlijk dat Patrick Haemers iets met de Bende van Nijvel te maken had. Maar die specialisten lijken niet altijd te weten waar ze het over hebben. Zoals de vroegere Nijvelse onderzoeksrechter Christian Baeyens, die aan Tony Van Parys kwam vertellen dat Patrick Haemers niets met de Bende te maken kon hebben, want dat Haemers op de dag van de overval in Overijse in de gevangenis zat. Maar dat is pertinent niet waar.
Er zijn integendeel heel wat aanwijzingen die Patrick Haemers en zijn criminele vrienden, die in het Brusselse nachtleven op het raakvlak zaten van zware misdaad, extreem-rechts en criminele burgerij, in verband brengen met de slachtingen die de Bende in 1985 in drie Delhaize-filialen aanrichtte. Het weekblad Humo kon in 1997 al aantonen dat Patrick Haemers loog toen hij zei dat hij Philippe De Staerke niet kende, de man die de Dendermondse Bende-onderzoekers in beschuldiging hadden gesteld voor de medeplichtigheid aan de Bende-overval op de Delhaize van Aalst op 9 november 1985.
De eerste uitgave van de bende-Haemers, met Patrick Haemers, Philippe Lacroix en Thierry Smars, blijkt bijzonder goede contacten te hebben gehad met onder meer lieden uit het Brusselse rechts-criminele milieu, en met kerels die hoog op de verdachtenlijst staan in verband met de Bende van Nijvel en de onopgeloste misdaden die in de jaren '80 in de marge van de Bende werden begaan. Zoals bijvoorbeeld de naar Zuid-Afrika uitgeweken gewezen adjunct-gevangenisdirecteur Jean Bultot, de extreem-rechtse moordenaar Eric Lammers en zijn vader Maurice, de wapenhandelaar Robert Darville, en de grote Bende-verdacht en ex-rijkswachter Madani Bouhouche en zijn collega Robert Beijer.
Oefenen met oorlogswapens
Een rijkswachter die in de onderzoeken naar de criminele bezigheden van Madani Bouhouche en zijn rijkswachtmaatje Robert Beijer heeft gezeten, zegt daarover: "Er is één grote fout gemaakt in de onderzoeken omtrent Bouhouche en de Bende van Nijvel, we hebben te weinig aandacht besteed aan het verband dat in Brussel tussen de onder- en de bovenwereld bestond en nog altijd bestaat. Het is bijna ongelofelijk hoe die werelden, in hoofdzaak via het rauwe nachtleven, door elkaar heen lopen en in elkaar klikken. In het criminele milieu zelf kent iedereen ook iedereen. De criminelen helpen elkaar aan wapens en andere misdaadinfrastructuur: auto's, autoboxen, nummerplaten en onderduikadressen en appartementen om wapens en buit in op te slaan. Men heeft die connecties en aanwijzingen grotendeels genegeerd. In het Bende-onderzoek zaten te veel politiemensen die Brussel gewoon niet kenden."
"Een heel intrigerend voorbeeld daarvan is Maurice Lammers en zijn zoon Eric. Wat mij betreft speelden zij een cruciale rol in de Brusselse misdaad, en mogelijk zelfs in de Bende. Eric Lammers was één van de kopstukken uit de extreem-rechtse Wetland New Post van Paul Latinus, die door Benoît de Bonvoisin en Paul Vanden Boeynants werd gebruikt om de Staatsveiligheid, die toen nog onder de leiding van Albert Raes stond, in opspraak te brengen. En tegelijkertijd was Eric Lammers, die Het Beest werd genoemd en die later voor de moord op twee Antwerpse diamantairs zou worden veroordeeld, de boezemvriend van Madani Bouhouche en een goede kennis van Patrick Haemers."
"Vader Lammers was een ex-leraar met rechtse sympathieën en een practical pistol shooter, die bevriend was met de al even rechtse adjunct-gevangenisdirecteur Jean Bultot. Samen frequenteerde ze de Target 121, de schietclub die gebruik maakte van legerschietstanden in Leopoldsburg, waar ook Bouhouche vaste klant was. Leopoldsburg was de enige plek waar je met oorlogswapens mocht oefenen. En heel opvallend, in Anderlecht aan de Welzijnsstraat dreef Maurice Lammers een garage samen met Murat Kaplan, autodief, overvaller en ontsnappingskoning van Albanese oorsprong, en een tweede Albanees, een opvallend grote jongen. Het was een garage die in twee delen was opgedeeld: een voor het publiek toegankelijke ruimte en een stuk achterin waar buiten het gezichtsveld van iedereen auto's illegaal konden worden omgebouwd."
"De klanten van die garage waren niet mis: Claude Leroy, de veroordeelde magistraat, Basri Bajrami van de bende-Haemers, de prostitue Denise Tyack, de vrouw van Patrick Haemers, en Patrick Haemers zelf. In de nacht van 1 oktober 1983 werd Jacques Van Camp vermoord, de eigenaar van het restaurant Aux Trois Canards in Ohain. De verdachten waren Philippe De Staerke, die die avond in een café in de buurt werd gesignaleerd, en Patrick Haemers. Eerder, op 25 april 1983, was in Parijs een Porsche 924 teruggevonden, die in Brussel gestolen was. Op die auto hing het plaatnummer BEL-310 van Jacques Van Camp."
"Op 29 maart 1983, zes maanden voor de moord, werd Van Camps eigen Porsche gestolen in Sint-Lambrechts-Woluwe, waar Van Camp woonde. Hij werd de volgende dag teruggevonden. De dief was Murat Kaplan, die vaak naar Parijs ging. De politiemannen die Van Camp kwamen vertellen dat Kaplan zijn auto had gepikt vonden dat Van Camp zenuwachtig en ongemakkelijk reageerde. Verdacht zenuwachtig, vertelden ze. Later zou Kaplan, die een tijdlang beschouwd werd als mogelijke leverancier van auto's aan de Bende van Nijvel, een verklaring afleggen waarbij hij Brusselse misdadigers en de 'rechtse crimineel' Eric Lammers in verband bracht met de overvallen op de Delhaize-filialen. Dertien jaar later zou privé-detective André Rogge in zijn boek De riolen van België diezelfde groep misdadigers ook in verband brengen met de Bende."
Onvermijdelijke toevalligheden
De rijkswachter vervolgt zijn verhaal: "Kaplan was een belangrijk misdaadcontact van Pierre Maréchal. Maréchal was in 1985, het jaar van de meest bloedige Bende-aanslagen, de rechterhand van Robert Beijer in diens detectivekantoor ARI, dat die samen met Madani Bouhouche had opgericht, nadat ze in 1983 allebei de rijkswacht hadden verlaten. Maréchal was een ex-paracommando, een elite-schutter, een rallyrijder - hij reed zelf met een Golf GTI - en een gespecialiseerd mecanicien. In 1983 was hij samen met een kerel van het WNP van Latinus lid van de schietclub CTR in Anderlecht. Op de achterkant van Maréchals lidkaart stonden de nummerplaten van vier auto's. Ze waren alle vier gestolen, en een van die wagens was gestolen door Murat Kaplan."
"Een paar maanden na de laatste Bende-overval in november 1985 in Aalst ging Maréchal er hals over kop vandoor. Hij verdween naar Spanje. Bij een huiszoeking vond de politie zware Legia-munitie, zoals gebruikt bij het bloedbad in Aalst, nummers van autoplaten en een groot aantal autosleutels. Uiteindelijk zou Kaplan, samen met Philippe Lacroix en Basri Bajrami van de bende-Haemers, in 1993 op spectaculaire manier ontsnappen uit de gevangenis van Sint-Gillis met de hulp van mensen uit de bende van nieuwe koning van het Brusselse zware banditisme, Hassan Maâche."
"De bedoeling was Patrick Haemers en Maâche, die in de nabijgelegen gevangenis van Vorst zaten, mee te nemen. Maar omdat er net relletjes in de gevangenis waren geweest, was de controle op het verkeer tussen Vorst en Sint-Gillis een stuk scherper en besloot men om Haemers en Maâche te laten zitten. Even later pleegde Haemers zelfmoord. Op 6 januari 1994 werd aan de Gentsesteenweg in Sint-Agatha-Berchem een wapenopslagplaats van Murat Kaplan ontdekt. Daarin werd een gestolen Audi 100 gevonden, granaten, raketlanceerders, explosieven, wapens, kogelvrije vesten, dynamiet en een pak vermommingen."
De rijkswachter stelt zich hierbij een paar vragen. "Zijn dit allemaal toevalligheden die voortvloeien uit het feit dat het Brusselse misdaadmilieu klein is, iedereen iedereen kent en iedereen met iedereen te maken heeft, en dus niet relevant voor de Bende van Nijvel? Dat is mogelijk. We weten het gewoon niet, omdat we die toevalligheden en relaties tussen die mensen nooit hebben uitgezocht. Maar je zou de redenering ook kunnen omdraaien, omdat het milieu in Brussel zo klein is, moesten de organisatoren van de Bende van Nijvel wel bij steeds dezelfde mensen - gangsters en criminele politiemannen - terecht, en dan zijn die toevalligheden geen toeval meer, maar onvermijdelijke noodzaak."
De krachtmeting
Ook heel opvallend zijn de gelijkenissen tussen de manier waarop de Bende van Nijvel, de bende van Philippe De Staerke, de bende-Haemers en de groep rond Madani Bouhouche hun overvallen, diefstallen en aanslagen aanpakten. Zowel de Bende van Nijvel als de groep-Bouhouche maakten gebruik van gestolen auto's waarop valse nummerplaten werden gezet die werden gekopieerd van naar model, kleur en jaar identieke auto's uit het normale verkeer. Philippe De Staerke deed dat ook. De bende-De Staeke gebruikte eveneens auto's die waren omgebouwd tot rijdende schietstanden en na gebruik in brand werden geschoten, net zoals de Bende van Nijvel dat deed.
En De Staerke paste voor zijn overvallen op geldtransporten de techniek toe die wapenspecialist Robert Darville voor de bende-Haemers had ontwikkeld: springladingen werden achter op het geldtransport vastgemaakt en tot ontploffing gebracht. Op 31 mei 1985 pleegt De Staerke op die manier een overval op een geldwagen in Marseille, samen met zijn Griekse kompaan Apostolos Papadopoelos, ook van betrokkenheid bij de Bende verdacht, en Rosario Pulci, een familielid van De Staerke uit het Italiaanse milieu rond de Barrière in Sint-Gillis. Philippe De Staerke bleek in Marseille trouwens de criminele milieus te frequenteren waar Philippe Lacroix en Patrick Haemers kind aan huis waren.
De banden tussen De Staerke en Haemers leidden in het begin van de jaren tachtig zelfs tot een diplomatiek incident. Patrick Haemers, die toen al met een zwaar drugprobleem zat, ging zich bevoorraden in de snackbar L'Oeuf à la Coque aan de Charleroisteenweg, waar Philippe De Staerke de drugsdistributie controleerde. In 1981 was Haemers' broer Eric, cafébaas en ook een stevige jongen met veel branie die met lede ogen moest aanzien hoe Patrick steeds dieper wegzakte in de drugs, dat te weten gekomen. Hij ging naar L'Oeuf à la Coque en liet er weten dat er moeilijkheden zouden komen als ze zijn broer bleven bedienen. Hij werd uit de snackbar gegooid. Woedend schoot Eric Haemers daarop vanuit zijn auto met een kaliber .22 door de etalage van L'Oeuf à la Coque.
Philippe De Staerke reageerde meteen en zette een contract op het hoofd van Eric Lammers. Toen vader Haemers dat te weten kwam was hij in alle staten. Radeloos liep hij naar zijn vriendin Simone Menin, de weduwe van de vroegere peetvader van het Brusselse milieu, Michel De Wit. Zij belde meteen Philippe De Staerke en gaf hem opdracht om de zaak bij te leggen. De Staerke gehoorzaamde en een vredesconferentie werd belegd in het café Le Corbeau. Achille Haemers: "Ik ging er met Eric naartoe. Simone Menin was er ook. En toen kwamen twee mannen binnen die zwijgend aan de trap gingen staan. Eén van hen was Philippe De Staerke. Menin praatte met hen. De Staerke wilde dat Eric zijn verontschuldigingen aanbood. Eric weigerde en keek de gevaarlijke De Staerke recht in de ogen, tot die zijn blik neersloeg. En de hele zaak werd bijgelegd."
Directeur en gevangenen, één strijd
Een politieman die het onderzoek naar de Bende van Nijvel heeft gezeten, zegt dat er nog een man was die contacten legde tussen Haemers en De Staerke: de adjunct-directeur van de gevangenis van Sint-Gillis Jean Bultot, wapenmaniak en notoir extreem-rechts denker. "Haemers heeft Bultot leren kennen toen hij in 1982 in Sint-Gillis in de gevangenis zat. Bultot was heel dik met Philippe De Staerke en diens broer Julien. De gevangenisdirecteur Bultot draaide gewoon mee in hun criminele activiteiten. Uiteindelijk is hij daarvoor ook voor veroordeeld. Bultot heeft Haemers ook bij zijn vrienden-rijkswachters geïntroduceerd, onder meer bij Madani Bouhouche."
Nog een goede vriend van Bouhouche en Bultot, die geregeld werd gesignaleerd in de nachtclub Le Jonathan, waar Bultot door de confituur partouzeerde, was de wapenmaker en trafikant Robert Darville. Darville werkte zelfs een tijdje als buitenwipper in Le Jonathan. In 1990 bekende Darville zelf dat hij Madani Bouhouche vaak ontmoette in de Brusselse schietclub The Black Rose. Darville zei dat hij Bouhouche en zijn in januari 1986 vermoorde vriend Juan Mendez, een kaderlid van de Luikse wapenfirma FN, had leren kennen in de schietclub Target 121 in Leopoldsburg. Ook Darville onderhield meer dan goeie relaties met de familie Haemers, via zijn vriendin Anne Boucher. Boucher, die zelf diep in het milieu zat, had een niet onbelangrijke functie in de Happy Few, de nachtclub aan de Louisalaan van Patrick Haemers en vader Achille Haemers, waar de Brusselse criminelen en het meer ranzige deel van de burgerij verzamelden.
Achille Haemers: "Ik kende Darville inderdaad, maar niet echt goed. Ik weet nog dat hij in de Happy Few altijd aan de tap stond. Hij dronk er whisky uit zijn persoonlijke fles. Ik vond het een vreemde gast. Hij zei nooit wat. Hij stond daar alleen maar Anne Boucher in de gaten te houden." Dat Darville nooit wat zei in de Happy Few werd tegengesproken door Eric Haemers. Volgens Eric Haemers kletste Darville meer dan genoeg. Vooral met Thierry Smars, ook een lid van de bende-Haemers tot hij in 1986 dood in zijn bed werd teruggevonden met een kogel door zijn hoofd. Zij hadden het vooral over wapens en explosieven. Want Robert Darville was de wapenspecialist van de bende-Haemers. Hij leverde het schiettuig en de gesofistikeerde ladingen met afstandbediening die de bende voor haar overvallen op geldtransporten gebruikte.
Kijk in eigen huis
De rijkswachter Madani Bouhouche kende de groep criminelen rond Patrick Haemers als sinds het einde van de jaren zeventig, begin jaren tachtig. Zowel Bouhouche als Philippe Lacroix en Thierry Smars huurden toen appartementen op de campus van de Brusselse universiteiten VUB/ULB, die ze als onderduikadressen gebruikten. En ze werden er alle drie van verdacht vanop die campus de moordaanslag op rijkswachtkolonel Herman Vernaillen te hebben georganiseerd. Op het proces Bouhouche-Beijer werd Bouhouche niet veroordeeld voor die aanslag, maar veel politiemannen en magistraten blijven verdenkingen koesteren tegen hem en tegen Lacroix en Smars. Want er zijn een aantal elementen die op hun betrokkenheid bij die aanslag wijzen :
Philippe Lacroix lijkt sprekend op de man die kort voor de aanslag op Vernaillen in diens huis in Affligem aan iemand die over straat liep vroeg waar kolonel Herman Vernaillen woonde. De politie van Sint-Lambrechts-Woluwe herkende meteen de robotfoto van de man die de Mazda had gestolen waarmee de aanslag op Vernaillen werd gepleegd. Wat hen betrof was het Thierry Smars, die in hun fichebak zat opgeslagen als een notoir autodief. En twee dagen na de moordaanslag werd de Mazda teruggevonden op de campus in een ondergrondse parking waar Bouhouche, Smars en Lacroix appartementen huurden.
Op dat moment was de rijkswachter Bouhouche nog lang geen verdachte van de aanslag op Herman Vernaillen. Integendeel, hij werd opgenomen in het onderzoeksteam dat Smars en Lacroix aanwees als mogelijke daders. De twee werden een tijdlang opgepakt in dat verband en uiteindelijk weer vrijgelaten. Na zijn veroordeling in 1994 zocht een aantal rijkswachters contact met Philippe Lacroix in zijn cel. Ze vroegen hem opnieuw uitleg over de aanslag op Vernaillen. 'Kijk in eigen huis', zei Philippe Lacroix cryptisch. Hoe dan ook, wat de Bende-overval op 9 november 1985 betreft zijn er drie verdachten, tegen wie een aantal aanwijzingen speelt: Patrick Haemers, die effectief aan het bloedbad zou hebben deelgenomen, en Madani Bouhouche en Philippe Lacroix, die mee instonden voor de organisatie en de logistiek.
Verdacht : Patrick Haemers
Haemers werd herkend, zowel bij de voorbereidingen door een caissière van de Delhaize, als bij de slachting zelf door een eerstelijnsgetuige. Ook werden in de weken voor de overval op twee plaatsen achter de Delhaize in een doek gewikkelde wapens, geladen en klaar voor gebruik, en kapmantels gevonden. Die vondsten wezen erop dat iemand iets van plan was met de Delhaize van Aalst. Een van die wapens, een Smith and Wesson .38, bleek een politiewapen te zijn dat in de Verenigde Staten was gestolen. Het gebeurt niet echt vaak dat gestolen handwapens uit de Verenigde Staten in België terechtkomen.
Uitgerekend toen de Bende in 1985 haar tweede carrière begon en drie overvallen op Delhaize-filialen organiseerde die in tegenstelling tot haar bezigheden in 1983 wel duidelijk de bedoeling hadden het land op zijn kop te zetten, had de bende-Haemers -- en vooral Thierry Smars - een nieuwe vriend: de Italiaan Elio Ciolini, een duistere figuur uit het Italiaanse rechtse terrorisme van de jaren zeventig en de ondergrondse wereld van de geheime diensten, die toen geld probeerde te verdienen met afpersing en oplichting.
Toen de Belgische justitie in het onderzoek-Haemers in Italië Ciolini ondervroeg, verklaarde die dat de bende-Haemers in het midden van de jaren tachtig illegale wapens uit de Verenigde Staten naar België smokkelde. Bij de huiszoekingen die op 14 oktober 1986 plaatsvonden bij Haemers in Chaumont-Gistoux en Philippe Lacroix in Sint-Lambrechts-Woluwe, vond men bij Lacroix een Smith and Wesson .38 die uit Monrovia, California kwam. Bovendien kwam Thierry Smars aan zijn einde door een kogel uit een Smith and Wesson die door Robert Darville aan de bende-Haemers was geleverd. De bende-Haemers had wel meer contacten met Amerikanen.
Tijdens de ontvoering van Paul Vanden Boeynants in 1989, die in een villa in het Franse Le Touquet werd bewaard, belden de jongens van Haemers voortdurend nummers in California en in Florida. En een week voor de huiszoeking van 14 oktober 1986 werd in de Noorse hoofdstad Oslo een Amerikaanse bankovervaller, de zoon van een Amerikaans legerofficier, gearresteerd die met een Mercedes van Haemers rondreed. Haemers had aan de politie verteld dat die auto was gestolen. Toen men hem vertelde dat hij in Zweden was teruggevonden, krabbelde hij terug en zei dat hij helemaal vergeten was dat hij die auto aan zijn Amerikaanse vriend had uitgeleend.
Verdacht : Madine Bouhouche
Tijdens een huiszoeking bij Robert Beijer, de spitsbroeder van Madani Bouhouche, werd een foto van de Delhaize in Aalst gevonden die een paar maanden voor de overval genomen was. Beijer praatte zich uit dit wel heel toevallige toeval door te beweren dat hij die foto had genomen in opdracht van een vrouw die hem had ingehuurd als privé-detective in een echtscheidingszaak. Anderhalf uur voor de overval in Aalst werd Madani Bouhouche door een getuige gezien terwijl hij zich klaarmaakte om met een donkere Ford Granada te vertrekken. Tijdens de overval zelf werd Bouhouche gezien in een café in de buurt van de Delhaize van Aalst. Twee getuigen herkennen hem op een foto als de man die samen met een geblokte kerel met een ringbaard op het moment van de overval in het café geheimzinnig stond te doen en duidelijk op iets stond te wachten.
Ze waren daar heel zeker van, maar toen ze Bouhouche door een doorkijkspiegel moesten identificeren lukte hen dat plotseling niet meer. Bouhouche kende hun namen uit het dossier. De gewezen rijkswachter Bouhouche en vooral zijn vriend Juan Mendez kenden Aalst goed. Bouhouche haalde zijn speciale munitie in een wapenwinkel in Aalst, en Mendez werkte er in zijn studentenjaren in een garage. Daar zat het latere FN-kaderlid niet alleen aan motoren te knoeien, maar ook met wapens, waaruit hij de serienummers vijlde. Toen al was Mendez bezig met illegale wapentrafiek.
Verdacht : Philippe De Staerke
Tegen De Staerke heeft het Delta-team van onderzoeksrechter Freddy Troch en substituut Willy Acke heel wat bezwarend materiaal verzameld in verband met Aalst. Ten eerste is er de verklaring van de toenmalige vriendin van Philippe De Staerke. Die vertelde dat ze Philippe De Staerke op de dag van de overval op de Delhaize rond drie uur 's middags naar Aalst moest rijden. Samen met haar dochter maakten zij en De Staerke een verkenningstocht door de Delhaize en over de parking achter het warenhuis. Om vijf uur 's middags vertrokken ze terug naar huis. Nadat de vrouw haar dochter in Lembeek bij haar ouders had afgezet, reed ze met De Staerke naar Halle, waar ze Philippe Eckhardt oppikten, en daarna verder naar de Barrière in Sint-Gillis.
Daar hadden De Staerke en Eckhardt een afspraak met iemand in een kruidenierswinkel aan de Alsembergsesteenweg. Philippe De Staerke gaf de vrouw de opdracht haar rond tien uur 's avonds op te pikken bij Eckhardt thuis in Halle. In de buurt van de Barrière hadden getuigen al een paar keer een donkerkleurige Golf GTI zien staan bij een garagebox. Die avond om 19.35 uur begon de slachtpartij in Aalst. Om 21 uur, anderhalfuur later, liep Philippe De Staerke in Anderlecht bij zijn Griekse maat Sotirios Papadopoelos langs, de broer van Apostolos. Hij had een Samsonite-koffer bij zich waarvan de Griek dacht dat er wapens in zaten. De Staerke liet de koffer achter bij Papadopoelos.
De volgende dag kwam hij ze ophalen en begroef ze in een bos in Pepingen, waar hij ze een paar dagen later weer ging opgraven. De lege koffer bracht hij uiteindelijk naar zijn broer Julien. In het begin van de jaren negentig beschuldigde Philippe De Staerke zichzelf. Hij zei dat hij betrokken was geweest bij de Bende-inbraak in een Colruytfiliaal in Nijvel in september 1983, waarbij drie mensen werden vermoord. Even later trok hij die verklaringen weer in.
| Meer » Ohain | Aalst | Bouhouche & Beijer | Bende De Staerke | Westland New Post | Jean Bultot |
De zelfmoord van Patrick Haemers
13 Mei 1993
De gangster Patrick Haemers, die met zijn bende een ellelange reeks misdaden op zijn kerfstok heeft, met onder meer 4 dodelijke slachtoffers, heeft zelfmoord gepleegd in zijn cel in de gevangenis van Vorst. Het was Haemers blijkbaar allemaal te veel geworden. Vermoeidheid door de jaren eenzame opsluiting sinds zijn aanhouding in Rio de Janeiro in mei 1989, uitputting na een ontwenningskuur en verbittering door het uitstel van zijn proces hebben zijn zelfmoord kennelijk in de hand gewerkt. Dat is althans de officiële versie, want sommigen betwijfelen of het hier echt om een zelfmoord gaat. Die twijfel hoeft niet te verwonderen als men slechts enkele speculaties omtrent Haemers en zijn activiteiten op een rijtje zet.
De ontvoering van Vanden Boeynants zou misschien opgezet spel zijn, Haemers zou veel weten over het zwart geld van heel wat vooral Brusselse vooraanstaanden en hij zou betrokken zijn geweest bij de Bende van Nijvel. Als zo iemand aankondigde te zullen spreken op zijn proces, vervolgt de speculatie, dan kunnen velen er baat bij hebben dat het proces opgeschort raakt en dat Haemers zelf verdwijnt. Of dit meer is dan speculatie is onbewezen. Zeker is wel dat Haemers, en onze justitie, ons met heel wat onbeantwoorde vragen heeft achtergelaten. Het assisenhof van Brabant dat de eer genoot de justitiële gebeurtenis van de eeuw te mogen orchestreren, zit van de ene dag op de andere zonder hoofdrolspeler.
Dat het proces vorige maand werd uitgesteld is te wijten aan het feit dat onvoldoende burgers bereid waren de bende van Haemers te (ver)oordelen. Op 19 april besloot een stilaan wanhopig wordende raadsheer Wezel geen jury te loten. Hij nodigde de 90 opgeroepen kandidaten uit een excuus te bedenken waarom zij niet konden zetelen. De hoofdprijs ging hierbij naar de vrouw die aanvoerde dat zij haar hondje niet de hele dag alleen kon laten. Ten bewijze haalde zij zelfs de leiband van het dier boven. Even voor zijn zelfmoord, in de nacht van 13 op 14 mei, schreeuwde Haemers dat hij zich zou verhangen als hem geen medicijnen werden toegediend. Een verpleger weigerde.
Haemers zette zich aan het schrijven van zijn afscheidsbrieven aan zijn vrouw en liet ook een berichtje na voor de minister van Justitie: "Wathelet, je t'emmerde." Wat zoveel betekent als, je kan de pot op. "Ik kan niet meer. Ik lijd te veel pijn en ben te vermoeid. Mijn laatste gedachten gaan naar jou en onze zoon", schreef de Grote Blonde aan zijn vrouw Denise Tyack, net voor hij zich met de stroomdraad van zijn radio verhing aan de radiator in zijn zwaarbewaakte cel. Geen enkel misdadig feit kon hem toen nog worden aangerekend.
| Forum » Bespreek dit artikel |
| Meer » Paul Vanden Boeynants | Jean-Paul Dumont |