De diefstal van NAVO-telexen
Juni 1981
In de periode maart tot juni 1981 stelen WNP-leden, in dienst van het Belgisch leger, geheime NAVO-telexen in het extra beveiligde communicatiecentrum van de legerstaf in Evere. De telexen worden gepubliceerd in het eerste nummer van Althing. De kopstukken van WNP, Paul Latinus en Michel Libert, komen er rond voor uit dat de diefstal bedoeld is om aan te tonen dat het Belgische leger niet afdoende beveiligd is tegen spionage van de Russische geheime dienst KGB. Alles wijst erop dat ze de protectie genieten van enkele Amerikaanse opdrachtgevers en Belgische militairen. Een pikant detail, de documenten bevatten vertrouwelijke gegevens afkomstig van de Marine Intelligence Summery van de NAVO. Informatie om van te watertanden als je terroristische plannen hebt.
Een commissaris van de Staatsveiligheid
November 1981
Tijdens november 1981 leert commissaris Christian Smets van de Staatsveiligheid WNP-leden schaduwtechnieken aan met een bivakmuts op zijn hoofd. Dit gebeurt ten huize van Marcel Barbier van het Front de la Jeunesse en die bij de Staatsveiligheid bekend staat als 'Le Dur', de harde. Verschillende leden van het WNP beweren samen te werken met de Staatsveiligheid. Hiermee brengt de WNP de Staatsveiligheid nog meer in opspraak.
Ook blijkt dat commissaris Smets, onder verantwoordelijkheid van de administrateur-generaal Albert Raes, in z'n dooie eentje de WNP wilde infiltreren. Ondanks bezwaren van collega's die waarschuwden voor het WNP, de bezwaren werden door Smets weggelachen. Wat de collega's van Smets niet wisten, is dat Paul Latinus aan Christian Smets zelf had gevraagd of hij zich bij het WNP wou aansluiten. Hij zag dit wel zitten, stemde toe en kreeg direct de graad van kolonel.
| Zie ook » Staatsveiligheid |
De Pastorale moorden
19 Februari 1982
De ochtend van 19 februari 1982 maakt Jean de Reymacker zich zorgen. Zijn schoondochter Francesca en de vriend waarmee ze sinds haar echtscheiding samenwoont, zijn niet op hun werk verschenen. Als hij bij hen gaat aanbellen wordt er niet gereageerd, terwijl hij duidelijk hoort dat in het appartement de televisie aanstaat. Om tien uur stapt hij het politiecommissariaat van Anderlecht binnen en vertelt er wat hem dwars zit. Er wordt onmiddellijk een politiepatrouille ter plaatse gestuurd. Als de twee agenten de achterdeur van het appartement aan de Herderliedstraat forceren, doen ze een gruwelijke ontdekking. In de living vinden ze het levenloze lichaam van een man en een vrouw. Beiden waren in het hoofd geschoten en de keel overgesneden. Een executie, of een rituele moord?
De vrouw was de vierenveertigjarige Francesca Arcoulin, de man de eenendertigjarige Alfons Vandermeulen. Het koppel woonde al een tijdje samen, leidde een rustig leventje en had voor zover bekend geen vijanden. Onderzoeksrechter Francine Lyna staat voor een raadsel. In het appartement van de slachtoffers wordt geen enkele aanwijzing gevonden. Geen sporen van een vechtpartij, geen kogelhulzen, geen bloed, geen vingerafdrukken. Er was niets gestolen en de voordeur van het appartement was aan de buitenkant met een sleutel gesloten.
Het enige aanknopingspunt zijn enkele bejaarde buren die in hetzelfde gebouw wonen en bij wie de moordenaars hebben aangebeld om binnen te geraken. De bejaarden hebben enkele vage geluiden gehoord, waarna de twee mannen in een auto zijn weggereden. De dubbele moord in Anderlecht lijkt een perfecte misdaad. Uit het onderzoeksdossier blijkt dat onderzoeksrechter Lyna nochtans zware verdenkingen koestert tegen Christian Pawlow, een kennis van de slachtoffers die geen sluitend alibi kan voorleggen en tegen Marcel Barbier, die een verhouding heeft met de ex-echtgenote van Vandermeulen. Pawlow blijkt niets met de moord te maken te hebben.
De vermoedens tegen Barbier stapelen zich daarentegen op. Barbier beschikt echter over een compleet vals, maar op het eerste gezicht ijzersterk alibi. Zijn neo-nazistische vrienden Michel Libert, Jean Peché, Francinne vanden Borre en Marcele Gobert verklaren blijkens proces-verbaal nummer 1565847/82 (en volgende) dat Barbier de avond van de moord heeft doorgebracht in het extreem-rechts café 'Le Bracchus' aan de avenue Michel Ange. Een alibi dat door Herbert Riess, de Duitse uitbater van het café, wordt bevestigd. Het dossier zit muurvast, maar de oplossing komt anderhalf jaar later als het ware uit de lucht gevallen. Op 17 augustus 1983 arresteert de politie van Vorst een dronken extreem-rechtse militant die tijdens een verwarde ruzie met zijn broer op straat met een revolver staat te zwaaien en op een voorbijganger heeft geschoten. Zijn naam is Marcel Barbier.
Training : Lybië
Trainingskampen van Khadafi
In het onderzoeksdossier van onderzoeksrechter Lyna over de dubbele moord in Anderlecht bevindt zich een apart luik over de betrokkenheid van WNP bij het rekruteren van huurlingen voor trainingskampen in Lybië. Hoewel deze betrokkenheid nooit ten gronde werd onderzocht, verdienen de merkwaardige processen-verbaal in het dossier van Lyna enige aandacht. Nadat Eric Lammers begin 1984 verklaard heeft dat WNP-leden waren aangeworven om een commando-opleiding te gaan volgen in Lybië, ondervraagt commissaris Georges Marnette op 2 april Latinus. Die geeft toe dat hij gecontacteerd werd door een zekere Jo Jeandrain, een halfbloed die karatelessen volgde in de sportclub van Calmette, met het verhaal dat de Lybische ambassade in Brussel huurlingen rekruteerde.
De contactpersoon van deze filière was L'Houssine Assouli, een Marokkaan die op zijn beurt werkte in opdracht van de Lybische ambassade en officieel belast met de leiding van het departement 'internationale contacten'. Voor de rekrutering in België zou de ambassade beschikken over een budget van 150 miljoen frank. In de versie van Eric Lammers zou de opleiding in Lybië slechts een tussenhalte zijn voor deelneming aan de gevechten aan de zijde van de rechtse falangisten in Libanon. Zoals blijkt uit pro justitia 9.544 in het dossier van onderzoeksrechter Lyna zou Latinus zijn informant gevraagd hebben zo diep mogelijk in deze filière te penetreren en had hij Faez Al Ajjaz geraadpleegd over de betrouwbaarheid van de door Jeandrain geleverde informatie. Al Ajjaz zou het verhaal tegenover Latinus grotendeels bevestigd hebben.
Vanaf hier lopen de versies van de betrokkenen evenwel uiteen. Enerzijds beweert Latinus dat hij zijn informatie doorspeelde aan adjudant Goffinon en hem ook voorstelde de Lybische filière verder door WNP-leden te laten infiltreren. Dit laatste zou echter niet gebeurd zijn omdat de oversten van Goffinon een dergelijk operatie niet wilden dekken. Toch geeft Latinus toe dat een begin gemaakt werd met de rekrutering van WNP'ers door het Lybische terroristennetwerk. Hij noemt in dit verband de namen van Marc vander Meiren, Michel de Bondt, Eric Lammers, Marcel Barbier en Jean-Louis Nemry.
Uit de ondervraging van dit vijftal blijkt dat ze inderdaad door de WNP-leiding aangezocht werden om in het Lybische netwerk te infiltreren. Hun soldij zou 300.000 frank per maand bedragen en de rekruten kregen vanwege Latinus te horen dat de hele operatie gedekt werd door de BOB, in persoon van Goffinon, de Staatsveiligheid en zelfs de CIA. Geen van de zes vond dit aanbod echter geloofwaardig en ze weigerden en bloc. Pogingen van Latinus om vervangers te ronselen in het Front de la Jeunesse zouden op niets zijn uitgedraaid. In de versie van de rekruten is het Al Ajjaz die voor de aanwervingen instond en voor de financiering zorgde.
Wanneer onderzoeksrechter Lyna op 6 juni 1984 op haar beurt adjudant Goffinon ondervraagt, krijgt ze een totaal andere versie te horen. Volgens Goffinon was het Al Ajjaz die hem voorstelde een informant te ontmoeten die hem inlichtingen zou kunnen verschaffen over de rekrutering van terroristen in België door Lybië. Die informant was Paul Latinus. Al Ajjaz regelde een ontmoeting tussen Goffinon en Latinus, maar deze laatste kwam slechts mondjesmaat met informatie over de brug. Uit de pro justitia waarin de ondervraging van Goffinon werd vastgelegd, blijkt dat Al Ajjaz wel degelijk de reiskosten naar het trainingskamp in Lybië voor de rekrutanten zou prefinancieren. Als Goffinon echter begint door te vragen, haakt Latinus af. Telefonisch maakt hij nog een laatste afspraak met Goffinon, maar komt uiteindelijk niet opdagen. Voor de WNP-leden die het dubbelspel van Latinus in de Lybische affaire pas later vernemen, als ze ondervraagd worden door justitie, is het de zoveelste koude douche.
| Zie ook » Staatsveiligheid | Libanese Connectie |
Training : Houssière
Een oefenterrein voor het WNP
De vondst in Houssières, op 9 november 1985, heeft onderzoeksrechter Jean-Claude Lacroix geïnspireerd. Hij gaf de 'Task Force' van Jumet de opdracht na te gaan welke verdachte incidenten zich voorheen afspeelde in de bossen van La Houssière. Naar aanleiding van die specifieke opdracht stootte de rijkswacht van Charleroi op een vreemd proces verbaal, nr. 656 uit 1981, meer precies van 5 april 1981. Die dag voerde eerste-wachtmeester Tisseraud van de brigade van Ecaussines een controle uit in La Houssière, temidden van de bossen. Hij hield er een echtpaar tegen, dat beweerde een stevige wandeling te maken. Het was 8u20. De personen die geïnterpelleerd werden, waren: Alain Weykamp, lid van het Front de la Jeunesse, en zijn vriendin Axelle Van Lierde.
Tisseraud ruikt onraad en vraagt de koffer van de wagen, die iets verderop geparkeerd staat, open te maken. In de kofferruimte van de auto treft de eerste wachtmeester munitie aan. Het gaat met name om 'Legia'-munitie, meer precies om: een doos kaliber 12 met balletten 'Legia' en twee dozen met patronen kaliber 12-lood 4 Winchester. Ook vindt Tisseraud 4 lege geweerhoezen. Weykamp vertelt de rijkswachter dat hij niet in het bezit is van wapens, aangezien die in beslag werden genomen in het kader van het onderzoek naar het Front de la Jeunesse. De speurders van de 'Task Force' van Jumet, Lachlan en Ruth, die op het PV stoten, kijken elkaar verbaasd aan. Ze zoeken hun collega Tisseraud op, die hen vertelt zich het voorval nog te kunnen herinneren.
Zo weet hij zich voor de geest te halen dat de plaats van het gebeuren in de onmiddellijke omgeving was van een kleine zandgroeve, een 'carrière'. Hij weet nog precies te zeggen dat hij een proces verbaal opstelde wegens "vrijwillige achterlating van munitie". Verdergaand onderzoek van Lachlan en Ruth, wijst uit dat Weykamp in die periode regelmatig in open lucht oefende in schutterstechnieken met de extreem-rechtse militanten Eric Lammers, Jean-Philippe Van Engeland en Jean-Louis Nemry. Op het moment dat beide rijkswachters hun enquête uitvoerden, bevond WNP-lid Eric Lammers zich in voorlopige hechtenis in de gevangenis van Vorst, in afwachting van het assisenproces waarin hij zou terechtstaan in verband met de dubbele moord in Anderlecht. Op 5 november 1986 halen de speurders Lammers uit de gevangenis voor een ondervraging.
Een tochtje naar het bos
Onderzoekers Lachlan en Ruth halen de neo-nazi Eric Lammers uit zijn cel en rijden met hem naar de bossen van La Houssière. Lammers voert het gezelschap naar de zandgroeve. Hij verklaart: "Die plaats werd door ons gewoonlijk 'La Carrière' genoemd als we de plaats van afspraak onder ons wilden situeren." De WNP'er stelt dat 'La Carrière' door hem en zijn vrienden gebruikt werd om te schieten. Lammers gaat verder. "De dag dat Weykamp en Van Liede werden gecontroleerd door die rijkswachter in april '81 waren Van Engeland, Nemry en ikzelf daar ook. Toen de controle gebeurde hebben wij ons verstopt. Op die dag schoot ik met een automatische riotgun Franchi 8, misschien ook met een Star-pistool kaliber 22 type M1 met een geluiddemper en bril."
"Van Engeland gebruikte een riotgun. De munitie kochten wij samen. Na de controle ben ik bij de wapens gebleven en is Van Engeland naar Brussel gaan telefoneren, om te vragen ons te komen ophalen. Van Lierde en Weykamp reden zonder de wapens terug naar huis. Dat leek veiliger." 'La Carrière', de plaats die Eric Lammers aanwees lag precies tussen de plaats waar de bendewagen werd gevonden en de plek waar de brandhaard werd ontdekt met de cheques die gestolen werden door de Bende in Overijse.
| Zie ook » Aalst | Cel Waals Brabant | Bos van Houssière | Front de la Jeunesse |
De dood van een maarschalk
24 April 1984
Begin 1984 komt 'de maarschalk' van Westland New Post in troebele omstandigheden om het leven. 24 april 1984 is een zonnige lentedag. In de tuintjes van de Rue des Limauges in Court-Saint-Etienne wordt hier en daar nog gewerkt. Omstreeks negen uur arriveert Paul Latinus met een taxi bij de woning van zijn vriendin Mireille van Houtvinck. In het voorbijgaan groet hij de buurvrouw. Twee uur later belt een dronken en hysterische Mireille van Houtvinck bij diezelfde buurvrouw aan. Latinus heeft zichzelf verhangen en Mireille wil de hulpdiensten bellen. De rijkswacht vindt in de kelder van de woning van Mireille het levenloze lichaam van Paul Latinus. Mireille heeft de telefoonsnoer waaraan hij was opgehangen met een schaar doorgeknipt. Zeer snel komt de geruchtenstroom op gang. Latinus heeft geen zelfmoord gepleegd, maar werd gezelfmoord.
Het onderzoek naar de dood van Latinus sleept drie jaar aan maar levert voor geen van beide versies een bewijs op. Alleen dit, het telefoonsnoer waaraan het lichaam van de WNP-leider bengelde, wordt getest in een labo van de Luikse universiteit. De draad kan slecht veertig kilo dragen, Latinus woog 55 kilo. Wetsdokter Paul Chailly die zich met de zaak bezighoudt, krijgt vanwege advocaat-generaal Jaspar de dwingende suggestie na te gaan of Latinus niet om het leven kwam ingevolge een 'erotische zelfmoord'. De wetsdokter wijst dit ten stelligste van de hand. Niets maar dan ook niets in het hele dossier wijst op een erotische ophanging. Nogmaals onder druk van de advocaat-generaal wordt het dossier eind 1986 afgesloten en ter informatie toegevoegd aan de zaak van de dubbele moord in Anderlecht.
Intussen gelooft niemand nog in de zelfmoord-thesis. De Nijvelse onderzoeksrechter Schlicker vertelt tijdens het assisenproces tegen Lammers en Barbier dat de verhanging zoals ze zich zou hebben voorgedaan niet mogelijk was. Latinus was 1m69 groot, de kelderruimte was 2m10 hoog en de knoop in het telefoonsnoer bevond zich op 80 centimeter van het plafond. Bij een schoksgewijze belasting brak het snoer zelfs al bij een belasting van 35 kilo. Desgevraagd antwoord onderzoeksrechter Schlicker voor de parlementaire onderzoekscommissie dat hij het onderzoek naar de eventuele moord op Latinus niet durft verder zetten. "Ik heb een familie te voeden en ik ben geen miljonair", aldus Schlicker.
25 April 1984
Aan verschillende vrienden laat Latinus verstaan dat sommige leden van zijn nazi-organisatie wel eens zouden kunnen betrokken zijn bij de raids van de Bende van Nijvel. Op 25 april 1984 heeft Latinus een onderhoud met George Marnette van de Brusselse gerechtelijke politie om over 'belangrijke zaken' te praten. Zover komt het niet.
| Zie ook » Onderzoek Nijvel | Bendecommissie I |
De moordreeks van Eric Lammers
13 April 1988
In de vroege namiddag van 13 april 1988 worden in een appartement aan de Antwerpse Rijfstraat twee diamantairs beroofd en om het leven gebracht. Ludo en Patrick Moons worden met een 7.65 mm pistool door het hoofd geschoten. Lammers en twee medeplichtigen gaan aan de haal met een partij gezaagde diamanten en baar geld met een gezamenlijke waarde van ongeveer 3 miljoen frank. Vier dagen later, wordt in een villa in Zoersel, een bloedige moord gepleegd door dezelfde bende.
17 April 1988
4 dagen na de bloedige overval in Antwerpen wordt de 81-jarige Louis Jambé dood aangetroffen in zijn villa in Zoersel. De villa ligt vlakbij de afrit Zoersel van de snelweg Antwerpen-Eindhoven. De 81-jarige man is afgemaakt met een schot in het hoofd. Voor de onderzoekers staat het vast dat de moorden in Antwerpen en Zoersel door dezelfde bende zijn gepleegd. Die bende bestaat uit Eric Lammers, Jean-Claude Vits en Alain Peeters. Eric 'het beest' Lammers zit vast voor diefstal in de gevangenis van Verviers. Tijdens het laatste weekend van februari keert hij niet terug uit penitentiair verlof. Hij is vanaf dat moment voortvluchtig. Enkele dagen later ontsnappen uit dezelfde gevangenis de beruchte gangsters Jean-Claude Vits en Alain Peeters.
Vits zit vast omdat hij in de zomer van '86 twee agenten heeft neergeschoten in Francochamp en de tweede, Alain Peeters, zat een gevangenisstraf van van zeventien jaar uit wegens moord op de echtgenoot van zijn vriendin. De 23ste nationale brigade van de gerechtelijke politie die het onderzoek leidt, ontdekt dat de vriendin van Eric Lammers, Sabine Caudal, geregeld met de auto van haar ouders van Brussel naar Eindhoven rijdt. De jonge vrouw wordt geschaduwd en zo vernemen de speurders dat Lammers, Vits en Peeters samen met de vijftienjarige broer van Lammers in een appartement aan de Montgommerylaan in Eindhoven verblijven.
Een speciaal politieteam bestormt het appartement en kan de bende zonder bloedvergieten inrekenen. Lammers roept onmiddellijk de hulp in van de Brusselse advocaat Jean-Paul Dumont die zich tevergeefs tegen een snelle uitlevering aan België probeert te verzetten. Enkele weken na hun arrestatie worden de vijf aan de Belgische autoriteiten overgedragen.
| Zie ook » Jean-Paul Dumont |