1

Alexander Galopin (Gent, 26 september 1879 - Ukkel, 28 februari 1944) was voor de Tweede Wereldoorlog een vooraanstaand persoon in de industriële en financiële wereld in België. Zijn belangrijkste functie was die van gouverneur van de Generale Maatschappij van België, de grootste holding op dat moment in België. Galopin was ook de bedenker van de Galopin doctrine, een tactiek die industriële ontwikkeling toeliet in het door de nazi's bezette België tijdens de Tweede Wereldoorlog, onder auspiciën van de Belgische regering die op dat moment in Engeland in ballingschap verbleef.

Het "Galopin Comité" bestond uit een groep bedrijfsleiders, bankiers en industriëlen die als schaduwkabinet economische en sociale maatregelen namen in België. Eén van hun doelen was de Belgische industrie gezond houden zolang de oorlog duurde, opdat het land niet zou vervallen in economische malaise. Het comité stuitte echter ook op controverse omdat de leden ook producten aan de nazi's leverden. Alhoewel de comitéleden officieel weigerden materiaal te leveren voor militaire doeleinden was het verschil tussen de directe levering van wapens en andere producten die een bijdrage leverden tot de Duitse oorlogsdoeleinden niet altijd even duidelijk. Door zijn vroege dood heeft Galopin nooit zijn versie van de feiten kunnen vertellen.

Hij was de zoon van Gérard Galopin, professor en rector van de Universiteit van Luik, en gehuwd met Elisabeth Verriest, dochter van Gustaaf Verriest en nicht van priester en schrijver Hugo Verriest. In 1944 werd Galopin in zijn woning vermoord door leden van DeVlag, in opdracht van Robert Verbelen. In Etterbeek is de Alexandre Galopinlaan naar hem vernoemd.

Bron: Wikipedia

Wat in het artikel van Wikipedia niet vermeld wordt, is het feit dat Galopin de grootvader was van Benoît de Bonvoisin.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

2

Uit een interview met Benoît de Bonvoisin:

Volgens u bent u ook een stoorzender omdat u in het bezit bent van een rapport over de economische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

"Mijn grootvader, Alexandre Galopin, was gouverneur van de Generale Maatschappij van België. Hij was door koning Leopold belast met de organisatie van de economische weerstand. Het opzet was om zo veel mogelijk mensen hier aan de slag te houden, te vermijden dat ze als dwangarbeiders zouden worden afgevoerd. Mijn grootvader is hier, in de hal van dit huis, in 1944 doodgeschoten. Dat gebeurde niet toevallig enkele weken nadat hem een lijst was overgemaakt met de namen van de Belgische nijveraars die op twee paarden hadden gewed. Dat heeft de secretaris van het comité-Galopin mij kort voor zijn dood verteld. Ik heb daar later mijn persoonlijk onderzoek naar gevoerd."

En u hebt die lijst.

"Toch niet, maar ik weet waar hij moet te vinden zijn. Tijdens de oorlog heeft mijn grootvader een memorie opgesteld die vijftig jaar na de oorlog publiek zou moeten gemaakt worden. De dag na zijn moord is in zijn huis in Maizeret ingebroken. Men zocht die memorie. In mei 1990, wanneer de memorie publiek zou worden gemaakt, ben ik aangehouden. Meteen daarna zijn medewerkers van de omstreden rijkswachter Patrick De Baets en van Godbille naar Maizeret gegaan, op zoek naar de memorie. (*) Het huispersoneel is toen zwaar onder druk gezet om te onthullen waar de documenten zich bevonden. Ze hadden overigens geen toelating van de onderzoeksrechter om die huiszoeking te verrichten. Ook deze zaak is bij het parket zonder gevolg gebleven."

U hebt die memorie nog ergens, maar waar is de lijst?

"Wat ik over de lijst weet, is dat de Duitse generaal Von Falkenhausen een kopie had. Jaren later, bij het opruimen van zijn woning in Brussel, is de lijst opgedoken en overgemaakt aan de stafhouder van de Brusselse balie die de lijst op zijn beurt heeft overgemaakt aan het gerecht. Daar is uiteraard niets mee gebeurd. Maar laten we over iets anders praten. Ik wil mijn persoonlijke problemen niet verweven met het probleem van de archieven en de moord van mijn grootvader."

Bron: P-magazine | René De Witte

(*) Dit verhaal komt ook aan bod in het boek 'De X-dossiers, wat België niet mocht weten over de zaak-Dutroux'. Ik neem het hieronder over:

Bijna gelijktijdig met Johan Demol meldt zich eind januari 1998 ook de gewezen Brusselse BOB'er Alain Pirard bij Pignolet. Hij is een gewezen ondergeschikte van De Baets bij de 3KOS en wil een verhaal kwijt over een andere huiszoeking: in mei 1990, in het kasteel Maizeret van baron Benoît de Bonvoisin te Andenne. Het was de bedoeling dat daar zou worden gezocht naar administratieve documenten met betrekking tot de fraudezaak Cidep, maar volgens Pirard - die er zelf bij was - ging De Baets daar zijn boekje héél ver te buiten. Tijdens de briefing vroeg hij zijn manschappen om 'alles op alles te zetten' om te zoeken naar het dossier-Galopin.

Even wat vaderlandse geschiedenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vlucht de Belgische regering naar Londen. Om het economische leven in België te (her)organiseren heeft koning Leopold III een beroep gedaan op Alexandre Galopin, de gouverneur van de Generale Maatschappij van België. Enkele maanden voor de geallieerden landen in Normandië, zo wil de overlevering, komt Galopin in het bezit van een lijst van Belgische industriëlen die actief hebben gecollaboreerd. Op 28 februari 1944 wordt Alexandre Galopin vermoord. De daders zijn nooit gevonden, maar een mythe is geboren.

Benoît de Bonvoisin is de kleinzoon van Alexandre Galopin en wanneer hij in de jaren tachtig moeilijkheden krijgt met het gerecht, geeft dat vrij snel - en vooral in het Franstalige landsdeel - aanleiding tot verhitte debatten. Volgens de een is Galopin vermoord door het verzet, volgens de ander door Duitsgezinden. Volgens de een bestaat 'de lijst' van Galopin vandaag nog steeds en maakt de Bonvoisin er al jaren misbruik van om er het Belgische establishment mee te chanteren. Volgens de ander is de 'campagne' tegen de Bonvoisin een gevolg van mislukte pogingen om mensen te chanteren. De Baets, zegt ex-BOB'er Alain Pirard nu, wou dat zijn mannen tijdens de huiszoeking zouden gaan zoeken naar de lijst.

"Wat zegt u daar nu allemaal?" reageert De Baets wanneer onderzoeksrechter Pignolet hem begin 1998 confronteert met de aantijgingen van Pirard. Voor zover De Baets zich kan herinneren, was hij niet aanwezig tijdens de huiszoeking bij de Bonvoisin. Het was zijn collega Michel De Visscher die de huiszoeking leidde en de briefing gaf. Klopt, zegt De Visscher, wanneer hij aan de beurt is voor een verhoor door Pignolet. De lijst van Galopin? Wel al van gehoord, maar nooit naar gezocht. Exit Alain Pirard. Of toch niet helemaal. Pirard kent nog een ander leuk verhaal. De vader van De Baets was fout tijdens de oorlog en zijn zoon heeft belangen in bars in de Aarschotstraat. Later blijkt dat Pirard een gewezen schoolkameraad is van... Johan Demol.

Ook Benoît de Bonvoisin zelf mengt zich in het dossier-Pignolet. De baron mengt zich trouwens al sinds jaar en dag in élk gerechtelijk onderzoek waarvan hij denkt dat het hem kennis en/of invloed kan opleveren. Dat was in de zaak Dutroux niet anders. Het land was nog maar net bekomen van de ontdekking van de lichamen van Julie en Melissa, of procureur Bourlet kreeg al een telefoontje van hem. Hij zat net in vergadering met een aantal onderzoeksleiders. "Maar zeker meneer de baron", hoorden ze hem beleefd antwoorden. Verbaasd keken ze toe hoe Bourlet een gaatje vrijmaakte in zijn agenda en de conversatie afsloot met: "Tot morgen." Bourlet haakte in met een brede grijns. "Dat was baron de Bonvoisin." Zijn griffier herinnerde hem eraan dat hij daags nadien naar Luik moest voor een onderhoud met procureur-generaal Anne Thilly. "Dat weet ik ook wel", lachte Bourlet.

Op 6 december 1997 gaat de Bonvoisin dan bij Pignolet zijn verhaal doen over De Baets, de huiszoeking en 'de lijst'. Krantenberichten suggereren later dat de magistraat 'via de zaak X1' de moord op Alexandre Galopin wil oplossen - ook al is die minstens sinds het jaar 1964 verjaard. Zoveel getuigenissen, onafhankelijk van elkaar, denkt Pignolet: waar rook is, is vuur. Ook de Bonvoisin meent met zekerheid te kunnen stellen dat de vader van De Baets fout was tijdens WOII en daarvoor zelfs veroordeeld is. Misschien was hij wel de moordenaar van Galopin. Dat zou dan meteen àlles verklaren. Pignolet laat navraag doen over De Baets senior. Het resultaat valt tegen. Wijlen Jozef De Baets is na de oorlog veelvuldig gedecoreerd als verzetsstrijder. Even is er hoop wanneer blijkt dat, zoals de Bonvoisin beweert, er ooit tegen Jozef De Baets een onderzoek heeft gelopen bij het militair auditoraat. De hoop is van korte duur. Jozef De Baets is in het jaar 1949 als soldaat met een vrachtwagen per ongeluk een winkeletalage binnen gereden. Hij is toen veroordeeld tot een boete van 100 frank. Exit de Bonvoisin.

(...) In juli 1998 geeft Pignolet zich gewonnen. Zijn dossier 231/97 heeft de vorm aangenomen van een foliant met niets dan onzin. Raadgevingen over hoe je je aquarium moet reinigen met slakken, gewichtige theorieën over de moord op Alexandre Galopin, decoraties van Jozef De Baets, een kilo papier met verklaringen op van mensen die het bestaan van een bestaande fax ontkennen, een pv dat aangehecht zit aan een ander pv waarin staat dat het niet bestaat... Bille en De Baets krijgen van Pignolet inzage in hun dossier en mogen het op eigen kosten, 30.000 frank, gaan kopiëren. Hoewel de pers al veelvuldig het tegendeel heeft beweerd, zijn ze nog steeds van niets beschuldigd. Van de talloze verdenkingen over manipulaties in het X1-onderzoek is niet eens een schijn van bewijs geleverd. Alles berust, vandaag nog steeds, op vier valse rapporten van herlezing.

Bron: De X-dossiers, wat België niet mocht weten over de zaak Dutroux | Douglas De Coninck, Annemie Bulté, Marie-Jeanne Van Heeswyck

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

3

De dubbelzinnige Galopin-doctrine

Alexandre Galopin loodste zijn Société Générale vrijwel ongehavend door de Tweede Wereldoorlog. Hij betaalde er de hoogste prijs voor: op 28 februari 1944 kogelden SS-moordcommandos hem neer. De gouverneur stierf als een politieke paria. Zijn dubbelzinnige doctrine oogstte zowel bij de bezetter als bij het verzet en de regering wantrouwen.

De Belgische politici die in 1940 naar het veilige Londen verhuisden, vertrouwden België toe aan de achterblijvende industriële zwaargewichten onder leiding van Galopin, met een haast onmogelijke opdracht: voer een beleid dat de Duitsers niet al te zeer voor het hoofd stoot zodat de Belgische industrie kan overleven en de Belgische burgers geen armoede leiden, maar dat niet als (economische) collaboratie kan worden geïnterpreteerd.

Galopin faalde. Zijn doctrine ging ervan uit dat elke politieke en economische weerstand aan de bezetter het land enkel naar het verval zou leiden. Het Galopin-comité - met Léon Bekaert, Albert-Edouard Janssen, Baron Vaxelaire, Max-Léo Gérard en Fernand Collin - verbood daarom enkel wapenproductie en de directe levering van oorlogsmateriaal aan Duitsland.

De op hoge toeren draaiende Belgische productie ging weliswaar naar Duitsland en zijn oorlogsmachine, maar de beloofde compensaties bleven uit. De Belgische armoede en onvrede namen toe. Tegelijk kon Galopin evenmin bij de bezetter op sympathie rekenen, omdat zijn Generale weigerde rechtstreeks samen te werken met Duitse bedrijven.

Die omschrijving noch de SS-moord konden verhinderen dat de oorlog voor een breuk zorgde tussen de Generale enerzijds en de links geïnspireerde naoorlogse regeringen en de nieuwe generatie patroons anderzijds. De intieme relatie tussen de Generale en de in opspraak gebrachte koning Leopold III maakte de situatie nog moeilijker.

De Grote Dame stelde vast dat ze niet langer het middelpunt was van de Belgische macht. Ze zou het nooit meer worden.

Bron: De Tijd | 27 april 2000

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

4

Alexandre Galopin: Generale-goeverneur tijdens de Duitse bezetting

De kollaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog is een tema dat sinds de TV-reeksen van Maurice De Wilde een nieuwe dimensie kreeg. Historici werken met meer aandacht aan het tema dat lang taboe bleef. Onlangs publiceerde Mark Van den Wijngaert een studie over het beleid van Alexandre Galopin, goeverneur van de Generale Maatschappij tijdens de Duitse bezetting. Galopin ontwierp een eigen doktrine, waarbij hij poogde de Belgische industrie te laten overleven, zonder aan uitgesproken ekonomische kollaboratie te doen. Een haast onmogelijke opdracht.

De Generale Maatschappij had al sinds 1938 een volledig evacuatieplan klaar als het werkelijk tot een Duitse inval zou komen. De industriële aktiviteiten van de groep die de oorlogsinspanning zouden kunnen ondersteunen zouden teruggeplooid worden in Frankrijk, anderzijds zouden er bedrijven blijven die zouden instaan voor de vitale behoeften van de bevolking. In tegenstelling tot de politieke wereld die verward reageerde op de Duitse inval van 1940, stond de industrie klaar bij de Duitse inval.

De ontreddering bij de politici was zo groot dat ze op 15 mei 1940, vijf dagen na de inval, inderhaast een vergadering samenriepen met de ekonomische top van België. Naast goeverneur Galoping waren ook M.L. Gérard, voorzitter van de Bank van Brussel en Fernand Collin van de Kredietbank aanwezig. De ministers Spaak en Gutt droegen in feite daar de macht over en Spaak zei patetisch: "Messieurs, nous vous confions la Belgique!'

Goeverneur Galopin voorzag echter belangrijke moeilijkheden. Hij vroeg de politici dan ook of de industrie door een strikte onthoudingspolitiek de bevolking de hongersnood mocht injagen. Daarop zeiden de ministers dat aan de bezetters bepaalde toegevingen konden gedaan worden om het land te laten overleven. Daarmee kon goeverneur Galopin aan zijn eigen doktrine gaan werken. Onder het motto "nood breekt wet' stippelde de goeverneur een "politiek van het minste kwaad' uit.

De industriëlen waren gekonfronteerd met het artikel 115 uit het Strafwetboek dat stelde dat iedere vorm van samenwerking met de vijand neerkomt op kollaboratie en daarop stond de doodstraf. De enige zekere weg om na de oorlog niet aan dit artikel schuldig bevonden te worden, was helemaal niets vrijwillig aan de vijand leveren. Dat was onmogelijk tenzij men België industrieel dood wilde maken, met als gevolg dat de bevolking regelrecht zou honger lijden.
Galopin schetste daarom in "Devons nous reprendre la production industrielle en Belgique? Dans quelle mesure?' zijn doktrine.

Volgens Galopin was een zekere hervatting van de industriële produktie onvermijdelijk. Vermits de Duitse instanties zeker geen werkloosheid zouden dulden, zouden zij waarschijnlijk overgaan tot deportatie van Belgische arbeidskrachten. Ook dat wilde de goeverneur vermijden. Galopin berekende dat om de voedselbehoeften te dekken er een industriële produktie ter waarde van 6 miljard frank nodig was, en die zou vrijwel integraal naar Duitsland worden gevoerd. In teorie ontwierp Galopin dan ook een plan om via de "weg van het minste kwaad' de bevolking in België te houden en genoeg voedsel voor hen te voorzien. In praktijk bleek al snel dat dit niet helemaal haalbaar was en dat ook het onbegrip van de regering in Londen steeds groter werd. De goeverneur raakte gekneld tussen de Duitse bezetter en de Belgische overheid in ballingschap.

Ontreddering

Galopin zette ook een systeem van clearing op, waarbij hij hoopte op Duitse terugbetalingen van geleverde goederen. Helaas bleek deze clearing vooral tot gevolg te hebben dat Duitsland België ekonomisch leegzoog en dat van terugbetalen niet veel in huis kwam.

De goeverneur was ook niet geliefd bij de bezetter. In interne dokumenten wordt hij omschreven als een Duitsvijandige en de Engelse zaak toegewijd. Dat komt ook omdat de Generale Maatschappij niet wilde samenwerken met Duitse bedrijven. Een samenwerking met Dresdner Bank mislukte. Enkel voor CMB leek een Duitse samenwerking mogelijk.

De oorlogstoestand bracht de Galopin-doktrine in moeilijkheden. In 1941 riep Galopin tot tweemaal toe op om de produktie te verhogen, om de noodzakelijke voedseltoevoer alsnog op peil te houden. Galopin gaf in een nota van 17 februari aan de industriëlen richtlijnen mee. Ze mochten geen produkten verkopen die rechtstreeks bruikbaar waren in een oorlog en verder mochten ze geen partikulier winstbejag nastreven. Galopin poogde tegelijkertijd om de Duitse bezetter ertoe te bewegen om toch voedsel te leveren en kon zelfs enkele Duitsers van deze visie overtuigen.

In Duitse kringen gold Galopin als "de ongekroonde koning van België'. Dat kwam omdat de Generale met 800 bedrijven ruim 30 procent van de Belgische industrie kontroleerde en dat de goeverneur van zulke holding ook een verstrekkend moreel gezag had in industriële kringen.

Het probleem bleef echter dat wel de produktie naar de Duitse bezetter ging, maar dat de beloofde kompensaties uitbleven en dat er dus steeds een voedseltekort bleef. Overigens hielden de industriëlen zich niet altijd aan de opgelegde morele normen van Galopin. Sommigen voerden sluiks hun produktiekapaciteit op en maakten spectaculaire winsten.

Waarschuwingen

Een bijkomend probleem was bovendien het toenemend aantal deportaties van Belgische arbeidskrachten naar Duitsland. De Belgische industrie poogde zoveel mogelijk arbeiders tewerk te stellen om hun deportatie te vermijden, maar de Duitse bezetter werd steeds driester in zijn eisen om werkvolk. De vertragingsmaneuvers hielpen dan ook niet altijd. Toch zijn er spectaculaire cijfers over bekend. In 1939 waren er 14 arbeiders nodig om 100 ton ijzer te produceren, in 1942 zette men daarvoor 22 arbeiders in. In oktober 1942 werd de verplichte tewerkstelling in Duitsland ingevoerd en dat leverde nog meer problemen op.

De oplopende produktie betekende ook een oplopende uitvoer naar Duitsland. In een balans opgemaakt na twee jaar bezetting blijkt dat 20 procent van de steenkoolproduktie, 56 procent van de ijzerproduktie, 42 procent van de staalsektor en 49 procent van de cementrproduktie uitgevoerd werd naar Duitsland. Wellicht zijn deze cijfers nog onderschat, zo meent Van den Wijngaert.

In Londen wees de regering-Pierlot de politiek van het minste kwaad steeds meer en meer af. Vanaf de zomer van 1942 zaten Galopin en de Londense regering niet meer op dezelfde golflengte. "In tegenstelling tot Galopin bekommerden Pierlot en zijn ministers zich niet over wat er met de Belgische bevolking en het ekonomisch potentieel zou gebeurd zijn, als de industriëlen en financiers tegen de uitdrukkelijke wil van de bezetter het bedrijfsleven zouden hebben stilgelegd', schrijft de auteur.

Vanaf het einde van 1942 draaiden de oorlogskansen en zullen de industriëlen zich meer en meer gaan richten op de ekonomische wederopbouw. De herstrukturering van de produktie stootte op steeds meer onbegrip uit Londen. Toch kan er moeilijk getwijfeld worden aan de Belgische opvatting van de meeste industriëlen. Heel wat onder hen steunden (voornamelijk rechtse) verzetsgroepen.

Vermoord

Galopin had niet alleen af te rekenen met een toenemende afstandelijkheid vanuit het verre Londen. Ook in België werden de laatste jaren van de bezetting getekend door toenemende represailles van kollaborateurs. Vooral de SS en De Vlag wilden notabelen treffen die ondanks alles België in stand wilden houden.

In februari 1944 bereidde Robert Verbelen, stormbandleider van Algemene SS-Vlaanderen, een grootscheepse aktie voor tegen een aantal vooraanstaanden. Op 28 februari 1944 vielen er zes slachtoffers onder de kogels van de SS-moordkommando's, onder hen Alexandre Galopin.

Nadien gebeurde er iets merkwaardigs. De kollaboratiepers schoof de moord in de schoenen van het verzet, terwijl de ondergrondse pers stelde dat het wel degelijk om een Duitse aanslag ging. Maar het meest merkwaardige was wel dat er geen reaktie kwam uit Londen. De regering in ballingschap verkoos te zwijgen. Later heette het officieel dat ze onvoldoende was ingelicht over het uitgesproken Belgisch karakter van Galopin. Van de moordernaars van Galopin is uiteindelijk alleen een zekere Donvil opgepakt en veroordeeld.

Na de oorlog is er nog een stevig stuk gebakkeleid over de gevolgde politiek van Galopin. Weliswaar is artikel 115 uit het Strafwetboek gehaald en vervangen door een besluit-wet. Omdat de regering de twijfel liet hangen over het gevolgde beleid, hebben dan een aantal notabelen het zogenaamde "Blauwboek' gepubliceerd waaruit moest blijken dat ze wel degelijk de regering op de hoogte hebben gehouden, meer nog, dat diezelfde regering tijdens de eerste twee jaar van de oorlog de Galopin-doktrine steunde. Spaak leed bovendien aan acuut geheugenverlies en ontkende dat hij samen met Gutt de macht in 1940 had overgedragen. Toen bleek dat Spaak wel degelijk op de hoogte was van de gehele Galopin-doktrine en dat hij daarmee had ingestemd, kon deze politicus toch overleven. "De tolerantie in de Belgische politiek was toen biezonder groot', stelt Van den Wijngaert vast.

Het boek van Mark Van den Wijngaert schetst de moeilijke tijden waarin goeverneur Galopin zijn doktrine diende uit te werken. In tegenstelling tot de politici die ongrijpbaar ver in Londen zaten, diende de goeverneur van de Generale Maatschappij een beleid uit te stippelen dat de Duitse bezetter niet te zeer voor het hoofd stootte, maar anderzijds de Belgische bevolking voldoende voedsel zou opleveren. Daarin is hij slechts gedeeltelijk geslaagd en is de samenwerking uiteindelijk verder gegaan dan Galopin oorspronkelijk bedoeld had. Het opportunisme van de regering, die Van den Wijngaert hier nadrukkelijk blootlegt, bewijst hier zeer nadrukkelijk dat de beste stuurlui aan (de andere) wal staan.

Bron: De Tijd | 7 november 1990

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube