Hier een interessant interview met "Topas" - de voormalige Stasi-spion bij de NAVO, Rainer Rupp » YouTube

Kort samengevat: 

  • Gladio maakte geen onderdeel uit van het NAVO-hoofdkwartier in Brussel, maar werd vanuit SHAPE/SACEUR in Bergen gerund.

  • Met het verloop der tijden zijn bepaalde Gladio-groepen "ingeslapen" nu een Sowjetische invasie uitbleef en begonnen bepaalde groepen de door hun genoten opleiding te misbruiken door overvallen te plegen.

  • De overvallen in België hadden een criminele dimensie en werden in samenwerking met criminele en extremistische elementen, mede inbegrepen huurlingen uit de Congo, gepleegd.

  • In Italië had Gladio geen criminele, maar een politieke dimensie.

  • Rupp heeft het over de plaatsvervangende baas van de Sûreté (hij zou toen niet over Gladio op de hoogte zijn geweest). Bedoelt Rupp Albert Raes?

Het gedeelte over Gladio begint bij 28:08.

Ergens ooit gevonden, een verslag van het een Gentse studentenclub van een debatavond in 1991 over Gladio.

Gladio, of zo

Donderdag 24 januari 1991 ging het ‘Gladio, of zo’-debat door in het auditorium I, Universiteitsstraat. Normaal zou het panel bestaan hebben uit Hugo Coveliers (mediageile volksvertegenwoordiger en lid van de bendecommissie), professor Johan Vandelanotte (doceert Algemene inleiding tot het Belgische Publiekrecht en Gerechtelijk Recht te Gent en is kabinetschef van Louis Tobback, minister van Binnenlandse Zaken), Jef Geeraerts (woordkunstenaar volgens sommigen, boekenbeursmanipulator volgens anderen, laatste publicatie is Double face), een woordvoerder van het parket-generaal en Walter de Bock (bekwaam journalist voor De Morgen).

Van deze vijf personen waren er rond acht uur nog slechts twee aanwezig. Herinneringen aan een ver verleden en een eerder nummer van dit tijdschrift kwamen stilaan op. Marc wist te vertellen dat hij zopas een telefoontje had ontvangen dat helaas Walter De Bock, die zowat de enige journalist in Vlaanderen is die de materie kent en niet schuwt zijn mening erover te kennen geven, niet aanwezig zou kunnen zijn. (…) Gezien prof. Vandelanotte nog in Brussel was voor de bespreking van de begrotingssituatie met Volksunieminister Schiltz, werd rond kwart na acht van start gegaan. Het publiek bestond vlak voor het debat nog voornamelijk uit mannen met kortgeknipt haar. Later liep het aantal op tot ongeveer 65 personen. (…) De leden van de Militaire School hadden rond half negen de zaal reeds verlaten. Veel mensen werden traditioneel genoteerd uit de Rechten. Ook was er een Spanjaard die het Erasmusproject volgde.

Hugo Coveliers mocht, zoals elementaire beleefdheidsregels dat vereisen, het debat openen met een korte situatieschets. Hij stelde dat de obstructie tegen het onderzoek nog steeds verder gaat. Hij stelde dat de Bende van Nijvel enorm goed op de hoogte was. Waar later op werd teruggekomen was de communautaire compensatie die een maand voor de verkiezingen van 1985 werd doorgevoerd door een aanslag te Aalst (*). Voor Coveliers was het verwonderlijk dat juist die ene aanslag geen welbewust gedode personen bevatte terwijl dat voor al de andere aanslagen in Wallonië wel het geval was.

Ondertussen kwam P.P. met twee linkse vrienden binnen alsook de assistenten van prof. Vandelanotte.

Hugo Coveliers kwam dan op zijn visie op de corruptie. Hij maakte een driedubbel onderscheid tussen de magistraten, de politici en de politie. De politie was vrij eenvoudig om te kopen door hun relatief lage weddes. De magistraten vergden meer geld, maar zij zijn praktisch onschendbaar voor grote of kleine corruptie. De politici, althans zij die voor de mensen die de steekpenningen geven belangrijk zijn, hebben al dusdanig veel financiële onafhankelijkheid om enkel door veel geld en andere informatie, zoals over de Roze Balletten te kunnen worden omgekocht. Voor die informatie volstaat het niet om liefdesrelaties aan te tonen, gezien deze al algemeen aanvaard zijn,. Men heeft homofiele, masochistische of andere door de algemene moraal verworpen zaken nodige om effect te ressorteren.

Coveliers beschuldigde ex-ministers van Justitie en Defensie ervan op het onderzoek door de Bendecommissie meineed te hebben gepleegd. Wie die ministers zijn werd niet vermeld maar men moet geen kenner zijn om in de richting te denken van VDB. Coveliers verwees naar Walter De Bock die het vond opvallen dat telkens een belangrijke politicus ter sprake kwam bij de Bendecommissie, de vergadering onmiddellijk achter gesloten deuren werd verdergezet.

Jef Geeraerts kreeg de ‘wie’-vraag voorgeschoteld. Hij kreeg enkele mogelijkheden: de machtsgroepen, de partijen, de rijkswacht, de staatsveiligheid, VDB, … Voor Geeraerts was het antwoord: allemaal een beetje, maar hij voegde er onmiddellijk aan toe dat alles wel bij de rijkswacht is begonnen. Ondertussen stak Hugo Coveliers zijn pijp op.

Op de vraag ‘waarom’ ging Geeraerts eerst even terug op zijn opvoeding bij de Jezuïeten van wie hij maar twee zaken had geleerd: nadenken en respect voor de taal. Vervolgens stelde hij dat voor een vriend van hem bij de politie één vermoeden leidt naar een toevallige situatie, twee vermoedens wijzen op een verdachte samenloop van omstandigheden, vijftien vermoedens betekenen een spoor naar een belangrijke zaak, naar de rotte plek in de appel België. Zijn veronderstellingen leidden hem naar de Bende van Brussel, een groepje Franssprekenen uit de politiek-militaire sector, waaronder VDB, de Bonvoisin, Bouhouche, Beijer, de groep Dyane en de BOB.

Hij sloot echter Westland New Post uit. Geeraerts verwees naar zijn theorie dat die mensen ageerden vanuit een ideologie van restauratie en de coup zonder bloed in België zagen als het enige middel (**). Volgens Geeraerts vonden zij een korte uitschakeling van de democratie vereist tegen de CCC en andere linkse radicalen. Sommige mensen in het publiek keken even raar op.

Volgens Geeraerts zou Gladio banden hebben met de Amerikaanse FBI en de CIA. De Amerikanen waren van plan om van het nieuwe, ene Europa, een schijnbare Amerikaanse samenleving te maken. Deze stelling lokte een reactie uit bij Coveliers die het gevaarlijk vond de Amerikaanse politiediensten te bezoeken. De bezoeken werden geleid door de DIA, een afdeling van de CIA, en men krijgt er enkel te zien wat niet interessant is. Geeraerts vervolgde dan dat de start van de Gladio-affaire te zoeken is in 1950, met de moord op de communistische senator die zo progressief was ‘Vive la république’ uit te roepen bij de eedaflegging van koning Boudewijn en met de dynamitering van de IJzertoren. Een parallelle situatie werd door de organisatoren van Gladio ontwaard bij de anti-rakettenbetogingen en bij het drugsprobleem dat door Coveliers sterk wordt gerelativeerd.

De moderator vroeg aan Geeraerts wie het brein was van Gladio. Of VDB daar de belangrijkste figuur was. Hij antwoordde dat VDB alleszins over een parallelle intelligentiedienst kon beschikken en dat hij volledige informatie had. Vast staat dat hij coördinator was van vervoer van drugs in diepgevroren vlees en dat een proces-verbaal van goudsmokkel tegen VDB nog door Coveliers gezien was vooraleer dit verdween.

Waarom werd hij ontvoerd door Haemers? Haemers vader was nog een op dienstbetoon geweest bij VDB om zijn zoon vrij te krijgen die beticht werd van de verkrachting van een minderjarig meisje. Negen maanden later was Haemers vrij. Later bleek dat dat Patrick Haemers de installatie deed van verschillende bars in de Porte de Namur, waar ook de Roze Balletten doorgingen.

Omstreeks 21u06 kwam prof. Vandelanotte aan. Coveliers ging nog even verder over de corruptie in dit apenlandje. Alleen in Zwitserland is de situatie nog vergelijkbaar. Wel was het duidelijk dat de wil bij alle politieke partijen is om er iets aan te doen. Hij haalde nog het geval aan van een benoeming van een wapenleverancier door Tindemans te Bangkok en later te Libanon.

De discussie ging dan even op de juridische toer met prof. Vandelanotte. Het ging over het injunctierecht, het seponeringsbeleid, het geringe belang van de correctionele rechter. Coveliers hechtte ook meer belang aan fraude- en milieudelicten die nu, al dan niet bewust, niet veel worden vervolgd.

De moderator bracht het gesprek terug in volkse banen door aan Geeraerts te vragen of de Belgen dan achterlijk zijn, om niets concreet te doen tegen een dergelijke corruptie van top tot teen. Geeraerts noemde de Belgen een ‘vreemd volk’. De Nederlanders hebben meer koppigheid en zijn meer geïnformeerd. Wij zijn wat passiever. En dat blijkt ook uit de hoofdredacteurs van belangrijke Vlaamse kranten die een pers maken die gekweekt is om het regeringsstandpunt te vertolken. Dit in tegenstelling met kranten als het NRC Handelsblad, het Parool, de Volkskrant en zelfs de Telegraaf. Walter De Bock van De Morgen is in deze problematiek een van de weinige uitzonderingen. Maar het werkt frustrerend voor zo iemand om weken, maanden bezig te zijn met een materie, met verschillende journalistieke hoogtepunten, terwijl er geen of weinig reactie is. In Nederland vindt men meer Calvinistische koppigheid. Zo zullen de Nederlanders Eyskens aanpakken over zijn ongehoorde uitspraken over Khaled, de Golf, de Silco-gijzelaars, … Geeraerts vergeleek de Belgen met een ‘ingezakte taart, met lauwe karamelsaus’.

Wie zijn de machthebbers in België? Geeraerts noemde de banken, de industrie, de Boerenbond, Caritas Catholica, de syndicaten (hoewel dit door Coveliers werd gerelativeerd), en door Coveliers aangevuld en door Geeraerts goedgekeurd: het Hof.

Vandelanotte wou ook het belang van verkiezingen in het lichtpunt stellen, hoe marginaal die invloed ook is: de Volksunie heeft de staatshervorming gerealiseerd, Agalev heeft de partijprogramma’s al doen aanpassen. Dit hoofdstukje werd afgesloten met de vermelding dat ondanks het feit dat de Belgen passiever zijn dan Nederlanders, het bij ons niet blijft bij grootsprakerigheid, maar dat onmogelijk geachte hervormingen desondanks erdoor kunnen komen. Coveliers voegde nog even toe dat VDB de voorloper van het Pallieterke heeft gefinancierd. Vandelanotte verwees naar een extreem-rechtse tendens, zoals bij het Front de la Jeunesse. De geboeide lezer zal zonder twijfel het contrast merken met hetgeen hoger werd gezegd door Geeraerts over de CCC en andere linkse radicalen.

Er werd afgesloten met enkele vragen vanwege het publiek. Johan V.R. vroeg of er in België parallelle organisaties zijn zoals de P2 in Italië. P.P. vroeg of de arrestatie van Haemers opgezet spel was. Coveliers zei dat hier een flinke portie geluk bij was gemoeid. Een laatste vraag was die naar nieuwe feiten, de vraag werd nogal verwijtend gesteld door een geëmotioneerde aanwezige. Coveliers was bijgevolg van mening dat het om een rijkswachter ging, gezien op debatten waar Hugo aanwezig is er altijd een lid van de rijkswacht aanwezig is. Dit bleek niet het geval. Het ging om een personeelslid van de R.U.G. Het gesprek ging dan even over het borstbeeld van VDB in het parlement. De Erasmus-spanjaard vermelde overigens in perfect Nederlands, dat in een Spaanse krant stond dat de Spaanse tak van Gladio mee aan de basis lag van de putsch tegen Franco in februari 1982. Coveliers liet nog weten dat het hoofdkwartier van Gladio door De Gaulle uit Parijs werd gezet. Ze waren welkom in Brussel! Het debat werd afgesloten rond kwart na tien.

Na het debat zakten we, en dit wordt stilaan traditioneel, af naar de Cambridge waar we van Coveliers en Geeraerts nog interessante zaken vernemen: zo bleek dat Koning Boudewijn persoonlijk naar het Vatikaan afgereisd om de benoeming van Aartsbisschop Danneels tot Kardinaal tegen te gaan. Danneels had echter betere PR op het Vatikaan. Koningin Fabiola blijkt voorstaand lid te zijn van Opus Dei., de beleggersclub van de kerk, of als u wil, de financiële Werkgroep Gods.

Rond 24u verlieten de schrijver en de volksvertegenwoordiger de Cambridge op weg naar Drongen en Aartselaar.

Bron: een studentenblad | februari 1991

(*) Klopt niet want de verkiezingen waren in oktober 1985. Wel waren op het ogenblik van de overval in Aalst de onderhandelingen lopende voor de regeringsvorming.

(**) Met deze stellingname is het duidelijk dat Geeraerts het WNP-dossier helemaal niet onder knie had.

23

Paul-Henri Spaak, de kleinzoon van de liberale politicus Paul Janson en de neef van een ander liberaal politicus, Paul-Emile Janson, werd lid van de Belgische Socialistische Partij in 1920. Hij was socialistisch volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Brussel van 1932 tot 1957 en van 1961 tot 1966. Spaak speelde een beslissende rol in het ontstaan van de NAVO en het daarin werkzaam verband van inlichtingendiensten.

Toen er na WO II een stay-behindnetwerk werd opgericht dat weerstand moest kunnen bieden bij een potentiële bezetting door de Sovjet-Unie, vroeg Sir Steward Menzies, baas van de Britse SIS om samen te werken. Op 7 februari 1949 antwoordde toenmalig premier Spaak:

"Het zou wenselijk zijn dat de drie diensten (de Engelse, de Amerikaanse en de Belgische) nauw samenwerken. Indien twee onder hen, de Amerikaanse en de Engelse, die samenwerking weigeren, zou de toestand van de Belgische dienst uiterst delicaat en moeilijk worden. Ik meen dat het dus onontbeerlijk is dat op het hoogste niveau onderhandelingen worden gevoerd tussen Londen en Washington om dat vraagstuk te regelen. Pas wanneer de resultaten van die onderhandelingen bekend zijn zal het mij mogelijk zijn een definitief standpunt in te nemen."

Dit antwoord leidde tot de Tripartite Meeting Belgium. Daaruit ontstond in 1949 het Comité Clandestin de l’Union Occidentale (CCUO), dat in 1959 vervangen werd door het Clandestine Planning Committee (CPC), en nadien opging in the Allied Coordination Committee (ACC), bestaande uit de leden van het C.C.U.O. en de Verenigde Staten.

Het ACC coördineerde de stay-behind activiteiten, die op de eerste vergadering in april 1959 als volgt werden omschreven: "The ACC is a six-power regional committee for providing mutual consultation and developing policy guidance on matters of common interest regarding stay behind matters in the Western European countries concerned."

Nadat Frankrijk zich in 1966 uit de NAVO terugtrok, verhuisde het ACC samen met het hoofdkwartier van de NAVO van Parijs naar Mons. Spaak werd in 1946 voorzitter van de eerste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in 1957 secretaris-generaal van de NAVO en bleef dit tot 1961.

Bron: Apache | Walter De Smedt | 18 augustus 2016

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

24

Legerleiding verzweeg bestaan van Gladio aan premier en regeringsstop

Premier Martens en minister van defensie Guy Coëme verklaarden gisteren op een druk bijgewoonde perskonferentie dat ze tot eergisteren niets afwisten van het bestaan van de groep Gladio binnen de inlichtingendienst van het leger, hoewel de dienst al zo'n 40 jaar funktioneert en zelfs aanvragen heeft ingediend voor de aankoop van kommunikatieapparatuur. Ze vernamen het bestaan ervan van de Italiaanse autoriteiten. Minister Coëme is er van overtuigd dat de legerleiding op de hoogte was van het bestaan van de groep.

Coëme heeft de generale staf een administratief onderzoek bevolen naar de redenen waarom het bestaan van Gladio werd verzwegen en om klaarheid te brengen over een eventuele betrokkenheid van de groep bij terroristische aanslagen in ons land, onder meer door de bende van Nijvel, maar ook over eventuele betrokkenheid bij WNP en zelfs de CCC. Premier Martens zei van zijn kant dat de regering "niet afkerig' staat van een "onafhankelijk' onderzoek. Daarmee zette hij eventueel de deur open voor een nieuwe parlementaire onderzoekskommissie zoals de SP ze vrijdag al heeft gevraagd.

Coëme zei vrijdag na de ministerraad nog dat hij bij zijn aantreden als minister op het kabinet van landsverdediging twee grondige briefings heeft gekregen van de legerleiding. Nergens werd het bestaan van de groep daarbij vermeld. Ook premier Martens had tot eergisteren geen weet van het bestaan van de groep. Hij maakte alleen gewag van een bezoek enkele jaren geleden met de toenmalige minister van justitie Jean Gol aan de diensten van de Staatsveiligheid. Daar werd hem toen gevraagd nieuwe kredieten te voorzien voor de aankoop van gesofistikeerde kommunikatieapparatuur onder de naam "Harpoen' waarmee gekodeerde boodschappen konden worden uitgezonden en ontvangen. De premier zei vrijdag dat hij de gegevens daarover nu heeft teruggevonden in de dokumenten over Gladio.

Nadat hij door de Italiaanse autoriteiten was geïnformeerd, heeft Coëme naar zijn zeggen kontakt genomen met de generale staf van het leger die hem onmiddellijk het bestaan heeft bevestigd. Daarop heeft Coëme de premier geïnformeerd. In de omgeving van de premier werd daarover gezegd dat er "zo goed als zeker maatregelen komen tegen de legertop'. Martens zelf zei dat hij niet gelooft dat het om een officiële organizatie gaat binnen het leger, maar om een semi- clandestiene groep.

Sabotage

De dienst werd opgezet binnen de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid, de inlichtingendienst van het leger, begin van de jaren vijftig, in volle koude oorlog. Daarvan werd toen een minister op de hoogte gebracht, maar sindsdien verdween de groep in het duister, zo luidt het.

Bedoeling was dat de betrokken officieren en geëngageerde burgers, in het geval van een invasie door het Warschaupakt, achter de linies zouden blijven om inlichtingen te verzamelen, vluchtroutes op te zetten en sabotage-daden te verrichten. Volgens Coëme is de sabotage- training al "lange tijd geleden' opgegeven.

Een dergelijke dienst bestaat blijkbaar ook in andere landen, want er bestaat nog altijd een koördinatiekomitee, waarvan een Belgisch generaal momenteel voorzitter is. Coëme wilde zijn naam niet bekend maken, maar het gaat om de verantwoordelijke binnen het leger voor de veiligheids- en informatiedienst. Hij is voorzitter sedert 1 januari en voor twee jaar. Einde oktober kwam het komitee bijeen te Brussel maar volgens Coëme - die met de betrokken generaal heeft gesproken - is daar vooral gesproken over het mogelijke opheffen van de groep gezien de gewijzigde internationaal-politieke situatie.

Volgens premier Martens is de struktuur alleszins een anakronisme geworden waarvan de regering de opheffing wil. Over de wijze waarop dat precies moet gebeuren zal het administratief onderzoek klaarheid moeten brengen. Wel benadrukte Coëme dat nu andermaal de noodzaak is aangetoond van wetgevende initiatieven om het toezicht op de veiligheidsdiensten te versterken. Hij noemde het alleszins "abnormaal' dat hij niet op de hoogte was gebracht van het bestaan van het geheime weerstandsnet.

Bron: De Tijd | 10 november 1990

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Colonel Legrand: “le service italien était infiltré par la maffia”

Mais le colonel Bernard Legrand concède que les anomalies observées en Italie aient pu conduire à soupçonner son service: “En Italie, il y a eu une infiltration des services clandestins par la mafia italienne. J’ai pu observer lors d’exercices qu’ils n’ont pas cloisonné comme nous entre les agents civils. Les agents se connaissaient ce qui a facilité les dérives et la perte de contrôle. (…) Ils ont aussi conservé une branche “sabotage” jusqu’au bout, ce que nous n’estimions plus utile en Belgique depuis longtemps vu les moyens modernes d’opérer des destructions ciblées”.

Sur l’existence d’éventuels “exercices” de son service lors des dates correspondant aux principales attaques de grands magasins (27 septembre et 9 novembre 1985) il réagit: “J’ai eu des réunions avec mes instructeurs pour être attentif sur cette question. Des consultations d’agendas (…). J’ai la certitude que strictement rien d’anormal ne s’est passé”.

Toch wel grappig hoe ze doen alsof hun neus bloed. De getuigenis van Joël Lhost zal er wel niet mee te maken hebben, en Ciolini bij Haemers en co, huurlingen met een cv om u tegen te zeggen, Axel Zeyen, de Darville-clan en Baugniet. Om maar te beginnen, Massagrande, Bultot. Maar ja, zoals Nitelet zegt, allemaal toeval.

De waarheid schaadt nooit een zaak die rechtvaardig is.

De infiltratie door de maffia is het simpel voorstellen. Niet alleen Italië had problemen maar ook Frankrijk met SAC en ex-OAS zat tot over hun oren in drugshandel en wapenhandel. De Zweedse Gladio problemen en Nederlanse Armfelt op de grens met Belgie zijn ook van toepassing.

Sur l’existence d’éventuels “exercices” de son service lors des dates correspondant aux principales attaques de grands magasins (27 septembre et 9 novembre 1985) il réagit: “J’ai eu des réunions avec mes instructeurs pour être attentif sur cette question. Des consultations d’agendas (…). J’ai la certitude que strictement rien d’anormal ne s’est passé”.

En over een op losse cellen gestructureerd op papier niet bestaande netwerk informeert hij zijn instructeurs en agenda's. Wat zou een Belgische kolonel kunnen vertellen over buitenlandse actoren?

De waarheid schaadt nooit een zaak die rechtvaardig is.

Moyen zou in 1948-1949 benaderd geweest zijn door Henri Ribière van de Franse geheime diensten (SDECE), om Gladio-correspondent te worden in België. "Gladio" zou volgens Moyen de naam geweest zijn voor "slapende" Stay Behind-operaties bedoeld voor oorlogssituaties, terwijl "Catena" ook actief zou geweest zijn tijdens vredestijd.

Catena = Massagrande, zijn naam komt zelf voor in het Bende-dossier. Wat deed hij in België? Op bedevaart gaan naar Scherpenheuvel?

De waarheid schaadt nooit een zaak die rechtvaardig is.

LA PARTICIPATION BELGE AU RESEAU DE RENSEIGNEMENTS CLANDESTIN DE L’OTAN (1949 – 1990) STAY BEHIND
« JE SERVIRAI LA LIBERTE EN SILENCE »

I. L’ORIGINE

A l’issue de la deuxième guerre mondiale plusieurs nations souhaitent éviter la répétition, en cas de nouveau conflit, de certaines déficiences constatées en 1940. Ces pays, poussés par les tensions politiques de l’époque et la menace que représente le bloc communiste, décident, entre autre, de mettre sur pied une organisation chargée d’anticiper une nouvelle occupation. Cette structure, mise en place dès le temps de paix, doit constituer la base d’une résistance efficace qui pourrait se développer en cas de nécessité.

Le principe de base est simple: si un état est envahi, son gouvernement légitime se réfugie en territoire allié libre. Les réseaux, recrutés, équipés et entraînés dès le temps de paix, deviennent immédiatement opérationnels, leurs actions commandées et coordonnées par les autorités en exil.

Stay behind ou réseau dormant naît, en 1949 (illustration: Europe en 1950), par un accord tripartite Grande-Bretagne, Belgique, Etats-Unis. La même année voit la création du Comité clandestin de l’Union occidentale, qui sera, au fil des années, rebaptisé Clandestine Planning Committee, Coordination and Planning Committee (CPC) et enfin, en 1958, Allied Coordination Committee (ACC).

Les nations adhèrent par vagues successives. Aux membres de l’OTAN se joignent quelques pays neutres. Au final, Allemagne, Autriche, Belgique, Danemark, Espagne, Etats-Unis, Finlande, France, Grande-Bretagne, Grèce, Italie, Luxembourg, Norvège, Pays-Bas, Portugal, Suède, Suisse et Turquie sont membres de l’ACC.

II. LE STAY BEHIND EN BELGIQUE

Contrairement à la majorité des autres nations, la Belgique a connu une organisation Stay behind à la fois civile et militaire. Cette situation trouve son origine dans la répartition des activités clandestines durant la seconde guerre mondiale, orientées recherche et transmission d’informations pour la Sûreté de l’Etat et actions armées pour la Défense nationale.

Le Comité ministériel de défense définit, en 1951, les missions de chacun dans le cadre des réseaux dormants.

Pour la Sûreté de l’Etat :
- le renseignement d’ordre politique, économique et social ;
- la liaison entre le Gouvernement à l’étranger et les noyaux de résistance civils dans le pays ;
- la guerre psychologique, y compris la presse et les radios clandestines ;
- le service de contre-information destiné à la protection de ces activités ;
- l’organisation de liaisons et de lignes d’évacuation nécessaires à ces missions.

Pour Les Forces armées :
- le renseignement d’ordre militaire ;
- la contre-information ;
- les actions de sabotage d’objectifs militaires, la collaboration avec des éléments des forces armées alliées ;
- les actions paramilitaires, l’armée secrète et la guérilla ;
- l’organisation des liaisons et de lignes d’évacuation.

Les activités Stay behind sont confiées à deux services créés pour l’occasion : le STC/Mob (Section training communication et mobilisation) de la Sûreté et le SDRA VIII (Service de documentation de renseignement et d’action VIII) du Service du renseignement et de la sécurité militaire (SDRA puis SGR). Un Comité « Interservices » sera, par la suite, chargé de coordonner l’ensemble.

Un SDRA XI voit le jour en 1966, lorsque, suite au déménagement de l’OTAN vers Bruxelles, la Belgique prend en charge le secrétariat permanent de l’ACC.

II. 1 LE STC/Mob

Le STC/Mob est entièrement séparé des autres services de la Sûreté et dépend directement de l’Administrateur Général (AG), lui-même sous la dépendance du Ministre de la Justice.

Les membres permanents de la section ou «instructeurs», sont désignés par l’AG au sein des fonctionnaires de la Sûreté. Ils ont la connaissance des principes généraux de sécurité, des communications radio, du cryptage et de l’établissement de contacts clandestins. Certaines formations complémentaires se donnent en Grande-Bretagne et aux Etats-Unis.

L’activité des instructeurs se limite à l’entraînement et à l’administration de leurs agents. Selon les périodes leur nombre varie de cinq à huit. Chacun a recruté, formé, et entraîné une dizaine d’agents.

Le recrutement est pratiqué de façon à assurer la couverture du territoire par région et ce suivant les besoins rencontrés : la recherche du renseignement, la liaison radio ou les filières d’infiltration et d’évasion. Les premiers recrutés sont d’anciens résistants, souvent ex-membre de l’Armée secrète. Par la suite, les candidats proviendront de l’entourage ou des connaissances de l’instructeur ou d’un intermédiaire de confiance tenu alors dans l’absolue ignorance de la finalité de son intervention.

Un bon agent doit posséder une personnalité affirmée et un potentiel certain, passer facilement inaperçu, posséder ou pouvoir recueillir rapidement des informations sur des objectifs importants, être honorablement connu et avoir une vie sociale stable sans problèmes financiers. Il ne peut être engagé politiquement, doit être profondément patriote, anticommuniste et par définition prêt à prendre des risques importants.

L’intéressé ainsi que sa proche famille ne peut avoir de casier judiciaire ou être négativement connu de la Sûreté. Enfin, l’enquête de sécurité les concernant doit se révéler favorable.

Le dossier d’une possible recrue est soumis pour avis au chef du STC/Mob puis à l’AG qui décide ou non d’autoriser son approche et son éventuel recrutement.

Le cloisonnement horizontal et vertical est de rigueur, en temps de paix comme il le serait en temps de guerre. Hors l’AG, son adjoint et le personnel de la Section, aucun membre de la Sûreté ne connaît les activités du STC/Mob. Un instructeur ne connaît pas les agents des autres instructeurs, les agents ne se connaissent pas et sont tenus à l’écart de toutes les activités de la Sûreté.

En cas d’invasion, les instructeurs se replient à l’étranger. Les agents devenus autonomes ne communiqueront entre eux que par code ou par boite aux lettres mortes. A ces agents, sous leur unique responsabilité, d’en recruter d’autres et de développer leurs propres réseaux, en respectant à la lettre les règles de sécurité d’usage.

Outre les stages de base, la formation d’un agent du STC/Mob est essentiellement pratique et adaptée à sa spécialité. Le maniement des armes en a fait partie jusqu’en 1968 pour être ensuite supprimé. A ses débuts, l’équipement provient essentiellement des surplus de guerre. Dans les années 50, des caches d’armes et de carburant sont créées et approvisionnées. Elles seront toutefois abandonnées, le matériel récupéré et détruit après qu’en 1957 l’une d’elle ait été découverte suite à un glissement de terrain et une autre en 1959 par des enfants.

Les radios constituaient le seul équipement réellement distribué. Les postes d’origine « morse high speed system» resteront en service jusqu’en 1984, date à laquelle ils seront remplacés par les « harpoon ». Ces postes ultra-modernes, aisément transportables, développés, sur commande, par AEG Telefunken, ont une portée de 6000 Km et utilisent un cryptage pratiquement indéchiffrable.

Près de deux mille pièces d’or... Il s’agit de la dotation remise, à la fin des années 40, par les services américains (CIA) et britanniques (Intelligence Service), à la Sûreté, afin de favoriser l’évasion des autorités. Une partie est remise aux agents, le reste conservé dans le coffre de l’AG. Le tout a, depuis, été remis à la Trésorerie de l’Etat. L’aide financière anglaise et américaine se poursuit jusque dans les années 70.

Par la suite, les activités du STC/Mob sont entièrement financées par le budget interne. Les frais de fonctionnement comprenaient, outre les indemnités des instructeurs, les notes de frais des agents. Les comptes sont soumis mensuellement au Ministre.

Le seul investissement hors budget réalisé par la Sûreté pour son organisation Stay behind est l’achat des « harpoon», décidé par le Conseil des Ministres, pour un montant de 50 millions de francs.

A sa dissolution, le STC/Mob compte sept instructeurs, pour 54 agents. La plupart des agents sont dans la quarantaine, plus de la moitié sont cadres dans le secteur privé, les autres parastataux, indépendants, chefs de PME ou fonctionnaires.

II.2 SDRA VIII

C’est au Service Action du SDRA que revient la mission de recruter et de former le réseau de résistance Stay behind version militaire. SDRA VIII est placé sous le commandement direct du Chef du Service du renseignement et de la sécurité militaires.

Dans un premier temps, suite à l’expérience de la seconde guerre mondiale, le service se compose d’anciens parachutistes formés aux missions de harcèlement et de sabotage. Au début des années 60, le service évolue. Les missions sont revues et redéfinies: la recherche du renseignement, les réseaux radio, les filières d’évasion, l’encadrement des Forces spéciales, les opérations d’infiltration et d’exfiltration reçoivent la priorité. Des agents non militaires de tous les milieux et de toutes les professions sont alors recrutés. Les missions de sabotage seront définitivement abandonnées en 1970.

Il peut alors être distingué au sein du service une structure interne et une structure externe. Comme à la Sûreté, un cloisonnement sécuritaire horizontal et vertical est strictement appliqué. Outre l’administration, trois fonctions sont exercées en interne : officier traitant chargé de l’instruction et de l’entraînement des agents, instructeur radio et officier recruteur. Ce personnel, jusqu’au début des années 80, provient essentiellement des unités para-commandos. Par la suite, il sera fait appel à du personnel d’autres unités. Le choix se fait par cooptation et/ou recommandation: les militaires se voient donc désignés par le SDRA (SGR) et non recrutés. Il est évidement tenu compte des qualifications de chacun, notamment dans le domaine des communications radio, de l’expérience du travail clandestin, du parachutisme, de la plongée sous-marine, etc. L’enquête de sécurité doit se révéler irréprochable.

Chaque nouvel instructeur suit une formation complémentaire de plusieurs mois, donnée par les autres membres de la section, afin de perfectionner ses propres qualifications et d’assimiler les règles de sécurité et les différentes techniques du renseignement clandestin. Cette formation est complétée à l’étranger, principalement en Grande-Bretagne. Ces militaires, après leur passage à SDRA VIII, se  doivent d’exercer leurs activités de manière à ne pas éveiller les soupçons ou la curiosité de leurs collègues ou anciens collègues.

Le personnel affecté au réseau Stay behind y restait en général une longue période, ce qui évitait le problème récurrent du remplacement. La structure externe se composait des agents recrutés.

Le recrutement est de la responsabilité du Chef du SDRA VIII, qui définit les besoins, suivant la mission et la zone géographique. Les recruteurs dressent alors le profil correspondant et établissent une liste de candidats potentiels, ce qui pouvait prendre de quelques semaines à plusieurs années.

Les personnes recherchées sont des citoyens dans la quarantaine, à la parfaite honorabilité, possédant une bonne maturité et des revenus stables. Le candidat ne peut faire partie d’une quelconque organisation politique ou autre ni être connu du grand public. L’on évite de faire appel à des militaires ou d’anciens militaires ou à toute autre personne pouvant avoir des obligations légales en temps de guerre. En cas de nécessité, une enquête de sécurité est menée par les services internes du SDRA (SGR).

Sur base du dossier, le Chef du SDRA VIII décide d’autoriser l’approche, les premiers contacts et enfin le recrutement. Le candidat est confié à son officier traitant. Le recruteur, lui, s’efface définitivement.

Les agents reçoivent une formation générale propre aux activités du renseignement, les principes et procédures de sécurité, l’identification du matériel et de l’armement, comment détecter une filature et s’en débarrasser, un entraînement au tir, etc. L’instructeur radio se charge de la formation spécifique au cryptage, au maniement des émetteurs et à l’utilisation des boites aux lettres.

Vient alors la formation spécifique. Si l’agent de renseignement (Operational Clandestine Intelligence : OCI) approfondit ses connaissances des secteurs économiques stratégiques et des moyens de déplacement ou de transport, l’agent d’encadrement (Escape and Evasion : E&E) assimile, lui, la gestion du personnel et du matériel en transit dans une zone occupée par l’ennemi. Ces agents, futurs chefs de réseau en cas de conflit, sont également entraînés aux méthodes de recrutement, de formation et d’encadrement de sous-agents.

Unité militaire, SDRA VIII dispose du matériel standard, complété par de l’équipement spécifique, tel que matériel vidéo, de parachutage ou de plongée. Si des caches destinées à recevoir du matériel et de l’armement ont été aménagées, elles n’auraient jamais été alimentées. Fin des années 40, des containers d’explosifs destinés aux opérations de sabotage sont achetés aux Anglais. Régulièrement reconditionnés, ils restent opérationnels jusque dans les années 70, puis, suite à la réorientation des missions, détruits. Des pistolets ont été distribués aux agents; tous ont été restitués scellés intacts.

Devoir de confidentialité oblige, l’instruction est dispensée dans deux villas gérées par l’armée. Un appartement a également été loué pour une courte période. Les déplacements s’effectuent régulièrement en véhicules banalisés de service.

Le fonctionnement de SDRA VIII a été financé exclusivement par le budget du Service de renseignement militaire, y compris l’achat des « harpoon » pour un montant de 105 millions de francs (contrairement au STC/Mob qui a bénéficié, sur décision du Conseil des Ministres d'un fond spécial de 50 millions). Au moment de sa dissolution, le budget annuel de fonctionnement de la Section se montait à quatre millions de francs. Le budget, contrôlé trimestriellement, était soumis au Ministre de la Défense nationale, puis à la Cour des Comptes. Aucun fond n’a été distribué aux agents en prévision d’une occupation du territoire.

La section se composait en 1990, d’une quinzaine de militaires actifs, d’une dizaine de retraités et d’une quarantaine d’agents.

II.3 SDRA XI, LE LIEN AVEC L’OTAN

Il est ici nécessaire de revenir aux origines de Stay behind. Le Comité Clandestin de l’Union Occidentale (CCUO) est donc créé en 1949. Cette structure indépendante, asexuée politiquement, permet l’intégration de nations non alignées ou neutres.

Il est évident qu’au fil du temps, des liens de plus en plus étroits se sont liés avec l’OTAN et plus spécialement avec le Clandestine Planning Committee (CPC), qui gère alors le groupe de travail «réseaux clandestins». L’intégration officielle du CCUO au CPC ne peut toutefois être officialisée, certaines nations n’étant ni à l’époque ni d’ailleurs de nos jours membres de l’Alliance.

L'Allied Coordination Committee (ACC) est un dérivé direct du CPC. L’ACC devient indépendant en 1958. Les deux organisations continueront d'exister simultanément avec des missions différentes. Si le CPC garde la coordination des actions, l’ACC prend en charge le Comité technique et le Comité de liaison.

Le procès-verbal de la première réunion de l’ACC stipule: « L’ACC est un comité régional .... dont le but est de fournir une consultation mutuelle et de développer des avis de politique en matière d’intérêts communs concernant le Stay behind dans les pays concernés de l’Europe occidentale. » « Les pays membres représentés par leurs services de sécurité, bien qu’ils agissent en consultation avec leurs autres partenaires, gardent néanmoins leur autonomie et le contrôle de leurs ressources nationales. »

Le principe de base est respecté, l’indépendance de chacun confirmée. Même si le CPC et l’ACC sont des unités du SHAPE, aucun lien direct avec l’OTAN n’est évoqué.

La Belgique prend en charge le secrétariat permanent de l’ACC en 1966 suite au déménagement de l’OTAN vers Bruxelles. Ce secrétariat est rattaché administrativement au SDRA sous la dénomination SDRA XI, son fonctionnement est lui entièrement financé par l’Alliance.

Bron: Cercle Royal Mars & Mercure | Périodique trimestriel de liaison et d'information | N° 4/2014 - vierde trimester 2014 en N° 1/2015 - eerste trimester 2015

Merovinger wrote:

SDRA VIII

C’est au Service Action du SDRA que revient la mission de recruter et de former le réseau de résistance Stay behind version militaire. SDRA VIII est placé sous le commandement direct du Chef du Service du renseignement et de la sécurité militaires.
Dans un premier temps, suite à l’expérience de la seconde guerre mondiale, le service se compose d’anciens parachutistes formés aux missions de harcèlement et de sabotage. Au début des années 60, le service évolue. Les missions sont revues et redéfinies: la recherche du renseignement, les réseaux radio, les filières d’évasion, l’encadrement des Forces spéciales, les opérations d’infiltration et d’exfiltration reçoivent la priorité. Des agents non militaires de tous les milieux et de toutes les professions sont alors recrutés. Les missions de sabotage seront définitivement abandonnées en 1970.

Ha ha ha, wat grappig toch, geen sabotage-acties in België. Dus wat ontbreekt er?

De waarheid schaadt nooit een zaak die rechtvaardig is.