Inleiding
Delhaize-bestuurders staan centraal in een verwaarloosd spoor
In het kader van het onderzoek naar de moorddadige overvallen van de Bende van Nijvel op drie Delhaize-winkels in 1985, onderzochten de Bende-speurders de levenswandel van twee bestuurders van Delhaize. Ze ontdekten dat bestuurder Jacques le Clercq had gezorgd voor de financiering van de aankoop van acht bordelen aan de Aarschotstraat in Brussel. De bordeelhoudster werd gechanteerd door een rijkswachtkolonel. Le Clercq wilde de hulp inroepen van Paul vanden Boeynants om daaraan te verhelpen. Dit scenario werd door de onderzoekers nooit uitgevlooid. Het is ook nog nooit ter sprake gekomen voor de huidige parlementaire Bende-commissie, ook al zitten de stukken in het grote Bende-dossier.
In september 1985 voerde de Bende van Nijvel aanslagen uit op de Delhaize-filialen van Overijse en Eigenbrakel. Enkele weken later in november werd in Aalst een bloedbad aangericht. Op de drie locaties vielen tezamen 16 doden. Nog steeds blijft de vraag onbeantwoord waarom precies Delhaize werd uitgekozen. De directie van de warenhuisketen blijft geloven dat de drie filialen door de Bende werden uitgekozen om hun ligging, vlakbij ontsnappingswegen. Over de motieven van de bloedige reeks overvallen uit 1985 deden enkele hypothesen de ronde. De meest verspreide is dat de Bende met haar terroristische aanslagen het land wilde destabiliseren en - als gevolg daarvan - de overheid ertoe aanzetten de rijkswacht meer middelen te verschaffen.
De Bende-speurders onderzochten gedurende korte tijd of het bedrijf Delhaize mogelijk het slachtoffer was geweest van een afpersing. Onder meer werd gedacht aan een afpersing op het Amerikaanse filiaal Food Lion, die mogelijk het werk was van de maffia. Deze hypothese werd snel verlaten. De redactie van de krant De Tijd kon eind jaren negentig documenten inkijken waaruit blijkt dat de speurders in verband met Delhaize nog een ander spoor bewandelden. Deze keer werd niet het bedrijf zelf onderzocht. Het gaat om twee bestuurders wier levenswandel door de speurders werd onderzocht. Anders gesteld: waren de overvallen op Delhaize bedoeld om zijn bestuurders op de knieën te krijgen?
De speurders beschikten over een aantal intrigerende elementen. Zo bleek bestuurder Jacques le Clercq in het begin van de jaren tachtig de financiering te hebben gedaan voor de aankoop van acht bordelen in de Brusselse Aarschotstraat. Die stonden op naam van Nicole A., de minnares van Le Clercq. Investeren in vastgoed in prostitutiewijken is een lonende bezigheid. Geschat mag worden dat de acht bars aan Nicole A. jaarlijks zo'n honderd miljoen frank (grotendeels zwart geld) opbrachten. In de kluis van Nicole A. werd bovendien een kaartje van Le Clercq ontdekt waaruit duidelijk blijkt dat Nicole A. wordt gechanteerd. De chantage gebeurde door een luitenant-kolonel van de rijkswacht.
De zaak was blijkbaar zo ernstig dat Le Clercq op 11 oktober 1984 de hulp inriep van Vanden Boeynants. VdB werd gevraagd tussenbeide te komen om de luitenant-kolonel van de rijkswacht het zwijgen op te leggen. Ook Delhaize-bestuurder Raymond-Max Boon hield er een tijdlang een minnares op na die in het Brussels prostitutiemilieu zat. Via een gerechtelijk dossier aangaande huiszoekingen bij Brusselse bordeelhoudsters kwam ook hij in het Bende-dossier terecht. De Bende-speurders beschikten naast de zedendossiers nog over een ander dossier waarin de naam van Le Clercq opdook. In het kader van een moordonderzoek uit 1984 werd een koffer teruggevonden die toebehoorde aan Claude Dubois, de hoofdverdachte.
In de koffer stak een briefje met de melding 'Le Clercq boss de Delhaize 250.000 actions de 5.000'. Wat dit kattebelletje precies betekent is niet meteen duidelijk. Het zou zinvol geweest zijn als hierop verder onderzoek was gedaan. Het briefje toont immers aan dat er een relatie bestond tussen Claude Dubois en Jacques le Clercq en dat er mogelijk 250.000 aandelen van Delhaize tegen de prijs van 5.000 frank op het spel stonden. Het onderzoek werd echter nooit gevoerd.
|
Bron » De Tijd | René De Witte
|
| Meer » Eigenbrakel | Overijse | Aalst | Roze Balletten | Bendecommissie II | Paul Vanden Boeynants | Forum |
Aarschotstraat-piste
Claude Dubois
Op 26 april 1984 werd aan de uitrit Lot-Beersel van de autosnelweg E19 een koffer gevonden. Hij behoorde toe aan ene Claude Dubois, een man die ervan verdacht werd zijn vriendin te hebben vermoord en in stukken versneden in de Maas te hebben gegooid. In de koffer bevonden zich twee vuurwapens, een aantal gestolen identiteitskaarten en een stukje papier met daarop in handschrift: 'Le Clercq boss de Delhaize 250.000 actions de 5.000'. Dit document zal enkele jaren later de aandacht trekken van de onderzoekscel in Jumet die zich met de Bende van Nijvel bezighoudt. Na de bloedige aanslagen op een aantal Delhaize-warenhuizen in september en november 1985 circuleerden er allerhande geruchten en hypotheses aangaande de motieven die de Bende van Nijvel ertoe zou gebracht hebben om precies Delhaize-vestigingen als doelwit te nemen. Een van die hypotheses was dat Delhaize het slachtoffer zou zijn geworden van een zogenaamde 'racket', met andere woorden geweldpleging in het kader van een afpersingszaak.
In een aanverwant onderzoek naar de moord op FN-ingenieur Juan Mendez, had men ontdekt dat gewezen rijkswachters Madani Bouhouche en Robert Beijer plannen hadden gesmeed om afpersingen te organiseren op warenhuisketens. Gedacht werd dat Delhaize mogelijk op de agenda stond. Volgens een andere hypothese zou de afpersing in de Verenigde Staten zijn gepleegd door de maffia. Die zou de Amerikaanse keten Food Lion hebben willen treffen via aanslagen op filialen van de moeder. Enkele leden van de onderzoekscel in Jumet die zich met de zaak van de Bende van Nijvel bezighielden, lichtten de situatie bij Delhaize vanuit dit oogpunt door, maar concludeerden dat er geen directe aanwijzingen waren om aan te nemen dat Delhaize het slachtoffer van een afpersing zou zijn. Het spoor werd dus verlaten. Tijdens het onderzoek viel hun oog wel op enkele namen die ze ook al in andere dossiers waren tegengekomen: Jacques le Clercq en Raymond-Max Boon, beiden toen en ook nu nog bestuurder van Delhaize.
Jacques le Clercqs naam komt voor op een stuk papier dat in 1984 werd aangetroffen in het kader van het onderzoek naar een moord. 'Le Clercq boss de Delhaize 250.000 actions de 5.000', is de sybillijnse boodschap. Schuinweg staat er ook nog een andere naam die moeilijk leesbaar is en zwaar werd onderstreept. Daaronder staan nog enkele moeilijk leesbare cijfers waarvan er één werd doorstreept. Het papier zat samen met enkele vuurwapens en gestolen identiteitskaarten in een koffer die langs de kant van de autosnelweg werd gevonden. De eigenaar is Claude Dubois, de man werd verdacht van moord op zijn vriendin. Dubois was geen onbekende in het Brusselse zakenmilieu. Vastgoedmakelaar van beroep, had hij ook een zakenrelatie met de ex-advocaat Ronald Rossignol, die in het begin van de jaren 80 vervolgd werd voor frauduleus faillissement.
Ronald Rossignol was actief in de extreem-rechtse kringen die in de jaren 70 en 80 de Cercle des Nations in Brussel frequenteerden. Rossignol was onder andere bestuurder bij de verzekeringsmaatschappij North Europe, opgericht door een financiersgroep rond de Brusselse families De Pauw en Vastapane en later overgegaan in de handen van Richard van Wijk en Giorgio Gherardi Dandolo, twee zakenlui van extreem-rechtse signatuur. Rossignol treft men ook in de kleine luchtvaartmaatschappij Rossair Jet (failliet in 1983) die in luchtvaartkringen een zeer bedenkelijke reputatie had opgebouwd. Rossair Jet was eigenaar van een toestel dat werd ingezet voor trafieken van verdovende middelen en van diamant.
Prostitutiemilieu
De speurders van Jumet stelden vast dat alle voorwerpen uit de koffer van Dubois nader zijn onderzocht, behalve dat stukje papier met de onduidelijke boodschap. Ze kwamen tot de conclusie dat de Le Clercq van het stukje papier niemand anders kan zijn dan Jacques le Clercq, bestuurder van Delhaize en verantwoordelijk voor de Amerikaanse activiteiten van de distributiegroep. Ze wonnen informatie in en vernamen dat Le Clercq met Thérèse Blaton getrouwd was tot hij in 1976 scheidde. De scheiding werd in februari 1983 uitgesproken en in mei van datzelfde jaar hertrouwde Le Clercq met de Amerikaanse Winnie Mansfield.
De speurders van Jumet moesten tevens vaststellen dat de naam Le Clercq ook opduikt in een onderzoek dat de BOB van Brussel in 1986 in het prostitutiemilieu van de hoofdstad voerde. In het kader van dat onderzoek werd de bankkluis van Nicole A. bij de Paribas-bank in de Brusselse WTC-toren onderzocht. Daarin werd onder andere een visitekaartje van Jacques le Clercq teruggevonden waarop geschreven stond :
'Monsieur Algoed, Nicole A. pourrait avoir certains ennuis causés par Monsieur (blanco in proces verbaal), Lieutenant-Colonel de Gendarmerie. Nicole est mon amie et je forme des projets r. Je n'ai pu rencontrer Monsieur Vanden Boeynants, que je dois voir prochainement. Pourrez-vous intervenir personellement auprès du Ministre pour que cette personne cesse d'importuner Nicole. Je sais que cela est inhabituel comme requête, mais, étant parti aux USA pour huits jours, j'ai peur d'ennuis pour elle relevant d'un certain chantage. Merci pour votre intervention.' De tekst was gedateerd 11 oktober 1984.
Meer dan waarschijnlijk is de mijnheer Algoed die werd aangeschreven Georges Algoet (met een t), de privé-secretaris van PSC-boegbeeld Paul vanden Boeynants. Vanden Boeynants had in 1984 al verschillende jaren geen ministerportefeuille meer, maar was wel minister van Staat. En klaarblijkelijk kon hij toch nog in belangrijke mate zijn invloed laten gelden. Nicole A. heeft het kaartje met de smeekbede nooit gebruikt, anders was het waarschijnlijk nooit in haar bankkluis beland. Verbazen hoeft dat niet, aangezien Georges Algoet al sinds eind 1981 overleden was, een feit waar Le Clercq klaarblijkelijk niet van op de hoogte was. Zelfs al was het kaartje bij VdB beland, dan rijst de vraag of de minister van Staat echt moeite zou hebben gedaan voor Le Clercq.
In die periode had VdB andere kopzorgen. In oktober 1984 werd hij door de raadkamer van Brussel wegens het plegen van fiscale fraude verwezen naar de correctionele rechtbank. Nicole A. werd aangaande de inhoud van haar bankkluis verhoord in het bureau van de Brusselse onderzoeksrechter Jean-Claude van Espen, maar zij wou niets zeggen over het visitekaartje met de boodschap voor Georges Algoet. Nicole A. gaf wel toe dat ze acht jaar lang een relatie had met Le Clercq en dat het dankzij het geld van Le Clercq was dat ze in de Brusselse Aarschotstraat acht huizen had kunnen kopen die als bordeel werden gebruikt. De BOB vond overigens in de bankkluis van Nicole A. een document waarin sprake is van een storting vanwege Le Clercq aan Nicole A. ten bedrage van 3 miljoen frank.
Met de acht bars die Nicole A. zich dankzij Le Clercq kon aanschaffen, hoefde de dame nooit meer verlegen te zitten om geld. Een snelle berekening leert dat Nicole A. met de huisjesmelkerij van de acht bars een zwart inkomen kon verwerven van 75 tot 150 miljoen frank per jaar. Het gaat om een berekening op basis van de bedragen die de prostituées moeten betalen voor het gebruik van een vitrine. De huurprijs loopt al snel op tot enkele duizenden franken per shift. De seksindustrie draait in de Aarschotstraat 24 uur op 24 uur. Afhankelijk van het aantal vitrines in de bars van Nicole A. mag haar inkomen worden geschat op vele tientallen miljoenen franken.
Volgens de documenten die de redactie kon inkijken hebben de Bende-speurders zich neergelegd bij het feit dat Le Clercq in de Verenigde Staten woonde en dus moeilijk kon worden verhoord. Plannen om een rogatoire commissie uit te sturen zijn er niet geweest. Er is dus nooit opheldering gekomen in welke zaak Jacques le Clercq betrokken was waarin '250.000 aandelen van 5.000 frank' op het spel stonden. Evenmin is ooit duidelijk geworden aan welke vormen van chantage Nicole A. bloot stond en waarom Le Clercq zich zo haastte om die chantage af te blokken.
Zedenonderzoek
Niet alleen Le Clercq was goed vertrouwd met het rosse milieu in Brussel. Ook Delhaize-bestuurder Raymond-Max Boon frequenteerde dit milieu. De onderzoekscel in Jumet diepte een proces-verbaal aangaande een zedenonderzoek uit 1984 op, waarin Boon een prominente rol krijgt toebedeeld. In het kader van een onderzoek naar prostitutienetwerken dat in 1984 door de Brusselse onderzoeksrechter Lyna werd geopend, werd een huiszoeking gedaan bij Marie-France R., een dame die in het prostitutiemilieu actief was. Volgens de verklaringen die ze aflegde, werden de juwelen die bij haar werden aangetroffen betaald door Raymond-Max Boon. De cheques waarvan bij haar fotokopies werden aangetroffen, waren volgens haar ook afkomstig van Boon.
Zij gebruikte ze naar eigen zeggen om er zich een wagen mee aan te schaffen. Hoewel Marie-France R. een relatie had met Boon, leefde ze samen met Pascal L., een man met een lang strafblad waarop onder andere afpersing en verkoop van gestolen wagens voorkwamen. De informatie van de Cel Waals Brabant werd overgemaakt aan de cel-Delta die in Dendermonde werkte onder de leiding van onderzoeksrechter Freddy Troch. Toen Troch voor de Bende-commissie getuigde, citeerde hij vele sporen in het Bende-dossier. Dat van de Delhaize-bestuurders kwam niet ter sprake. Ook de andere onderzoeksrechters in het Bende-onderzoek hebben nooit een verwijzing gedaan naar het dossier.
Eén keer kwam tijdens een van de zittingen van de parlementaire Bende-commissie een mogelijke band tussen Delhaize en zedenfeiten aan de orde. Met name tijdens het verhoor van Jean-Paul Peelos, die eind jaren 80 vanuit de Brusselse gerechtelijke politie eens voor eens en altijd moest uitmaken wat er van die mythische 'roze balletten' aan was. Toen een commissielid hem vroeg hoe met zijn opvatting dat de band tussen de 'roze balletten' en de Bende-overvallen op de Delhaize mogelijk lag bij de aanwezigheid van mensen van Delhaize op seksfuiven, antwoordde Peelos gedecideerd dat niet hij maar André Pinon dat beweerde. Pinon is de psychiater wiens ex-vrouw aan de basis ligt van het dossier dat de 'roze balletten' wordt genoemd.
Zoals journalisten in De Tijd op 22 maart al schreven, deed Peelos hiermee de waarheid geweld aan. In een telefoongesprek van eind 1989 tussen hem en Pinon (dat op band werd opgenomen) antwoordt hij op Pinons vraag wat de relatie tussen de 'roze balletten' en de aanslagen op de Delhaize is: 'Wel, omdat er mensen van Delhaize aan deelnemen. En die hebben de plannen en de bewakingsuren van de patrouilles doorgegeven'. Dat Peelos zijn oorspronkelijke ideeën aangaande de roze balletten en de Bende van Nijvel liever vergeet, heeft misschien te maken met het feit dat hij met de synthesenota die hij begin 1990 aangaande zijn onderzoek aan zijn oversten overmaakte ernstig bot ving. Peelos werd kort na het indienen van zijn nota voor zeventien maanden geschorst, volgens hem om zeer onduidelijke redenen.
Georganiseerde criminaliteit
Recent legde eerste substituut Jean-François Godbille van het parket van Brussel een getuigenis af voor de senaatscommissie-Georganiseerde Criminaliteit. Godbille vertelde dat hij een gerechtelijk onderzoek had geopend naar de activiteiten van de Italiaanse maffia in Brussel. Hij voegde eraan toe dat hij het onderzoek doelbewust had toevertrouwd aan 'een gemeentelijk politiekorps' en dat hij vaststelde dat dit korps, sinds de start van het onderzoek, systematisch werd 'gedestabiliseerd'. Inmiddels kreeg de redactie in gerechtskringen de bevestiging dat het onderzoek van Godbille werd geopend in september 1995 en wordt gevoerd rond maffia-activiteiten in de Brusselse horecasector, in caféspelen en in de prostitutie.
Het gemeentelijke politiekorps waarvan sprake is, is dat van Schaarbeek. Dit korps beschikt over een financiële cel. Eigenlijk wilde Godbille vermijden dat de gerechtelijke politie van Brussel, en meer in het bijzonder Georges Marnette, op één of andere wijze bij het onderzoek zou worden betrokken. De reden is dat het maffiaonderzoek onder meer werd gevoerd in de prostitutiemiddens in de Aarschotstraat, een milieu waarin Marnette naar verluidt zeer goed thuis zou zijn. De politie van Schaarbeek was een half jaar voor aanvang van het maffiaonderzoek al druk doende in de Aarschotstraat. Dat gebeurde op bevel van de burgemeester van Schaarbeek Françis Duriau. Duriau wilde een strikte toepassing van het gemeentelijke reglement op de openbare zeden.
De schoonmaakoperaties in de prostitutiewijk waren duidelijk niet naar de zin van het parket van Brussel en van de gerechtelijke politie. Herhaaldelijk kwam de GP spaken in de wielen steken. Toen Godbille getuigde voor de senaatscommissie en over destabilisatie van het politiekorps sprak, bedoelde hij dus de politie van Schaarbeek en meer bepaald van zijn commissaris Johan Demol. Demol werd vorige week verplicht met verlof gestuurd toen uitlekte dat hij ooit lid was geweest van de extreem-rechtse groepering Front de la Jeunesse en dat hij over dit lidmaatschap had gelogen. Inmiddels is er een nachtelijke inbraak geweest in de computer van Demol op het politiecommissariaat. Demol is niet meer bereikbaar. Nicole A. is tot op heden eigenares van vier ontuchthuizen in de Aarschotstraat. Zij leefde lange tijd samen met ... een inspecteur van de gerechtelijke politie van Brussel.
|
Bron » De Tijd | René De Witte
|
| Meer » Eigenbrakel | Overijse | Aalst | Claude Dubois | Cel Waals Brabant | Bendecommissie II | Paul Vanden Boeynants | Forum |
Mahieu 'onthult' motief Bende
Oud spoor over afpersing Delhaize-warenhuizen weer opgerakeld
Met de belofte van 'onthullingen' over de Bende van Nijvel lokte de Brusselse financiële expert Albert Mahieu gisteren de binnen- en buitenlandse media naar zijn persconferentie. Na afloop van zijn urenlange tirade vroegen de meeste journalisten zich vertwijfeld af wat ze in 's hemelsnaam moesten aanvangen met de verwarrende mix van informatie, vermoedens en hypotheses die ze hadden gekregen. Mahieu repte met geen woord over het feit dat hij op een verkiesbare plaats staat op de Vivant-lijst voor het Brusselse hoofdstedelijk Gewest. Vivant-stichter en miljonair Roland Duchâtelet was wel prominent aanwezig op de persconferentie. De timing van de mediastunt van Mahieu laat wel vermoeden dat hij zich onder meer ook om electorale redenen in het zonnetje wil werken met zijn Bende van Nijvel-verhaal.
Volgens Mahieu moet het motief voor de moorddadige overvallen van de Bende op een reeks Delhaize-winkels gezocht worden in financiële kringen. Hij kondigde aan dat hij binnenkort bij het Brusselse parket klacht met burgerlijkepartijstelling zal indienen tegen onbekenden wegens bendevorming, oplichting, misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrifte in de jaarrekeningen, medeplichtigheid bij de moord op zeventien onschuldige slachtoffers en het niet verlenen van bijstand aan personen in levensgevaar. Met zijn klacht viseert Mahieu zes of zeven topverantwoordelijken van de groep Delhaize, die niet toevallig tot voor kort ook topfuncties hadden in de verzekeringsgroep Assubel: wijlen Marcel Le Clercq, Frans Vreys, Pierre Scohier, Gui de Vaucleroy, Guy Beckers, Jacques Le Clercq en Raymond-Max Boon.
Sinds enkele jaren werpt Mahieu zich op als verdediger van de gedupeerde klanten van Assubel-Leven die een deel van hun winstdeelname moesten derven omdat de Assubel-directie het geld illegaal afroomde om miljardenverliezen in de herverzekeringsbranche te camoufleren. Tegen alle verwachtingen in wonnen Mahieu en zijn medestanders het proces in eerste aanleg en werd een aantal Assubel-topmannen door de correctionele rechtbank veroordeeld. De procedure in beroep loopt momenteel nog steeds. Mahieu ontdekte naar eigen zeggen een groot parallellisme tussen de dossiers van Assubel en Delhaize. "Voor een groot deel gaat het om dezelfde verantwoordelijken", meent hij, "dezelfde amorele mentaliteit, dezelfde ongelooflijke arrogantie en dezelfde beschermingsmechanismen bij de politiediensten en de magistratuur.
Ook het motief is in beide dossiers exclusief financieel." De Bende-aanslagen waren volgens hem niet zozeer een vorm van afpersing dan wel een gewelddadig antwoord op de weigering van de Delhaize-top om financiële verliezen die ze had veroorzaakt bij of afgewenteld op anderen te vergoeden. Er moet daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen de eerste reeks aanslagen in 1983 en de tweede reeks in 1985. Op basis van enkele processen-verbaal uit het gerechtelijk onderzoek naar de Bende besluit Mahieu dat drie toenmalige Delhaize-bestuurders nauwe relaties onderhielden met diverse Brusselse prostituees. Eén Delhaize-topman gaf zijn vriendin in totaal acht bars in de Brusselse Aarschotstraat cadeau, een andere twee, de derde eentje.
De straat telt 64 bars, die elk jaarlijks 20 miljoen frank opbrengen, redeneert Mahieu. Het Brusselse prostitutiemilieu zou volgens hem schadevergoeding geëist hebben voor het geleden verlies, en toen Delhaize weigerde, volgde de eerste reeks overvallen, waarbij nog relatief weinig slachtoffers vielen. De meest moorddadige aanslagen gebeurden in het najaar van 1985 en hadden een andere oorzaak. Zij waren volgens Mahieu het gevolg van desastreuze investeringen van Delhaize in de Verenigde Staten, waar de groep tientallen miljarden stopte in de overname van bestaande warenhuisketens. Die bleken echter zwaar verlieslatend en begin 1985 werd een groot deel van de activiteiten doorverkocht aan de groep Super Valu Stores.
Zonder enig begin van bewijs beweert Mahieu dat deze Amerikaanse groep tevergeefs een schadevergoeding vroeg van Delhaize en vervolgens een misdaadorganisatie inschakelde om de betaling daarvan af te dwingen. Zowel na de eerste als de tweede golf aanslagen zou Delhaize volgens Mahieu overigens hebben betaald.
Bende-speurders en Delhaize-directie lachen Mahieus theorieën weg
Albert Mahieu, justitiespecialist van Vivant, heeft het gerecht in Charleroi gisteren aan het lachen gebracht met zijn theorie over een link tussen de aanslagen van de Bende van Nijvel en afpersing van Delhaize-bestuurders. Het vermeende spoor, dat hij twee jaar geleden ook al wereldkundig maakte, werd destijds onderzocht, maar leverde niets op. De speurders hopen op nieuwe elementen, maar vrezen dat Mahieu hen blij maakt met een dooie mus. Mahieu linkt de Bende-aanslagen op de Delhaizes in Overijse, Eigenbrakel en Aalst, eind 1985, aan een afpersing van twee bestuurders van de supermarktketen. Ze waren verantwoordelijk voor de Amerikaanse dochtermaatschappijen Delhaize The Lion America en Lion Food.
Die werden volgens Mahieu afgeperst door de maffia nadat Delhaize had geweigerd de verliezen te vergoeden van een mislukte aandelentransactie. Daaraan hing een prijskaartje van 17 miljoen dollar, 637 miljoen frank of 15,8 miljoen euro. Dit verklaart volgens Mahieu waarom er bij de Bende-aanslagen op de Delhaize-keten zeventien doden vielen. "Mahieu vergist zich", klinkt het bij de onderzoekscel in Jumet. Die wijst erop dat bij de raids één dode minder viel dan de Brusselse ingenieur wil doen geloven. Zijn afpersingstheorie wordt weggelachen. "Ze is al onderzocht." Kringen van ex-speurders bevestigen dit. "De racketeering-theorie rond Lion Foods is achterhaald. Het financiële onderzoek leverde geen concrete elementen op."
"Ideeën lanceren is niet moelijk", reageert de Charleroise rechtbankvoorzitter Jean-Claude Lacroix. Hij fungeert als onderzoeksrechter in het Bende-dossier, dat er in 1990 belandde na overheveling uit Dendermonde. "Over de Bende bestaan tientallen ideeën. Voor een definitief antwoord zijn concrete elementen nodig. Dat Mahieu ze ons maar geeft." Volgens Lacroix werd de afpersingstheorie onderzocht door leden van van de CDGEFID, Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiêle Delinquentie. "De cel-Jumet doet voor financiële onderzoeken een beroep op gespecialiseerde speurders." De onderzoeksrechter begrijpt niet waarom Mahieu zijn informatie en klacht tegen onbekenden indient bij het parket van Brussel. En een Nederlandstalige onderzoeksrechter verkiest boven een Franstalige uit vrees voor een doofpotoperatie.
"Het Bende-dossier is nagenoeg publiek. Er zijn twee parlementaire commissies geweest en alle nabestaanden van Bende-slachtoffers beschikken over kopies. Bovendien zal Brussel de informatie van Mahieu sowieso overmaken aan ons voor verdere onderzoek." Lacroix verwacht dit snel te kunnen afronden. "Alle dossiers zijn gerangschikt zodat we direct weten of Mahieu iets nieuws aandraagt." De directie van Delhaize De Leeuw protesteert tegen de 'volledig ongegronde' beschuldigingen van Mahieu. Ze noemt de aantijgingen lasterlijk en eerrovend, en belooft een klacht te zullen indienen tegen de financiële specialist. "We kunnen niet dulden dat leugenachtige uitlatingen en kwaadwillige beweringen het bedrijf in diskrediet brengen.
Broer Brusselse procureur beschuldigt Albert Mahieu van laster
Pierre Dejemeppe, broer van de Brusselse procureur Benoît Dejemeppe, legt klacht neer met burgerlijke partijstelling tegen financieel expert Albert Mahieu wegens laster en eerroof. Tegen een journaliste van de RTBF-televisie, die in een interview Mahieu aan het woord liet, dient Dejemeppe klacht in bij de deontologische raad van de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB). Op een persconferentie ontvouwde Mahieu vorige week zijn theorie over de opdrachtgevers van de Bende van Nijvel. De Bende-aanslagen op Delhaize-supermarkten waren volgens hem een gewelddadig antwoord op de weigering van de Delhaize-top om financiële verliezen die ze had afgewenteld op anderen, te vergoeden.
In de eerste reeks aanslagen van 1983 ziet Mahieu de hand van het Brusselse prostitutiemilieu van de Aarschotstraat. De tweede reeks moordende aanvallen in 1985 brengt hij in verband met vermeende pogingen van een Amerikaanse warenhuisgroep om een schadevergoeding af te dwingen van Delhaize. Ook op de vraag waarom de Bende-aanslagen telkens in Waals-Brabant plaatsvonden, heeft Mahieu een pasklaar antwoord. "Dat is het territorium van procureur Dejemeppe en procureur-generaal Jaspar. Ze werden door de maffia uitgedaagd op hun terrein. Ze stonden in het kamp van Delhaize, want ze beschermden de malversaties van de Delhaize-bestuurders." Nog steeds volgens Mahieu zijn beide magistraten verantwoordelijk voor het mislukken van het gerechtelijke onderzoek naar de Bende en zelfs voor het aanbrengen van het valse sporen die het onderzoek op een dwaalspoor brachten, zoals het fout gebleken spoor naar de Borain-bende.
In één adem herhaalde Mahieu een aantal eerder door hem geformuleerde beschuldigingen aan het adres van de familie Dejemeppe. Pierre Dejemeppe, de oudste broer van Benoît, zit volgens Mahieu via de familie van zijn vriendin, Grazia Menegalli, in het gokmilieu. Zij is de nicht van Mario Menegalli, de belangrijkste producent van bingospelen in Brussel. Vandaar is het maar een stap naar het prostitutiemilieu, want Mario Menegalli werkt samen met Antonio Torrini, die belangen heeft in de Aarschotstraat. Bijgevolg, zo besluit Mahieu wel erg voortvarend, is de Brusselse procureur "de superbeschermheer van de prostitutiemaffia". Een stelling waarmee hij overigens op één lijn staat met Johan Demol, de vroegere politiecommissaris van Schaarbeek en Vlaams Blok-kopstuk voor Brussel.
Pierre Dejemeppe, met wie de redactie gisteren telefonisch contact nam, ontkent niet dat hij samenwoont met Grazia Menegalli en dat sommige van haar familieleden zakelijke belangen hebben in de speelautomatensector. "Maar dat is een respectabele branche", zegt hij. "Er is geen enkel bewijs dat familieleden van mij belangen zou hebben in de prostitutiesector." Dejemeppe struikelde vooral over enkele uitspraken van Mahieu voor de RTBF-camera. "We leven in een democratisch land", zegt hij, "dus mag meneer Mahieu alle mogelijke onzin uitkramen. Maar ik stel vast dat de RTBF volledig geïsoleerd stond in de pers en dat de andere media niet eens melding hebben gemaakt van de familiale relaties van mijn broer." Procureur Benoît Dejemeppe zelf overweegt geen klacht in te dienen.
|
Bron » De Morgen
|
| Meer » Eigenbrakel | Overijse | Aalst | Claude Dubois | Cel Waals Brabant | Forum |