Als we nog een kans willen hebben om de zaak Christine Van Hees vooruit te helpen, dan moeten we in de eerste plaats het spoor volgen waarvoor nog concrete materiële aanwijzingen bestaan die kunnen worden gecontroleerd: het punkspoor.
Dat betekent niet dat dit spoor "uit principe" voorrang moet krijgen of dat het noodzakelijkerwijs het juiste spoor is. Het betekent alleen dat het, tussen de verschillende hypotheses, een van de weinige is die nog een mogelijkheid lijkt te bieden tot verificatie aan de hand van materieel bewijs.
Allereerst is er PV 12637 van de Gerechtelijke Politie van Brussel, van 22 mei 1984, waarin melding wordt gemaakt van de ontdekking op 161 Brand Whitlocklaan van een schrift met geplastificeerde kaft en blanco geruite bladen, waarvan meerdere bladen waren uitgescheurd. Dit schrift werd formeel herkend door de vader van Christine, en ook haar broer heeft het herkend.
Vervolgens is er PV 3623 van 14 januari 1985. Serge Clooth heeft meerdere tegenstrijdige bekentenissen afgelegd, wat uiteraard tot voorzichtigheid noopt. Maar in een van zijn versies voert hij iets zeer bijzonders aan: hij beweert zijn oprechtheid te kunnen bewijzen aan de hand van precieze materiële elementen.
Zo verklaart hij onder meer dat:
de bladzijden uit Christines schrift, dat in het kraakpand werd teruggevonden, als toiletpapier zijn gebruikt;
Christines jas en beha niet zijn verbrand;
de beha door Sylvie naar het kraakpand zou zijn teruggebracht en aan de muur zou zijn opgehangen;
hij vervolgens de elastieken van de beha zou hebben afgeknipt.
Depot nr. 1300/85 vermeldt inderdaad de inbeslagname van:
verschillende blanco geruite vellen papier met bruinachtige vlekken die fecale materie zouden kunnen zijn;
een gescheurde witte beha.
Volgens mij ligt hier een serieus aanknopingspunt voor verder onderzoek.
Welke onderzoeken zouden kunnen worden verricht, en waarom?
Biologische analyse van de vlekken op de bladen
Eerst zou moeten worden vastgesteld of het inderdaad om menselijke fecale materie gaat. Zo ja, dan zou eventueel een DNA-analyse kunnen worden geprobeerd. Het belang daarvan is tweeledig: nagaan of het door Clooth gegeven detail overeenstemt met een materiële werkelijkheid, en zien of er nog een bruikbaar genetisch profiel kan worden verkregen.
Vergelijking van de bladen met het schrift dat door de familie is herkend
Men zou het papier, de ruitjes, de afmetingen, de afscheurranden en de textuur kunnen onderzoeken. De vraag is eenvoudig: komen deze bladen inderdaad uit Christines schrift? Zo ja, dan zou dat extra gewicht geven aan dit deel van zijn verklaring.
DNA-analyse van de beha
De gescheurde witte beha zou met de huidige technieken opnieuw kunnen worden onderzocht op biologische sporen: cellen, zweet, bloed, speeksel, contact-DNA. Dat zou kunnen helpen vast te stellen wie dit voorwerp heeft aangeraakt of gemanipuleerd.
Textielonderzoek van de beha
Het zou nuttig zijn vast te stellen of de schade het gevolg is van lostrekken, van een nette knip, of van meerdere handelingen. Als de elastieken werkelijk zijn doorgeknipt, dan zou dat mogelijk materieel kunnen worden bevestigd.
Algemene herbeoordeling van de waarde van de bekentenis
De echte vraag is misschien deze: heeft Clooth een detail genoemd dat alleen iemand die werkelijk betrokken was kon kennen, of heeft hij eenvoudigweg een verhaal opgebouwd op basis van informatie die al in omloop was? Hoe meer zijn precieze beweringen overeenstemmen met daadwerkelijk in beslag genomen voorwerpen, hoe belangrijker die vraag wordt.
In mijn ogen ligt de waarde van dit spoor dus niet daarin dat het “per se het juiste” zou zijn, maar daarin dat het een van de weinige sporen is die nog steunen op geïdentificeerde materiële voorwerpen:
een schrift dat door de familie is herkend, bevlekte bladen die door de politie in beslag zijn genomen, en een gescheurde witte beha die eveneens in beslag is genomen.
Waar veel andere sporen vandaag lijken te berusten op verhalen, intuïties of hypothesen, lijkt dit spoor nog altijd, althans in theorie, ruimte te laten voor wetenschappelijke verificatie.
Het loont ook de moeite om het alibi van Renaud Thill van nabij te bekijken.
Een eerste proces-verbaal lijkt hem op het eerste gezicht buiten schot te zetten:
PV 20259 - Gerechtelijke Politie Brussel - 17 september 1984 - 15.30 uur
Verificaties inzake de aanwezigheid van THILL in de kazerne op de dag van de feiten. THILL = Vicious. Was aanwezig in de kazerne op 13 februari 1984 (271e Compagnie van het 4e Logistiek Bataljon in Propsteierwald, Duitsland).
Maar de onderzoekers namen met die enkele bevestiging geen genoegen. Zij zetten hun verificaties voort.
PV 489/C - Gerechtelijk Detachement – BPS 7 - 21 september 1984 – 15.20 uur
Onderzoek in de Bondsrepubliek Duitsland naar de aanwezigheid van THILL Renaud. Volgens de eerste elementen van het onderzoek blijkt dat hij zich op 13 februari 1984 in de Bondsrepubliek Duitsland bevond.
En diezelfde dag:
PV 20269 - Gerechtelijke Politie Brussel - 21 september 1984 – 09.30 uur
THILL was op 13 februari 1984 niet met verlof.
Daar stopt het onderzoek niet. De politie bekijkt vervolgens het register en stelt een probleem vast.
PV 20855 - Gerechtelijke Politie Brussel - 27 september 1984 – 15.00 uur
Verhoor van FILLEUX Philippe. Mede-milicien van THILL Renaud, maar niet in staat te zeggen of deze op 13 februari 1984 in de kazerne was. Vaststelling van overschrijvingen op het wachtblad.
Met andere woorden: de onderzoekers zien een anomalie op het wachtblad. In dit stadium zijn zij duidelijk wantrouwig. Vervolgens gaan zij zelf naar de kazerne in Duitsland.
PV 20853 - Gerechtelijke Politie Brussel - 28 september 1984 – 11.00 uur
Onderzoek in de Koningin Astridkazerne in Propsteierwald. Verificaties inzake de aanwezigheid van Renaud Thill op 13 februari 1984. Vaststelling van overschrijvingen op het wachtblad.
Dan komt de uitleg van de postoverste:
PV 514/C - Gerechtelijk Detachement – BPS 17 - 1 oktober 1984
Verhoor van K. Serge. Was postoverste in het kamp te Propsteierwald van 13 februari 1984 om 08.00 uur tot 14 februari 1984 om 08.00 uur. Erkent dat hij verbeteringen heeft aangebracht op het wachtverslag omdat hij 08.00 uur had ingevuld in plaats van 20.00 uur. Bevestigt dat THILL zijn wacht effectief heeft gedaan van 13 februari 1984 om 20.00 uur tot 14 februari 1984 om 04.00 uur.
En daar lijkt het onderzoek naar Thills alibi tot stilstand te zijn gekomen. Naar mijn mening had het daar niet mogen stoppen. De vermoedens van de onderzoekers hadden hierdoor versterkt moeten worden, niet weggenomen. Waarom? Omdat zelfs als men deze nieuwe versie aanvaardt, Thills alibi niet langer waterdicht is.
Als Thill pas vanaf 20.00 uur wacht moest lopen, verandert dat veel. Met de auto wordt de reistijd geschat op ongeveer 90 minuten. Dat betekent dat hij Brussel rond 18.00-18.30 uur had kunnen verlaten en toch nog op tijd in de kazerne kon aankomen. Als men uitgaat van een tijdsvenster van het misdrijf dat rond 18.00 uur eindigt, sluit dit hem dus niet langer duidelijk uit.
Er is nog een ander verontrustend punt: de uitleg voor de verbetering.
Er wordt ons gezegd dat een militair, gewend om uren in het 24-uursysteem te noteren, per vergissing 08.00 uur zou hebben geschreven in plaats van 20.00 uur. Dat is natuurlijk mogelijk. Maar is het echt overtuigend? Als men militair is, ademt men het 24-uursysteem. Het 12-uursysteem bestaat eenvoudigweg niet.
In een wachtregister staat normaal een logische opeenvolging van inschrijvingen, met op elke regel een uur en een naam. Vereenvoudigd, met fictieve namen, zou dat er ongeveer zo uitzien:
08.00 uur – M. Smith
12.30 uur – J. Jones
15.00 uur – D. Boone
08.00 uur – R. Thill?
De vraag is eenvoudig: is het aannemelijk dat een wachtpost in die context plots 08.00 uur in plaats van 20.00 uur heeft geschreven, terwijl hij de vorige inschrijvingen ziet en precies is opgeleid om het militaire uurstelsel te gebruiken?
Ik zeg niet dat dit bewijst dat het alibi vals is. Ik zeg wel dat dit destijds, en nog steeds, ernstige vragen rechtvaardigt.
Van daaruit verdienen verschillende punten nader onderzoek:
de precieze aard van de overschrijvingen op het wachtblad;
het materiële aspect van de correcties;
de precieze chronologie van de aanpassing;
de samenhang van het register als geheel;
en vooral de praktische consequentie van het tijdstip van 20.00 uur: had Thill materieel nog de tijd om Brussel na de feiten te verlaten en de kazerne te bereiken?
Samengevat: de politie heeft zelf, door haar verplaatsingen en opeenvolgende verificaties, laten zien dat zij dit alibi wantrouwde. En toch lijkt alles, zodra de uitleg werd gegeven, te zijn stilgevallen. Terwijl die uitleg, in plaats van de kwestie definitief te sluiten, echte vragen laat bestaan.
Ik heb het punkspoor in mijn twee vorige posts besproken. Ik sluit af met een laatste punt: de manier waarop sommige journalisten dit spoor hebben behandeld.
Voor velen blijft het standaardwerk "Les dossiers X - Ce que la Belgique ne devait pas savoir sur l’affaire Dutroux", van Annemie Bulté, Douglas De Coninck en Marie-Jeanne Van Heeswyck.
Juist daarom is het belangrijk om nauwkeurig te zijn wanneer men herleest wat zij schrijven over bepaalde sporen in het dossier Christine Van Hees.
Over Renaud Thill schrijven zij:
C’est dans cette ambiance que la PJ apprend – horreur – qu’un des quatre inculpés a un alibi en béton. Renaud Thill fait son service militaire en Allemagne et il était présent à la caserne le 13 février 1984. Les enquêteurs pensent que le registre a été trafiqué, mais le labo judiciaire et les autorités militaires leur démontrent qu’ils se trompent. Thill peut disposer.
Zo gepresenteerd krijgt de lezer de indruk dat de kwestie definitief is opgelost en dat er geen enkele ernstige twijfel meer bestaat.
Maar zoals ik in mijn vorige post heb laten zien, is die voorstelling van zaken niet gerechtvaardigd. Ook wat Clooth betreft, is de voorstelling in het boek problematisch.
De auteurs schrijven:
Le 16 janvier 1985, Clooth répète ses aveux devant le magistrat instructeur et jure que cela restera ‘sa dernière version des faits et la seule qui soit exacte’. Bien sûr, il se rétracte à nouveau le 17 juin 1985.
Maar afgezien van de spottende toon waarmee deze bekentenis wordt behandeld, verzwijgt deze samenvatting een belangrijk punt: Clooth heeft niet alleen gesproken. Hij heeft ook materiële elementen aangevoerd die zijn oprechtheid zouden moeten bewijzen, met name met betrekking tot Christines schrift en de beha. Die elementen staan wel degelijk in de stukken, en zij verdienden op zijn minst te worden vermeld, ook al blijft men voorzichtig over de algemene waarde van zijn bekentenissen.
Het meest storende punt betreft naar mijn mening echter Clooths alibi.
Het boek schrijft in wezen dat dit alibi is geverifieerd en dat het, net als dat van Thill, "ijzersterk" zou zijn:
Lors d’un interrogatoire précédent, il avait donné un alibi pour ses activités du 13 février 1984. Il a l’esprit trop confus pour lire attentivement son dossier pénal, mais s’il le faisait, il s’apercevrait que cet alibi a été vérifié et qu’en plus – miracle – il est en béton. Le 13 février, le jour du meurtre, il s’est cassé la main droite et s’est rendu à l’hôpital militaire de Neder-over-Heembeek pour la faire plâtrer. Une attestation de l’hôpital le confirme.
Zo gepresenteerd begrijpt de lezer vanzelf dat het ziekenhuis heeft bevestigd dat Clooth op 13 februari 1984, dus op de dag van de moord, gips heeft gekregen.
Maar dat is niet wat het geciteerde proces-verbaal zegt. De journalisten hebben zich in de datum vergist.
PV 24640 - Gerechtelijke Politie Brussel - 26 november 1984 – 09.00 uur
Het militair ziekenhuis heeft bevestigd dat bij Clooth op 13 januari 1984 gips werd aangebracht wegens een breuk van de rechterhand.
Het gaat dus om 13 januari 1984, en niet om 13 februari 1984.
Dat verschil is uiteraard essentieel. Gips dat een maand eerder is aangebracht, is iets totaal anders dan een ziekenhuisbezoek op de dag van het misdrijf zelf. Dit voorstellen als een "waterdicht" alibi voor 13 februari is dus op zijn minst diep misleidend.
Om af te sluiten: wat de sporen Thill en Clooth betreft, is hun versie niet trouw aan wat de processen-verbaal laten zien.
En in een dossier van deze ernst kan dit soort vereenvoudiging de perceptie van lezers blijvend beïnvloeden.