1

De Franse stay-behind oorlog is een erg complex verhaal. We weten dat een deel van Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met nazi-Duitsland, namelijk onder het Vichy regime van generaal Philippe Pétain. Daar tegenover stond generaal Charles de Gaulle die naar Londen vluchtte en er naar eigen overtuiging de enige legitieme Franse regering uitriep. Vanuit Londen werd de basis gelegd voor een Franse geheime dienst, Bureau Central de Renseignement en d'Action (BCRA), die de strijd tegen de bezetter ondergronds moest verderzetten.

Toen voor Frankrijk de oorlog voorbij was, werd de 4de republiek geïnstalleerd met als eerste minister Charles de Gaulle van de Mouvement Républicain Populaire (MRP). De eerste nationale verkiezingen vonden plaats in oktober 1945. Door de enorme verdiensten van de communisten tijdens het verzet won de communistische partij glansrijk de verkiezingen. Met 26% voor de communisten en voor de socialisten 24%, vormde het linkse kamp een grote meerderheid tegenover slechts 23% voor het rechtse kamp in de hoedanigheid van de MRP. Charles de Gaulle had de communisten belangrijke ministerposten beloofd, maar hield zich niet aan zijn woord.

Het protest was zo hevig dat de Gaulle uiteindelijk in januari 1946 moest opstappen. Een logische stap was nu het verdelen van de ministerposten onder de communisten en socialisten, maar eigenaardig genoeg weigerden die laatsten. Zij hadden uit goede bron vernomen dat een communistische deelname aan de regering als gevolg zou hebben dat Frankrijk niet zou kunnen genieten van de Marshall-plangelden, die het land nochtans broodnodig had. Nieuwe verkiezingen werden in november 1946 uitgeschreven, maar opnieuw kwamen de communisten als grote overwinnaar uit de stembus, ditmaal met hun hoogste score ooit van 29 %.

De VS waren nu danig gealarmeerd en besloten met alle macht de communistische partij te elimineren. Op initiatief van zowel de VS als de Britse Special Air Service (SAS) werd overgegaan tot de installatie in Frankrijk van een reeks gewapende netwerken die als missie kregen de CP met alle middelen van machtsovername te weerhouden. Dit "geheime leger" kreeg de codenaam "Plan Bleu". Daarnaast werd een nieuwe Franse geheime dienst geïnstalleerd, maar die werd door de aanwezigheid erin van voormalige communistische verzetslui algauw vervangen door een betrouwbare anticommunistische geheime dienst, de Service de Documentation Extérieure et de Contre-Espionnage (SDECE).

De agenten van Plan Bleu werden vanzelfsprekend onder getrainde anticommunisten gerekruteerd. Daarnaast werd hun anticommunistische oorlog gefinancierd door rijke industriëlen, bij wie zij aanzienlijke sommen collecteerden.

Maar Frankrijk werd intussen geteisterd door massale communistische stakingen. Het kwam bovendien tot grote spanningen tussen de socialistische eerste minister Ramadier en de communistische ministers, die hij uiteindelijk uit zijn kabinet verjaagde. De eerste minister handelde hier in uitdrukkelijke opdracht van de VS, nogmaals onder de dreiging dat Frankrijk anders niet van de Marshall-plangelden zou kunnen genieten.

Een héél lang leven was Plan Bleu echter niet beschoren. De communisten waren weliwaar uit de regering gezet, maar de socialisten deden een zeer onaangename ontdekking. Zij kwamen op het spoor van een zwart verzetsnetwerk, bestaande uit extreem-rechtse verzetslui, Vichy-collaborateurs en monarchisten, dat tot doel had de Franse regering te destabiliseren. Na verschillende onderzoeken en arrestaties ontdekte de regering de ware doelstelling van Plan Bleu. Via het stellen van terroristische daden, die vervolgens in de schoenen van links werden geschoven, trachtte men het juiste klimaat te creëren voor een staatsgreep die gepland was voor de zomer van 1947.

Plan Bleu werd misschien wel opgerold, de communisten uit de regering geweerd, maar de Franse politiediensten werden intussen volledig gedomineerd door secuur aangeworven en gepromoveerde rabiate anticommunisten. Commissaris Jean Dides, voormalig OSS-medewerker, leidde een clandestiene Franse paramilitaire anticommu- nistische politie-eenheid, die opereerde onder het ministerie van binnenlandse zaken. Dit tot grote tevredenheid van het Amerikaanse State Department, zoals blijkt uit een volgend schrijven uit 1949 van de Amerikaanse ambassade in Frankrijk:

"To fight the danger of communism, France has organised cells of restrained but efficient policemen. Also Italy is erecting such anti-communist police squads under the control of Interior Minister Mario Scelba, using commandos of the former fascist police."

Maar Jean Dides leidt ons nog naar een andere organisatie die door de CIA in Europa was geïnstalleerd met als doel de geheime oorlog tegen het communisme te voeren. Tezamen met andere bevelhebbers van anticommunistische politiediensten geëngageerd in de geheime oorlog in West-Europa, nam ook Dides geregeld deel aan meetings van Paix et Liberté. (...)

Maar nu terug naar Frankrijk. Plan Bleu werd weliswaar in 1947 afgevoerd, maar de SDECE werkte in het volste geheim verder aan de uitbouw van een nieuw clandestien anticommunistisch leger, ditmaal onder de codenaam "Rose des Vents". Vanaf de oprichting van de NAVO in 1949, met hoofdzetel te Parijs, zou de SDECE trouwens haar geheime anticommunistische oorlog in nauwe samenwerking met die militaire alliantie voeren. Vanaf 1951 werd bovendien de geheime samenwerking met de VS geïntensifieerd toen de SDECE een Amerikaanse afdeling opende te Washington.

Vanaf hier wordt het verhaal van de Franse stay-behind uiterst complex. De "Rose des Vents", het Franse Gladio, kreeg gelijkaardige opdrachten als het Belgische SDRA 8: evacuatievoorbereidingen, voorzien van een geschikte exile basis in het buitenland, trainingen voor sabotage, guerrilla en spionage. Trainingen vonden plaats zowel in verschillende delen van Frankrijk zoals de Pyreneeën, als ook daarbuiten en steeds in nauwe samenwerking met de Franse speciale krijgsmacht. Vooral opmerkelijk was de betrokkenheid van het uiterst hoog opgeleide Franse parachutisten commando, de 11e Demi-Brigade Parachutiste du Choc, kortweg 11e du Choc. Hun relatie met het geheime leger was intens en verschillende officieren van de 11e du Choc waren ook lid van de Rose des Vents. Net zoals de Britse SAS fungeerde als de eenheid die voor MI 6 de vuile klusjes moest opknappen, was de 11e du Choc de ijzeren vuist van de SDECE.

Sinds de Tweede Wereldoorlog opereerde de 11e du Choc echter voornamelijk in Indochina en Afrika, waar Frankrijk tevergeefs poogde zijn respectievelijke kolonies Vietnam en Algerije te behouden. De eenheid die aldaar de vuile klusjes moest opknappen was dus de 11e du Choc, wat maakte dat de agenten op het hoogste niveau getraind waren in guerrilla en sabotage. Eén van de meest prominente leden van de 11e du Choc was niemand minder dan Yves Guérin-Serac, notoire agent die in Vietnam en Korea dienst had gedaan, en zoals we al zagen, later betrokken was in het geheime Portugese anticommunistische leger Aginter Presse.

Het is uitgerekend door het samengaan van de koloniale belangen met die van de geheime anticommunistische strijd dat de Franse stay-behind ging ontsporen. Toen vanaf 1958 de onafhankelijkheidsstrijd van Algerije in alle hevigheid uitbarstte wist de overheid aanvankelijk niet goed hoe te reageren. De Franse geheime dienst en het leger daarentegen waren formeel: de Franse kolonie moest kost wat kost behouden blijven en de strijd tegen het Algerijnse bevrijdingsfront FNL moest worden geïntensifieerd.

Toen de eerste Franse gevangenen door het FNL werden vermoord, plande de Franse geheime dienst en het leger een staatsgreep in Frankrijk, die de toenmalige regering omver moest werpen en een nieuwe zou installeren. De 11e du Choc speelde in dit proces een cruciale rol, zij het op twee ver uit elkaar liggende niveaus. Een deel van de geheime soldaten wilde met de staatsgreep Charles de Gaulle terug aan het bewind brengen. Een ander deel verzette zich hier tegen. De coup van de Gaulle werd echter een succes en in mei 1958 nam hij de regering over en installeerde de 5de Republiek.

De aanhangers van de Gaulle wachtte echter een onaangename verrassing. Men had verwacht dat de Gaulle de koloniale politiek van een Frans Algerije zou steunen, maar hij besliste net het tegenovergestelde en zette het licht definitief op groen voor een Algerijnse onafhankelijkheid. In 1962 zou het land die onafhankelijkheid ook daadwerkelijk verwerven. De 5de Republiek werd dan ook door de geheime soldaten met veel wantrouwen bejegend. Na een aanvankelijk aarzelen kwam het uiteindelijk tot een finale breuk in de 11e du Choc. In 1961 kozen de meeste leden voor een Frans Algerije en richtten in Algerije de clandestiene en illegale Organisation Armée Secrète (OAS) op.

Wat de OAS-coup voorstond was tweeledig: het behoud van de Franse kolonie en dus het verderzetten van de strijd tegen het FLN, wat Parijs ook dicteerde, en de omverwerping van de 5de Republiek en haar president Charles de Gaulle, door die te vervangen door een militante anticommunistische autoritaire Franse staat.

De OAS-coup kwam er op 22 april 1961 toen vier Franse generaals onder leiding van generaal Challe in Algerije de macht grepen. In die coup zouden ook de CIA, het Pentagon en geheime NAVO soldaten betrokken zijn geweest. Eén van de redenen voor die veronderstelling ligt in het feit dat generaal Challe NAVO-bevelhebber was in de Chief Allied Forces Central Europe en in die hoedanigheid nauwe banden had met zowel het Pentagon als diverse VS-officieren en het geheime stay-behind leger van de NAVO.

Voorts onthulde een artikel in L'Express uit mei 1961 van Claude Krief, dat 10 dagen voor de coup, namelijk op 12 april 1961, een geheime meeting had plaatsgevonden in Madrid waar diverse buitenlandse agenten waaronder leden van de CIA en de Algerijnse samenzweerders samen waren gekomen en het plan voor een coup bespraken. Tijdens de meeting bekloegen de Amerikanen er zich trouwens over dat de politiek van de Gaulle de NAVO-werkzaamheden paralyseerde en de Europese veiligheid in het gedrang bracht. Zo zouden zij de putsch-generaals verzekerd hebben dat wanneer hun plan slaagde, Washington binnen 48 uur de nieuwe Algerijnse regering zou erkennen.

De coup in Algerije hield echter maar 4 dagen stand en stortte nadien in. De erin betrokken geheime agenten verloren de volledige controle en OAS ontspoorde in het plegen van moordaanslagen op officiële vertegenwoordigers in Algiers en ging zelfs over tot het plegen van bankovervallen. De gewelddadigheden breidden zich ook uit naar Frankrijk zelf, waar Charles de Gaulle slechts op het nippertje aan diverse moordaanslagen wist te ontsnappen. De strijd van de Franse geheime diensten en het leger tegen OAS was uiterst moeilijk, omdat de Franse geheime diensten heel wat OAS-sympathisanten in haar gelederen telde.

OAS faalde echter in haar twee doelstellingen en in maart 1962 verwierf Algerije haar onafhankelijkheid. De Gaulle bleef intussen op post. De 11e du Choc werd grotendeels opgedoekt. Het resterende deel kwam onder strikte Gaullistische controle te staan. Het geheime CIA-leger, door de NAVO ontworpen als een anticommunistische stay-behind, was zich dus tijdens de Algerijnse crisis met binnenlandse aangelegenheden gaan bezighouden, in de totale afwezigheid van een Sovjetinvasie. Het gevaar van geheime oorlogvoering bestond duidelijk uit het totale gebrek aan controle van de democratische instellingen op de geheime soldaten.

Het is hier interessant om even bij de figuur Charles de Gaulle stil te staan en zijn rol in de geheime oorlogvoering in Frankrijk. Gedurende heel zijn professionele leven maakte de Gaulle er de spil van uit. Pas in 1969 toen hij werd opgevolgd door Georges Pompidou legde hij de strijdbijl neer. Een jaar later overleed de Gaulle op 80-jarige leeftijd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij het verzet geleid. Tijdens de 4de Republiek had hij het geheime leger aangewend om een einde aan die Republiek te stellen en zelf weer aan de macht te komen. Tijdens de 5de Republiek werd hij dan weer doelwit van een staatsgreep van diezelfde geheime dienst, om maar te zwijgen van de diverse moordaanslagen in opdracht van het geheime leger waaraan Charles de Gaulle op wonderbaarlijke wijze steeds weer wist te ontsnappen. Zijn houding ten aanzien van de CIA was er steeds één geweest van argwaan. Hij beschuldigde de CIA ervan het Westen te manipuleren en betrokken te zijn in geheime oorlogvoering.

Toen de NAVO in 1949 werd opgericht, werd het hoofdkwartier, evenals dat van de SHAPE, in Parijs gestationeerd. Frankrijk was daarom uiterst kwetsbaar voor de NAVO én voor de geheime CIA-oorlog. Want tezamen met de NAVO werd ook het geheime Gladio-commandocentrum Clandestine Planning Committee (CPC) in Parijs gevestigd. Het was dan ook een enorme schok voor Washington toen Charles de Gaulle in maart 1966 Frankrijk eenzijdig uit de NAVO terugtrok en de VS met aandrang gebood het grondgebied te verlaten. De NAVO verhuisde vervolgens naar Brussel en in 1968 werd ook de zetel van de CPC naar Brussel overgebracht. Later was dit ook het geval voor het ACC, getuige het feit dat de laatste meeting ervan op 23-24 oktober 1990 in Brussel plaatsvond.

Toen de Gaulle het Franse leger terugtrok uit het militair geïntegreerde commando van de NAVO, werden parallel hiermee ook enkele geheime akkoorden tussen de VS en Frankrijk opgeheven. Bij die gelegenheid werd dus onthuld dat geheime protocols met betrekking tot de strijd tegen de communistische subversie wel degelijk bestonden en bilateraal waren ondertekend door de VS en haar NAVO-bondgenoten.

Maar de Gaulle hekelde die protocollen als een inbreuk op de nationale soevereiniteit. Gelijkaardige clausules werden ook in andere NAVO-landen ontdekt. Meer zelfs, een geheime clausule in de oorspronkelijke NAVO-overeenkomst uit 1949 stipuleerde dat vooraleer een natie lid kon worden het reeds een nationale veiligheidsdienst moest hebben geïnstalleerd dat via clandestiene burgerlijke kaders het communisme kon bestrijden.

Na de Algerijnse crisis werd de Franse stay-behind echter niet opgedoekt, maar hervormd. De Rose des Vents werd door de Gaulle weliswaar verzwakt, maar zijn eigen SAC kwam daarentegen versterkt uit de strijd en werd de Gaulle's persoonlijke pretoriaanse wacht. Zoals hoger al aangegeven was de SAC de opvolger van de Service d'Ordre (SO) van het na de Tweede Wereldoorlog opgerichte RPF. Officieel een "ordedienst" was de SO in werkelijkheid de anticommunistische knokploeg van de RPF. De politieke vuile klusjes werden aan hen overgelaten zoals stakingen breken, communistische militanten te lijf gaan, en bovenal Gaullistische politici en groepen beschermen.

Noch de RPF, noch de SO waren succesvol tijdens de 4de Republiek en in 1954 werd de RPF opgeheven. Maar de volgelingen van de Gaulle onderhielden contact met elkaar en ondersteunden de coup van 1958 die de Gaulle terug aan de macht bracht. In 1958 werd uit diezelfde kernen de SAC opgericht. Een belangrijke figuur was Jacques Foccart, directeur en spirituele vader van de SAC. Als geheim agent en supporter van de Gaulle speelde hij een actieve coördinerende rol in de coup van 1958, via de militaire diensten, de inlichtingendiensten en oude verzetscontacten.

Foccart speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog een dubieuze rol en vocht nu eens aan de zijde van het verzet, dan weer in de collaboratie. Hij slaagde echter tijdig het juiste kamp te kiezen, en na de oorlog vervoegde hij de kringen rond de Gaulle. De SAC was echter meer dan alleen de persoonlijke knokploeg van de Gaulle. Trainingen vonden plaats te Cercottes nabij Orléans en de leden werden onder meer uit de SDECE en de 11e du Choc gerekruteerd. Bij de onthullingen van Gladio in 1990 wist men het trainingskamp te Cercottes trouwens te identificeren als één van de centra van de geheime oorlogvoering waar Franse gladiatoren training genoten.

Geheel verrassend was dit niet, want reeds in 1981 had een parlementaire onderzoekscommissie naar het reilen en zeilen van de SAC, ingezet onder François Mitterand, op de banden tussen SDECE, de SAC en het OAS-netwerk in Afrika gewezen. De SAC kende haar hoogtepunt qua ledenaantal tijdens de revoltes van mei 1968. Vele SAC-agenten kwamen toen hardhandig tussenbeide. 10 à 15% van de SAC-leden waren extreem-rechtse figuren en ronduit gangsters. Uiteindelijk beval de onderzoekscommissie in 1982 de opheffing van de SAC. Ook de SDECE moest eraan geloven, maar die transformeerde in stilte en in de hoedanigheid van Direction Générale de la Sécurité Extérieur (DGSE) zette het haar Gladioactiviteiten in nauwe samenwerking met de NAVO gewoon verder.

Gladio Frankrijk is dus inderdaad erg complex, temeer omdat op diverse inherent vijandelijke fronten eenzelfde oorlog werd gevoerd. Het schisma binnen de Franse staat na de terugtrekking van Frankrijk uit de NAVO heeft blijkbaar geenzins belet dat de SDECE (in handen van de CIA en de NAVO) ook samenwerkte met de SAC (Gaullistisch) en de OAS (anti-Gaullistisch) en de 11e du Choc die in beide kampen thuis was.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube