Hier passeren een heleboel protagonisten de revue » wikispooks.com

Helemaal beneden (source #5) is het ATLAS-dossier en een Engelstalige vertaling ervan terug te vinden. Voor de Nederlandstalige versie kan men terecht in Walter Baeyens' Crapule de Luxe.

12

Het kasteel uit post 6?

Over the years since, neo-Templar societies have sprung up, including the Sovereign Order of the Solar Temple, founded by Jacques Breyers in 1952. He'd had mystical experiences at a castle in France and had decided to re-energize the ideals of the order. His work influenced Di Mambro and Jouret.

Dan komt familie Haemers in beeld in relatie tot de Orde van de Zonnetempel!

13

Copy Paste vanop Tueries :

The basis of Przedborski's wealth appears to have been the diamond trade and smuggle. As early as the 50s, when he arrived in Belgium, Przedborski reportedly already enjoyed the friendship of the King of Kasai [rich province of the Belgian Congo].

Volgens Leo Wanta (New Republic / USA Financial Group, zie Atlas) was de kolonel-bodyguard van Felix een zekere Shlomo Lazar.

In de opsomming van het archief van Walter De Bock duikt (natuurlijk) ook de naam van F. Przedborski op. Zijn thuisland (sic) was reeds gekend door VDB en zijn kapitaalvluchten, maar ook Prins Alexander (zoon van Leopold III en Lilian Baels) was blijkbaar met Felix goed bevriend. En deze Alexander was ook niet onbesproken: speelschulden (!), dronkenschap, zakenrelatie met P. Salik (inplanting textielfabriek in Spanje), handelszaken (?) in Congo en Zuid-Afrika en waarschijnlijk dader vluchtmisdrijf. M.a.w. een ideaal figuur om te chanteren of het koningshuis in verlegenheid brengen.

Bron: Kroongeheimen | Thierry Debels

16

Met "thuisland" wordt hier waarschijnlijk Costa Rica genoemd (zie ook Michel Vander Elst).

17

Gerechtelijk eerherstel

INZAKE:

  • De heer Felix Przedborski, diplomaat en zijn echtgenote mevrouw Helene Krygier, zonder beroep, samenwonende te Escazu-San Jose (Costa Rica), Condominio Bellavista Fronte-Country Club;

  • De heer Daniel Przedborski, advocaat, wonende te 1208 Genève (Zwitserland), 9c, Plateau de Fronteney;

  • De heer Serge Przedborski, dokter in de geneeskunde, wonende te 10023 New-York (USA), 101 West, 67th Street,

eisers, vertegenwoordigd door Meester Carre, advocaat met kantoor te 1050 Brussel, F.D. Rooseveltlaan, 204.

TEGEN:

  1. De heer Walter Hendrik Anna De Bock, wonende te 3040 Huldenberg, Loonbeekstraat 4;

  2. De NV DE Morgen, ingeschreven in het H.R. van Brussel onder het nummer 521.852, met maatschappelijke zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 347;

  3. De heer Yves Desmet, journalist, in zijn hoedanigheid van verantwoordelijk uitgever van het dagblad De Morgen, met kantoren te 1070 Anderlecht, Brogniezstraat 54;

verweerders, vertegenwoordigd door Meester G. Glas, advocaat met kantoor te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268 A.

In deze zaak in beraad genomen op 10 november 1998 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid:

  • de dagvaarding betekend op 29 december 1995 aan eerste en derde verweerder en op 2 januari 1996 aan de nv De Morgen

  • de beschikking gewezen op 10.03.1998 op grond van artikel 747 § 2 Ger. Wb.

  • de besluiten, tweede besluiten en aanvullende besluiten van aanleggers neergelegd ter griffie respectievelijk op 8.05.1996, 14.07.1998 en 14.07.1998

  • de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten van verweerders, neergelegd ter griffie respectievelijk op 13.09.1996, 15.04.1998 en 15.09.1998.

Gehoord de advocaten van de partijen ter openbare terechtzitting van 13 oktober 1998, in aanwezigheid van het openbaar ministerie (art. 764, 4° Ger. Wb.) waarna de zaak medegedeeld werd aan het openbaar ministerie voor een schriftelijk advies, verleend ter openbare zitting van 10 november 1998, datum waarop de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

De vordering van eisende partijen strekt verweerders hoofdelijk te horen veroordelen tot betaling van 10.000.000 frank aan eerste eiser, van 5.000.000 frank aan tweede eiseres, van 1.000.000 frank aan derde eiser en van 1.000.000 frank aan vierde eiser, bedragen die telkens verhoogd dienen te worden met vergoedende intresten sinds 5.07.1995.

Tevens werd door aanleggers de publicatie gevraagd in vijf Nederlandstalige dagbladen en in vijf Franstalige dagbladen naar keuze van verzoekers. Bij eerste besluiten wordt de vordering van aanleggers uitgebreid, in die zin dat weliswaar de publicatie van het vonnis niet meer in vijf maar in vier Franstalige en vier Nederlandstalige dagbladen gevorderd wordt, maar dat deze dagbladen gepreciseerd worden (Le Soir, La Libre Belgique, La Dernière Heure, L'Echo, De Morgen, De Financiële Economische Tijd, De Standaard, Het Laatste Nieuws), en de publicatie ook in andere dag- en weekbladen gevorderd wordt, nl. Costaricaanse dagbladen (La Nacion Le Republica, La Prensa Libra), Nederlandstalige weekbladen (Knack, Trends) en Franstalige weekbladen (Le Soir Illustré, Le Vif - L'Express), waarbij de kosten van publicatie onmiddellijk eisbaar zouden zijn bij overlegging van de facturen van publicatie. Bovendien vragen aanleggers de publicatie van het vonnis op de Internet-sites van La Nacion en van Le Soir Illustré en de terugbetaling van de vertaalkosten met betrekking tot de stukken die door eisers aangewend worden (49.312 frank).

Verweerders besluiten tot de onontvankelijkheid van de vordering tegen eerste en derde verweerder en tot de ongegrondheid van de vordering tegen de eerste verweerder, hoogstens gegrond ten belope van 1 frank morele schadevergoeding, terwijl tevens bij tegenvordering een morele schadevergoeding van 1 frank gevorderd wordt wegens beweerde door eisers ten aanzien van verweerders geuite beschuldigingen van racisme en antisemitisme.

VOORGAANDEN

In het dagblad De Morgen van 5, 6 en 7 juli 1995 verscheen een artikelenreeks geschreven door de journalist Walter De Bock, met als onderwerp de heer Felix Przedborski. De heer Felix Przedborski, geboren op 12.12.1930, zou, zoals blijkt uit een uit het Duits vertaald stuk van de burgerlijke administratie van Duitsland dd. 1956 waarbij hem een vergoeding wegens oorlogsfeiten toegekend werd, tussen 1.05.1940 en 5 mei 1945 opgesloten zijn geweest in verscheidene concentratiekampen, waarna hij in 1945 in België als vluchteling terechtkwam en lange tijd in België verbleef.

Hij bekwam de Belgische nationaliteit in mei 1978 (kaft 9 - stuk 2 van eiser). Van zijn laatste adres in België, gelegen te Tervuren, werd hij door de gemeentelijke administratie afgeschreven voor Costa Rica op 25.09.1978, zoals blijkt uit een attest van goed zedelijk gedrag (blanco strafregister) afgeleverd door de gemeente Tervuren op 11.01.1996 (kaft 4 laatste stuk). Naderhand zou hij ook de Costaricaanse nationaliteit verworven hebben, in hoedanigheid waarvan hij op 15 april 1983 benoemd werd tot permanent vertegenwoordiger van Costa Rica bij het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie te Wenen, waar hij de rang van ambassadeur had (kaft 8 van eiser).

Tweede eiseres mevrouw Krygier Hélène is de echtgenote van eerste eiser en werd eveneens op 25.09.1978 van haar adres te Tervuren voor Costa Rica afgeschreven.

Derde en vierde eisers zijn de zonen van twee eerste aanleggers. Volgens de dagvaarding zou Daniël Przedborski advocaat zijn te Genève (Zwitserland) terwijl de heer Serge Przedborski in New York (USA) als geneesheer werkzaam zou zijn.

De NV De Morgen is de vennootschap die de uitgave van het dagblad De Morgen verzorgt. De heer Yves Desmet is de verantwoordelijke uitgever van dit dagblad terwijl de heer Walter De Bock de journalist is die de bestreden artikelenreeks geschreven heeft. De drie artikelen beslaan telkens een halve bladzijde van dit dagblad. De artikelenreeks werd niettemin ook geïntroduceerd door een artikel ('Opinie') dat op 5.07.1995 verscheen onder de handtekening van de heer Yves Desmet.

Opgemerkt wordt dat later in De Morgen van 15 december 1995 nogmaals een artikel van Walter De Bock verscheen over Felix Przedborski onder de titel 'Costa Rica zet diplomaat Przedborski aan de deur - Vriend van Claes en Cools was ook betrokken bij partijfinanciering en wapenhandel' (kaft 4 - stuk één van eiser) waartegen de oorspronkelijke dagvaarding nog niet gericht was.

Wat de ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van tweede en derde verweerder betreft. Overwegende dat de NV De Morgen en de heer Yves Desmet de onontvankelijkheid van de vordering opwerpen op grond van artikel 25 van de Grondwet.

Dat aanleggers, die zich hierbij onder meer op een arrest van het hof van beroep te Gent dd 3.03.1995 (RW 1996-'97, 540) beroepen, stellen dat de theorie van de getrapte aansprakelijkheid verworpen wordt door de meeste hoven en rechtbanken, zodat aanleggers aanvoeren dat zij hun vordering op grond van artikel 1.382 B.W. (en desgevallend op grond van artikel 1.384 B.W. in de mate dat de NV De Morgen als werkgever verantwoordelijk zou zijn voor de onrechtmatige daden van haar aangestelde), wel tegen de drie verweerders konden instellen.

Overwegende dat in artikel 25, tweede lid van de Grondwet bepaald wordt dat wanneer de schrijver bekend is en hij zijn woonplaats in België heeft, de uitgever, de drukker of de verspreider niet kan worden vervolgd.

Overwegende dat sinds de door aanleggers geciteerde of in hun bundel neergelegde rechtspraak in verband met het toenmalige artikel 18 van de Grondwet (nu artikel 25 van de gecoördineerde grondwet van 17.02.1994) en destijds ook verdedigd door deze rechtbank (zie onder meer Rb Brussel, 20ste kamer, 13.09.1994 inzake Claes W / Hermans-Criel (Trends), R.W. 1994-95, 955) het Hof van Cassatie bij haar arrest van 31 mei 1996 (R.W. 1996-97, 565; J.T. 1996, 597 samen met advies van advocaat-generaal Leclercq) duidelijk besliste, in tegenstelling met de vroegere rechtspraak, "dat dit artikel aan de uitgevers, drukkers en verspreiders het voorrecht verleent zich aan elke, zo strafrechtelijke als burgerrechtelijke, aansprakelijkheid te kunnen onttrekken wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft; dat het in die mate, de mogelijke toepassing van artikel 1.382 van het Burgerlijk Wetboek beperkt".

Dat luidens het advies van procureur-generaal Leclercq (punt 3 van zijn advies) deze regel ook van toepassing is ondanks de voordelen die mogelijke schadelijders zouden hebben door zich te beroepen op artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, zodat - gezien de algemene bewoordingen waarbij de aldus bij artikel 25 van de Grondwet aan de uitgevers, drukkers en verspreiders verleende immuniteit bevestigd wordt bij dit cassatiearrest van 31.05.1996 - vastgesteld dient te worden dat aanleggers zich ook niet zouden kunnen beroepen op artikel 1.384 van het B.W. ten overstaan van de werkgever van de schrijver(s) - voor het geval bewezen werd dat de NV De Morgen de werkgever was van de heer W. De Bock en de heer Y. Desmet op het ogenblik dat betwiste artikelen verschenen (ondergeschikt verband dat niet bewezen wordt maar dat ook door verweerders niet ontkend wordt).

Dat nu eerste verweerder als auteur bekend is, zijn woonplaats in België heeft en ook persoonlijk inzake betrokken werd, de hoofdvordening aldus onontvankelijk is in de mate dat deze gericht werd tegen de NV De Morgen. Dat de vordering van eisers ten overstaan van de heer Yves Desmet onontvankelijk is in de mate dat zij betrekking heeft op de door de heer Walter De Bock geschreven artikelen, en deze vordering aldus enkel ontvankelijk is met betrekking tot het korte artikel dat de heer Y. Desmet schreef ('opinie') toen het artikel op 5.07.1995 verscheen.

TEN GRONDE

Overwegende dat overeenkomstig artikel 10 E.V.R.M. eenieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting, dat de vrijheid omvat een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of door te geven zonder inmenging van overheidswege, maar dat volgens artikel 10 lid 2 E.V.R.M. de uitoefening van deze vrijheden ook plichten en verantwoordelijken met zich meebrengt en onderworpen kan worden aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn onder meer in het belang van de goede naam of de rechten van anderen.

Dat de vrijheid van pers en meningsvrijheid niet absoluut is; dat de pers kritiek mag geven, mits zij daarbij de objectiviteit voor ogen heeft en zich niet laat verleiden tot beledigende of lasterlijke uitlatingen. Dat artikel 22 van de Grondwet stelt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behalve in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

Dat de Grondwet met de daarin gewaarborgde vrijheid van drukpers en meningsuiting (art. 25 lid 1 en artikel 19) niet uitsluit dat een persoon een burgerlijke veroordeling tot schadeloosstelling op grond van artikel 1.382 B.W. wanneer ten gevolge van een bepaalde uitoefening van deze vrijheden het recht op eer of goede naam wordt gekrenkt, hetgeen een wettelijke sanctie uitmaakt in de zin van artikel 10, lid 2 E.V.R.M.

Dat een journalist bij de uitoefening van zijn beroep juiste, zo volledig mogelijke en objectieve informatie dient te verstrekken, de grootste zorgvuldigheid (wat de controle van het waarheidsgehalte en van de juistheid van eventueel geuite beschuldigingen, van aangehaalde feiten of gegevens betreft), gematigdheid, onbaatzuchtigheid, voorzichtigheid en omzichtigheid aan de dag moet leggen, zowel bij het zoeken naar informatie als bij de verspreiding ervan (Brussel, 21.11.1990, J.L.M.B., 1990, 24Rb Brussel, 14.12.1993, A.J.T., 1994-95, 70).

Dat, zo absolute objectiviteit niet mogelijk is, gelet op de precariteit van de controlemogelijkheden op de informatiebronnen, en zo op de journalisten geen resultaatsverbintenis rust nopens de juistheid van de door hen berichte feiten, dit nochtans niet wegneemt dat een journalist verplicht is zich te steunen op gecontroleerde gegevens voor zover dit redelijkerwijze binnen zijn mogelijkheden ligt (Brussel, 14.09.1998, JLMB, 1988, 1227; Brussel, 21.11.1990, JLMB, 1991, 24). Dat de aansprakelijkheid van de journalist slechts in het gedrang komt wanneer hij niet gehandeld heeft als een normale zorgvuldige journalist, die zich geplaatst ziet in dezelfde omstandigheden.

Overwegende dat in de meerdere persartikelen, geschreven door de heer Walter De Bock die reeds over eerste eiser een eerste artikel schreef verschenen in de krant De Morgen van 8 april 1995, de heer Felix Przedborski er uiteindelijk van beschuldigd wordt een internationale gangster te zijn, een zwaar gerechtelijk verleden te hebben, zijnde een "gestoffeerd gerechtelijk dossier dat sedert 1948 ononderbroken met criminele feiten werd aangevuld"; eerste eiser zou "specialist van valse identiteitsbewijzen zijn", "tweemaal betrapt op omkoping van een ambtenaar om de Belgische nationaliteit te verkrijgen", "in 1978 gesignaleerd als verdachte inzake internationale drughandel door Interpol", "een persoon die de Lufthansa voor 87 miljoen DM had opgelicht, waarna tegen hem een arrestatiebevel uitgevaardigd werd door de Duitse justitie", "hij zou naar aanleiding van een arrestatiebevel tegen de consul van Costa Rica in Monaco een van de verdachten zijn van internationale handel in verdovende middelen die gebeurt onder de bescherming van diplomaten van Costa Rica in Europa, naar aanleiding waarvan op 8.06.1979 zijn diplomatieke status op verzoek van de gerechtelijke autoriteiten in Europa ingetrokken werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken in Costa Rica", "dat al die connecties 'met hooggeplaatste beschermheren' verklaren hoe in de voorbije jaren de gangster volledig kon verdwijnen achter de rug van een achtenswaardige diplomaat" en dat naar aanleiding van "de bekroning van deze succesrijke metamorfose, besloot zijn vriend, minister van buitenlandse zaken Willy Claes, op 26 februari 1993 om Felix Przedborski bij koninklijk besluit een hoog ereteken toe te kennen", "maar dat op het allerlaatste moment nog een kink in de kabel dreigde te komen: Przedborski's naam was gevallen in verband met het Luikse onderzoek naar commissiegelden van de firma Agusta voor Belgische politici. Volgens sommigen zou een deel van het geld via Costa Rica bij een aantal Belgen beland zijn".

Dat de journalist verder schrijft dat eerste eiser na zijn vrijlating uit de concentratiekampen "in elk geval, belandde hij, zoals wij al schreven, meteen ook in het criminele milieu"; dat "hij persoonlijk failliet verklaard werd. De belastingen vorderden na recitificatie 1,3 miljard frank achterstallige belastingen maar de strafprocedure tegen Przedborski in de Lufthansa-zaak werd evenwel reeds in 1983 afgesloten in ruil voor betaling van 300 miljoen frank aan de Duitse en zo'n 50 miljoen frank aan de Belgische fiscus". Dat zijn business in de toeristische sector "onmogelijk aan de basis kan liggen van het miljardenfortuin dat Przedborski al rond 1975 had vergaard. Justitie noch belasting is er ooit in geslaagd de juiste herkomst van dat vermogen te achterhalen. Of dat mee uit wapen- en drughandel afkomstig is wordt momenteel in verscheidene Europese landen onderzocht". Dat in het eerste artikel van 8.04.1995 waarin tevens een foto gepubliceerd werd van minister Cools, zijn zoon en Przedborski in zijn villa te Antibes, wordt gesteld dat "de onbekende vriend van André Cools de sleutelfiguur is van een internationaal netwerk" "maar er zijn ook raakvlakken met meer clandestiene criminele activiteiten. Naar we vernamen zouden die ook een nieuw licht kunnen werpen op de achtergrond van de diverse Luikse affaires" waarbij in amper bedekte termen de betrokkenheid van Felix Przedborski bij de moord op de heer André Cools bedoeld wordt nu het artikel begint met de zinsnede "het onderzoek naar moord op Cools blijft voor verrassingen zorgen" terwijl in de aanhef van het artikel van 5 juli 1995 geschreven werd: "de mysterieuze man met de onuitspreekbare naam werd in verband gebracht met de moord op André Cools. Het leek hem niet te deren".

Overwegende dat verweerders zelf stellen (hun eerste besluiten blz. 12) dat deze artikelen werden geschreven naar aanleiding van het feit dat de naam van eerste eiser genoemd zou zijn in het kader van zowel de moord op de heer André Cools als in het kader van de Agusta-helikopteraankoop.

Dat het feit dat de heer Jean-Pierre Van Rossem in een persconferentie in april 1993 hiervan melding maakte, hetgeen in de krant De Morgen van 17.04.1993 zelf verscheen, op zich nog geen geloofwaardige bron uitmaakt, noch het feit dat er in een andere krant (Financieel-Economische Tijd van 31.03.1995) een korter artikel verscheen als blijkbaar ook overwegend gegrond was op dezelfde informatiebron als deze van de heer De Bock, nl. een geheim rijkswachtrapport.

Dat immers uit de voorgelegde dossierstukken blijkt dat het voornaamste bronmateriaal van de journalist een geheim rijkswachtrapport is dd. 21.11.1994 (nr. 37 / Ciel/M) nopens de georganiseerde misdaad, ('Russische Maffia en anderen' ref. dossier Atlas) opgesteld door de rijkswachters JM H. en D.D. van de BOB van Luik, toen nog niet ondertekend door de commandant G. van de BOB en ook bestemd voor de nationaal magistraat. Dat in dit rapport, dat bijna volledig in de voorwaardelijke wijze opgesteld werd, gesteld wordt dat een aantal gewezen ministers van België betrokken zijn in allerhande internationale wapensmokkel, die betaald wordt met heroïne en geld dat dankzij allerlei bij name genoemde advocaten en bankiers witgewassen wordt en waarbij in fine gesteld wordt dat deze 20 bladzijden lange nota opgesteld werd zonder de tijd te hebben dit allemaal na te trekken, maar dat dit verslag toch reeds opgesteld werd omdat een groep journalisten over deze informatie zou beschikken, informatie die de journalisten zelf gemakkelijker zouden kunnen natrekken dan dit volgens de opstelllers van dit rapport het geval is van de rijkswacht, en dat de journalisten nu (21.11.1994) van plan zijn deze informatie te publiceren op 18.03.1995 of een week later.

Overwegende dat aldus blijkt dat de voornaamste bron van eerste verweerder zoals hij dit overigens zelf schreef in zijn artikel van 8.04.1995 ("in het rapport van justitie waarvan we spraken wordt vooral Przedborski's netwerk in de zakenwereld geschetst. Maar er zijn ook raakvlakken met meer clandestiene criminele activiteiten" enz. (vervolg hierboven reeds geciteerd) steunt op een voorlopig verslag van de BOB van Luik, opgesteld op grond van het nog niet verder door deze opsporingsdienst gecontroleerde relaas van onbekende" getuige van de Luikse justitie die blijkbaar geen gehoor vond bij onderzoeksrechter Ancia, die besloten had elders bij de justitie aan te kloppen."

Dat in de mate dat de opstellers van dit geheime rapport hierin zelf stelden dat zij de inhoud van hun verslag nog dienden na te trekken, maar gezegde beweringen van de getuige of tipgever niettemin reeds dan in een voorlopig verslag optekenden en opstuurden aan hun oversten (misschien juist om van hun onmiddellijke overste bevelen te ontvangen in verband met dienaangaande verdere opzoekingswerken), de journalist zich geenszins vermocht te steunen op dit verslag waarvan de verslaggevers zelf nog niet verwezen naar enig bewijsstuk of naar een vast en geverifieerd gegeven (behalve wat geboortedata en bepaalde adressen van eiser, en zijn familieleden betreft).

Dat, in de mate dat de andere bron waarop de journalist zich baseerde, nl. een eindverhandeling om het diploma van journalist te bekomen opgesteld door een zekere Ojeda van de universiteit te San José dd 25 april 1995, ook op het eerste gezicht gegrond is op dit reeds voordien in handen van de heer Walter De Bock terechtgekomen geheime rapport van de BOB (het eerste artikel van De Morgen waarin gewag wordt gemaakt van dit 'explosieve' rapport verscheen reeds op 8 april 1995, zijnde voor de datum van deze verhandeling van de heer Ojeda), het overnemen van deze informatie door derden geen bewijs inhoudt van het feit dat de journalist zelf persoonlijk al de door hem in het dagblad openbaar gemaakte inlichtingen gecontroleerd had.

Dat ook al was de journalist in het bezit van een brief dd. 1957 uitgaande van een voormalige afgevaardigde van België bij het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen, gericht aan de administrateur van de Openbare Veiligheid waarin gesteld werd dat de verzoeken tot het bekomen van het statuut van politiek vluchteling afgewezen werden omwille van een veroordeling van betrokkene wegens valsheid in geschrifte uitgesproken door de correctionele rechtbank van Brussel op 26.04.1954, de journalist inzake het voorgaande gerechtelijk verleden van eerste eiser, had kunnen nagaan dat Felix Przedborski eerherstel bekwam van het hof van beroep te Brussel op 6.06.1961, zodat hij geen strafregister meer had op het ogenblik van zijn naturalisatie in 1978, in plaats van te insinueren dat het eigenaardig is dat tegen de wet in iemand met een zwaar strafregister de Belgische nationaliteit verwierf.

Dat de journalist minstens had dienen na te gaan of Felix Przedborski heden, nl. op het ogenblik van publicatie van het artikel, al dan niet een blanco strafregister had, zoals dit het geval blijkt te zijn, wat overigens de vier eisers betreft, volgens een bericht van de politiediensten van Tervuren dd 11.01.1996, in plaats van verder te beweren dat zijn "gerechtelijk dossier sedert 1948 ononderbroken met nieuwe criminele feiten werd aangevuld. Niet alleen in België, maar ook in verscheidene andere landen en bij Interpol".

Dat eiser overigens ook een blanco strafregister voorlegt opgesteld in januari 1996 in Frankrijk, in Zwitserland en in Duitsland (december 1995).

Dat ook bepaalde voor een beroepsjournalist niet zo moeilijk te controleren gegevens niet gecontroleerd blijken te zijn in verband met vrienden van eerste eiser, onder meer in verband met de heer ambassadeur A. Cahen, van wie een grote foto en een door hem geschreven aanbevelingsbrief over eerste eiser gepubliceerd werd met het eerste artikel van juli 1995, en waarbij gesteld werd dat door zijn vriendschappelijke relaties met eerste eiser de heer Alfred Cahen verplicht werd om vroeger dan oorspronkelijk gepland met pensioen te gaan, terwijl uit een attest van het ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat zijn mandaat van ambassadeur te Parijs met twee jaar verlengd werd.

Dat in verband met het vonnis van 25.09.1981 van de rechtbank van koophandel te Brussel waarbij het faillissement van eerste eiser uitgesproken werd, alsmede van zijn vrouw Krygier en deze van de vennootschappen Tradin en Serdan, bij mogelijke controle door de journalist bij de curator of ter griffie van de rechtbank van koophandel of bij de dienst van het handelsregister nagegaan kon worden of al dan niet hoger beroep werd ingesteld, in welk geval, bij verdere controle op dezelfde griffie of ter griffie van het hof van beroep kon worden vastgesteld dat dit faillissement ingetrokken werd bij arrest van 8.10.1987 van het hof van beroep te Brussel, een arrest dat overigens ook in uittreksel gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad dd 21.11.1987, blz. 17.302 (dossier eiser - kaft 13).

Dat gezien de intrekking van dit faillissement het ook niet opgaat dat eerste verweerder stelt zijn informatie nagetrokken te hebben door voorlegging van drie artikelen verschenen in drie kranten in juli 1981 nopens het feit dat een onderzoeksrechter te Brussel een onderzoek inzake fiscale fraude had ingesteld met betrekking tot het Brusselse reisagentschap van eiser (Tradin), nu uit het arrest van het hof van beroep dd 1987 blijkt dat er een fiscale rechtzetting gebeurde, reden waarom het faillissement van de vennootschap Tradin en dat van eerste eiser ingetrokken werd, zodat deze meer dan tien jaar oudere persartikelen geen enkele relevantie meer konden hebben.

Dat het feit dat de naam van eerste eiser "was gevallen" in het dossier op de moord op minister Cools en beweerde betrokkenheid van eerste eiser bij deze moord, ook tegengesproken werden door een brief van de procureur des Konings van Luik dd 21.04.1993 gericht aan de procureur-generaal te Luik waarin bevestigd wordt dat geen enkel negatief element tegen betrokkene voorkomt in de dossiers onderzocht door onderzoeksrechter Ancia en dat zijn naam niet eens vernoemd werd in de zaak-Agusta. Tevens voegde de procureur des Konings eraan toe dat de naam van eiser enkel bekend was omdat zijn naam voorkwam in het telefoonboekje van de heer Cools.

Dat de heer W. De Bock in het bezit was van deze brief, nu deze brief zelfs gepubliceerd werd in het tweede artikel van 6 juli 1995, zodat moeilijk begrepen wordt dat ondanks dit officieel stuk (opgesteld in april 1993, zijnde voor voornoemd geheim verslag van de BOB van november 1994, voor zover dit geheime verslag later in het dossier van onderzoeksrechter Ancia gevoegd werd) desondanks nog verder gealludeerd wordt op de betrokkenheid van eerste verweerder bij de moord op Cools.

Dat het feit dat Felix Przedborski's naam "opvallend figureerde" in het telefoonboekje van André Cools op zich geen eigenaardig feit is om hieruit een betrokkenheid op deze moord af te leiden of te insinueren: in de mate dat de journalist in het bezit was van voornoemd geheim rapport van de BOB, kon hij aldaar lezen dat in de voetnoten 10 en 11 en op blz. 3 van de tekst dat Przedborski samen met de vader van André Cools gevangen was in Auschwitz en dat zij aldaar bevriend geraakten, waardoor de vader van André Cools een rol gespeeld zou hebben in het feit dat Felix Przedborski na zijn vrijlating in België terechtkwam; dat deze mogelijke vriendschappelijke banden met de familie, waarover de journalist volgens dezelfde bron ingelicht werd, een voldoende verklaring kon zijn van de aanwezigheid van de naam van eiser in het telefoonboekje van André Cools, zonder dat hiervoor, bij gebrek aan ander bewijsmateriaal, andere duistere hypothesen naar voren dienden te worden geschoven.

Dat het feit dat naderhand de door eerste verweerder niet gecontroleerde gegevens door andere journalisten overgenomen werden, hetzij in het binnenland (Le Soir Illustré van 20.12.1995, waarin in een eerste artikel van 5 april 1995 - kort voor het eerste artikel van 8 april 1995 van De Morgen - blijkbaar ook niet omzichtig gebruikgemaakt werd van dezelfde 'bron', zijnde het geheime verslag van de BOB van Luik van november 1994), dan wel in het buitenland, waaronder in Costa Rica, in mei 1995, (op grond van de eerste artikelen verschenen in De Morgen van 8 april 1995 en in Le Soir Illustré van 5 april 1995) en later in december 1995, uiteraard geen vrijbrief uitmaakte voor de fout van de journalist die stelt een grondig onderzoek in te stellen en over allerhande bewijsmateriaal te bezitten, waardoor de journalist integendeel zelf een zekere medeverantwoordelijkheid draagt wanneer zijn buitenlandse collega's de door hem geuite beschuldigingen klakkeloos overnemen in de pers van Costa Rica.

Dat de betwiste artikelen geen dringende verslaggeving betrof verspreid door een journalist die geplaatst was in omstandigheden waarin degelijke en rustige controle onmogelijk was, zoals dit het geval kan zijn in verband met nieuwsberichten 'heet van de naald' die in het dagblad van de volgende dag dienen te verschijnen of 'van een journalist aan het front', maar dat terzake de reeks artikelen de schijn wekte opgesteld te zijn als een weloverwogen dossier, en de journalist al voldoende tijd gekregen had om zijn informatie, waarover hij al beschikte minstens sinds zijn eerste artikel van 8 april 1995, naar waarheid te controleren nu er bijna drie maanden verliepen voor de artikelenreeks van juli 1995.
Dat aldus ten dezen dient vastgesteld te worden dat de heer Walter De Bock niet met de nodige omzichtigheid de waarachtigheid gecontroleerd heeft van de inlichtingen die hij van een of andere informatiebron heeft kunnen bemachtigen, en dat hij aldus een fout begaan heeft door zogezegde informatie te publiceren zonder deze voorafgaandelijk zorgvuldig gecontroleerd te hebben, controle die des te accurater had dienen te gebeuren naarmate de journalist zich ervan bewust diende te zijn van het feit dat, bij de publicatie ervan, de eer van een persoon ernstig in het gedrang zou gebracht worden.

Dat indien de heer Yves Desmet in zijn artikel van 5 juli 1995 de artikelenreeks weliswaar introduceerde, de inhoud van dit opinie-artikel, in vergelijking met de inhoud van de basisartikelen, minder kwetsend is voor eiser, nu hierbij eerder de manier uiteengezet wordt waarop het dossier tot stand kwam en beweerde intimidatie door gerechtelijke kringen om publicatie ervan te vermijden uiteengezet wordt. Dat de vordering ongegrond is in de mate dat deze ingesteld werd tegen de heer Yves Desmet.

Dat niet betwist kan worden dat eerste eiser in zijn eer gekrenkt werd door dergelijke publicatie.

Dat de door eerste eiser gevorderde schadevergoeding van 10 miljoen echter overdreven voorkomt. Dat eiser al sinds 1978 niet meer gedomicilieerd is in België, maar in België nog veel relaties heeft, zodat de publicatie in De Morgen, met volgens verweerders vrij geringe oplage en enkel in België verkrijgbaar, minder hard zal overkomen dan dit het geval ware geweest voor iemand die steeds in het land vertoeft. Dat dit ook het geval is voor de andere aanleggers die niet belasterd werden in de betwiste persartikelen, terwijl de zonen werkzaam zijn in hetzij Genève hetzij New York en hun beweerde schade overigens ook niet bewijzen.

Dat in deze omstandigheden de vordering enkel gegrond is in de mate deze ingesteld werd door eerste eiser en dat de toekenning van een vergoeding van de door hem geleden morele schade, van 500.000 frank billijk voorkomt.

Dat de publicatie van onderhavig vonnis enkel bevolen zal worden in het dagblad De Morgen alsmede, in Franse vertaling, in het dagblad Le Soir.

Dat de tegenvordering van verweerders tot veroordeling van eisers in betaling van 1 frank wegens beweerde beschuldiging van racisme en antisemitisme ongegrond voorkomt. Dat het feit dat in het eerste artikel van 5 juli 1995 met een grote foto, niet van eerste eiser maar van de heer Alfred Cahen gepubliceerd werd, net als de ondertitel van dit artikel gericht tegen de heer Cahen de indruk kon wekken dat door de bestreden publicatie ook een reeks personen hetzij werkzaam in Buitenlandse Zaken, hetzij van de politieke wereld, behorend tot de vrienden- of zakenrelatie van eerste eiser, waarin inderdaad meerdere personen van joodse afkomst voorkomen, geviseerd werden. Het feit van dit te stellen in besluiten voor de rechtbank houdt geenszins in dat de betrokken journalist openbaar als antisemiet bestempeld werd, zodat de tegenvordering als ongegrond afgewezen wordt.

Dat er aanleiding toe bestaat onderhavig vonnis bij voorraad uitvoerbaar te verklaren gezien de eerder gevorderde leeftijd van eerste aanlegger die in zijn eer gekrenkt werd en op een passend eerherstel recht heeft door publicatie van dit vonnis, des te meer dat hij ook in het buitenland in zijn eer gekrenkt werd door publicatie van beweerde berichten met allusie op een betrokkenheid op een moord die tot op heden nog niet volledig opgehelderd werd in verband met de opdrachtgever en motieven van de opdrachtgever hiertoe zodat derden die de bestreden berichtgeving vernomen konden hebben, nog twijfels zouden kunnen hebben nopens de mogelijke betrokkenheid van eerste eiser in de moord op minister André Cools.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd,
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak, alle andere besluiten als ongegrond verwerpende,
Gelet op het schriftelijk advies van de heer DEMEYERE, substituut van de procureur des Konings,
Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk inzoverre deze gericht werd tegen de heer Walter De Bock en tegen de heer Yves Desmet;
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond en wijst eisers op tegenvordering van hun tegenvordering af.
Verklaart de hoofdvordering in de mate dat deze gericht werd tegen de heer Yves DESMET ongegrond.
Verklaart de hoofdvordering, in de mate dat deze gericht werd tegen de heer Walter DE BOCK gedeeltelijk gegrond zoals hierna bepaald.
Veroordeelt de heer Walter De Bock tot betaling aan de heer Felix Przedborski van het bedrag van 500.000 frank.
Beveelt de publicatie van dit vonnis op kosten van de heer Walter De Bock, in het dagblad De Morgen alsmede in het dagblad Le Soir onder titel: 'Gerechtelijk Eerherstel' in een even grote krantekop als deze waarin in de uitgave van 5 juli 1995 waarbij de woorden 'Felix Przedborski: van gangster tot diplomaat' gedrukt werden, en dit binnen de maand volgend op de betekening van onderhavig vonnis, kosten verhaalbaar op voorlegging van een gekweten factuur nopens de publicatiekosten en kosten van vertaling in het Frans voor de publicatie in Le Soir.
Veroordeelt eerste verweerder tevens tot de gerechtskosten, begroot in hoofde van eerste eiser op 18.444 frank (dagvaarding: 6.144 frank, rechtplegingsvergoeding: 12.300 frank) alsmede van de vertaling van de door eiser aangewende stukken ten belope van 49.312 frank.
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal.
Zegt dat er geen aanleiding is tot uitsluiting van het kantonnement.
Aldus gevonnist en uitgesproken op de openbare terechtzetting van de 20ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van: 5 januari 1999.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

  • de heer Joos De Ter Beerst Ph., kamervoorzitter;

  • mevrouw Claeys R., toegevoegd rechter;

  • de heer Rogghe H., toegevoegd rechter;

  • de heer Demeyere L., substituut-Procureur des Konings;

  • mevrouw De Decker I., griffier.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking, ten uitvoer zullen leggen. Dat onze procureur-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt.

Ten blijk waarvan dit vonnis, deze beschikking, is ondertekend en bezegeld met het zegel van de rechtbank.
Voor eensluidende uitgifte,
Voor de Hoofdgriffier,
De griffier,

Bron: De Morgen | 27 februari 1999

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

In 1999 verscheen in Duitsland het boek 'Die graue Eminenz' (Hofman & Campe) van journalist Jürgen Roth. Thema: 'het netwerk van diplomaten, gangsters en politici'. Hoofdfiguur is Felix P., Don Felix. Het boek werd uit de rekken gehaald. Enkele exemplaren zijn nog te koop via Amazon.de.

» www.juergen-roth.com

Ook de Costa Ricaanse journalist M. Herrera kreeg het aan de stok met Felix P.

In de jaren 90 ontstond een internationaal groepje van 'Felix Watchers': Walter De Bock, Martha Honey en Tony Avirgan (Costa Rica, USA), Frank Garbely (Suisse), Georg Hodel (Oostenrijk), Dough Vaughn (USA), Jürgen Roth (De). Van Martha Honey verscheen het boek 'Hostile Acts. US Foreign Policy in Costa Rica' (1994) over de 'operaties' nabij de Nicaraguaanse grens (Santa Elena) en de bomaanslag in La Penca. Zij maakte geen melding van Felix P. in haar boek.

20

Felix en de pers, het ging echt niet samen: 

http://i21.servimg.com/u/f21/15/00/61/71/felix10.jpg

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube