31

Montel werd vermoord in Ganshoren:

(...) Quelques jours plus tard, Jules Montel sort, un dimanche matin de son appartement de Ganshoren. Il veut promener son petit chien. Voilà que passe une BMW noire où se trouvent deux individus masqués. Quelques coups de feu et Jules n’est plus de ce monde.

Bron: Reyniers. Superflik | Paul Koeck

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

32

Bedankt Ben.

33

In het boek 'Reyniers, superflik' verklapt Frans Reyniers het motief van de moord op Jules Montel:

Een zondagavond, elf uur. Ik zit voor mijn televisie languit te genieten van de film La femme flic. Het gebeurde kort nadat ik was opgeklommen tot hoofdcommissaris van de gerechtelijke politie van Brussel, midden 1987. (*) Opeens rinkelt de telefoon. Ik krijg advocaat Graindorge aan de lijn. Hij doet heel geheimzinnig. Hij vraagt een dringende ontmoeting, nog dezelfde avond.

“Meneer Reyniers, geloof me, het gaat om een kwestie van leven of dood,” zegt hij. Hij stelt voor elkaar te ontmoeten in zijn kabinet in Brussel. Ik aarzel. Ik zie er niet alleen tegenop om een zeldzame vrije avond bij mijn gezin op te offeren, maar bovendien moest ik met Graindorge op mijn tellen letten. Hij was de advocaat geweest van François Besse, een gevaarlijke Franse gangster die op 26 juni 1979 in Brussel uit de gerechtszaal was ontsnapt doordat hij een revolver had kunnen grijpen die iemand onder de beklaagdenbank had verborgen.

Bij zijn ontsnapping had Besse rechtbankvoorzitter Durand gegijzeld. Die revolver was daar vanzelfsprekend door een sympathisant verborgen en Graindorge was een van de verdachten geweest. Hij werd later vrijgesproken, maar tijdens het onderzoek had ik hem niet altijd even mals behandeld.

“Ik bel u terug,” zeg ik.
Ik neem onmiddellijk contact op met procureur Poelman.
“Had hij gedronken of gesnoven?” vraagt hij.
“Hij leek me nuchter.”
“Dan zou ik naar die afspraak gaan. Maar niet in zijn kantoor. Spreek af in jouw bureau in het gerechtsgebouw. En tracht nog een collega te vinden die je kan vergezellen.”

Ik vertrek om half twaalf uit Londerzeel en pik onderweg mijn collega Georges Marnette op. Het regent. De omgeving van het gerechtsgebouw ligt er verlaten bij. In een diepe schaduw van de hal staat meester Graindorge me op te wachten. Hij heeft de kraag van zijn donkere regenjas hoog opgetrokken, de ceintuur om zijn middel geknoopt. Het lijkt een scène uit een gangsterfilm. Graindorge schrikt als hij merkt dat ik niet alleen ben. Hij blijft erbij dat hij me uitsluitend onder vier ogen wil spreken. We trekken naar het bureau van Georges Marnette, een bureau met een tussendeur. Ik zet die deur op een kier. Ik wil geen risico’s lopen. Graindorge komt snel ter zake.

“Men is van plan u te ontvoeren, u aan de praat te krijgen en u daarna te liquideren,” zegt hij.
“Wie is dat van plan?” Vraag ik.
“Dat kan ik u om deontologische redenen niet zeggen,” antwoordt hij, “maar neem alstublieft mijn waarschuwing zeer ernstig.”
Voor mij is het duidelijk dat Graindorge zich niet voor de lol heeft verplaatst. Hij is nuchter en ernstig. Na het onderhoud neem ik opnieuw contact op met mijn procureur.
“We zullen morgen wel zien,” zegt hij.

Ik neem mijn voorzorgen. Ik waarschuw mijn vrouw, mijn dochter en mijn zoon en beveilig mijn woning zo goed mogelijk. Gedurende de volgende dagen neem ik met enkele collega’s de dossiers door van de zware jongens die we de voorbije maanden hebben gearresteerd. Ondertussen rijd ik elke dag langs een andere weg naar Brussel en keer op onregelmatige tijdstippen naar Londerzeel terug.

Uiteindelijk botsen we op de dossiers van Royen en Anthemus. Ik telefoon naar de gevangenis van Lantin om te vragen wie hun advocaat is. Graindorge. Bingo!

Royen en Anthemus maakten deel uit van de bende van Luikse gangster Marcel Habran. Het waren geen kleine kinderen, ze hadden zware hold-ups en verschillende veroordelingen op hun actief. Enkele maanden voordien waren ze opnieuw voortvluchtig en ik kwam hen op het spoor dankzij ene Jules Montel, ook niet moeders braafste. Ik had een sterk vermoeden dat hij me meer zou kunnen vertellen over Royen en Anthemus. Ik wist dat de twee in zijn appartement op de Bosschaertlaan in Ganshoren hadden gelogeerd. Van daaruit hadden ze hold-ups uitgevoerd en daarna waren ze spoorloos verdwenen. Ik riep Jules bij mij. Ik had al eens eerder een beroep gedaan op hem als informant.

“Vertel op,” zei ik.

Eerst moesten we door de klassieke fase van het tegenpruttelen, Jules ontkende in alle toonaarden dat hij iets meer wist over zijn copains. Tot ik een van de beproefde trucs gebruikte. Ik dreigde ermee in het milieu te laten doorsijpelen dat hij met mij “aan tafel had gezeten”. Een wat gemene truc, maar ja, ik had hier niet met papkinderen te maken. Ik wist dat het leven van Jules geen cent meer waard zou zijn indien het milieu vermoedde dat hij had gesproken. Jules wist dat ook. Ik gaf hem vierentwintig uur om daar eens rustig over na te denken en met zijn informatie voor de dag te komen. Ik hoefde niet eens zolang te wachten voor hij door de knieën ging. Hij gaf me het adres waar Royen en Anthemus zich schuil hielden, een appartement in Parijs. Ik riep de hulp in van mijn Parijse collega Robert Broussard en Royen en Anthemus werden gearresteerd, aan België uitgeleverd en ze vlogen hier achter de tralies.

Samen met mijn medewerkers neem ik das aan dat Graindorge deze twee gangsters van de bende-Habran bedoelde toen hij me kwam waarschuwen. Marcel Habran, het bende-hoofd, liep op dat ogenblik vrij rond en werkte in een garage in Luik. Ik trek met heel mijn brigade naar die stad. Eerst loop ik bij de procureur-generaal langs om hem de reden van mijn komst uit te leggen. Daarna halen we Marcel Habran uit zijn garage. We brengen hem naar het Ramadan hotel. De man is er duidelijk niet gerust in. Hij wordt aan een tafel gezet, samen met Marnette en Jacques Leonard, twee Luikenaars, en ikzelf. De rest van de brigade neemt intimiderend post in de bar, verdeeld in groepjes, zodanig dat Habran het wel moet zien. Marnette steekt van wal.

“Voilà Marcel, dit is Frans Reyniers, onze patron. Wij willen niet dat hem iets overkomt, zelfs geen onnozele verkoudheid, snap je?”

Habran tracht nog even de vermoorde onschuld te spelen. “Hoezo?” Vraagt hij.

“Ha, jij wil toch weten wie Royen en Anthemus erin heeft geluisd?”

Habran kan alleen maar verrast knikken.

“Luister,” zegt Marnette. “In heel België zijn twee personen die wisten waar je kompanen zaten. Een ervan ben jij. Ik neem aan dat jij hen niet verklikt hebt. Het kan dus maar alleen de andere zijn.”

Ik merk dat het Habran begint te dagen. We laten hem achter in gepeins.

Enige tijd later komt Jules Montel op een zondagmorgen uit zijn appartement in Ganshoren. Hij wil zijn hondje uitlaten. Er passeert een zwarte BMW met twee gemaskerden. Er weerklinken enkele vuurschoten en Jules vertoeft niet meer in deze wereld.

Nu kun je, vooral als brave burger vanuit je luie stoel, morele bezwaren hebben tegen deze manier van optreden. Maar, neem me niet kwalijk, als ik moet kiezen tussen de veiligheid van mijn gezin en dat van een onverbeterlijke gangster, dan weet ik wat mij te doen staat.

Bron: Reyniers, superflik | Pal Koeck

(*) Montel werd vermoord in 1985. De gebeurtenissen waarover Reyniers het heeft, vinden plaats in 1987. Ergens klopt er dus iets niet in zijn tijdlijn.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

maart 1972: de 35-jarige Montel wordt bij verstek veroordeeld door de correctionele rechtbank van Dendermonde tot 5 jaar cel voor mededaderschap aan een bankoverval op 19-8-1971 te Hulst (buit ter waarde van 500.000 BEF) + 6 maand cel voor verboden wapendracht + 6 maand cel voor diefstal van identiteitskaarten uit gemeentehuis Bonheiden. Montel woont in 1972 te Lokeren waar zijn vriendin Jeannine V. een herberg openhoudt.

24-5-1972: Montel wordt aangehouden te Brussel. Zijn voortvluchtige mededader te Hulst, de Tsjech Jozef Cepinac wordt op 12-9-1973 veroordeeld tot 5 jaar cel.

24-1-1984: de raadkamer van Leuven verlengt de aanhouding van Michel Anthemus, François Royen en Michel Dotreppe i.v.m. de overval op een postwagen te Rotselaar (14-9-1982). Een vierde verdachte in deze zaak, Montel, zit op dat moment in de gevangenis te Brussel voor andere feiten.

15-6-1984: Montel en Roger Cayman (Huldenberg) verschijnen voor de correctionele rechtbank van Brussel op beschuldiging van poging tot uitgifte van duizenden valse 50-dollarbiljetten. Deze werden aangetroffen op 21-9-1983 in een motel te Ruisbroek, nabij de afrit van de E19.

11-8-1985: Montel wordt doodgeschoten rond 11u. voormiddags in de Carl Requettelaan te Molenbeek. Hij had net zijn appartement aan de Carl Requettelaan nr. 10 verlaten om met de hond te gaan wandelen. Volgens spelende kinderen werd hij eerst nog geslagen met een stok, vooraleer hij werd neergeschoten. De kogelhulzen werden meegenomen door de 2 daders. De BMW van de daders werd later teruggevonden in de Emile Derooverlaan te Koekelberg.

29-10-1985: Op het proces Leroy verklaart Frans Reyniers dat het Montel was die hem getipt heeft over de schuilplaats van de voortvluchtige Michel Anthemus en François Royen, waardoor deze op 15-3-1983 te Courbevoie werden gearresteerd.

januari 1987: getuigen zien hoe een Noord-Afrikaan aan de Schaarbeekse Poort te Brussel een zak onder een bestelwagen legt. In de zak zit een bij Mendez gestolen UZI; de Noord-Afrikaan verklaart dat hij het wapen in bewaring heeft gekregen van een vriend van Montel.

1-6-1987: het aanhoudingsmandaat van de 49-jarige Siciliaan P.L. uit Brussel wordt door de raadkamer van Nijvel met 1 maand verlengd. Bij P.L. werd een revolver Taurus + een wapen dat afkomstig zou kunnen zijn van de diefstal bij Mendez aangetroffen. P.L. was bevriend met Montel (zaten beiden in het gokwereldje).

De veroordeling bij verstek was op 15-3-1972; Jeannine V. kreeg 10 maanden cel voor heling.