1

Op 18 augustus werd Lahaut voor zijn huis doodgeschoten door twee mannen. Maar plannen om Lahaut uit de weg te ruimen bestonden al langer in leopoldistische kringen, mogelijk zelfs al in 1948, en moeten gezien worden als deel van de anticommunistische operaties net na WOII. De léopoldist François Goossens (codenaam "Adolphe") uit de kring rond Moyen, zou voor de moord verantwoordelijk zijn geweest, mogelijk in opdracht van SDRA 8.

Stay Behind-agent Goossens, die ook nog verbonden was aan de geheime dienst van het Vaticaan (code VN/H) en spioneerde voor monseigneur Leclef, had hierbij de leiding over een eskader waar nog drie personen toe behoorden, waaronder de zoon en schoonzoon van de toenmalige CVP-burgemeester van Halle Jan-Nikolaas Devillé. In 1958 werd André Moyen, samen met Gaston Jacquemin en Jean Moyaerts (allen lid van de internationale anticommunistische centrale Paix et Liberté), door Emile Delcourt aangeduid als opdrachtgever voor de moord. Delcourt maakt ook nog melding van de betrokkenheid van Paul Calmeyn, een onderpastoor van de kerk op de Brusselse Zavel die met Moyen over de moord had vergaderd, alsook van het het feit dat fondsen van de Kardinaal Mercier Stichting gebruikt werden voor de financiering van de moord.

Delcourt trok achteraf al zijn verklaringen in wegens bedreigingen aan het adres van zijn kinderen. In een rapport uit 31 augustus 1950 aan minister De Vleeschauwer en aan het hoofd van de militaire veiligheidsdiensten is er sprake van de "Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950", waarbij "le Réseau" vermoedelijk het netwerk rond Brufina en de Banque de Bruxelles wordt bedoeld, met Moyen als belangrijke pion. Moyen spreekt in het rapport van een executie van Lahaut door "un groupe apolitique et même antipolitique, patriote et désintéressé qui n’avait cru d’abord entrer en lice qu’après l’invasion soviétique. C’est une sorte de synarchie qui a ses gens jusque dans les enceintes les plus fermées et, pour le cas Lahaut, jusque dans les enquêteurs".

2

Op de Wikipedia-pagina over Lahaut staat een uitgebreide tekst over de moord op Lahaut en het onderzoek:

Julien Lahaut werd vermoord nauwelijks een week na zijn vermeende uitroep "Vive la République" in het parlement. Op zijn begrafenis waren er meer dan 100.000 rouwenden. Het gerechtelijk onderzoek dat daar op volgde onder leiding van onderzoeksrechter René Loupe werd zonder gevolg in 1972 afgesloten. Algemeen werd aangenomen dat Lahaut werd vermoord door wraakzuchtige royalisten die het niet konden verkroppen dat Koning Leopold III moest abdiceren onder druk van het gepeupel en straatoproer.

De schuilnaam van de moordenaar werd publiek in 1985: ene "Adolphe" uit Halle. Zijn echte naam, François Goossens, werd in 2002 publiek gemaakt. 'Adolphe' zat in de Tweede Wereldoorlog in het Leopoldistisch verzet. Een groot deel van dit verzet kwam in anticommunistisch vaarwater terecht. De strijd om de terugkeer van Leopold III bracht een enorme polarisatie teweeg. De Koude Oorlog kwam op kruissnelheid. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA is in deze context tussengekomen in gans Europa. 'Adolphe' maakte deel uit van een door de CIA opgezet "stay-behind netwerk" (Gladio). De volledige waarheid is nooit volledig naar boven gekomen.

De CVP-minister Albert de Vleeschauwer en de militaire veiligheidsdienst worden er in verschillende bronnen van beschuldigd een belangrijke rol te hebben gespeeld in de voorbereiding en/of het toedekken van de moordaanslag. Senator Vincent Van Quickenborne eiste in maart 2002 een onderzoekscommissie, die naar analogie met de Lumumba-commissie een duidelijk licht op de zaak moest werpen. Voorheen werd een dergelijke commissie reeds meerdere malen, zonder succes, gevorderd.

De omstandigheden rond deze moord en de afwikkeling erna vormen in de Belgische naoorlogse periode een al even beladen dossier als de dynamitering van de IJzertoren in de nacht van 15 op 16 maart 1946.

Nieuwe wending in de zaak

Aanvankelijk was er sprake geweest van drie leden in het moordcommando van de Halse verzetsgroep "De fret": François Goossens en de zoon en de schoonzoon van de toenmalige CVP-burgemeester van Halle, Jan-Nikolaas Devillé. Uit een reportage Keerpunt op de Vlaamse tv-zender Canvas (17 december 2007) blijkt dat er een vierde deelnemer was geweest, die echter niet genoemd wilde worden. Deze vierde man zou de dodelijke schoten gelost hebben toen Julien Lahaut zijn deur opende, terwijl François Goossens enkel een schot heeft gelost bij het weglopen.

Het artikel in het dagblad De Morgen (4 december 2007) wijst in de richting van de enige in 1950 reeds volwassen zoon van de toenmalige Halse burgemeester die nu nog in leven is ('nu', d.i. op 4 december 2007, datum van het krantenartikel). Goossens was echter de leider van de groep. Hij werkte voor het stay-behind netwerk en was eveneens een spion voor monseigneur Leclef, privésecretaris van de Belgische kardinaal Jozef Van Roey. Na de aanslag was er nog in 1951 een geheime vergadering in een klooster in Halle. Deze bekentenis kan echter niet meer leiden tot een rechtszaak vermits de feiten verjaard zijn en het onderzoek werd afgesloten in 1972.

Opdrachtgevers

De echte opdrachtgevers van deze moord zijn nooit bekend geraakt. Wel zijn ondertussen opnieuw nieuwe feiten aan het licht gekomen door een artikel in de Morgen van 22 december 2007.

François Goossens (overleden in 1979) werkte als spion voor André Moyen. Deze was verbonden aan de militaire veiligheidsdienst SDRA en eveneens medeoprichter in België van Operatie Gladio. Maar volgens een verklaring van de zoon van Goossens in 2003 heeft Moyen altijd ontkend de opdrachtgever geweest te zijn. Hij was wel nadien op de hoogte van de details van de moord omdat Goossens het hem had verteld. Goossens werkte eveneens ondergronds voor de geheime dienst van het Vaticaan (code VN/H). Moyen noemde die moord een stommiteit, omdat dit een link kon leggen naar zijn organisatie. Moyen bewaarde het geheim omdat hij zijn anticommunistisch netwerk wilde vrijwaren.

Op 1 april 1958 werd in het Brusselse justitiepaleis een proces geopend tegen Emile Delcourt wegens oplichting van zijn werkgever, de Kardinaal Mercier Stichting. Delcourt beweerde dat hij nooit had verwacht dat het tot een proces zou komen omdat "een deel van de fondsen gebruikt was om de moord op Lahaut te financieren". Hij vernoemde eveneens Paul Calmeyn, onderpastoor in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Zavel in Brussel. Deze zou met Moyen hebben vergaderd enkele dagen voor de moord en het moordplan ontvouwd hebben. Moyen beweerde achteraf dat hij juist op deze vergadering het moordplan had afgeraden. De onderpastoor werd nooit ondervraagd, omdat hij in een psychiatrische instelling werd opgesloten en slechts wartaal uitsloeg. Delcourt trok achteraf al zijn verklaringen in wegens bedreigingen aan het adres van zijn kinderen.

De vader van Delcourt was een persoonlijke vriend van kanunnik Leclef, privésecretaris van kardinaal Van Roey. Volgens de gegevens uitgezonden in het tv-programma Keerpunt werd Goossens enkele dagen na de moord ontvangen door monseigneur Leclef op het bisschoppelijk paleis van Mechelen. Dezelfde monseigneur was ook aanwezig in de zomer van 1951 bij de 'jury' in het klooster van de paters-conventuelen in Halle. Goossens stond hier 'terecht' samen met een ontvoerde en geblinddoekte agent van de Staatsveiligheid Pierre Potargent.

Een ander element is het onderzoek van de Luikse onderzoeksrechter René Loupe. Hij kreeg op 2 oktober 1950 een nota van de Staatsveiligheid waarin gemeld werd dat Goossens zich beroemde op de moord op Julien Lahaut. Die nota werd naar hem doorgestuurd door de Brusselse procureur-generaal Pholien, broer van de toenmalige eerste minister Joseph Pholien, die daags na de moord had gezegd dat "niets onverlet zou gelaten worden om deze moord op te lossen".

Deze onderzoeksrechter liet honderden, soms waanzinnige, tips natrekken maar legde nooit Goossens op de rooster. Goossens kon zelfs deelnemen aan de rally van Francorchamps met de auto gebruikt bij de moord. Deze Vanguard was nochtans duidelijk beschreven door ooggetuigen. Diezelfde auto werd op 27 augustus 1951 ook door Goossens gebruikt bij een handtasdiefstal op Frederika Stern. In deze handtas zaten documenten van de Belgische communistische partij, die later doorgespeeld werden naar Moyen.

De Colt.45 van Goossens werd door de dochter van Goossens in 1977 in het kanaal Brussel-Charleroi gegooid. Maar het echte moordwapen stond tot einde jaren 80 te pronken op de schoorsteenmantel van een van de Devillés. Het wapen werd gestolen na een inbraak. Over veel van de namen die werden vernoemd als (mede)daders of als omringende figuren, zijn nooit bewijzen van betrokkenheid aangetoond.

Nieuwe onderzoeksdaden in de zaak Lahaut

In december 2007 hebben de Belgische senatoren Patrik Vankrunkelsven (Open Vld) en Josy Dubie (Ecolo) een wetsvoorstel ingediend tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie in deze zaak.

Eind november 2008 raakte bekend dat senator Pol Van den Driessche (CD&V) na overleg met de senaatsfractie van Open Vld, die eerder een gelijkaardig voorstel had ingediend, een voorstel van resolutie ging uitwerken met de steun van alle fracties in de Senaat om het SOMA (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij) bijkomend archiefonderzoek te laten verrichten, sinds de klassering van de zaak in 1972. Er zijn ondertussen nieuwe feiten aan het licht gekomen rond deze politieke moord; getuigen hebben gesproken en er volgde een bekentenis. De Senaatscommissie Justitie garandeerde de nodige kredieten en regelde dat SOMA toegang kreeg tot alle betrokken archieven van de openbare of privaatrechtelijke instellingen. Binnen twee jaar werd resultaat verwacht.

Eind september 2009 verklaarde de PS-fractieleider in de Senaat, Philippe Mahoux dat de Senaat het onderzoek rond de moord op Julien Lahaut moest financieren. Sabine Laruelle, federaal minister van Wetenschapsbeleid, deelde immers eerder mee dat de 800 000 euro die het SOMA voor het onderzoek nodig had, niet beschikbaar was. Eerder kwam naar voor dat de kosten maar op 400 000 euro zouden uitkomen.

Eind februari 2011 werd bekend dat het SOMA een eerste fase van het onderzoek in deze zaak (analyse van het verloop van de feiten en het juridisch onderzoek) startte onder leiding van de Leuvense professor Emmanuel Gerard. Dit federale onderzoekscentrum kreeg hiervoor € 200 000 (€ 150 000 van de Franse Gemeenschap en € 50 000 van privé-giften). Dit nieuwe onderzoek moet achterhalen waarom het gerechtelijk onderzoek ter zake in 1972 zonder resultaat werd stopgezet en waarom het gerecht de door haar bekende daders nooit heeft verontrust.

Verder zal men nagaan waarom de overheid vooral investeerde in het terugdringen van de gevolgen, eerder dan op de versterking van het onderzoek. Men gaat ook de memoriële context bekijken, onder meer waarom de Franstalige Lahaut vooral in Vlaanderen tot de verbeelding blijft spreken. Tenslotte moeten ook een aantal wettelijke beperkingen worden opgeheven om nuttige archieven toegankelijk te maken voor verder onderzoek. Er zijn nog geen fondsen vrijgemaakt voor een tweede fase.

Uit archiefonderzoek van professor Emmanuel Gerard, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven, blijkt dat er naast Lahaut nog drie andere communistische kopstukken op de dodenlijst stonden nl partijsecretaris Edgard Lalmand, senator en Sovjetcontactpersoon Jean Terfve en dokwerker Frans Vandenbrande die doorgingen als leden van de vijfde colonne.

In de destijds gespannen anticommunistische tijdsgeest dienden zij in 's lands belang uitgeschakeld te worden. In het ondertussen opgedoken activiteitenrapport van het gerechtelijk onderzoek na de moord, blijkt dat de onderzoeksrechter Loupe door een politie-inspecteur misleid werd. Het document wijst ook op bedreigingen van al te ijverige magistraten om deze moord te vervolgen. Immers deze zouden niets ondernomen hebben tegen communistische oproerkraaiers die de veiligheid van het land in gevaar brachten waardoor zij meenden het recht in eigen handen te nemen.

Bron: Wikipedia

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

De ontwikkelingen tijdens en na WOII hebben in (het kleine) België talrijke sporen nagelaten. Eén ervan was de koningskwestie. De regering bevond zich in het buitenland en de koning in asiel in Duitsland en Oostenrijk (tijdens de oorlog) en in Zwitserland (na de oorlog). Uiteindelijk werd hij in 1950-51 opgevolgd door zijn zoon, Boudewijn.

Een tweede pijnpunt is ontstaan door de ingevingen van Paul Van Zeeland die in 1946 een offshoremaatschappij oprichtte in Panama. Van Zeeland, katholiek, was misschien niet de eerste, maar wel voorganger van oa Vanden Boeynants. Een derde punt is misschien wel de rol geweest die de Verenigde Staten hadden voorzien voor ons land als een strategisch punt in het kader van de "Koude Oorlog". Ons land was in West-Europa goed gelegen en dichtbij West-Duitsland (zie diverse kazernes aldaar na WOII), militair strategisch (zee, havens,...). Een verenigd Europa stond op de steigers en hierin speelde België een centrale rol (zie oa Benelux, centrum van de NAVO) en VDB en Charly De Pauw maken van Brussel in 1958 een centrale hoofdstad.

De strijd tussen Oost en West nam stilaan ongekende dimensies aan: de oorlog in Korea, de neergehaalde U2, de Cuba-crisis, de oorlog in Vietnam, de onlusten in Congo (Zaïre). Talrijke initiatieven en verbonden (Gladio) werden gemaakt om het oprukkende communisme halt toe te roepen. Ons land was na WOII niet alleen taalkundig verdeeld maar ook politiek (Walen koning buiten, Vlamingen koning binnen) mekaars tegengestelde. In het leger en RW waren de leidinggevenden hoofdzakelijk Franstalig en in de privé was dat niet anders. Koning Boudewijn werd aan het wankelen gebracht door enerzijds zijn kinderloos huwelijk, maar ook door zijn losbandige broer Albert, die buiten een buitenechtelijk kind, ook tal van twijfelachtige vrienden had en hierdoor ook werd gebruikt (zie Eurohospital Systems) en misbruikt (Roze Baletten).

Chantage op het koningshuis en een daaropvolgende staatsgreep was misschien niet helemaal een verzinsel en is daarom allicht beter te verstaan uit de onenigheden die zich hebben voorgedaan tussen VDB en Albert Raes, of de ongerustheid rond de persoon van Bougerol (hij deed wat gevraagd werd, maar was niet te stoppen en deed meer dan voorzien of opgedragen). Net zoals de infiltratie van Smets in WNP. Geld en macht waren en zijn nog steeds belangrijke wapens. En in welk milieu je je ook begeeft, er zijn vrienden en er zijn vijanden. Iedereen kent er iedereen en de speelterreinen zijn gekend; maak je een overtreding, dan wordt je gestraft (sic).

4

Het heeft lang geduurd, maar nu mogen we de moord op communistenleider Julien Lahaut in 1950 opgehelderd noemen. De daders kenden we al, en nieuw historisch onderzoek wijst nu ook de vermoedelijke opdrachtgevers aan. En wat was de rol van Albert De Vleeschauwer, tot twee dagen voor de moord nog CVP-minister van Binnenlandse Zaken?

Lees het hele artikel dit weekend in De Morgen of lees het nu al via de website van De Morgen » www.demorgen.be

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Deze moordzaak bevat zowat alle ingrediënten die we dertig jaar later ook terugvinden bij de Bende van Nijvel: De Koude Oorlog, een katholieke minister, het koningshuis, GLADIO, de inlichtingendienst, leugens, politiek gesjoemel, ...

De zaak Lahaut is het bewijs dat België nooit vies is geweest van een drastische ingreep om de bestaande politieke/koninklijke elite in stand te houden en te beschermen.

6

patrick111, gewoon ff heel die Delphine Boël saga rond dat proces lezen en de houding van de regering. Onvoorstelbaar hoe weinig interesse er is in de echte beerput van Albert II (vanuit de pers en niet koningsgezinde politieke partijen)

Voor veel Belgen staat Albert II synoniem als een goedlachse rebel op rust die eens scheef gepoept heeft en daar geen verantwoordelijkheid voor wil nemen.

7

Interessant nieuwsbericht over de moord op Julien Lahaut » Nieuws

De moord op de voorzitter van de Kommunistische Partij, Julien Lahaut, op 18 augustus 1950, was het werk van het anticommunistisch netwerk van André Moyen. Dat netwerk werd gefinancierd door de haute finance en had nauwe contacten met politiek, politie en staatsveiligheid.

Waarschijnlijk lezen we over dertig jaar ook zo'n nieuwsbericht over de Bende van Nijvel.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

8

De conclusies van het onderzoek:

De wortels van Moyens netwerk dateerden van voor de oorlog. De echte banden werden in het verzet gesmeed (hij was niet vies van executies). Na de bevrijding worstelden heel wat extreemrechtse agenten met de normalisering van hun bestaan. De Koningskwestie en de opkomst van het communisme gaven hen een nieuwe oorlog om te vechten. De woelige naoorlogse jaren, met de communistische machtsgreep in Tsjecho-Slowakije en de Koreaanse oorlog als hoogtepunten, vormden een uitstekende voedingsbodem voor de moord.

Toch blijft de vraag hoe Moyen zich ooit in deze positie heeft kunnen manoeuvreren. Naar de opdrachtgevers blijft het trouwens gissen. Tussen een groot complot en een misbegrepen assertiviteit zijn trouwens alle schakeringen mogelijk. Maar dat het onderzoek willens en wetens werd gesaboteerd en afgedekt, staat vast. Rest de vraag of deze historische modus operandi ook voor andere raadsels kan worden gebruikt, de moordpartijen van de bende van Nijvel bijvoorbeeld. Rudi Van Doorslaer, de directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma), is er klaar voor.

Meer » Nieuws

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

9

Tijdens de voorstelling van de studie werd door Rudy Van Doorslaer opgemerkt dat er nog werk was. Het anti-communistisch netwerk is niet gestopt na de moord op Julien Lahaut. Hij verwees naar het extreem-rechts terrorisme tijdens de jaren '70-'80. Het blijft echter de vraag of het centrum voldoende middelen heeft om het onderzoek verder te zetten omdat het - zoals zoveel overheidsinstellingen - het sinds de nieuwe regering met een pak minder middelen moet doen.

"La disparition de notre centre serait nuisible à notre démocratie", a lancé mardi le directeur du Centre d'études et de documentation Guerre et Société (Cegesoma), Rudy Van Doorslaer, à l'occasion de la publication des travaux sur l'assassinat de Julien Lahaut. Selon lui, il reste du travail à faire, notamment sur le terrorisme d'extrême-droite qui a sévi en Belgique dans les années 1970-80. 

Comme les autres institutions fédérales, le Cegesoma doit subir la cure de régime décidée par le gouvernement, soit des économies de 4% sur les coûts salariaux et de 20% sur les frais de fonctionnement en 2015 et des économies récurrentes jusqu'à la fin de la législature. Vu l'ancienneté de son personnel, si le Gegesoma doit procéder à des licenciements, il pourrait ne pas y survivre. Une pétition a été lancée au mois de décembre pour sauver l'institution. L'aboutissement des travaux sur Julien Lahaut et la mise au jour de ses assassins montrent l'intérêt de sa mission.

Les réseaux anticommunistes clandestins n'ont pas cessé leurs activités en 1950, a fait remarquer M. Van Doorslaer. Par analogie au contexte de chasse aux communistes de l'après guerre, le directeur pointe du doigt les années de plomb en Belgique, notamment les tueurs du Brabant et les affaires qui y ont été reliées. "Le réseau que nous avons découvert n'a pas disparu après l'assassinat de Julien Lahaut. Ces gens-là ne sont pas partis à la pêche en 1952. Il faudrait voir dans ces réseaux quels ont été les éléments de continuité et de discontinuité. Ces réseaux poursuivaient un but idéologique", a-t-il expliqué.

Le directeur du Cegesoma a lancé un appel en direction de la secrétaire d'Etat à la Politique scientifique, Elke Sleurs. Le Cegesoma jouit d'un statut bancal: le centre n'est pas repris dans la liste des institutions scientifiques fédérales et l'y inscrire impliquerait de modifier la loi spéciale. Il existe un projet de l'intégrer dans les Archives générales du royaume mais M. Van Doorslaer tient à conserver la neutralité et l'autonomie de son institution. "Ce sont pour nous des dimensions très importantes et je veux être sûr qu'elles puissent être garanties", a-t-il souligné.

Bron: Belga

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

10

Wanneer ik het nieuws over het rapport-Lahaut volg, krijg ik vaak een Bende van Nijvel-gevoel (als in, "over 40 jaar kan je waarschijnlijk hetzelfde over de Bende van Nijvel schrijven"). Hieronder nog een voorbeeld uit het weekblad Humo:

Met de voorstelling van het nieuwste onderzoek in de Senaat op 12 mei, kan het dossier Lahaut voorgoed in de classeurs: het vierkoppige moordcommando is bekend, de rol van inspirator Moyen is duidelijk geschetst en ook inzake de geldschieters en beschermheren zijn de grote lijnen bekend.

Of Moyen op eigen houtje handelde dan wel een formele opdracht kreeg, zullen we, aldus de auteurs van 'Wie heeft Lahaut vermoord?', allicht nooit weten.

"Het lijkt onwaarschijnlijk," zo schrijven ze, "dat ooit een geschreven document zal worden gevonden, dat met zoveel woorden een bevel of opdracht bevat. Maar is de vraag naar de opdrachtgevers nog relevant, wanneer we de draagwijdte van het Netwerk in ogenschouw nemen en de bescherming die het van hogerhand genoot?" Dat is, 65 jaar na de moord, duidelijke taal aan het adres van vele notabelen. Maar kunnen de doden zich aangesproken voelen?

Bron: Humo | mei 2015

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube