Op dit forum wordt veel gesproken over SDRA8 en weinig over STC/MOB. Itt tot de eerste die onder de minister van landsverdediging valt, valt de tweede, als deel van de Staatsveiligheid, onder de minister van justitie.

2

STC/Mob staat voor Section Training Communication and Mobilisation. De burgerlijke eenheid STC/Mob ressorteerde onder de Staatsveiligheid onder gezagvan het ministerie van justitie. Leden waren technisch getraind in het bedienen van de radiostations. Zij hadden de opdracht om in geval van bezetting inlichtingen te verzamelen die de overheid van nut konden zijn. STC/Mob moest ook veilige communicatieroutes organiseren om leden van de regering en andere VIP’s te evacueren. 

In tegenstelling tot de militaireinstructeurs oefenden de civiele instructeurs van STC/Mob geen dekmantelfunctie uit. Daarnaast is het ook essentieel te vermelden dat de staatsveiligheid twee periodes kende in haar geheime stay-behind oorlog. De eerste periode liep tot 1968, waarin personen van buiten de dienst werden gerekruteerd. In de tweede periode, vanaf 1968 tot het opdoeken van Gladio in 1990, was de leiding van de staatsveiligheid van oordeel dat haar eigen agenten bekwaam genoeg waren, en voortaan rekruteerde zij in eigen rangen.

In tegenstelling tot SDRA 8 werd bij STC/Mob oorspronkelijk wel geput uit vroegereverzetslieden, vooral wanneer die lid waren geweest van het Geheime Leger. Later werden veeleer via talentspotting de juiste kandidaten geselecteerd. Maar ook hier golden uiterst rigide criteria. Naast de eerbaarheid en een stabiele levenswijze met een vaste betrekking, was hetbelangrijk niet aan een politieke partij verbonden te zijn. De kandidaat moest vaderlandslievend zijn, van Belgische nationaliteit en bezield door patriottisme. Hij moest in hart en nieren anticommunist zijn en blijk geven van verknochtheid aan de traditionele religieuze waarden.

Tot slot vermelden we hier nog dat de rekrutering in het volste geheim verliep, waarbijer niet horizontaal maar verticaal kennis was van de betrokkenen. Bij de staatsveiligheid werden weliswaar dossiers van de kandidaten bijgehouden, maar die waren gecodeerd. De circa 10 instructeurs hadden ieder een tiental agenten onder zich, die elkaaronderling evenwel niet kenden. Alleen de instructeur kende de agenten, en dan ook alleen maar die van zijn eigen eenheid. Het is ook belangrijk om te weten dat men als agent te allen tijde kon opstappen.

Voor de stay-behind werkte men totaal onbezoldigd.Het deed de Gladiocommissie alvast opmerken dat in geval van een werkelijke oorlog een dergelijke constructie veel zwakke plekken vertoonde. Het wegvallen van éénagent kon een hele eenheid doen ineen zakken. Bovendien werd het netwerk nooit op zijn efficiëntie getoetst.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

Ook nog aan toevoegen dat Albert Raes altijd heeft geweigerd om de namen te noemen van de agenten die deel uitmaakten van dit netwerk. De Tweede Bendecommissie schrijft hierover:

In antwoord op de vraag of er een verband kan wordengelegd tussen de activiteiten van het stay behind-netwerken de daden van terrorisme en zwaar banditisme die gedurende de jongste tien jaar in België werden gepleegd, stelt de commissie dat zij:

"over geen enkele aanwijzing (beschikt) waaruit zoukunnen worden geconcludeerd dat er enig verband is geweest tussen het net en de terroristische en als zware criminaliteit aangemerkte handelingen. Door de weigering van de SDRA VIII en STC / Mob.-verantwoordelijken om aan de magistraten-deskundigen de identiteit mee te delen van de burgerlijke agenten, konden geen toetsingen worden verricht die wellicht elke twijfel hadden weggenomen".

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

3

Klaartje Schrijvers baseert zich voor haar tekst op het verslag van de Gladiocommissie (dat verslag kan je hier vinden » Forum). Het gedeelte in het verslag over STC/Mob kan je hieronder lezen: 

In grote lijnen had de STC/Mob de opdracht in bezettingstijd inlichtingen te verzamelen die nuttig moesten zijn voor de regering. Daarnaast was de STC/Mob belast met de inrichting van veilige verbindingslijnen voor het in veiligheid brengen van de regering en andere overheidspersonen. (Ter info, de militaire dienst had dezelfde opdracht maar moest het ook mogelijk maken om inlichtingen of agenten in of buiten het land te brengen.)

Aangezien de opdrachten bijna samenvielen, was een zekere coördinatie tussen beide diensten noodzakelijk. (...) Vanaf 1983 kwam er een coördinatie tussen SDRA 8 en STC/Mob tot stand voor de verdeling van de activiteitensectoren. Voor de ontsnappingslijnen werd een geografische grens bepaald. De grensovergang van de Noordzee tot de grens ten zuiden van Bergen werd toegewezen aan de bijzondere sectie. De andere grensovergangen waren voor de SDRA 8.

1. Plaats van STC/Mob binnen de structuur van de Staatsveiligheid

Wij moeten onderstrepen dat vanwege het praktisch volledig ontbreken van administratieve of boekhoudkundige bescheiden, het bijzonder moeilijk is om een overzicht te geven van de evolutie van het STC wat betreft de historiek, de opdrachten, de werking en de middelen van deze sectie van de Staatsveiligheid.

De sectie STC/Mob was volledig afgescheiden van de andere diensten van de Staatsveiligheid. Zij stond onder rechtstreeks gezag van de heer [Albert] Raes toen deze administrateur-directeur-generaal was. In andere tijden werd zij onder de verantwoordelijkheid geplaatst van de adjunct-administrateur-directeur-generaal.

2. Samenstelling van de sectie

Volgens de verklaringen van de minister van Justitie varieerde het aantal instructeurs, tijdens periode van Organisatie II, tussen vijf en acht. Eind november beschikte de sectie nog over zeven instructeurs. Een achtste instructeur is op 1 oktober 1990 met pensioen gegaan. De leden waren ambtenaren van de Staatsveiligheid die tijdens hun loopbaan met een bijzondere instructie-opdracht werden belast.

Elke instructeur wierf maximum 10 agenten-vrijwilligers aan die hij opleidde en oefende. De sectie telde 42 agenten. Tot de achtste instructeur met rust ging, waren er dat 54. De opruststelling van de instructeur had de ontbinding van zijn net tot gevolg. De commissie stelt vast dat dit niet volledig overeenstemt met de informatie uit de koffers en de verklaringen van getuigen voor de commissie of voor de deskundigen die de commissie bijstaan.

Het netwerk van de op rust gestelde instructeur dat uit twaalf agenten bestond, zou worden overgenomen door een nieuwe in 1990 aan te werven instructeur. Door de verwikkelingen rond de Gladio-affaire is dit niet gebeurd en is de gepensioneerde instructeur blijven instaan voor de contacten met zijn agenten.

Er bestond binnen de sectie een horizontale en verticale afscherming. Buiten de administrateur-directeur-generaal van de Staatsveiligheid of zijn adjunct, was geen enkele andere dienst op de hoogte van de specifieke taak en activiteiten van de STC/Mob. Het hoofd van de sectie, een eerstaanwezend inspecteur, kende wel zijn instructeurs, maar niet dienst agenten. Elke instructeur kende zijn eigen agenten, maar hij kende geen agenten van andere instructeurs en evenmin kenden de agenten elkaar onderling. Zowel in vredes- als in oorlogstijd moesten de agenten binnen een volstrekt gecompartimenteerd systeem kunnen werken.

Volgens bepaalde inlichtingen en getuigenissen was die compartimentering niet helemaal waterdicht.

Alvorens een nieuwe agent werd benaderd, werd aan de heer Raes een dossier voorgelegd waarin alle nuttige inlichtingen stonden en dat ook de naam van de agent bevatte. Op grond van dit dossier gaf de administrateur-directeur-generaal zijn toestemming tot rekrutering, waarna hij de naam "onmiddellijk uit het geheugen verwijderde". Uit het individueel dossier van een agent blijkt evenwel dat de heer Raes hem persoonlijk geschreven heeft om hem te bedanken voor bewezen diensten.

Tenslotte is gebleken dat men zich niet altijd heeft gehouden aan de volstrekte afscherming tussen de agenten, hoewel daar herhaaldelijk de nadruk op is gelegd, aangezien de opleiding van een aantal radio-agenten gemakkelijkheidshalve soms wel in de woonplaats van andere agenten werd gegeven.

3. Opdracht en werking van de sectie

3. Opdracht

Het hoofddoel van de sectie was het rekruteren en het opleiden van agenten die, ingeval van bezetting van het grondgebied, aan de regering in ballingschap de nodige informatie kon doorspelen. Het netwerk was een slapend netwerk, dat alleen maar wakker gemaakt zou worden in geval van bezetting van het Belgisch grondgebied door een vreemde mogendheid. 

Een persoon van STC/Mob had tot taak in crisistijd of in oorlogstijd de planning van de evacuatie te beheren van de dienst Veiligheid (personeel en stukken) naar een in België of in het buitenland gelegen plaats. Die persoon was eveneens belast met het onderdeel mobilisatie van de Staatsveiligheid, aangezien in geval van mobilisatie de personeelsleden van de Staatsveiligheid een uitstel van mobilisatie of van oproeping moeten kunnen krijgen. STC/Mon was gespecialiseerd in drie domeinen:

  1. Afdeling E: spionage. Samengesteld uit inlichtingsagenten.

  2. Afdeling N: inlichtingentransmissie. Samengesteld uit radio-agenten.

  3. Afdeling P: evacueren van personen. Samengesteld uit in- en exfiltratie-agenten.

Het STC/Mob-netwerk, zoals dat nu is bekend, blijkt ontstaan te zijn in de jaren 1969-1970, op initiatief van de heer Woot de Trixhe, adjunct-administrateur-directeur-generaal van de Staatsveiligheid. Eind 1979, begin 1980, werd het STC-netwerk nieuw leven ingeblazen en geheroriënteerd op aansturen van de heer Raes.

3.2 Instructeurs

Rekrutering: De instructeurs werden via coöptatie gerekruteerd. In organisatie II waren de leden van de bijzondere sectie ambtenaren van de Staatsveiligheid die in de loop van hun carrière als bijzondere opdracht instructies toegewezen kregen. Zij werden gekozen door de administrateur-directeur-generaal. Wij moeten daaraan toevoegen dat de ambtenaren van de Staatsveiligheid geenszins verplicht waren om in die dienst te werken. Er werd hen gevraagd mee te werken zonder te preciseren waar het exact om ging.

Opleiding: Er zij opgemerkt dat de personen die deel uitmaakte van het netwerk - en dat geldt zowel voor de instructeurs als voor de agenten - tussen 1952 en 1990 vermoedelijk met verschillende opdrachten werden belast. De opleiding die aan de instructeurs werd gegeven omvatte vier punten:

  1. de algemene principes inzake veiligheid

  2. een opleiding inzake radio-verbindingen

  3. de coderings- en decoderingstechnieken

  4. de clandestiene verbindingstechnieken

Soms gingen de instructeurs naar het buitenland om daar lessen te volgen.

Activiteiten: De instructeurs hielden zich alleen bezig met de stay behind agenten van hun net. Hoewel hun hoofdactiviteit de opleiding van hun agenten was, hadden ze toch ook een administratieve taak, namelijk het opvolgen van de operationele dossiers van de agenten en de voorbereidingen van de oefeningen.

Deze ambtenaren van de Staatsveiligheid, die een opleiding als instructeur hadden gevolgd en wier taak in het oefenen van de agenten bestond, waren binnen de Staatsveiligheid alleen met die opdracht belast. De instructeurs hadden ook het toezicht over hun agenten. Jaarlijks moesten zij elke agent evalueren in een "status report".

In tegenstelling tot de militaire instructeurs oefenden de burgerlijke instructeurs geen dekmantelactiviteit uit. Bijgevolg deden onder het personeel van de Staatsveiligheid geruchten de ronde over de dienst waartegen men met afgunst aankeek. Er zij opgemerkt dat de STC/Mob instructeurs de reputatie hadden een mooi leventje te leiden.

3.3 Agenten

Wij kunnen ruwweg drie soorten agenten onderscheiden:

  • Inlichtingsagenten (OCI)

  • Radioagenten

  • Agenten voor infiltratie en exfiltratie, de netwerklinies (E&E of I&E)

Dankzij het Harpoon-radiosysteem was er geen lange opleiding meer vereist, waardoor het onderscheid tussen inlichtings- en radioagenten geleidelijk vervaagde. De agenten volgden, in tegenstelling tot de instructeurs, geen lessen in het buitenland en namen geen deel aan oefeningen in het buitenland.

Sinds 1969-1970 en tot ongeveer 1979-1980 waren er enerzijds de rekruteurs en anderzijds de instructeurs. Later hielden de instructeurs zich ook bezig met de rekrutering van agenten. Het is gebeurd dat de meerderen de rekrutering van een bepaalde persoon voorstelden die in geval van bezetting aan de Belgische regering diensten van strategisch belang zou kunnen bewijzen en die aan de basiscriteria beantwoordde.

De agenten waren zo opgeleid dat zij in geval van bezetting andere agenten konden rekruteren om een netwerk te vormen waarvan zij de chef zouden zijn. De rekrutering vertoonde een piramide-structuur. Het netwerk kan op die manier vervijfvoudigd worden.

Het bevel om het netwerk operationeel te maken zou vanuit de basis te Londen of Washington gegeven worden; die basis zou zich ook akkoord moeten verklaren over de nieuwe gerekruteerde agenten.

Rekrutering - criteria

Oorspronkelijk werd geput uit vroegere verzetslieden vooral wanneer die lid van het Geheim Leger waren geweest. Later rekruteerden de instructeur op twee manieren: ofwel kende hij de personen rechtstreeks, ofwel kon hij een beroep doen op een betrouwbaar tussenpersoon die een aantal personen kon voorstellen, zonder evenwel te weten voor welk doel zij zouden worden ingezet.

Als eerste was er het geografisch rekruteringscriterium dat ervoor zou zorgen dat het hele grondgebied werd bestreken door agenten wier specialisme met de behoeften van de regio samenviel. Vervolgens waren er dan de criteria gebonden aan de persoonlijkheid van de mogelijke kandidaat. Het moest om iemand gaan die:

  • Niet gemakkelijk opgespoord kon worden. De persoon mocht dus niet een beroepsactiviteit voeren die hem onmiddellijk als verdacht zou aanwijzen. De persoon moest een onopvallend iemand zijn.

  • Inlichtingen kon verstrekken over een belangrijk doelwit.

  • Een eerzaam man was.

  • Een sociaal stabiel bestaan leidde en niet in financiële moeilijkheden zat. De commissie heeft kunnen vaststellen dat dit onderzoek niet diepgaand gevoerd werd. In dit verband kon ook de leeftijd belangrijk zijn. De persoon moest tot een zekere rijpheid zijn gekomen.

  • Niet politiek gebonden was of lid van een politieke partij.

  • Vaderlandslievend was. Het moest een persoon zijn van Belgische nationaliteit duidelijk bezield door de wil het vaderland te dienen en bereid de risico's te lopen die met verzetsactiviteiten gepaard gaan wanneer een vreemde mogendheid het grondgebied bezet.

  • In hart en nieren anticommunist was.

Ook de verknochtheid aan de "traditionele" religieuze waarden had voor sommigen een beoordelingsgegeven kunnen zijn. Hoewel een aantal getuigen dit punt afstrijden, heeft de commissie in het evaluatiedossier van een van de agenten volgende bedenking aangetroffen:

Op religieus gebied kan niet gezegd worden dat W. een uitgesproken mening heeft, maar feit is alleszins dat hij bijvoorbeeld de reizen van de paus ziet als "tijdverlies" of zelfs een ongeoorloofde inmenging van de kerk in de politiek. W. en zijn echtgenote hebben anderzijds een uitgesproken bewondering voor Lech Walesa en de vakbond Solidariteit in het algemeen.

Doorslaggevend voor de rekrutering waren ook nog twee andere criteria:

  • Het veiligheidsonderzoek;

  • Een persoon met een dossier bij de Staatsveiligheid of actief in de contraspionage kwam niet in aanmerking. Het strafblad werd ook geraadpleegd, maar veroordelingen voor kleinere overtredingen werden verwaarloosd.

Een aantal getuigen hebben toegegeven dat zij bij de rekrutering ook met andere criteria rekening hebben gehouden. Zo werd onder meer ook rekening gehouden met de echtgenote van de agent. Indien van die kant een mogelijk risico bestond werd de mogelijke agent niet geselecteerd. 

Een getuige verklaarde dat hij nooit radio-amateurs heeft aangeworven omdat die al geficheerd waren en hun aanslag al bekend was bij de vijand of bij andere netten. Evenmin kwam volgens hem leden van yachtclubs in aanmerking.

Een andere getuige verklaarde dat geen rijkswachters of ex-rijkswachters werden genomen omdat het gevaar bestond dat die te snel door de bezetter zouden geïdentificeerd. Maar wel waren er vermoedelijk enkele reserve-officieren bij het netwerk.

Een derde getuige vond het onwaarschijnlijk dat reserve-officieren agenten waren omdat die in oorlogstijd ingezet zouden zijn voor andere taken, maar er waren beslist wel enkele gewezen reserve-officieren bij STC/Mob.

Een getuige verklaarde dat hij soms wel een echtpaar, de man en de vrouw, rekruteerde zo deze laatste tot medewerking bereid was en de aan de criteria beantwoordde.

De minister van Justitie wijst erop dat, wat hun beroep betreft, 50% van de vrijwillige agenten uit de privé-sector kwam (middenkader), 10% uit de parastatalen, 10% uit de rangen van de zelfstandigen en KMO-leiding en 10% uit die van de ambtenaren.

Veiligheidsenquête

De veiligheidsenquête in het netwerk STC/Mob was niet dezelfde als de enquête door SDRA gevoerd. Wanneer een instructeur iemand had ontdekt die hem van nut leek te zijn, voerde hij een onderzoek uit dat hij aan het sectiehoofd voorlegde met het oog op een eventuele benadering. Vervolgens werd er een nota opgesteld en indien het sectiehoofd die goedkeurde, werd ze overgezonden aan de administrateur-directeur-generaal van de Staatsveiligheid, die om extra informatie kon vragen vóór hij de werving definitief toestond of weigerde. Alleen vanaf dat ogenblik mocht de instructeur de potentiële agent benaderen.

Het kon gebeuren dat de documentatiedienst van de Staatsveiligheid werd geraadpleegd in het kader van een enquête, maar dan deed de instructeur dat. Er waren voor de enquêtes geen contacten met SDRA. De diensten waren volkomen gecompartimenteerd. In dat verband heeft de heer Raes verklaard dat het veiligheidsonderzoek uitsluitend in eigen regie plaatsvond, binnen de speciale sectie, met de lacunes eigen aan zulk veiligheidsonderzoek, want professionele dubbelagenten konden zich voordoen als vaderlandslievend. Vergissingen zijn dus altijd mogelijk.

Opleiding

De agenten kregen alleen een technische opleiding. Ieder had zijn eigen specialisme:

  1. radio-verbindingstechnieken;

  2. in- en exfiltratietechnieken;

  3. inlichtingen in de ruime zin.

Met het Harpoon-systeem werd de agent al vlug veelzijdig. Een maand opleiding was voldoende, zodat de radio-agent ook inlichtingenagent kon worden. Wanneer de radio-agent zijn opleiding met het Harpoon-systeem had doorlopen, leerde hij het vroegere systeem, namelijk radio-communicatie via morse-signalen, omdat hij dat eventueel in oorlogstijd nodig had. Wij vermelden dat voor het oude systeem ongeveer vijf jaar opleiding vereist was en de radio-agent kon dan ook moeilijk polyvalent worden.

In organisatie I blijken de agenten een opleiding gevolgd te hebben in verband met het gebruik van wapens. Sinds organisatie II heeft niemand nog een opleiding in wapengebruik gevolgd, en evenmin in militaire principes of andere opdrachten die niet zouden aansluiten op het opsporen van inlichtingen. De oefening en het leren gebeurde individueel onder de leiding van de instructeur. Er werd op het terrein geoefend en daarover werd verslag gemaakt in het dossier van de agent. De agenten gingen nooit naar het buitenland om daar lessen te volgen.

Aangezien de agenten in principe alleen hun instructeur kenden, werden ze ook gedrild om weer contact op te nemen indien hun instructeur er niet meer was. Ook kon er een procedure in de omgekeerde zin worden gevolgd, namelijk contact opgenomen door mensen van de sectie.

Activiteiten

De agenten, die vrijwilligers waren, werden nooit ingezet voor andere activiteiten van de Staatsveiligheid. Zij bleven volkomen buiten de werking en de opdrachten van die dienst in vredestijd. In vredestijd hadden zij dus geen opdracht. Zij volgden alleen opleidingsstages en oefeningen op nationaal, bilateraal en multilateraal niveau. Die stages waren gewoonlijk kort. Wat de inlichtingen betreft, die werden nooit in vredestijd geëxploiteerd. De Commissie kan echter niet bevestigen dat eventuele inlichtingen niet werden doorgegeven.

3.4. Oefeningen

De leden van de Bijzondere Sectie hebben aan diverse nationale, bilaterale of multilaterale oefeningen deelgenomen. Voor de Staatsveiligheid dienden die oefeningen steeds om de kennis van de agenten te toetsen. Er was samenwerking tussen de instructeurs van de diverse lid-staten van het ACC. De agenten namen deel aan internationale oefeningen maar zonder het Belgisch grondgebied te verlaten. De oefeningen verliepen volgens een scenario waarbij werd uitgegaan van de veronderstelling dat het land door een vijand bezet was. 

  • Nationale oefeningen: Hadden tot doel de praktische opleiding van een agent in opleiding.

  • Bilaterale oefeningen: Gemiddeld een keer per jaar om de gemeenschappelijke procedures uit te testen.

  • Multinationale oefeningen: Werden in principe om de drie jaar gehouden, in het kader van de ACC en alle leden namen eraan deel.

Tussen 1980 en 1990 heeft STC/Mob deelgenomen aan 10 oefeningen met buitenlandse diensten; die zijn zonder incidenten verlopen.

3.5. Materiaal

In de jaren vijftig, ten tijde van organisatie I, werden geheime wapenopslagplaatsen ingericht. Het aantal wapens lag echter nooit erg hoog omdat het aantal personen dat in het kader van de organisatie werkte beperkt was. De laatste geheime wapenopslagplaatsen werden echter vlug ontmanteld en de wapens werden toevertrouwd aan de Staatsveiligheid die ze in een militair depot opsloeg. Eind 1960 werden de wapens door de ontmijningsdienst vernietigd.

Sinds organisatie II (dus vanaf 1968), bezaten de agenten geen wapens meer en hebben ook geen opleiding terzake gekregen, ook niet inzake militaire principes of andere opdrachten die niet rechtstreeks aansloten op onderzoek en inlichtingen. Tot 30 september 1990 konden de instructeurs beschikken over een gehuurde studio in Brussel, om hun agenten op te leiden en te onderrichten, om radiotests te doen en om correspondenten of deelnemers aan oefeningen te herbergen. In de periode 1980-1990, werd een appartement gehuurd voor maximum een maand, een keer in Duinbergen, een keer in Westende en een keer een villa in Den Haan, in het raam van de internationale oefeningen.

De agenten van STC/Mob die over materieel beschikten waren radio-agenten.

  1. Tot het begin van de jaren 80 werd gewerkt met radiotoestellen TAR 24, "systeem more high speed".

  2. Nadien heeft de Staatsveiligheid 20 Harpoon-toestellen aangekocht. Het betreft apparatuur met hoge prestaties met als kenmerk dat die los van de agent kon worden gebruikt en met een ingewikkeld en nagenoeg niet te breken coderingssysteem (zie ook bijlage 8). De toestellen bevinden zich momenteel in de lokalen van de Staatsveiligheid aan de de Meeûssquare.

  3. Een aantal agenten beschikten ook over een kleine draagbare computer Sharp om gemakkelijker te kunnen coderen en decoderen. Een agent die door de magistraten werd gehoord, heeft verklaard nog steeds in bezit te zijn van die computer.

3.6. Financiële middelen - Controle

Einde van de veertiger en begin van de vijftiger jaren hebben de Amerikaanse en de Britse overheid België goudstukken en baar geld ter beschikking gesteld om de ontsnapping van de overheid of van andere personen ingeval van gewapend conflict en van een inval op het Belgisch grondgebied te kunnen betalen. Die bedragen werden zonder begeleidende stukken overhandigd en in ontvangst genomen en gedeeltelijk verdeeld onder de agenten.

Na de ontbinding van STC/Mob kwam de dotatie terug naar de Staatsveiligheid. Geen van de agenten heeft nog goudstukken in zijn bezit. De hele dotatie ligt in de kluis van de waarnemend administrateur-directeur-generaal. De Staatsveiligheid beweert dat er niets werd uitgegeven. Bij de Staatsveiligheid is er nu een reserve aan goudstukken van ongeveer 2,5 miljoen frank (afhankelijk van de wisselkoers). In het totaal waren er 152 stukken van 20 dollar, 511 stukken van 10 dollar en 1 311 in pond sterling. De waarde van de stukken zal door de Munt worden vastgesteld en de stukken zullen aan de Schatkist worden overgedragen. Er zij op gewezen dat de gouddotatie die voor STC/Mob bestond, voor SDRA 8 nooit werd samengesteld.

Een getuige verklaarde dat de stay behind opgericht werd op verzoek van de Engelsen en de Amerikanen. België wilde wel meewerken op voorwaarde dat de startkosten voor radiotoestellen en al het materieel gedragen zouden worden door die buitenlandse diensten. De activiteiten werden gefinancierd op het gewone budget van de Staatsveiligheid, aangezien de 7 à 8 personen ambtenaren waren van de Staatsveiligheid die in de loop van hun barrière met die opdracht werden belast. De agenten werkten belangloos en werden niet bezoldigd, maar hun reiskosten werden wel via het budget van de Staatsveiligheid vergoed. De oefeningen werden op hetzelfde budget gefinancierd.

Wat de boekhouding en het financiële toezicht op het netwerk betreft, heeft de heer Schewebach verklaard dat de werkingskosten van de sectie vanaf 15 juni 1990 via bijzondere posten van de Staatsveiligheid werden betaald. De heer Schewebach, waarnemend administrateur-directeur-generaal verklaart dat de uitgaven van STC/Mob gemiddeld 100.000 Belgische frank per maand bedroegen. Hij heeft die onkosten tot 20.000 Belgische frank verminderd. Daaraan moeten dan nog de kosten van de internationale bijeenkomst worden toegevoegd. Dat alles werd geregistreerd en de rekenkundige verrichtingen en de samenvattende staten bestaan nog wel maar werden door de onderzoeksrechter [Hennart] van Nijvel, in het kader van zijn onderzoek naar de zaak Mendez, in beslag genomen.

Verantwoordingsstukken voor de uitgaven bestaan er pas sinds 1989. De kosten STC/Mob werden altijd afzonderlijk, buiten de boekhouding van de Staatsveiligheid, geboekt. De werkingskosten omvatten:

  • kosten door de instructeurs en agenten gemaakt (reizen, maaltijden, ... );

  • wagenkosten (voor privé aangekochte voertuigen);

  • de "premie" voor de instructeurs: omdat die personen die al een beroepsactiviteit over dag uitoefenen, steeds buiten de normale werkuren werkten, ontvingen zij een compensatiepremie. De heer Schewebach schafte die premies af omdat er ook nog andere diensten buiten de normale werkuren werkten. De heer Schewebach heeft ook vergoedingen voor het gebruik van de privé-wagens vanaf 1 oktober 1990 afgeschaft;

  • de huur van een appartement dat werd gebruikt voor de oefeningen van de agenten die thuis niet wilden oefenen.

De betaling van de radiotoestellen (Harpoon) voor een bedrag van 2,5 miljoen/stuk, wordt in schijven gedaan. Het bedrag van 50 miljoen werd vanaf 1984 over vijf jaar terugbetaald. (Zie ook nota van het college van magistraten in bijlage nr. 8.) In verband met deze aankoop heeft de heer Burgeon op 18 juni 1984 aan de toenmalige Minister van Justitie een parlementaire vraag gesteld:

"Op 8 juni 1984 heeft de Ministerraad een uitzonderlijke uitgave goedgekeurd van 10 miljoen frank10 en niet 50 omdat ik spreek over een bedrag van 50 miljoen in vijf schijven af te betalen - onmiddellijk ter beschikking te stellen van de Staatsveiligheid. Graag zou ik de redenen voor die uitzonderlijke uitgave vernemen, boven de kredieten ingeschreven op de begroting van de Minister van Justitie en ook hoe dat bedrag zal worden besteed."

De heer Gol antwoordde als volgt:

"Het besluit van de Ministerraad van 8 juni 1984 om voor het bestuur van de Staatsveiligheid een kredietverhoging toe te kennen geopend op artikel 12.22.01 van de begroting van het Ministerie van Justitie, werd ingegeven door de noodzaak van de externe veiligheid van de Staat."

Financiële controle

Een getuige die in de beginperiode van de organisatie in dienst was, verklaarde dat maandelijks aan het Ministerie van Justitie rekeningen werden voorgelegd. De stukken werden niet vernietigd maar in een safe bewaard. Elke instructeur stelde maandelijks een kostenstaat op (de agenten overhandigden de onkostennota's aan hun instructeur; voor bedragen kleiner dan 1.000 frank werd volgens een getuige geen bewijsstuk gevraagd).

Die staat werd vervolgens nagekeken door de sectiechef en later door de administrateur-directeur- generaal die de staat viseerde. Alleen de werkings- en reiskosten werden terugbetaald. Ten tijde van de heer Raes werden de rekeningen van STC/Mob jaarlijks vernietigd nadat het Rekenhof zijn instemming met de rekeningen van de Staatsveiligheid had betuigd.

4. Identiteit van de agenten

Een van de drie waarborgen die aan de gerecruteerde agenten werd toegezegd is die van de anonimiteit met het oog op hun persoonlijke veiligheid en ook die van hun omgeving. De twee andere waarborgen waren de discretie tijdens de opleiding en de vrijwilligheid van hun verbintenis, die ze op elk ogenblik konden verbreken. Volgens de afgelegde getuigenissen mocht de identiteit van de agenten aan niemand worden bekendgemaakt, om redenen van veiligheid en discretie, maar ook met het oog op de doeltreffendheid te velde in oorlogstijd. Alleen de instructeur kende de identiteit van de agenten van zijn eigen net.

Elke identiteit werd door de instructeur gecodeerd (tot in 1987 via het systeem one time pads, OTP., en later met behulp van het systeem "Kayner"). Deze overhandigde vervolgens de sleutel aan de hoofdinstructeur (ook sectiehoofd genoemd). Deze laatste beschikte dan wel over alle sleutels, maar kon toch de banden met de namen van de agenten niet decoderen omdat de gecodeerde dossiers, met onder meer de identiteit van de agenten, zich bevonden in verzegelde koffers in de VS en in Groot-Brittannië. De Amerikaanse en Engelse partners hadden tot die koffers geen toegang en konden dus onmogelijk de identiteit van de Belgische agenten ontcijferen.

De instructeurs hielden voor elk van hun agenten een werkdossier bij. De dossiers bevonden zich in Brussel. Indien een instructeur aan een van zijn dossiers wilde werken diende hij het dossier aan de hoofdinstructeur te vragen. Vanuit de organisatie 11 kon de administrateur-directeur-generaal ook om een bijzondere reden de naam van de agenten opvragen. Maar ook hij moest voor het decoderen via de instructeurs passeren. Als enige kon de instructeur de identiteit van zijn agenten mededelen en daarom werd een bijzondere procedure uitgewerkt om met de agenten contact te kunnen opnemen ofwel in spoedeisende gevallen, ofwel indien de instructeur er niet meer was. Het betreft de zogenaamde "contactmethodes in vredestijd".

De dossiersoperaties die door de instructeurs werden samengesteld, waren vaak zo volledig dat de Commissie zonder veel moeilijkheden tot 80% van de agenten had kunnen identificeren, indien zij daartoe had besloten. De magistraten die de dossiers hebben onderzocht hebben overigens de identiteit achterhaald van 12 instructeurs; 6 van de sectie E, 2 van de sectie P en 4 van de sectie N. De helft van die instructeurs is niet meer in dienst. Die instructeurs hadden agenten onder zich. De magistraten hebben de dossiers geraadpleegd van 26 agenten van sectie E, 22 agenten van de sectie N, 8 agenten van de sectie P, onder wie er vier nog in opleiding waren.

De Voorzitter van de Commissie heeft de leden van de Staatsveiligheid die als instructeur werden aangewezen gevraagd de magistraten op de hoogte te brengen van de identiteit van de agenten, zodat de magistraten konden natrekken dat die personen niet betrokken waren in ernstige strafzaken. Het voorstel van de Commissie werd negatief onthaald, door de instructeurs. Zij hebben die houding verklaard vanuit hun verbintenis tegenover hun agenten om nooit hun identiteit bekend te maken. Een getuige verklaarde zelfs dat de leden van de Bijzondere Sectie vergeetoefeningen hadden gevolgd.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

4

Ben wrote:

Eind 1979, begin 1980, werd het STC-netwerk nieuw leven ingeblazen en geheroriënteerd op aansturen van de heer Raes.

Dit is een zeer interessant detail omdat in dezelfde periode - maart 1981 - WNP werd opgericht door Paul Latinus. Ik raad ook aan om de tekst van de Gladiocommissie eens te lezen met WNP in het achterhoofd: dus Smets als de "instructeur" en WNP-leden als de "agenten".

Ben wrote:

Afdeling P: evacueren van personen. Samengesteld uit in- en exfiltratie-agenten.

Over deze afdeling staat er nog een interessante voetnoot in het verslag:

De commissie meent er te moeten op wijzen dat het verscheidene getuigenis verwonderd heeft hoe vlot en snel een aantal wegens misdrijven opgespoorde personen ons land moeiteloos hebben kunnen verlaten. Volgens die getuigen heeft dat alleen kunnen gebeuren via bijzonder goed voorbereide ontsnappingsroutes. Voorts waren zij ook van mening dat de STC/Mob hoe dan ook niet zo efficiënt had kunnen optreden.

Als laatste punt wil ik ook nog de aandacht vestigen op het moment dat er beslist wordt om over te gaan tot de aankoop van het Harpoon-radiosysteem. Dit gebeurde in juni 1984, dus vlak na de overval op de kazerne van Vielsalm tijdens de Oesling-oefening. De verantwoordelijke minister - Jean Gol - zei hierover dat de beslissing "werd ingegeven door de noodzaak van de externe veiligheid van de Staat".

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Op de site cryptomuseum.com vind je gedetailleerde informatie over het Harpoon radio systeem. Modulair, en lijkt me zeer portabel. The receiver kan stand alone werken. Golf + Harpoon receiver + STC radio communicatie specialist die de rijkswachtfrequentie kan afluisteren = zeer hoge kans op succesrijke vlucht na aanslag?