8,191

(8 replies, posted in Organisaties)

In 1971 werd Emile Lecerf hoofdredacteur van Nouvel Europe Magazine (NEM), en volgde hiermee Jo Gérard op. In diezelfde periode kwam de uitgeverij van NEM, Compagnie Internationale d’Edition Populaire (CIDEP), in handen van Benoit de Bonvoisin. Dat persorgaan werd in 1944 door Pierre Blanc opgericht onder de naam Grande Bretagne. Later veranderde de naam opeenvolgend in Europe-Amérique, Europe Magazine en Nouvel Europe Magazine. Lecerf werkte reeds mee aan het tijdschrift toen hij nog militeerde voor Jeune Europe, maar onder verschillende pseudoniemen: Lecour, Coriolan en Fetchire.

Vanaf het leiderschap van Lecerf werd aan de naam Nouvel Europe Magazine ook het volgende zinnetje toegevoegd: "La voix de la majorité silencieuse" waarbij hiermee het volgende werd bedoeld:

"Elle est la communauté informelle de ceux qui sont contraints au silence parce que victimes d'un monde où les valeurs sont confondues et les idéaux prostitués. Il est de bon ton , en effet, alors que la chape du silence s'abat sur Saigon la rouge ou Bissau la noire, de se proclamer marxiste mais il est interdit de se dire 'fasciste', et de citer ces martyrs du panthéon de la droite: C. Codreaunu, José-Antoni Primo de Rivera, Joris van Severen, Paul Hoornaert ..."

Naast de twee vaste medewerkers Emile Lecerf en Robert Franchimont is het ook interessant om enkele illustere externe medewerkers te vermelden. Zo leverden op onregelmatige basis de volgende figuren een bijdrage in NEM: de historicus Jacques de Launay (vertrouwensman van de CIA en andere inlichtingendiensten), kolonel Georges de Lovinfosse (ex-agent voor de SOE), generaal Emile Janssens, Suzanne Labin en professor Flor Peeters. Ook André Moyen onder zijn pseudoniem Capitaine Freddy schreef geregeld voor het blad. Toen het nog Europe-Amérique heette leverde een artikel van hem het blad en zijn uitgeverij een rechtzaak op wegens antisemitische en rassistisch getinte uitspraken, laster en eerroof.

Onder leiding van Lecerf nam NEM uitbreiding en diverse lezerskringen, namelijk de NEM-clubs, werden opgericht (1972). Naast legerofficieren (zowel de nog actieven als die uit de Nationale Unie der Reserveofficieren) maakten ook de leden van de Jeunesse Belge/Belgische Jeugd deel uit van de NEM-clubs. De JBJ werd in 1968 opgericht te Brussel door ridder Jean Breydel (lid van de Cercle des Nations) en genoot vanaf het begin de steun van een aantal vooraanstaande conservatieven zoals Paul Vanden Boeynants en Jo Gérard. De NEM-clubs fungeerden als vriendenkring en pressiegroep, en organiseerden voordrachten. Tot de gastsprekers behoorden tal van extreem-rechtse individuen, onder andere eregeneraal Emile Janssens (ex-lid van de Parti National) en Jo Gérard (CEPIC-lid).

De jongeren uit de NEM-clubs richtten in 1973 trouwens het Front de la Jeunesse op, met inplantingen in Brussel, Luik, Charleroi, Namen, Antwerpen, Gent en Oostende. Het Front de la Jeunesse kwam onder leiding te staan van Francis Dossogne, licentiaat in de pers- en communicatiewetenschappen, die trouwens over de NEM-clubs een licentiaatsverhandeling schreef. Hierin stelde hij onomwonden de visies van NEM:

"Tout à tour, le CEM se montre: monarchiste, catholique, intégriste, conservateur, fascisant, libérale, xénophobe, antimaçonnique, nationaliste, européen, anti-américain, ... répondant sans doute ainsi à un public de droite hétérogène." 

NEM omschreef zichzelf als een grote familie bestaande uit een sociale, intellectuele of militaire elite van oud-kolonialen, integristische katholieken, Oost-Europese vluchtelingen, officieren bij de parachutisten, oud-Oostfrontstrijders, authentieke verzetslui, ... Vanaf maart 1972 doorkruiste Emile Lecerf heel het land om het lezerspubliek van NEM te structureren in NEM-clubs, waarin de lezers elkaar en hun standpunten beter konden leren kennen. Naast de Vlaamse steden Gent, Antwerpen en Leuven was Brussel vertegenwoordigd en waren vooral in de Waalse steden NEM-clubs opgericht: Luik, Doornik, Bergen, Charleroi, Namen, Aarlen en Marche-en-Famenne.

NEM appeleerde rechtstreeks aan een elite met een heilig plichtsbesef, zonder de welke de wereld zou vergaan. Europa moest overwinnen! Het manifest van NEM hernam in ieder geval de 25 punten voor "la Renaissance Européenne". Gaandeweg begonnen de NEM-clubs zich ook politiek te manifesteren en traden naar buiten met pamfletten, affiches en zelfs betogingen. Intern werd NEM politiek gestructureerd in een Front de la Jeunesse, dat bestond uit jongeren die getraind werden in gewelddadige actie, en de Forces Nouvelles, een politieke partij die zich op de verkiezingen richtte. Vanaf 1975 zouden de NEM-clubs gaandeweg verdwijnen, althans onder die naam.

In een niet gedateerd document van één van de NEM-clubs lezen we onomwonden wat we onder hun politieke manifestatie en gewelddadige actie moeten verstaan:

"Avis aux étudiants gauchistes, aux nègres et nord-africains! Cous ne voulons plus être envahis par votre sale propagande Marxiste. Si dans les quarante-huit heures, vous n'avez pas cessé votre intoxication Rouge; Si vos librairies, bars et cercles ne sont pas fermés, nous nous en chargerons activement. Cous sommes prêts [...] pour vous faire fermer vos grandes gueules. Depuis bientôt un mois vous pouvez voir que nous agissons en silence mais dès le délai des 48 heures, nous entrerons en action."

"Et si nous voyons un nègre ou un nord-africain en compagnie d'une femme blanche, nous casserons la gueule à cet animal de pays sous-développé et la fille sera tondue. Si vous bougez pour défendre ces chiens du race inférieure qui ne sont hommes que par leur corps, vous subirez le même sort par des actions brutales. Cous voulons vivre dans une ville propre, sans crapules de votre espèce qui avez sali l'UCL. Signé, Ordre Couveau, CEM-club."

In de entourage rond NEM bevond zich ook de Erasmuskring of Le Cercle Erasme, het Belgische equivalent van het Franse GRECE. We herinneren eraan dat één van de organen langswaar GRECE haar opinies trachtte te verspreiden het blad Nouvelle Ecole was. Welnu, één van de redactieleden van dit Franse blad was niemand minder dan Emile Lecerf. Ook Forces Nouvelles werd naar het Franse voorbeeld de Parti des Forces Nouvelles opgericht. De Forces Nouvelles werd door Emile Lecerf opgericht in 1975 en het programma bevatte de klassieke rechtse elementen. Die partij trachtte vooral stemmen te winnen bij de meest rechtse vleugels van de PLP en de PSC. Maar in tegenstelling tot het Franse initiatief viel de Belgische Forces Nouvelles na enkele maanden uiteen.

Het Front de la Jeunesse (FJ) daarentegen kende meer succes en zou jaren lang actief blijven. In 1984 transformeerde het in Parti des Forces Nouvelles en was nauw gelieerd aan Le Pen in Frankrijk. In 1973 opgericht door een aantal jongeren uit de NEM-clubs die meer tot actie wilden overgaan, bundelde het FJ aanvankelijk het Front Universitaire, het Front de la Jeunesse Lycéenne en het Front des Travailleurs. Voorzitter was Francis Dossogne. Via NEM kreeg het FJ trouwens een platform waarin het haar extreme standpunten kenbaar kon maken. Onder de rubriek Europe-Jeunesse ontwikkelde het FJ neofascistische theorieën, die trouwens in heel Europa opnieuw hun opgang maakten.

Tegenover de linkse subversie wilden zij een subversie van rechts plaatsen. Het egalitarisme, het economisch materialisme, het individualisme en het collectivisme waren in hun ogen de decadentie zelve, en moesten worden vernietigd. Het FJ streed tegen abortus en gastarbeiders en voor een sterker leger. Om de macht te veroveren was het noodzakelijk een Parti Solidariste te vormen, met als doel de nationale bevrijding van Europa en het tot stand brengen van een organische staat.

Het Front de la Jeunesse liet zich meermaals opmerken door agitatie en aanslagen, en kwam hierdoor diverse malen in aanraking met het gerecht. Hoe dan ook, al die organisaties waren nauw verwant aan of ontsproten uit de NEM-clubs. Ze deelden allemaal een duidelijke visie ten aanzien van het nationalisme, een uitgesproken Europese visie die aanleunde bij de rechtse Europeïstische organisaties, en een voorliefde voor de middeleeuwen. Diverse figuren uit de Europeïstische bewegingen passeerden er de revue. Zo gaf Luc Beyer de Rycke in 1978 in de NEM-club van Namen een lezing over Zuid-Afrika, en majoor Jean Bougerol één over de linkse subversie. De luikse historicus en professor aan het Europa College Leo Moulin besprak dan weer de Europese monnikenorden en de Middeleeuwen. Leo Moulin was een oude bekende van Jo Gérard toen ze samen nog in de groep Demain zetelden.

Al plaatsten we hier de NEM-clubs vooral in de internationale scène van een opkomend nieuw extreem-rechts met vooral banden in Frankrijk, toch leidt NEM ons ook naar een harde kern binnenin de Belgische scène. NEM steunde onvoorwaardelijk de uiterst rechtse politicus Paul Vanden Boeynants, niet het minst via zijn goede vriend en voormalig directeur van de NEM, Jo Gérard. Met beide figuren en hieraan nog toegevoegd Benoit de Bonvoisin en Paul Vankerkhoven betreden we de wereld van de CEPIC, de uiterst rechtse vleugel van de PSC.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite | Klaartje Schrijvers

8,192

(3 replies, posted in Politiek & Business)

Jo Gérard werd geboren in 1919 te Antwerpen en studeerde aan het college St-Michel te Brussel. Zijn jeugdjaren bracht hij door in de Ardennen. Hij behaalde het diploma licentiaat in de geschiedenis aan de universiteit van Leuven in 1940, met de thesis "La Presse Belge au XVIIIe Siècle – La Sorcellerie au XVIIe Siècle". Vanaf dan was hij tijdens de oorlog actief als journalist in diverse bladen: Libre Belgique, Courrier des Volontaires en van de clandestiene La Libre Belgique. Samen met twee andere historici, Georges Henri Dumont en Henri Haag, schreef hij in 1942 de clandestiene brochure "Etapes", over de grootse erfenis van de constitutionele monarchie en Leopold III en waarin gepleit werd voor een koning met wetgevende en uitvoerende macht.

De brochure werd gefinancierd door Paul de Launoit en met een oplage van 50.000 exemplaren verspreid. In 1943 was hij lid van de groep Demain die de brochure "Raillement Social Belge" uitgaf. Enkele van de voornaamste ideologen van de groep Demain en leiders van de NKB (Nationale Koninklijke Beweging, zie hoofdstuk twee in dit deel) maakten deel uit van de groep: Ernest Graff, Eugène Mertens en Joseph Meurice. Tijdens de oorlog schreef hij ook diverse boeken.

In 1944 stichtte hij samen met Georges Sion en Georges Henri Dumont het ultrarechtse en Leopoldistische blad VRAI. Medewerkers vanaf het eerste uur waren onder meer Capitain Freddy (pseudoniem voor André Moyen), Carlo Bronne, Andrien Timmermans, Hilaire Lahaye, Raoul Crabbé, Luc Hommel, Henri Haag en Jean Wolf. Jo Gérard zou in die jaren nog aan diverse extreem-rechtse bladen meewerken, zoals Cassandre, l'Occident en Septembre. Vanaf 1947 werd hij trouwens hoofdredacteur bij VRAI en werkte mee aan de zuivering binnen de PSC die als te laks werd beschouwd. In 1948 schreef hij nog over de PSC-leiding: 

"… qui bombent le torse devant l'électeur mais n'en offrent qu'un postérieur plus rebondi à la cravache des marxistes."

Niet voor niets sloten Jo Gérard en Paul Vanden Boeynants algauw vriendschap. De twee gelijk gestemde zielen stichtten in 1949 de Mouvement pour le Redressement du PSC. Het programma bestond uit het promoten van de terugkeer van Leopold III, de amnestie, het corporatisme en de controle op de immigratie. Maar kort na de verkiezingen van Vanden Boeynants tot PSC-kamerlid in Brussel verdwenen zowel het blad VRAI als de Mouvement pour le Redressement du PSC van het toneel. Jo Gérard ging voortaan aan de slag bij het blad Europe-Amérique, dat vanaf 1951 onder de noemer Europe Magazine (EM) verder verscheen. Gérard werd hoofdredacteur. We zullen zien dat Europe Magazine later zal voortleven in de NEM-clubs.

Na al een reeks boeken te hebben geschreven over de Kongolese kwestie ging hij wanneer Kongo onafhankelijk werd verklaard, finaal tot de aanval over. In Europe Magazine liet hij zich het volgende ontvallen:

"Ces soldats congolais dégagent une puanteur de jardin zoologique. J'en aurais volontiers abattus quelques uns si j'avais disposé d'une arme. En vérité, le bas Congo est bel et bien perdu. Il faut y laisser les Cègres retourner à la barbarie. […] La plupart d'entre eux sont stupides, jouisseurs, sadiques et d'une paresse toute animale. […] Les énergies belges, l'argent belge, la jeunesse belge ont mieux à faire qu'à se dépenser pour ce peuple sans aucune valeur."

Zijn duidelijke stellingname inzake Kongo werd door vele protagonisten uit het netwerk gedeeld. We zullen zien dat ook Florimond Damman dit gedachtegoed genegen was. Maar het racisme van Jo Gérard ging wel heel ver en in het licht van wat de Lumumbacommissie aan het licht bracht, zijn de woorden "J'en aurais volontiers abattus quelques uns si j'avais disposé d'une arme" wel erg bedenkelijk. In haar onderzoek naar de moord op Lumumba stootte de parlementaire onderzoekscommissie op een nota van 3 januari 1961 waarin het volgende werd gestipuleerd:

"Des essais 'd'exécution' de Patrice Lumumba, alors qu’il était encore à sa résidence, ont été également effectués. Le dernier en date 'téléguide' et financé par J.G., du journal E.M. qui avait envoyé à cette fin un certain 'Georges' mulatre grec, d'expression française. 'Georges' a reçu des mains du Lt Col. Marlière une somme de 40.000 frs congol. et une mitraillette Sten 9 mm. Cependant ses tentatives ont échoué (?) bien qu’une somme de un million lui ait été promise en cas de réussite, ainsi que des garanties quant à sa mise en sécurité."

J.G. was niemand minder dan Jo Gérard en EM stond vanzelfsprekend voor Europe Magazine. De Lumumbacommissie stelde vervolgens vast dat een aantal commissarissen onder de invloed stonden van Jo Gérard, in het bijzonder José Nussbaumer die als commissaris van binnenlandse zaken een belangrijke rol speelde in de poging tot arrestatie van Lumumba.

Dat Jo Gérard ook in die zaak opdook, is tekenend voor de plaats die hij in het netwerk innam. Heel wat netwerklijnen botsten steevast op de figuur Gérard. Zijn entourage was inderdaad indrukwekkend, zijn engagementen steevast van extreem-rechtse signatuur. In 1961 nam hij samen met baron Louis Zurstrassen en Charles Poswick het initiatief tot een Manifest van Onafhankelijke Katholieken over Politieke Vernieuwing. Dit manifest sprak zich uit in het voordeel van één België en één beroepsleger.

In 1962 schreef hij het boek "Où va la France", waarin hij stelling nam in het voordeel van Frans Algerije en hulde bracht aan de OAS. Lid van de Amitiés Katangaises gaf hij dat jaar diverse conferenties ten voordele van de secessie. Sommige zaken over Jo Gérard werden in het voorafgaande reeds vermeld. Hij richtte mede de Cercle de Politique Etrangère op, hij werd lid van de Cercle des Nations waar hij geregeld gevraagd werd lezingen te geven en hij werd cultureel adviseur van het Legermuseum van 1972 tot 1984.

In diezelfde jaren 1970 komen we hem ook tegen in het schandaal rond Richard van Wijck. Hij was immers in 1979 beheerder van de Société générale interfinancière, één van de naamloze vennootschappen die Richard van Wijck ten val brachten. Tot slot stond Jo Gérard ook bekend als schrijver van verscheidene "historische" werken.

Met deze introductie van de figuur Jo Gérard treden we een andere wereld binnen van onze globetrotter Florimond Damman, met name die op het kleinschaliger Belgische niveau. Al moeten we hier meteen aan toevoegen dat ook die Belgische entourage bij Damman onlosmakelijk verbonden was met zijn internationale contacten.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite | Klaartje Schrijvers

8,193

(21 replies, posted in Organisaties)

In 1947 werd door generaal de Gaulle het Rassemblement du Peuple Français (RPF) opgericht dat in de daaropvolgende jaren de belangrijkste rechtse en zelfs extreemrechtse oppositie vormde tegen alles wat links was in Frankrijk. Het RPF was niet echt een politieke partij, maar eerder een drukkingsgroep die in het bijzonder de communisten viseerde. Omdat het zich niet tot politieke actie beperkte werd de RPF voorzien van een Service d'Ordre (SO), een gewapende ordedienst die zo nodig kon ageren en infiltreren in de administratie en de politie. Daarnaast kon men ook overgaan tot gewelddadige actie.

Die infiltratie in de politie was overigens reëel. Via de politiecommissaris Jean Dides – die tijdens de oorlog collaboreerde, maar tevens voor de OSS werkte en later de CIA - werd ook bij de politiediensten gerekruteerd. De anticommunistische actie stond centraal en het hoeft dan ook niet te verwonderen dat heel wat collaborerende agenten van tijdens de Tweede Wereldoorlog via de RPF in de naoorlogse politiediensten werden gerecupereerd.

De SO rekruteerde evenwel voornamelijk bij rechtse verzetslieden en beschikte over een "Ecole de Formation des Cadres" waarin men paramilitair werd getraind. Van hen werd een "obéissance aveugle et une abnégation totale" geeïst. Financiering verkreeg het RPF via grote Franse en internationale ondernemingen, die in het RPF de mogelijkheid zagen om een politiek "rechts" Frankrijk te realiseren.

Maar het RPF hield echter in 1954 op te bestaan en de SO werd in 1958, na de geslaagde staatsgreep van Charles de Gaulle en de installatie van de 5de Republiek, officieel de Service d'Action Civique (SAC), opgericht door oudgedienden van de SO zoals Jacques Foccart en Charles Pasqua. Enkele getrouwen van de Gaulle maakten deel uit van de SAC: Naast Foccart en Pasqua die vice-voorzitter werd tot in 1968, waren ook Robert Poujade, Claude Labbé, Robert Frey belangrijke stichtende leden. Voorzitter was Pierre Debizet. De basisbeginselen van de SAC werden in 1959 als volgt gedefinieerd:

"…fidélité inconditionnelle au Général de Gaulle, lutte sans merci contre le communisme et le syndicalisme marxiste, instauration et maintien d’un Etat fort, défense des valeurs traditionnelles de l’Occident chrétien."

De oorlog met Algerije zorgde echter voor een schisma binnen SAC. Debizet stapte op, maar in 1968 nam hij opnieuw zijn plaats als voorzitter in. De gebeurtenissen in 1968 brachten de gelederen binnen SAC terug op dezelfde lijn. Uit trouw aan de Gaulle en het ultra-rechts waar hij voor stond, ageerde SAC op gewelddadige wijze op de studentenopstand, die zij aanzagen als een sociaalcommunistische en gauchistische dreiging. De Gaulle moest echter ditmaal definitief verdwijnen uit de politiek, maar SAC kreeg er een nieuwe erevoorzitter voor in de plaats, Georges Pompidou.

Vanaf 1969 werd Pierre Debizet secretaris-generaal en onder diens gezag werd SAC steeds meer onafhankelijk. De strijd werd vanaf dan in essentie een anticommunistische strijd. De middelen waarvan zij zich bedienden - parallelle politieke actie, infiltratie en geweld - maakte van de SAC een antidemocratische organisatie. Vanaf het post-de Gaulle-tijdperk ging SAC ook al maar meer rekruteren binnen neofascistische jeugd en oud-OAS strijders. De strategie van SAC was in geval van een rechtse regering, die zoveel mogelijk te ondersteunen en actie te voeren tegen subversieve elementen. In geval van een linkse regering was de opdracht van SAC die te destabiliseren door infiltratie en intimidatie door middel van geweld.

In de strijd tegen de subversie bood de SAC ook steun aan diverse andere organisaties waaronder de UNI (Union Nationale Interuniversitaire), opgericht door Jacques Foccart in mei 1968 met als doel de strijd aan te binden tegen de zogenaamde communistische en gauchistische universiteiten. Deze organisatie had internationale ambities, die het waar kon maken dankzij de bindingen met WACL. De SAC is een mooi voorbeeld van hoe de anticommunistische agitatie niet alleen in de marge van de officiële politiek plaatsvond, maar ook in haar schoot. Met de SAC zijn we tevens aanbeland bij de grootste geheime oorlog tegen het communisme in Europa, die van de stay-behind.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite | Klaartje Schrijvers

8,194

(9 replies, posted in Politiek & Business)

(...) De sympathie van Reagan voor WACL was trouwens wederzijds. Eén van Reagans grote bewonderaars was de Belg generaal Robert Close, die in 1984 het voorzitterschap van WACL waarnam. Op het 17de congres te San Diego (California) van 3 tot 7 september 1984 sprak voorzitter Robert Close in zijn openingsrede de aanwezigen toe. Met zalvende woorden werd Ronald Reagan veel succes gewenst in de presidentsverkiezingen, Ronald Reagan wiens doorzetting en kracht volgens Close de beste garantie waren voor wereldvrede.

"As WACL Council Chairman and, most important, as a European, I would like to convey to him my sincerest wishes of success on behalf of all the people who refuse to abandon themselves to resignation, prevailing skepticism and decadent attitudes. In the name of Europe, we would like President Reagan to know that he has become the symbol of containment of Communist expansionist policy for all those who are not totally blind to the realities of the international situation."

Doordrongen van een visceraal anticommunisme deed hij niet onder voor de Amerikanen voor wat hun apocalyptische toon betrof. Het communistische Rusland was de grootste dreiging voor de wereld. Maar Close was vooral een man van weinig woorden:

"We need less speeches, no matter how eloquent they may be, and more direct action if we want to leave our traces in history."

De hele openingsspeech door was Robert Close vol lof voor de organisator van de conferentie, generaal John K. Singlaub. Singlaub volgde hem het jaar daarop trouwens op als voorzitter van WACL. Deze generaal was een ex-commandant en chef van de Amerikaanse troepen in Korea. Hij werd in der tijd nog door president Jimmy Carter de laan uitgestuurd wegens insubordinatie. Zo stelde hij zich serieuze vragen bij de buitenlandse politiek van de VS, die hij als te zwak veroordeelde. Generaal Close onderging een gelijkaardig lot.

Robert Close werd geboren in 1922 te Brussel. In 1935 ging hij naar de kadettenschool en tijdens de 18-daagse veldtocht was hij onderluitenant. Hij werd zoals zovele lotgenoten krijgsgevangene, maar vanaf 1941 was hij actief in het verzetsnet Luc/Marc. Pas na de oorlog kon hij zijn licentiaatdiploma's behalen aan de ULB, met name in de economische en financiële wetenschappen en in de politieke en diplomatieke wetenschappen. In 1950 werd hij kapitein en in 1959, na zijn studies in de Hogere Krijgsschool te Parijs, werd hij majoor.

Van 1961 tot 1965 was hij gestationeerd in het hoofdkwartier van de geallieerde strijdkrachten in Europa. Hij was kabinetschef van defensieminister Poswick (1966-67), professor aan de Hogere Krijgsschool, lid van de Belgische delegatie in het Defensiecollege van de NAVO (Rome) en bekwam uiteindelijk de graad van generaal. Generaal Close was lange tijd voorzitter van de Vaste Defensiecommissie, die ervoor moest zorgen dat een land in crisistijd draaiende werd gehouden en de bevolking ten tijde van oorlog zou worden bijgestaan en beschermd.

In 1980 nam hij in Londen deel aan de jaarlijkse conferentie (sinds 1958) van de Association pour l'Etude des Problèmes de l'Europe. Ditmaal stonden de Europese defensievraagstukken centraal. Het ging om een uiterst conservatief gezelschap met deelnemers als Pierre Uri, Emmanuel Coppieters, Lord Home, John Biggs-Davison, Frederic Bennet en anderen. Datzelfde jaar ontstond in het thuisland een grote rel tussen Robert Close en SP-voorzitter Karel Van Miert. Robert Close uitte felle kritiek op Van Mierts verzet tegen de plaatsing van de kernraketten.

Generaal Close werd vervolgens uit zijn functie als voorzitter van de Commissie voor nationale vraagstukken inzake landsverdediging ontheven. Een nieuwe post werd hem aangeboden, maar die weigerde hij. Hij nam een jaar vroeger dan voorzien ontslag uit het leger. Close kreeg geen steun in zijn visie betreffende een leger van miliciens met een dienstplicht van 15 maanden. Daar tegenover stelde de regering de invoering van een beroepsleger voorop, waartegen Close zich hevig verzette.

In 1981 werd hij ondervoorzitter van MAUE en eresenator van de Beweging voor de Verenigde Staten van Europa van Walter Kunnen. Samen met Luc Beyer de Rycke was hij PRL-senaatskandidaat in Brussel. Hij werd lid van het partijbureau van de PRL en was gedurende 10 jaar senator. In 1981 richtte hij samen met Otto von Habsburg, Leo Tindemans, generaal P. Cremer en anderen de Verwaltungsrat Europaïsches Institut für Sicherheitsfragen (EIS) in Luxemburg op. In 1983 werd hij voorzitter van het Institut Européen pour la Paix et la Sécurité. Eén van de beheerders was Jacques Jonet.

Maar vooral ophefmakend was zijn bezoek in datzelfde jaar aan Pinochet. Senator Wim Geldolf signaleerde toen in de senaat op 14 december 1983 een artikel dat in de Chileense krant El Mercurio was verschenen, waarin het bezoek van Close aan Pinochet als een belangrijke stap werd genoemd voor het doorbreken van het diplomatieke isolement van Chili en de verbetering van het imago van het land. Close zou in diezelfde krant verklaard hebben dat in een noodtoestand een beperking van de democratie aanvaardbaar was. Ter verantwoording geroepen in de senaat riep Close op tot begrip voor het regime van Pinochet en eiste een Belgische ambassadeur in Santiago.

In 1984 werd hij lid van het Institut Internationale de Géopolitique van Marie-France Garaud. Naar aanleiding van het fameuze bezoek van Close aan Pinochet, schreef Walter De Bock een artikel in Ecran Témoin, maar dat was generaal Close helemaal niet goed bevallen. Op 29 mei 1985 schreef Robert Close een kwade open brief aan Walter De Bock. In het fameuze artikel in Ecran Témoin van 27 mei 1985 zou Walter De Bock hem ten onrechte in verband hebben gebracht met extreem-rechts en er hem hebben van verdacht bij Pinochet op bezoek geweest te zijn. Hij dreigde er dan ook mee gerechtelijke stappen te zullen ondernemen. Een woeste generaal Close eindigde zijn brief met de volgende vraag:

"Avez-vous l'intention, Monsieur Walter De Bock, de relancer une nouvelle chasse aux sorcières ou bien vous croyez-vous revenu aux temps révolus d'une inquisition dont vous seriez le grand prêtre rouge?"

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite | Klaartje Schrijvers

Robert Close stierf op 6 december 2003.

En over Marcel Degroof vond ik volgende informatie:

Degroof weg bij Delhaize na handel met voorkennis

Marcel Degroof, het vroegere boegbeeld van de Bank Degroof, heeft abrupt ontslag genomen als bestuurder van de Groep Delhaize. Marcel Degroof deed dat nadat zijn twee zonen Jean-Jacques en Francis door de Amerikaanse beurswaakhond Sec betrapt werden op handel met voorkennis.

Marcel Degroof was één van de bestuurders van Delhaize met de langste staat van dienst. Hij trad toe tot de raad van bestuurder van 's lands grootste kruidenier in 1985, toen hij nog het boegbeeld was van vermogensbeheerder en beursvennootschap Bank Degroof. Een instelling die hij in 1998 verliet.

Marcel Degroof stapt op als bestuurder bij Delhaize als gevolg van een affaire van handel met voorkennis waarbij zijn twee zonen Jean-Jacques en Francis centraal staan. Beiden speculeerden in september 2000 op het ruilbod van Delhaize op Delhaize America.

Ze werden door de Amerikaanse beurswaakhond Sec verplicht tot terugbetaling van de gemaakte winst en kregen een gelijkaardige boete opgelegd. De twee broers hebben de overtredingen noch toegegeven noch ontkend. Officieel gaat het om een dading.

De Sec achterhaalde dat Jean-Jacques Degroof op 5 en 6 september 2000 zo'n 39.300 aandelen Delhaize America kocht op de beurs van New York terwijl zijn broer op 5 september 25.000 stuks kocht. De broers wisten toen al wat er op komst was. Het ruilbod zelf wordt op 6 september bij Delhaize besproken en op 7 september 2000 bekendgemaakt. Het aandeel Delhaize America stijgt met 15 procent en de broers strijken omgerekend samen zo'n 135.000 dollar op.

Vader Marcel Degroof heeft nu in een brief gedateerd op 12 juni, één dag nadat de Sec de dading met zijn zonen bekendmaakte, aangekondigd ontslag te nemen als bestuurder bij Delhaize. Hij doet dat om voor Delhaize Groep ,,alle mogelijke moeilijkheden te vermijden in verband met de recente dading die tussen de Amerikaanse Securities and Exchange Commission en bepaalde leden van de familie werd gesloten''.

Gui de Vaucleroy, voorzitter van de raad van bestuur van Delhaize, zegt in een communiqué Marcel Degroof te danken voor zijn beslissing, in het belang van de onderneming. Delhaize wijst er verder op dat zij een formele politiek heeft in verband met insider trading en die regelmatig te zullen in herinnering brengen.

Over de vervanging van Marcel Degroof bij Delhaize, een goed betaalde bestuurdersbaan, is nog niets bekend. Het is aan de benoemingscommissie in de raad van bestuur van Delhaize om namen te suggereren.

Bron: De Standaard | 14 juni 2002

Marcel Degroof is begin deze maand overleden. Hij was onder andere Ere Managing Partner van Bank Degroof S.C.S., Commandeur in de Orde van Leopold II, Officier in de Orde van Leopold en Commandeur in de Orde van Sint-Gregorius de Grote.

Bron » www.inmemoriam.be/

In een artikel over het pensioen van Gui de Vaucleroy vond ik dit over de structuur van Delhaize: 

Net als zijn voorganger Guy Beckers en zijn opvolger, diens zoon Pierre-Olivier, is De Vaucleroy een telg van de Delhaize-dynastie. Meer bepaald is hij de achterkleinzoon van Jules Vieujant, de schoonbroer van de Delhaize-oprichters Jules, Edouard en Adolphe Delhaize. Het nageslacht is verdeeld in acht familietakken, die traditioneel elk één vertegenwoordiger naar het bedrijf sturen. Voor Gui de Vaucleroy werd een uitzondering gemaakt op die regel. Zijn tak was al vertegenwoordigd toen hij toetrad tot de onderneming.

Bron » www.destandaard.be

Over Gui de Vaucleroy vond ik nog dit in hetzelfde artikel: 

Tussen 1999 en 2002 was hij voorzitter van het VBO. Na zijn VBO-voorzitterschap wordt De Vaucleroy door koning Albert bedankt met een adellijke promotie. In plaats van jonkheer mag hij zich voortaan baron noemen. Dat betekent echter niet dat De Vaucleroy is toegetreden tot de Brusselse incrowd die, getooid met adellijke titels, de spreekwoordelijke hoofdstedelijke salons bevolkt en van daaruit de NV België leidt.

Zijn onafhankelijke opstelling wordt zeer duidelijk als hij in 2001 Etienne Davignon en Maurice Lippens de deur wijst als zij kapitaal komen inzamelen voor SN Brussels Airlines. De nochtans zeer Belgicistische De Vaucleroy verklaart en public dat luchtvaart nu eenmaal niet tot de kernactiviteiten van Delhaize behoort.

8,197

(857 replies, posted in 1985)

Merovinger wrote:

De site in Kesterheide staat pas sinds 2012 leeg of gaat het om andere gebouwen?

Het gaat niet over de Satcom-gebouwen maar om de militaire basis die je hier ziet (het ronde gebouw) » Google Maps

Merovinger wrote:

Het kan ook interessant zijn om de lijst van de grootste aandeelhouders van Delhaize te vinden uit de jaren '80.

Ik weet niet of zo'n zaken ergens op te vragen zijn. Misschien weet René De Witte hier wel een antwoord op. Ik denk dat in de jaren '80 de grootste groep aandelen in handen waren van een aantal families: de familie Vieujant, Beckers en Delhaize. Om er maar een paar te noemen.

Over Guy Beckers

De familie Beckers is een belangrijk aandeelhouder van Delhaize. Guy Beckers is getrouwd met Denise Vieujant (1929), kleindochter van één van de stichters, Jules Vieujant, schoonbroer van de broers Delhaize. Guy Beckers werd in 1996 in de Belgische erfelijke adelstand opgenomen met de persoonlijke titel van ridder. Zijn wapenspreuk luidt Cum Deo ad homines.

Bron » Wikipedia.org

Over Louis Ameye

Net zoals Guy Beckers verheven in de adelstand als ridder. Hij was in in 1971 voorzitter van de Cercle Royal Gaulois Artistique et Littéraire. Deze "cercle" zegt me niet zoveel maar je kan ze leren kennen op hun website » www.cercle-gaulois.be/

Baron de Cooman d’Herlinckhove (71)

Charles de Cooman d’Herlinckhove vervoegde Delhaize Groep in 1960. Hij werd lid van het Directiecomité in 1968 en van de Raad van Bestuur in 1973. Bij Delhaize België was hij achtereenvolgens verantwoordelijk voor de supermarktafdeling, de merchandising van droge voeding en verse producten, de distributiecentra en de informatica. Baron de Cooman d'Herlinckhove legde zijn uitvoerende functies neer in 1995 en werkte als consultant voor Delhaize Groep tot 1998. 

Bron » www.delhaizegroup.com

De heer Frans Vreys (75)

Frans Vreys werkte van 1955 tot 1994 voor de Belgisch holding Cobepa, waar hij lid van de Management Board en van de Raad van Bestuur werd. In 1982 werd hij benoemd tot Bestuurder van Delhaize Groep. Tussen 1995 en 1999 was hij Voorzitter van de Raad van Bestuur van Delhaize Groep. Op 1 januari 1999 trok de heer Vreys zich terug als Voorzitter van de Raad van Bestuur, daar hij de leeftijdsgrens als voorzitter bereikt had.

Bron » www.delhaizegroup.com

Tru Dat wrote:

Ik vermoed echter dat we de waarheid nooit zullen achterhalen, ook niet na de verjaring van het dossier. Jammer, de geslotenheid van dit forum zal er ook niet toe bijdragen dat de waarheid ontdekt wordt, comments worden gewist, aangepast naar smaak van de moderator, mensen worden geband omdat ze niet in het straatje van tunnelvisie passen enz …

Gesloten forum? Alles kan hier door iedereen gelezen worden. Wil je zelf reageren dan hoef je je enkel te registreren (gebruikersnaam, emailadres en wachtwoord) en de forumregels te aanvaarden. Probleem is dat volgens mij niemand die regels leest waardoor ze altijd verbaasd zijn als ik effectief voor moderator speel. Ik vraag mij af of het nog opener kan. Maar als je voorstellen hebt, hoor ik het graag.

Tru Dat wrote:

mensen worden geband omdat ze niet in het straatje van tunnelvisie passen enz …

Er is hier op dit forum maar één iemand geband, dus geen "mensen", en die is zeker niet geband omdat hij/zij een andere mening heeft. Moest dat de norm zijn, zou noorderling al lang niet meer kunnen inloggen. big_smile

Tru Dat wrote:

Helaas is dit geen discussieforum want dat heeft Ben reeds bewezen door zijn wispraktijken, toch doet hij goed werk door het onder de aandacht te houden. Het is echter jammer dat vrije meningsuiting niet voor iedereen hetzelfde begrip heeft.

Internetforum: meestal gewoon forum (meervoud: forums of fora), is een online discussieruimte tussen verschillende gebruikers. Deze gebruikers plaatsen langere berichten en kunnen 'asynchroon' met elkaar overleggen; de bijdrages worden gearchiveerd en de discussie kan over een langere periode verdergaan.

Deze omschrijving lijkt me toch nog van toepassing. En ik denk dat we vooral zeer blij moeten zijn dat we niet allemaal dezelfde visie op "vrije meningsuiting" hebben.