Stuk uit het boek "Illegale wapenhandel":

VIII Donnay in de gevangenis - Bodenan agent van de DECE?

Dit hoofdstuk gaat over het deel van onze enquête dat de meeste vragen oproept die, ongetwijfeld nooit een antwoord zullen krijgen. Waarschijnlijk zit achter de coulissen een zeer diskreet organisme, dat gewoon is geen komprornitterende sporen achter te laten: de SDECE, de Service de Documentation Etrangère et de Contre-Espionnage, dwz de Franse geheime dienst, geschoold bij de onderwereld van de 5de Republiek (zie dossier "A comme Armes"). Dit hoofdstuk toont ook de redenen waarom Donnay zich heeft laten aanhouden.

Nu is hij één van onze belangrijke bronnen; zijn konfidenties over een zaak die nog in onderzoek is, stellen de zaken soms wel wat te mooi voor. Het proces van Donnay zal waarschijnlijk meer opheldering geven. In afwachting beschouwen we de informatie een beetje voorzichtig. Donnay werkt met Edwin P. Wilson, een grote handelaar, onder andere eigenaar van de "Consultant's International Inc." dwz "Armaco- Tripoli". Zij slaagden erin, althans volgens Donnay, de Fransen van de Libische markt te verdringen; daardoor werden de Fransen en vooral de SDECE - waarvan geweten is dat ze zich erg voor Libië interesseert - woedend.

Aan de andere kant heeft Donnay kontakten met Irak, dat bij hem 3.500 machinepistolen bestelt, gefabriceerd in Rhodesië. Een Iraakse diplomaat in Brussel- die volgens Donnay op dit ogenblik in Bagdad moet worden opgehangen - vraagt een voorschot van 50 pistolen en stuurt een Zwitser, Frank genaamd, naar Donnay, samen met een Vietnamees, die zegt dilt de wapens eigenlijk voor Thailand bestemd zijn, maar door Irak worden betaald. Dat was niet waar; die samenzwering gebeurde buiten het medeweten van de Iraakse diplomaat en met medewerking van Frank. Frank krijgt van Donnay 50 machinepistolen, laadt ze in een wagen om ze - zo zegt hij - aan boord van een vliegtuig te brengen te Valenciennes.

Allemaal zonder inschrijving in Donnays registers en zonder uitvoervergunning! Een poosje later vindt men 49 machinepistolen in Rungis, bij twee leden van de onderwereld die goed gekend zijn bij de Franse politie. Ze weigeren hardnekkig te zeggen hoe ze de wapens in handen hebben gekregen. Dan krijgt de Parijse gerechtelijke politie een anoniem telefoontje met de mededeling dat een Arabische restauranthouder aan de Hallen een wapen verbergt in zijn geldlade.

De politie doet een huiszoeking en vindt een machinepistool met een inschrijvingsnummer van de proefbank in Luik en het merk "AMC" van Armaco. Een echt visitekaartje! U begrijpt het, het was het 50ste pistool dat Donnay aan Frank had geleverd. Rond die tijd vindt men in Madrid een dertigtal 9 mm commando's van Rhodesisch fabrikaat, bij militanten van de ETA. De politie ontdekt dat de wapens van Armaco komen. Ze weten dan nog niet dat Armaco de exclusiviteit van dit materieel heeft verkregen via de Bernard, die goede kontakten heeft in Rhodesië. Dat materieel, dat van slechte kwaliteit bleek te zijn, werd bij de onderwereld en de ETA gevonden omdat de regeringen het waarschijnlijk te slecht vonden. Hoofdkommissaris Muller van de Luikse gerechtelijke politie, houdt Armand Donnay aan op 3 augustus 1979.

Tijdens de ondervraging beweert Donnay dat de wapens op wettelijke manier verkocht werden aan de ambassadeur van Irak. Hij bewijs! dat overigens, met een ontvangstbewijs van de ambassade voor 110 machinepistolen. Het onderzoek raakt op een dood spoor omdat het personeel van de ambassade niet kan ondervraagd worden zonder dat een diplomatiek incident onstaat. Langs een omweg krijgt de gerechtelijke politie toch exemplaren van de handtekeningen van de diplomaten; ze komen overeen met die van het ontvangstbewijs.

Maar ook Schulz van ARMACO-Antwerpen wordt ondervraagd. Hij praat zijn mond voorbij; volgens hem is het Iraakse ontvangstbewijs een vervalsing! Bij nazicht blijkt inderdaad dat het ontvangstbewijs maar voor 1 pistool gold, maar dat de 1 is omgezet in 110. In een hoek gedreven verandert Donnay van taktiek; hij beweert dat hij in werkelij kheid de wapenhandel nagaat voor de SD ECE, waar hij werkt voor een zekere Rotchichioli, Square Bartholomée 2 te Parijs, XVde arrondissement. Die Rotchichioli werkt zelf voor generaal de Maranche, hoofd van de SDECE en is met Donnay - dat zegt die tenminste - in kontakt gebracht door een zekere de Bernard, Rue Louis Hijmans 34 te Brussel. Het is de eerste keer dat de Luikse gerechtelijke politie iets van deze man hoort. Het bleek dat Rotchichioli wel een kaart had van de SDECE, maar die dateerde van voor de Algerijnse oorlog. de Bernard heette in die tijd Lasnaud en was bij de OAS, en ze is waarschijnlijk vals. De verklaringen van Donnay stellen de gerechtelijke politie dus niet tevreden en hij blijft verscheidene maanden in preventieve hechtenis, vooraleer hij in voorlopige vrijheid wordt gesteld.

Tegenwoordig beweert Donnay dat hij in een valstrik is gelokt door de SDECE, die Frankrijk weer op de Libische markt wil brengen, in samenwerking met Jean-Paul Maurice, die deze markt aan Gévelot heeft zien ontsnappen. De fameuze Frank zou een agent zijn van de Franse geheime dienst, die de valstrik moest spannen. Hij werd door de politie gezocht, maar nooit gevonden; "toeval !" zegt Donnay ironisch. Nog altijd volgens Donnay wilden de SDECE en Maurice hem bovendien bevrijden na zijn arrestatie, om de internationale organizatie Armaco te kunnen rekupereren. Daarvoor namen ze Bodenan in dienst ...

Wie is de man die Donnay voor de SDECE uit de gevangenis moest halen? Een beruchte avonturier in elk geval. Naar het schijnt zou hij voor de Franse geheime inlichtingendienst zijn beginnen werken na de tweede wereldoorlog, toen hij militant was bij het verzet. In 1955 was Francis Bodenan croupier in het casino van Enghien. Dat was slechts een dekmantel, want hij werkte vooral voor de SDECE, maakte deel uit van zijn "aktiedienst" en was bevriend met Jo Attia, de zakenman Argoud en Ben Barka. Op 1 juni 1955 werden de lijken van beide handelaars ontdekt bij Montfort - L'Amaury. Ze stonden allebei in kontakt met Bodenan om het Franse leger een stock dozen met vet te verkopen, die overigens onbruikbaar waren. Bodeman werd beschuldigd van moord en kreeg 12 jaar gevangenisstraf.

Na tien jaar komt hij uit de gevangenis en neemt hij zijn leven als avonturier weer op en werkt voor verschillende opdrachtgevers. Het is ongetwijfeld in die tijd dat hij de SDECE wat links laat liggen voor de SAC en vooral voor het net van Foccart. Op 30 juni 1967 stapte Moïse Tsjombe, leider van de Katangese afscheidingsbeweging en eerste minister van Zaîre, in een privévliegtuig te Madrid, met bestemming Ibiza. Onder de passagiers Bodenan, die zich in de entourage van Tsjombe had weten te dringen. Midden in de vlucht haalt de avonturier een wapen boven en dwingt het vliegtuig naar Algiers te vliegen. Twee jaar later sterft Tsjombe daar in zijn bewaakte woning. Bodenan wordt tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld in Algiers en dan naar Zwitserland verbannen. Daarna woonde hij in Frankrijk en in België, zonder dat men precies weet wat hij daar heeft uitgespookt.

In november '79 laat Bodenan weer van zich horen. Met zijn minnares, Jacqueline Jolliot - gezocht voor zwendel- probeert hij een zwendel op touw te zetten op de rug van wapenhandelaars die in de gevangenis zitten; hij belooft hun familie dat ze bevrijd zullen worden, tegen betaling van een bepaalde som in maandelijkse stortingen. "Eerst vingen ze bot bij de vriendin van Raymond Muler, 53 jaar, van Herstal, veroordeeld voor illegaal wapenbezit en wapenhandel. De zaak was nog in onderzoek; Bodenan en JoBiot hadden beloofd het dossier te laten verdwijnen tegen betaling van 30.000 fr en maandelijkse stortingen van 6.000 fr.

Om hun beweringen te staven, deden Bodenan en zijn vriendin verwarrende onthullingen over het dossier en gaven een "verklaring", zij hadden zich nl. voorgedaan als politiemensen. Op twee november werd het voorstel verworpen, na ongeveer veertien dagen heen en weer gepraat. Ondertussen begonnen Bodenan en Jolliot een ander zwendelt je. De Luikse politie kreeg daar lucht van op 16 november. Ze beloofden mevr. Armand Donnay dat ze ervoor zouden zorgen dat haar onlangs aangehouden man snel vrij kwam. Bij een eerste ontmoeting in Brussel stelde de zwendelaars het bedrag vast: 5000 fr provisie. Dat bedrag werd nadien vervijfvoudigd en Mevr. Donnay stortte het op een bankrekening in Munchen.  

Bij de tweede afspraak was Mevr. Donnay niet alleen; politiemannen in burger stonden op de loer. Jacqueline Jouiot werd aangehouden nadat Mevr. Donnay teken van onrust had gegeven. Bodenan was niet op de afspraak; hij stond buiten op wacht. Toen hij zag wat er gebeurde ging hij aan de haal. Een inspekteur had hem al lang gezien en greep hem bij de kraag. Jolliot en Bodenan hadden allebei traangasgranaten in hun zakken" ... Het paar werd beschuldigd van het gebruiken van een valse naam, illegaal verblijf, het in bezit hebben van verboden wapens (traangasgranaat) en zwendel. Het proces begon in juni 1980, voor de korrektionele rechtbank van Luik. Toen voorzitter Dechamp aan Bodenan vroeg wat zijn beroep was, antwoordde hij: "Geheimagent, gevestigd Rue Ramponeau 50 te Parijs".

Dat lijkt bevestigd te worden door het feit dat er een aantal mannen in burger in de zaal waren om de verdediging op zich te nemen. De tese van Bodenan is dat hij geheimen deelt met de echtgenoot van de aanklaagster, dat zijn arrestatie een ongeluk is, dat hij normaal zou moeten beschermd worden, dat er een misverstand in het spel is, want hij is "uitsluitend geïnteresseerd voor kwesties in verband met de Franse veiligheid. Volgens het parket heeft Bodenan 'zijn avontuurlijke leven achter zich gelaten. Toch heeft het onderzoek niet alles opgehelderd. Wat deed hij die twee jaar in België? Waarom stonden de onderzoekers in West-Duitsland soms voor gesloten deuren? Om daar een antwoord op te krijgen, zullen we moeten wachten op het vervolg van "de avonturen van KO-18" (titel van een vaag autobiografische spionageroman).

Bodenan wordt veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf in het totaal en zestienduizend frank boete. Zijn vriendin die hem al acht jaar volgt, trouw, diskreet en dienstbaar, voornamelijk om cheques te innen - krijgt zes maanden gevangenis en zestienduizend frank boete. Ze heeft haar straf al uitgezeten; ze heeft zeven maanden preventieve hechtenis achter de rug". Het moet gezegd worden dat de versie van het parket heel wat vraagtekens laat. Naast de vragen die in het hogergeciteerde artikel van "Le Soir" gesteld werden, kan men zich afvragen hoe een avonturier van zijn kaliber zich kan laten pakken voor een belachelijk zwendelt je van 42.000 fr en waar hij zijn informatie haalde.

Armand Donnay beweert dat Bodenan, de vriend van Foccard, werkelijk een agent is van de SDECE, belast met de bevrijding van Donnay, het tweede deel van het plan van de Franse geheime dienst (het eerste deel bestond erin hem te laten aanhouden). De operatie zou zijn misgelopen door ongelukkige initiatieven van Bodenan, die ongetwijfeld in geldnood zat. De SDECE zou Bodenan hebben "laten vallen" om zijn onhandigheid. Als dat waar is moet de SDECE wel in zijn vuistje lachen; Bodenan schreeuwt van de daken dat hij bij de SDECE is, maar niemand wil hem ernstig nemen!

Hoe 't ook zij, het is zeer waarschijnlijk dat de SDECE zijn neus in de zaak heeft gestoken. De arrestatie van kolonel Papazian (zie verder) wijst daarop. Het wordt ook gestaafd door iets wat me overkwam toen ik in Parijs op onderzoek was. Ik had naar Jean-Philippe d' Anna getelefoneerd om hem om een interview te vragen en ik had gezegd wie ik was en wat ik wilde. We spraken af voor de volgende dag in de bar van hotel Concorde-Lafayette, avenue des Ternes. Ik kwam vijf minuten te laat. M. d' Anna stond voor het hotel; hij sprak me aan en zei: "Het is met mij dat u een afspraak hebt, maar laten we hier weggaan, er is teveel volk!"

We zijn snel enkele straten doorgelopen en een café binnengegaan. d' Anna vertelde dan dat er aan de bar van Lafayette twee mannen stonden die niets zeiden, hun glas ronddraaiden en hem diskreet observeerden. Toen hij van de toiletten kwam had d' Anna één van de mannen aan de telefoon horen zeggen: "We kunnen hier niet heel de middag blijven, stuur ons Antonietti". d' Anna is ervan overtuigd dat zijn telefoon wordt afgeluisterd, wat legaal is in Frankrijk. De politie kon dus gemakkelijk te weten komen waar, wanneer en waarom d'Anna me zou ontmoeten! De twee mannen aan de bar waren dus zeer verdacht. Ik weet niet tot welke dienst ze behoorden, de gerechtelijke politie, DST, SDECE of een andere, en ik weet evenmin of Frank en Bodenan opdracht hadden gekregen van de Franse Geheime dienst. Het is in elk geval niet onmogelijk! We gaan even terug in de tijd, naar de arrestatie van Donnay.

Bron: Illegale wapenhandel | Olivier Ralet | EPO | 1982

De waarheid schaadt nooit een zaak die rechtvaardig is.

2

Armand Donnay moet durf gehad hebben. Donnay was een gewezen Franse kolonel die in de jaren ’70 en ’80 van vorige eeuw in Luik woonde. Hij was betrokken bij illegale wapenhandel en deed ondermeer zaakjes met de gewezen CIA-officier Edwin Wilson. Wilson was jarenlang betrokken in illegale wapenhandel met Libië. Hij leverde het land zelfs 20 ton C4-explosieven wat evenveel was als de gehele Amerikaanse voorraad. C4-explosieven zijn berucht voor hun gebruik in terroristische bommen.

In 1981 contacteert Armand Donnay zijn kompaan Wilson. Hij zegt dat hij een bijzonder interessant aanbod heeft voor de Libiërs: grondstoffen, uitrusting en technologie voor een kernwapen. Wilson is zeer sceptisch, maar wil de sprong toch wagen. Wilson en Donnay contacteren enkele hogere Libische ambtenaren. Zij gaan in op de uitnodiging voor een gesprek. De twee stellen de Libiërs voor om een hele nucleaire infrastructuur te leveren: een onderzoeksreactor, hoogverrijkt uranium en plutonium en een heuse fabriek om kernkoppen te maken. De Libiërs hebben weinig nucleaire expertise maar dit doorzien ze. Het was gewoon onmogelijk dat die Amerikaan en Belg dat allemaal gingen leveren. Bovendien zitten er zware technische fouten in de documenten. Die atoombom zal nooit werken. De deal gaat niet door. Armand Donnay wordt kort nadien in België voor illegale wapenhandel aangehouden.

Het levensverhaal van de Frans-Luikse kolonel Donnay die trachtte poen te scheppen door Khaddafi zogezegd een kernwapen aan de hand te doen, moet nog geschreven worden Libië krijgt in de jaren ’80 niet alleen een Belgische wapenhandelaar en oplichter over
de vloer maar ook afgevaardigden van een bedrijf dat tot de top van het economisch establishment van ons land behoorde, Belgonucleaire. Tja, alweer Belgonucleaire. Het bedrijf slaagt erin hoofdconsultant te worden van de ‘Libyan Nuclear Energy Corporation’, zeg maar nucleair adviseur van Khaddafi. Die weet immers heel goed dat zijn land de nodige knowhow mist en heeft dus buitenlandse experts nodig om het nucleaire programma een boost te geven. Dat programma was, zoals in andere landen, ambigu: civiele en militaire finaliteiten doorkruisten elkaar.

Belgonucleaire is heel enthousiast over het contract. “La Libye paye bien et vite”, heet het op de Raad van Bestuur van Belgonucleaire op 3 juli 1980. De Libiërs vragen expertise op verschillende vlakken: vorming van personeel, levering van uranium, offerte voor een labo, etc. Libië start einde jaren ’70 gesprekken met de Sovjet-Unie voor de aankoop van twee kernreactoren voor elektriciteitsproductie van elk 440 MW. De onderhandelingen lopen volgens de Libiërs niet naar wens en ze nemen contact op met Belgonucleaire voor engineering-diensten en om een belangrijk deel van de uitrusting te leveren.

Het contract is 1 miljard dollar waard. De Verenigde Staten komen echter tussen bij de Belgische regering en in 1984 ziet Belgonucleaire af van de deal. Libië vindt geen alternatief voor de Belgische assistentie. Er komt nooit iets terecht van het project. In 1982 klopt Libië aan bij Belgonucleaire om een fabriek voor uraniumconversie te bouwen in Sabha. Het opzet is om jaarlijkse 100 ton uraniumtetrafluoride te produceren, de basis van uraniumhexafluoride dat dan weer de grondstof is voor verrijkingsinstallaties. Anders gezegd: het was een belangrijke stap in de ontwikkeling van een volledige brandstofcyclus.

Libië had, behalve een kleine onderzoeksreactor, geen kernreactoren. Een dergelijke fabriek bouwen paste dus alleen in een kernwapenprogramma. Toch krijgt het project van de minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans toestemming. Die geeft ook toestemming voor een ander project van Belgonucleaire in Libië, namelijk de bouw van een hoogtechnologisch laboratorium. De Amerikanen oefenen druk uit op ons land om de twee projecten te schrappen. In een nota van 12 november 1982 voor het directiecomité van Belgonucleaire staat een zeer interessante passage over het project.

“Bien que le gouvernement belge ait donné son accord, dans le respect des traités internationaux, vu les pressions auxquelles il a été soumis et a résisté, il ne faut pas espérer pouvoir commander, dans les pays voisins, les appareils nécessaires “d’ordre et pour compte du SAE Libyen”. BN devra les commander à son nom pour installation à Mol, et ensuite les apporter en Libye. (..) Ce principe s’appliquera également au contrat entre BN et la JEN13 dont la position politique est qu’il s’agit d’une exportation de l’Espagne vers la Belgique même si la destination finale est ailleurs.

In handschrift stond bij het document dat ik kon inkijken: “Un peu court? Dangereux pour la réputation de la Belgique.”

Het verslag doet inderdaad grote vragen rijzen. Er staat eigenlijk letterlijk dat Belgonucleaire gaat bedriegen, sorry ‘misleiden’. Het wil onderdelen voor het Libisch project in Spanje bestellen met als eindbestemming België, om ze dan verder uit te voeren naar Libië. De aantekening in de kant “Gevaarlijk voor de reputatie van België” zegt ook veel. Het probleem voor de auteur van die zin was blijkbaar niet dat Belgonucleaire het kernwapenprogramma van Khaddafi kon versnellen, wel de reputatie van ons land. Uiteindelijk moet Belgonucleaire de slinkse toer waarvan sprake in het verslag van de raad van bestuur niet opgaan.

De Amerikanen verhogen hun druk op ons land en de twee projecten, de uraniumconversiefabriek en het labo, worden geschrapt. In de Transnuklearonderzoekscommissie zal Guy Tavernier van Belgonucleaire later zeggen dat het Studiecentrum voor Kernenergie nadien nog een nieuw contract sloot met Libië. Dat lijkt in tegenspraak met de “officiële” geschiedenis van het Studiecentrum zoals beschreven in “Un demi-siècle de Nucléaire en Belgique.” Daar heeft men het over verregaande contacten tussen het Studiecentrum en Libië met het oog op het oprichten van een nucleair vormingscentrum in Libië en de levering van nucleaire technologie aan de Libiërs. Libische experts liepen in dat kader stage in Mol. Het contract ging uiteindelijk niet door wegens spanningen tussen de Verenigde Staten en Libië, stelt de auteur. Het zou nuttig zijn dat het Studiecentrum dit punt uitklaart.

De Verenigde Staten zijn dus ook in deze dossiers tussengekomen bij de Belgische overheid, en met succes. Gelukkig maar, anders waren de contracten misschien getekend en uitgevoerd. Als je alle concrete dossiers in dit boek overloopt, dan valt op hoe vaak de Verenigde Staten zijn tussengekomen in Belgische proliferatiedossiers. Het is een van de belangrijkste vaststellingen die kwam bovendrijven bij het schrijven van dit boek.

Enerzijds is het geruststellend, want de Verenigde Staten hebben een aantal gevaarlijke deals zoals deze in Libië kunnen verhinderen. Anderzijds vraag je je natuurlijk af hoe de Verenigde Staten erin slagen om zo goed op de hoogte te zijn van de intenties van onze bedrijven. En als ze tussenkomen in dit soort dossiers, komen ze dan ook tussen in andere dossiers? In welke? Wat is dan nog de autonomie van het soevereine Koninkrijk België? Ik kom er in het laatste hoofdstuk van dit boek nog uitvoerig op terug.

Bron: België en de Bom | Luc Barbé

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube