De huurlingen gingen zeer brutaal te werk. Zo werden er geen gevangenen genomen. Wie in handen van de tegenstander viel, wist dat hij een wrede dood tegemoet ging. Ook de bevolking in bezet gebied werd niet ontzien. Iemand die ervan verdacht werd te sympathiseren met de Simba's, werd koudweg neergeschoten. Enige vorm van rechtspraak was er niet; op het terrein gold enkel het recht van de sterkste.
Een CIA-verslag waarin de balans werd opgemaakt van de aanpak van de huurlingen, stelde onomwonden: "Ze zijn allen schuldig aan ernstige excessen waarvan de bevolking het slachtoffer is, zoals overvallen, verkrachtingen, moord en afranseling."
De gebruikte bewapening en uitrusting was zeer verscheiden. Vooral automatische wapens waren erg in trek. Het munitieverbruik lag dan ook zeer hoog.
De operaties waren voornamelijk toegespitst op de verharde en onverharde wegen. De huurlingen waagden zich niet in de jungle of in het struikgewas; dat was veel te gevaarlijk. De rebellen konden zich er gemakkelijk verstoppen. Tijdens de patrouilles, die meestal per voertuig gebeurden, werd de verkenning door het vuur toegepast. Dit kwam erop neer dat de zijbegroeiing van de pistes met automatische wapens onder vuur genomen werd, dit met de bedoeling om verscholen Simba's vroegtijdig te ontdekken. De grote vrees van de huurlingen was om in een hinderlaag te vallen. Het terrein leende zich daar uitstekend voor. Het was dan ook een zeer zenuwslopende oorlog.
Daarbij kwam nog dat de omstandigheden waarin de huurlingen moesten opereren zeer rudimentair waren. Alle basisvoorzieningen ontbraken. Zo was er geen medische ondersteuning, waardoor malaria, dysenterie en tal van ziektes en infecties voor heel wat slachtoffers zorgden. Ook de logistieke bevoorrading liet vaak te wensen over. In de praktijk leefden de huurlingen - net zoals de Congolese militairen - van wat ze in de lokale dorpen konden bemachtigen. Er werd op grote schaal geplunderd.
Overal waar de huurlingen ingezet werden, werden de brandkasten van verlaten winkels, bedrijven en banken systematisch met dynamiet opgeblazen en leeggeroofd. De Amerikaanse ambassadeur McMurtrie Godley omschreef de huurlingen dan ook als "een losgeslagen bende macho's [...] die vinden dat plunderen en brandkasten kraken deel uitmaken van hun prerogatieven".
Ondanks de brutale aanpak door de huurlingen zou het toch nog duren tot eind 1964 alvorens de eerste verhalen hierover verschenen in de pers. Dit was zonder twijfel het gevolg van de door minister Spaak en het State Department genomen maatregelen om de journalisten zo ver mogelijk van de operaties te houden. Daarnaast werden de huurlingen enorm geapprecieerd door de blanken in Congo.
Voor veel geïsoleerde colons en missionarissen waren de huurlingen immers de enige hoop om te kunnen ontsnappen aan de brute repressie van de Simba's. In de verhalen die de bevrijde blanken achteraf aan de journalisten vertelden, werden de huurlingen voorgesteld als helden. Hun gewelddadige optreden werd daarbij door de vingers gezien.
Bron: Operatie Rode Draak | Kris Quanten
In het boek staat ook nog volgende voetnoot:
Over de rekrutering van de huurlingen in België zijn maar weinig officiële documenten terug te vinden. Verhelderend was het gesprek dat we hierover hadden met de Belgische huurling Georges Speeckaert, zelf een oud-huurling van het 6de Commando (15 oktober 2010). Toch waren het vooral de archieven van de Veiligheid van de Staat die ons een duidelijker inzicht gaven in de concrete werking van de rekrutering in België. De persoonlijke dossiers van de betrokken actoren die minutieus bijgehouden werden, bevatten heel wat interessante informatie.
"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via »
Facebook |
YouTube