Topic: Criminele families Noord-Brabant
Vermogenscriminaliteit, alcoholstokerij en amfetamine (jaren zestig en zeventig)
De grootschalige smokkel was vanaf het begin van de jaren zestig niet meer lucratief. Welke impact dat heeft gehad op het Brabantse criminele milieu is nog nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Het lijkt erop dat de kleinere uitvoerders – de dragers – voor zover ze er al niet eerder mee waren gestopt als gevolg van de schaalvergroting en het toegenomen geweld dat gepaard ging met de smokkel, accepteerden dat aan de mogelijkheden om wat bij te verdienen een einde was gekomen. De sterke welvaartsgroei die zich vanaf de jaren vijftig manifesteerde zal dat lot ongetwijfeld ook draaglijker hebben gemaakt. Voor de criminele kopstukken achter de smokkel lag dat vermoedelijk anders. Ze konden vanzelfsprekend terug naar de basis: het plegen van vermogenscriminaliteit. Al gauw kwamen er echter ook nieuwe marktkansen tot ontwikkeling.
Grootschalige diefstallen
Gestolen goederen moeten net zoals gesmokkelde goederen, weer worden afgezet. Dat kan in het klein vanuit de kofferbak, maar het is veel efficiënter om ze weer terug te brengen in het reguliere verkoopcircuit. Het is geen al te boude veronderstelling dat contacten met helers in Nederland en België die in het smokkeltijdperk waren opgebouwd, de Brabantse criminelen ook een afzet mogelijkheid boden voor grote hoeveelheden gestolen spullen.
In de jaren zestig en zeventig begonnen nieuwe gewelddadige criminele groeperingen zich te manifesteren. Hierin zat een belangrijk aandeel van woonwagen-bewoners (‘kampers’). De verklaring hiervoor wordt wel gezocht in de ontwikkelingen die in het voorgaande hoofdstuk werden geschetst. Mede als gevolg van het overheidsbeleid kregen de ‘kampers’ het etiket opgeplakt van een deviante subcultuur en werden ze systematisch losgemaakt van hun gangbare middelen van bestaan.Ze werden bovendien eind jaren zestig, begin jaren zeventig bewogen (en soms gedwongen) om zich te vestigen op grote, regionale woon wagencentra, waar door overbevolking, gebrekkige voorzieningen en massawerk-loosheid, al snel sprake was van een concentratie van problemen. Deze centra lagen vaak afgelegen en de afkeer van alles wat met de overheid en het beleid van de burgermaatschappij te maken had, was groot. Van deze omstandigheden konden de criminele elementen onder de woonwagenbewoners profiteren.
Een voorbeeld van zo’n criminele groepering die vooral uit ‘kampers’ bestond, is de zogenoemde Kempenbende. Die telde in de jaren zeventig van de twintigste eeuw ruim vijftig leden en pleegde zo’n tweehonderd bedrijfsinbraken en overvallen. Het begon met textiel en leren kleding, later werden radio en televisiezaken, juweliers en antiekwinkels beroofd.
Erg subtiel ging dat allemaal niet. Net als in de smokkeltijd werden afzettingen van de politie geramd, achtervolgers beschoten en werd er kwistig met kraaienpoten gestrooid. ‘Ze pikten ’s morgens een dure BMW,’ vertelde toenmalig officier van justitie Duijx, ‘haalden de achterbank eruit en lasten achterin een zware stalen balk. Daarmee reden ze naar een winkel, magazijn of opslagplaats en ramden achteruitrijdend de voorgevel.’ Terwijl de chauffeur achter het stuur bleef zitten en een ander op de uitkijk ging staan om met een geweer eventuele ooggetuigen op afstand te houden, begonnen twee mannen razend snel de voorraad in te laden. Na terugkeer in het woonwagenkamp werd de buit uitgeladen en de wagen ergens achtergelaten en in brand gestoken. ‘Zo ontstond in Brabant een bendewezen dat in Nederland ongekend was.’ De kranten in Brabant, en trouwens in heel Nederland, berichtten onophoudelijk over het ongebreidelde geweld, de omvangrijke buit en vooral de ogenschijnlijke onaantastbaarheid van de bende en de criminele families die daar deel van uitmaakten. ‘Terreur in Kempen. Nachtelijke strijd tussen politie en onderwereld’, kopte het Eindhovens Dagblad op 13 oktober 1977. ‘Achtervolgingen met snelheden van tegen de honderdtachtig kilometer per uur doen zich vrijwel elke week wel een paar keer voor en in vrijwel alle gevallen moet de politie het opgeven.’ Het ontbrak de politie aan geschikt materieel en aanmankracht.
‘Het navrante van de nachtelijke criminaliteit in Zuid-Oost Brabant is dat iedereen weet wie de daders zijn. De politie kent ze zelfs bij naam, maar kan niets beginnen (…). Het is een publiek geheim, dat het merendeel van die daders gezocht moet worden in bepaalde woonwagencentra, waar een politie-optreden door de publieke opinie al gauw wordt geïnterpreteerd als een razzia. De toenmalige minister Van Agt deelde de Kamer mee dat zulke acties vermeden zouden worden.’ (aldus De Telegraaf in een retrospectief op 22 juni 1985)
In 1979 werden dan toch negen verdachten aangehouden tijdens een voor die tijd ongekend grote actie op drie woonwagenkampen, waarbij 160 politiemensen werden ingezet. Hoofdverdachte Toon P. kreeg in 1980 negen jaar cel. Vanaf september 1984 vond opnieuw een serie overvallen, etalagekraken en berovingen plaats. De politie herkende de manier van werken van Toon P., maar die zat in de gevangenis. Uit recherchewerk bleek echter al snel dat de overvallen samenvielen met de verloftijden van Toon P. Maar de Verlofadviescommissie voor langgestraften baseerde zich bij haar afwegingen nooit op adviezen van de politie. Na vijf jaar werd Toon P., vanwege goed gedrag, voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eén dag daarna, aldus De Telegraaf, ‘reed hij in z’n gloednieuwe Mercedes van 60.000 gulden met de nieuwe Kempenbende naar Uden om het handwerk dat hij al maandenlang tijdens z’n proefverlof weer ter hand had genomen, voort te zetten.’ Aldaar pleegde de bende een grove roofoverval op een weduwe met twee zonen, die 4.500 gulden bewaarden in een kartonnen doos in de slaapkamer. Toon P. werd eind 1984 opnieuw opgepakt en tot veertien jaar cel veroordeeld.
Een ander type diefstal dat onder meer gelieerd wordt aan de woonwagen wereld, is autodiefstal. De Kempenbende, bijvoorbeeld, had tussen 1977 en1979 niet alleen voor zo’n tien miljoen gulden aan spullen buitgemaakt met diefstallen, maar ook 200 BMW’s en Mercedessen gestolen. Deze vorm van criminaliteit komt in Noord-Brabant (en in Limburg) vaker voor dan gemiddeld in Nederland. Bij de verwerking van de gestolen auto’s bestaat nadrukkelijk een verband met de onderkant van de legale autobranche. In het grijze gebied tussen de legale en illegale autobranche gaat het over kleine bedrijven die handelen in oudere gebruikte wagens en schadeauto’s of auto-accessoires, alsmede over spuiterijen, sloopbedrijven, verhuurbedrijven en firma’s die gebruikte voertuigen importeren en exporteren. Voor het omkatten of strippen van gestolen voertuigen zijn doorgaans speciale gereedschappen en materialen nodig, die alleen bij (garage)bedrijven voorhanden zijn. Bovendien zijn kennis en vaardigheden nodig, waarover alleen mensen beschikken die regelmatig met voertuigen werken, of hebben gewerkt.
Tot slot staat Nederland binnen de Europese Unie al jarenlang zeer hoog op de lijst van landen waar het grootste aantal ladingdiefstallen wordt gepleegd. Daarbij wordt de hele vrachtwagen gestolen, maar is de lading het doelwit. Binnen ons land vinden deze diefstallen vooral op de as Rotterdam-Venlo plaats.
Ook zijn in Brabant criminele samenwerkingsverbanden actief die op groteschaal goederen stelen uit magazijnen van bedrijven, in de regel op bedrijfsterreinen. De informatie die over de daders beschikbaar is, laat zien dat hun achtergrond dezelfde is als die van ladingdieven. Onderzoek van het toenmalige team Ladingdiefstallen van de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland maakte duidelijk dat sprake was van een omvangrijk netwerk van helers die, zo vermoedden de rechercheurs, ladingen op bestelling lieten weghalen
Bron » www.emma.nl/files/