Topic: Sint-Jans-Molenbeek: 25 September 1986
Samenvatting
Wat? Mislukte overval waarbij een vrachtwagenchauffeur wordt vermoord
Wanneer? 25 September 1986
Waar? Birminghamstraat 60 te Sint-Jans-Molenbeek » Google Maps
Wie? Claude Chantry en Nordine Hannani. De twee andere daders zijn nooit gevonden.
Status: Opgelost
Op 25 september 1986 vond in het distributiecentrum van brouwerij Piedboeuf aan de Birminghamstraat in Sint-Jans-Molenbeek een gewapende overval plaats. Vier daders, die zich verplaatsten met een gestolen Audi, drongen het bedrijf binnen met de bedoeling geld buit te maken. Tijdens de overval werd de 48-jarige chauffeur-besteller Claude Lebrun in een kantoorruimte van dichtbij neergeschoten. De overvallers sloegen daarop zonder buit op de vlucht.
Het gerechtelijk onderzoek werd bemoeilijkt door procedurekwesties, tegenstrijdige getuigenissen en een gebrek aan rechtstreeks bewijs. Zeven jaar na de feiten verschenen vijf verdachten voor het Brabantse assisenhof.
Op 11 maart 1994 werden Claude Chantry en Nordine Hannani schuldig bevonden aan poging tot diefstal met onvrijwillige doodslag als verzwarende omstandigheid, evenals aan de diefstal van twee voertuigen die bij de feiten werden gebruikt. Zij werden veroordeeld tot respectievelijk tien en acht jaar gevangenisstraf. De drie overige beklaagden werden vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs van hun betrokkenheid.
Bieruitdrager doodgeschoten te Molenbeek
Een chauffeur-besteller van de brouwerij Piedboeuf, Birminghamstraat te Sint-Jans-Molenbeek, is donderdagnamiddag even na 14 uur in het kantoortje van de firma door een onbekende doodgeschoten. De dader was even voordien komen aanrijden aan boord van een grote wagen, vermoedelijk een Mercedes. Hij was vergezeld van drie andere mannen.
Terwijl twee van hen in het voertuig bleven zitten, stapte de dader vergezeld van z'n derde metgezel uit het voertuig en begaf zich naar het kantoortje van de bouwerij, waar hij de aanwezige chauffeur-besteller doodschoot. Er kon niet worden uitgemaakt of de indringers het inzicht hadden te stelen. Mogelijk werden ze door paniek aangegrepen want ze sloegen op de vlucht zonder wat dan ook mee te nemen.
De dader en zijn metgezel vluchtten weg aan boord van het wachtende voertuig.
Bron: Gazet van Antwerpen | 26 September 1986
Moordenaars te Sint-Jans-Molenbeek wilden geld
Volgens een woordvoerder van het Brusselse parket bestaat er geen twijfel over dat chauffeur Claude Lebrun uit Sint-Lambrechts-Woluwe donderdagnamiddag in het brouwerijdepot Piedboeuf, Birminghamstraat 60 te Sint-Jans-Molenbeek, werd doodgeschoten om een eventuele diefstal te vergemakkelijken.
De twee gangsters die gemaskerd met hoofdkappen en gewapend met een revolver en een pistool het kantoor van de boekouder, waar ook het slachtoffer aanwezig was binnendrongen, wilden alleen maar geld bekomen. Om een niet gekende reden, mogelijk omdat hij plots in paniek geraakte, schoot één van de indringers de chauffeur van de firma een 9 mm kogel in het hoofd. Het slachtoffer was op slag dood.
De twee daders die na het dodelijk schot zelfs niet meer om geld vroegen, gingen meteen hun met twee metgezellen vervoegen in een te Jette gestolen Audi. Het voertuig reed er vandoor in de richting van het Hertoginneplein. De wagen werd nadien verlaten teruggevonden in de Vandenpereboomstraat te Sint-Jans-Molenbeek.
Bron: Gazet van Antwerpen | 27 September 1986
Tweede aanhouding na overval met dode te Molenbeek
Op 25 september jl. werd tijdens een mislukte overval te Sint-Jans-Molenbeek de 50-jarige Claude Lebrun, uit Watermaal-Bosvoorde, door gangsters doodgeschoten. De man was bediende in het distributiecentrum van de brouwerij Piedboeuf, waar de mislukte overval werd gepleegd. In deze zaak was eerder al de genaamde Claude Chantery aangehouden en is een tweede aanhouding verricht.
Bron: Gazet van Antwerpen | 29 November 1986
Correctionele rechtbank van Brussel onbevoegd
De correctionele rechtbank te Brussel heeft zich maandag onbevoegd verklaard in een proces over diefstal en moord bij een overval op de Brouwerij Piedboeuf. De feiten deden zich voor op 25 september 1986. Vijf personen staan in de zaak terecht; Claude Chantry, Mohammed Algham Temsani, Abdelkarim Harssi, Nordine Hannani en Hassan Ouriaghli.
Tijdens de overval op de brouwerij kwam de 49-jarige bediende Claude Lebrun om het leven. Een van de vijf beklaagden zou een fataal schot hebben afgevuurd. Uit de onderzoeken die werden verricht werd nooit duidelijk wie van de vijf verdachten werkelijk aan de overval deelnamen.
De zaak werd naar de correctionele verwezen en niet naar het assisenhof omdat men veronderstelde dat daar de beklaagden zeker bij gebrek aan bewijzen zouden worden vrijgesproken. De feiten zijn uiteindelijk door de rechters omschreven als "poging tot diefstal voortkomende uit de verzwarende omstandigheid van moord”.
Bron: Gazet van Antwerpen | 16 april 1991
Overvallers Brij. Piedboeuf voor Brabants assisenhof
Voor het assisenhof van Brabant begint vandaag het proces van vijf overvallers die ervan beschuldigd worden bij een mislukte hold-up een chauffeur van de brouwerij Piedboeuf te hebben gedood. De feiten gebeurden op 25 september 1986 in een Piedboeuf-depot in Molenbeek. Ze kostten het leven aan de 48-jarige Claude Lebrun. Aan de overval werd deelgenomen door drie gemaskerde mannen die zich verplaatsten met een Audi bestuurd door een medeplichtige.
De overvallers stormden even na 14 uur de kantoren binnen, terwijl de chauffeur van de vluchtwagen een magazijnier die uit de brouwerij vluchtte in bedwang hield. In de kantoren botsten de gangsters echter op chauffeur-leverancier Claude Lebrun (48) en zaakvoerder Joris Batroey. Lebrun werd vanop korte afstand neergeschoten.
Met lege handen namen de vier overvallers de vlucht. Getuigen konden echter een vrij precieze persoonsbeschrijving geven van de bestuurder van de van de vluchtwagen, die Claude Chantry zou zijn. Chantry's naam viel weer tijdens een onderzoek naar gestolen wagens, waaronder de Audi die als vluchtauto werd gebruikt.
Enkele leden van Chantry's bende verklikten hem als vermoedelijke dader, samen met zijn kompaan Mohammed Algham. Daarnaast staan ook Abdelkarim Harssi, Nordine Hanani en Hassan Huriaghli terecht.
Volgens het gerecht zijn vier van de vijf beklaagden daders van de moord op Lebrun. Allen zijn geboren in 1966, behalve Chantry, die een jaartje ouder is.
Het proces dreigt ingewikkeld te worden wegens de onderzoeks- en procedurefouten die werden begaan en het gebrek aan formeel bewijs. De zaak werd door de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) eerst naar de correctionele rechtbank verwezen, maar die verklaarde zich, daarin gesteund door het hof van beroep, in ’90 onbevoegd. Via het hof van cassatie verwees een nieuw samengestelde KI de zaak uiteindelijk op 3 december '92 naar het assisenhof.
Bron: Gazet van Antwerpen | 28 Februari 1994
Voorbehoud door overschrijding redelijke rechtstermijn
Oordelen over feiten die 7 jaar geleden gebeurden
Voor het Brabants assisenhof, voorgezeten door raadsheer Blondeel, is maandag het proces begonnen van een poging tot diefstal tijdens dewelke een doodslag werd gepleegd. Claude Chantry, Mohammed Algham, Abdelkarim Harssi, Nordine Hannani en Hassan Ouriagel staan voor de jury wegens hun aandeel in de gewelddadige overval op de kantoren van de brouwerij Piedboeuf in Sint-Jans-Molenbeek op 25 september 1986. De 48-jarige chauffeur Claude Lebrun werd met een kogel in de hals omgebracht.
Mohammed Algham zou, volgens de akte van beschuldiging, de vermeende doder zijn. De advocaten van de betichten hadden "formeel voorbehoud bij het overschrijden van de redelijke termijn van rechtspleging". De feiten dateren van meer dan zeven jaar geleden. Dat voorbehoud werd op het zittingsblad genoteerd.
Advocaat-generaal Spreutels ging onmiddellijk in de tegenaanval. Al verzette hij zich niet tegen het acteren van dit voorbehoud, toch meende hij de redenen voor de laattijdigheid van het proces te moeten aanhalen. Zo had hij het over het juridisch probleem waarmee de diverse instanties in deze zaak worstelden. De vraag stelde zich of de verzwarende omstandigheid van doodslag bij de beschuldiging van poging tot diefstal moest worden gevoegd.
Cassatie
Het Hof van Cassatie antwoordde in juni 1992 bevestigend op deze vraag. Vervolgens had de advocaat-generaal het over het zonder gevolg klasseren van de beschuldiging van moord, zoals die toen wel door het openbaar ministerie werd geëist, en waar de hele kwestie om draaide. Uiteindelijk werd de beschuldiging dan poging tot diefstal met de verzwarende omstandigheid dat er ook een doodslag werd gepleegd.
De verdediging stelde dat de voorlopige invrijheidstelling van de beschuldigden na een jaar voorhechtenis een voldoende argument is om te twijfelen aan de schuld van de cliënten.
De namiddagzitting was gewijd aan het verhoor van Claude Chantry en van Mohammed Algham. Beide mannen hanteren dezelfde verdedigingstactiek. Ze ontkennen de feiten en beroepen er zich tegelijk op dat het van al zo lang geleden is dat ze zich een aantal zaken uit het dossier niet meer herinneren.
Op het einde van het verhoor van Chantry, die overal een antwoord op had, vatte de voorzitter van het hof een en ander als volgt samen: "Meneer Chantry, uw alibi stelt een probleem. Een chauffeur van de brouwerij zegt dat u gelijkt op de man die hem overviel... een anonieme informant wijst u aan... uw wagen diende om andere wagens te stelen. Dat is al veel voor een assisenhof. U kan nog op elk moment uw verdedigingssysteem wijzigen, want men zou u zelfs nog een aanzienlijker aandeel in de zaak kunnen toemeten. Denk daar eens over na. De consequenties hiervan zijn belangrijk".
Zelfde genre verhoor en zelfde verdedigingstactiek van Mohammed Algham. Ook hij ontkende gewoon alles.
Bron: Gazet van Antwerpen | 1 Maart 1994
Speurders getuigen op moordproces: Hannani leek destijds oprecht
Op het proces van Claude Chantry, Mohammed Algham, Abdelkarim Harssi, Nordine Hannani en Hassan Ouriaghli, beschuldigd van een dodelijke overval op een chauffeur van de brouwerij Piedboeuf in Molenbeek, getuigde gisteren een inspecteur van de gerechtelijke politie dat Hannani oprecht leek toen hij destijds bekentenissen aflegde.
Dinsdag had Hannani zijn vroegere verklaringen weer ingetrokken, zoals trouwens ook de andere beklaagden deden. De inspecteur zei dat Hannani geen enkele reden had om te liegen en zijn verklaring aflegde "zonder dat er bij het begin van de ondervraging ook maar enige druk was. Als hij nu zijn verklaringen wijzigt, dan is dat onder druk van zijn kameraden". Hannani ontkende dit ten stelligste.
Vervolgens werd de politie van Molenbeek ondervraagd het alibi van Chantry. Deze laatste zou zich op het ogenblik van de feiten in het café van zijn zus bevonden hebben. In eerste instantie verklaarden de naastbestaanden van Chantry dat hij niet in het café was en er maar omstreeks 16 u. aankwam. "Ondanks deze elementen", aldus de politie, "bleef Chantry volhouden dat hij aanwezig was.”
Tijdens de namiddagzitting vlogen verdediging, burgerlijke partij en openbaar ministerie elkaar in de haren over de vraag of sommige bekentenissen al dan niet werden "gedicteerd" door de verbalisanten. Een essentieel element in de aanklacht zijn namelijk de bekentenissen van Hannani. Volgens de verdediging werden deze voorgekauwd door de onderzoekers.
Bron: Gazet van Antwerpen | 3 Maart 1994
Vader van 'getuige' weigert eed af te leggen: Spreken zonder haat is niet gemakkelijk
Een vader heeft voor het assisenhof van Brabant gisteren geweigerd om de eed af te leggen omdat hij naar eigen zeggen moeilijk zijn haatgevoelens opzij kon zetten. In de eedformule staat vermeld dat men zal getuigen "zonder haat en zonder vrees”.
Dat gebeurde op de vierde dag van het proces waar vijf personen terecht staan wegens een overval op brouwerij Piedboeuf in september 1986. Tijdens de overvalspoging werd geen geld buit gemaakt, maar werd wel een vrachtwagenchauffeur van de brouwerij, Claude Lebrun, met een kogel in de nek doodgeschoten.
Na een korte onderbreking kon de voorzitter de vader, Bernard De Greef overhalen om de hele waarheid te vertellen. De man beweerde tijdens het onderzoek dat zijn zoon, Chantry had herkend aan het stuur van een donkere Audi die er snel vandoor ging in de periode dat de overval op Piedboeuf werd gepleegd.
Niet zeker
De Greef ontkende daarop ooit geweten te hebben wie in de wagen zat. "Mijn zoon dacht dat het Chantry was, maar was daar niet zeker van.”
Die bewering werd gestaafd door zijn zoon Michel hoewel dat in tegenstelling is tot de processen-verbaal werden opgesteld. Volgens Michel De Greef heeft hij die PV’s echter enkel ondertekend om aan de druk van de onderzoekers te ontsnappen, die hem zouden hebben bedreigd met constante druk zolang hij niet de volledige waarheid vertelde.
Zoon Michel ontkende ook Mohammed Algham als dader te hebben aangewezen. Zijn vader had iets dergelijks verklaard. “Mijn zoon zei me enkel dat als Algham bij de zaak betrokken was, hij niet zou aarzelen om te doden”, aldus Bernard De Greef.
De voormiddagzitting was begonnen met de ondervraging van Nunzio Allatta, ooit werkmakker van het slachtoffer en ooggetuige van de overval en van het drama. Uit het verhaal van Allatta probeerde het hof inzicht te krijgen in de twee thesissen die aanvankelijk door de speurders naar voren werden geschoven om de drijfveren voor de moord te kunnen achterhalen.
Ofwel werd de overval gepleegd door pure amateurs - dat is trouwens de persoonlijke mening van Allatta - en ging per ongeval een schot af waardoor Lebrun dodelijk werd getroffen.
Ingevolge de paniekreactie zou het viertal ook nagelaten hebben om buit of geld mee te nemen.
De tweede veronderstelling is dat Lebrun het slachtoffer zou zijn geworden van een afrekening. Tijdens het onderzoek door de inspecteurs zou nochtans reeds gebleken zijn dat het slachtoffer nooit bij een louche of dubbelzinnige affaire was betrokken. Ook zou het slachtoffer nooit bindingen hebben gehad met het misdadigersmilieu. Derhalve is het hof eerder geneigd om geloof te hechten aan de eerste veronderstelling.
Tegenstrijdig
Verder werd ook nog Joris Bastroey ondervraagd. Hij was aanwezig in het kantoortje waar Lebrun door een gemaskerde persoon werd neergeschoten.
Steeds volgens voornoemde getuige werd het schot afgevuurd door een persoon van betrekkelijk kleine gestalte die vergezeld was van twee personen met een wat grotere gestalte.
Die uitlatingen zijn in tegenspraak met naamloze getuigenissen die beklaagde Algham (1,80 m groot en grootste van de bende) aanwijzen als de schutter.
Ook over de kleding van de beklaagden werden door de getuigen tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Bovendien verklaarde Joris Bastroey ter zitting dat van de vier of vijf overvallers er zeker een gewapend was met een geweer.
Getipt
Een derde getuige, Frans Ribonville, die magazijnier was bij Piedboeuf, werd gevraagd naar het tijdstip waarop de overval plaatsvond. Het uur waarop het geld door de chauffeurs werd binnengebracht was 14.30 uur. Rond die periode zouden ook de personeelsleden worden uitbetaald.
De inspecteurs vragen zIch dan ook af of de beschuldigden niet vanuit het bedrijf op de hoogte werden gebracht over het geld dat op dat ogenblik circuleerde.
Over het karakter van het slachtoffer zijn alle collega's het bijna eensluidend eens: Lebrun was een harde werker, hij was vriendelijk en maakte zich graag verdienstelijk. Hij was erg nauwgezet, had geen vijanden en werd door iedereen graag gezien.
Bron: Gazet van Antwerpen | 4 Maart 1994
Psychiaters schetsen moraliteit van beklaagden: Onvolwassenen met psychopathische trekjes
Psychiaters hebben gisteren op het proces van Claude Chantry, Mohammed Algham, Abdelkarim Harssi, Nordine Hannani en Hassan Ouriaghli, die terecht staan voor een dodelijke overval in september 1986 op de brouwerij Piedboeuf, een persoonlijkheidsprofiel geschetst. Die waren min of meer gelijklopend.
Kenmerken die steeds terugkeerden waren onvolwassenheid, gevoelsarmoede, impulsiviteit, lichte psychopathische trekken - tenzij voor Algham die neurotische trekken vertoont - en IO's onder het gemiddelde. Geen van de vijf beschuldigden ontwikkelde een karakteristieke mentale pathologie die sociaal gevaarlijk kan worden genoemd. Zij waren op het moment van de feiten ook in staat om hun daden te controleren.
De psychiaters werden vrijdag ter zitting ook gehoord over de vrijpostigheid van Hannani en over een mogelijk mythomaan trekje bij de man. De zaak is belangrijk omdat Hannani aanvankelijk zijn kameraden ervan beschuldigde de daders te zijn, om achteraf die verklaringen weer in te trekken.
Volgens de psychiaters is het erg moeilijk om te weten wanneer Hannani de waarheid vertelt en wanneer hij liegt. Overigens had hij volgens de experten destijds niet de anderen aangeklaagd om zijn geweten te sussen, maar omdat hij zich schuldig voelde dat hij de speurders niet kon overtuigen van zijn onschuld.
Een bediende van Belgacom kon zich tijdens de namiddagzitting niet herinneren of de beklaagden in de rechtszaal ook de lieden waren die hij in 1986 een vest had zien wegstoppen uit een wagen die aan de vooravond van de feiten was gestolen.
Daniel Devos, een vroegere werknemer van Michel De Greef, ontkende een verklikker te zijn, zoals deze laatste beweert. Hij zei dat hij voor het eerst naar de politie was gestapt en dat hij daarvoor niet betaald was.
De zuster van Abdelkarim Harssi getuigde dat een deel van haar familie, onder wie de beklaagde, op 26 september 1986, de hele tijd in de weer was geweest met de aankomst van hun moeder uit Marokko.
Bron: Gazet van Antwerpen | 5 Maart 1994
Zus van Chantry had te veel gedronken - Getuigen van verdediging blijven vaag
In de Piedboeuf-zaak, de roofmoord in de lokalen van de brouwerij waarvoor vijf beklaagden terechtstaan, getuigde gisteren Jean-Marie Chantry dat hij zijn broer Claude op de namiddag van de feiten zag voorbijgaan aan het café van zijn zuster. Het juiste tijdstip herinnerde hij zich echter niet.
De zuster van Claude vertelde ze zich wegens haar benevelde toestand toen eigenlijk niet veel meer herinnert. Aan de onderzoekers had ze nochtans verklaard haar broer die namiddag niet gezien te hebben.
De voorzitter uitte twijfels over het alibi van Mohammed Algham. Een medestudent had verklaard dat Algham op de dag van de feiten vermeld stond op de aanwezigheidslijst van de school waar hij cursussen volgde, maar de voorzitter wees erop dat Algham wel meer lessen verzuimde.
Chantry en Algham zaten opgesloten in de gevangenis van Vorst, van waaruit ze probeerden te ontsnappen. Volgens sommigen kregen ze daarvoor de hulp van twee vrienden die enkele ladders hadden aangevoerd. Ter zitting verklaarde één van hen, ene Said Boujemaoui, dat hij niet wist wie er moest bevrijd worden.
Confrontatie
De namiddagzitting stond in het teken van een confrontatie tussen de speurders en een getuige van de feiten. Michel De Greef zag de wagen die meer dan waarschijnlijk bij de dodelijke overval gediend heeft, aan hoge snelheid voorbij de garage passeren die hij samen met zijn vader runt.
Centraal probleem is de identificatie door De Greef van de bestuurder van de wagen. Maandagnamiddag zei de man dat hij eerder aan de BOB had verklaard "Claude" aan het stuur te hebben gezien, daaraan toevoegende dat hij geen familienaam had opgegeven. Volgens speurders werd de naam “Chantry” door de speurders zelf toegevoegd. Die ontkennen dat evenwel en zeggen dat zulks materieel onmogelijk is.
De speurders confronteerden Michel De Greef in 1986 met Chantry. Die zou De Greef bedreigd hebben met wraak, eens hij uit de gevangenis zou komen.
Bron: Gazet van Antwerpen | 8 Maart 1994
Advocaat-generaal vraagt drie vrijspraken
Op de zevende procesdag in de "zaak-Chantry" voor het assisenhof van Brabant vroeg de advocaat-generaal drie vrijspraken, die van Ouriaghli, Harssi en Algham. Voor het hof staan vijf personen terecht die zich moeten verantwoorden wegens mogelijke betrokkenheid bij een overval op brouwerij Piedboeuf in Brussel. Tijdens die overval werd Claude Lebrun, een vrachtwagenchauffeur van de brouwerij, getroffen door een kogel in de nek.
De advocaten van de burgerlijke partijen mr. Hostier en Arys zetten de feiten die tot de dramatische ontknoping moesten leiden op een rijtje. In hun pleidooien wordt vooral de betrokkenheid van Claude Chantry bij het hele gebeuren als bewezen geacht. Er wordt gewezen op het zeer manke alibi van beklaagde, op de formele herkenning door een getuige en op de verscheidene anonieme getuigenissen.
Dan voerde advocaat-generaal Spreutels het woord. Hij zei dat de betrokkenheid van Claude Chantry onweerlegbaar is. Hij stelde toch ook drie vrijlatingen voor: die van Ouriaghli bij gebrek aan bewijzen; Harssi die over een coherent tijdsgebruik beschikt dat trouwens bevestigd werd door diverse getuigen en ten slotte ook Algham, die niet formeel als dader kon worden herkend door getuigen.
Spreutels besloot zijn rekwisitoor met het aanwijzen van wie volgens hem de tweede dader was. Hij somde de verschillende elementen op die de deelname van Nordeni Hannani aan feiten aantoonde. Ten slotte vroeg de advocaat-generaal dat de feiten geherkwalificeerd zouden worden en dat er een bijkomende vraag gesteld zou worden over de verzwarende omstandigheden. Volgens hem was de intentie om te doden niet aanwezig en gaat het dus om onvrijwillige doodslag.
Mr. đe Quévy, één van de verdedigers van Claude Chantry, eiste de vrijspraak voor zijn cliënt wegens de twijfel.
Bron: Gazet van Antwerpen | 9 Maart 1994
Dossier vol lacunes en verwaterde bewijzen
De advocaten van de verdediging in het proces-Piedboeuf voor het Brabantse assisenhof hamerden woensdag op de lacunes in het dossier tegen hun cliënt Claude Chantry. Hun ondermijningswerk volgde op het eerdere verrassende pleidooi van de advocaat-generaal voor een vrijspraak van drie andere beklaagden.
Dinsdag pleitte het openbaar ministerie voor een vrijspraak van Abdelkarim Harssi, Nordine Hanani en Hassan Huriaghli, maar niet voor die van Claude Chantry en Mohammed Algham. Alle vijf staan terecht voor de roofmoord op Claude Lebrun, een chauffeur van Piedboeuf die op 25 september ’86 werd doodgeschoten in de brouwerij.
Namens Chantry maakte mr. Lancaster woensdag brandhout van het dossier. Vragen zijn onopgehelderd, elementaire zaken om feiten vast te stellen zijn niet gebeurd en de zaak sleept al meer dan zeven jaar aan, waardoor de magere bewijzen ondertussen fel zijn verwaterd.
Het gaat weliswaar om een collectieve verantwoordelijkheid, maar een dergelijke vertraging is niettemin verschrikkelijk voor jury, burgerlijke partij en beklaagde, aldus Lancaster.
Ten gronde wraakte de raadsman de "grondvesten" van de aanklacht. Zo laakte hij het feit dat de diefstal van wagens - om de hold-up te plegen - zonder meer wordt toegeschreven aan zijn cliënt. Hij trok ook van leer tegen een "schandalige" confrontatie met getuigen, zes maanden na de feiten. "Van het dossier resten alleen de leugens van Hanani", aldus Lancaster.
Voor Mohammed Algham pleitte mr. François vrijspraak op grond van voordeel van de twijfel. Mr. Chomé, de raadsman van Harsi, wiens pad was geëffend door de procureur die akkoord ging met een vrijspraak op grond van de twijfel, verklaarde zijn plicht van advocaat over heel de lijn op zich te willen nemen. Hij vroeg de juryleden geen twijfel in te roepen maar integendeel tot de absolute onschuld van zijn cliënt te besluiten.
Chomé vond het beangstigend uit het rekwisitoor van de openbare aanklager te moeten afleiden dat drie van de vijf beschuldigden klaarblijkelijk als figuranten voor het assisenhof werden gebracht.
Bron: Gazet van Antwerpen | 10 Maart 1994
Chantry en Hannani schuldig, Algham, Harssi en Huriaghli vrij
Voor het Brabantse assisenhof werden Claude Chantry en Nordine Hannani donderdagavond schuldig bevonden aan poging tot diefstal met onvrijwillige doodslag als verzwarende omstandigheid, en aan de diefstal van twee auto's. Mohammed Algham, Abdelkarim Harssi en Hassan Huriaghli werden vrijgesproken.
De vijf stonden terecht wegens een mislukte hold-up, waarbij een chauffeur van de brouwerij Piedboeuf, de 48-jarige Claude Lebrun werd gedood door een kogel in de hals. De feiten deden zich voor op 25 september 1986 in een depot van de brouwerij in Molenbeek.
Meester Lancaster, advocaat voor Chantry, had vooraf nog allusie gemaakt op het mogelijk bestaan van een gerechtelijke dwaling: "Het is onmogelijk iemand te veroordelen op basis van een dergelijk onderzoek. Verdient dit niet een sanctie vanwege de jury?"
De advocaat herinnerde er aan dat een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie tijdens het onderzoek gepleit had voor de vrijspraak van Hannani, terwijl vandaag een andere vertegenwoordiger van het openbaar ministerie Hannani schuldig oordeelt.
Nog voor de jury zich terugtrok om te beraadslagen over de schuldvraag, herhaalden de vijf beschuldigden dat ze al ruim zeven jaar hun onschuld staande hielden en dat ze nu hun lot in de handen van de jury legden.
Voor Claude Chantry en Nordine Hannani luidde het antwoord op de schuldvraag positief. Ze hoorden zich door net assisenhof veroordelen tot respectievelijk 10 en 8 jaar gevangenisstraf.
Bron: Gazet van Antwerpen | 11 Maart 1994