Zou het zo goed niet kunnen verwoorden, maar ben het er volledig mee eens.

12

Als je zo eens rondkijkt naar je medemensen hun gedrag dan merk je op dat bijna iedereen met zichzelf bezig is via GSM, MP3, of laptop. De meesten zitten in hun eigen cocoon en wat daarbuiten voorvalt interesseert hun gewoonweg niet. Laat staan dat ze correcte beschrijvingen kunnen geven van daders of feiten.

Daarom dat ik voorstander ben van elektronische bewaking gekoppeld aan een CCTV-systeem. Heb je tenminste een duidelijk beeld van wat er gebeurt is en dat kan nog steeds aangevuld worden met getuigenverklaringen. Maar ja... de Belg en zijn 'privacy'.

Anderzijds, een stressmoment zoals een levensbedreigende situatie valt niet te vergelijken met een bezoek aan een winkel waarna je de kleding van één persoon uit velen moet gaan beschrijven. In een stressmoment absorbeert het onderbewustzijn veel meer details van de feiten. Later, wanneer het slachtoffer bijvoorbeeld ten prooi is gevallen aan PTSD (post traumatic stress disorder) worden de feiten herleefd tot in de kleinste details, en die herleving kan worden opgeroepen door confrontatie met geuren, beelden of omgevingen die doen denken aan de feiten. Ook wel de 'trigger' genoemd. Ook in dromen komen vaak details boven die men dacht te zijn vergeten.

Het onderbewustzijn heeft problemen om de feiten te verwerken omdat ze niet dagelijks zijn en omdat ze gruwelijk of schokkend zijn. Net daarom slaagt het bewustzijn alles op als een film, erg nauwkeurig, met de bedoeling de feiten te verwerken. Door het niet te kunnen verwerken blijven de beelden hangen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen misverstanden zijn ontstaan omtrent kleding andere kenmerken van de daders. Ik wil maar aantonen dat je het niet mag verwarren met een gewone observatieoefening.

Wij hielden vroeger dergelijke oefeningen in het Cosman Training Centrum in Zellik. Daarbij werd een overval gesimuleerd met wapens, decor, alles erop en eraan. Ook hier kreeg je na afloop verschillende beschrijvingen van de daders. Maar niets komt natuurlijk zo dicht in de buurt als de realiteit. De vergelijking is in feite onmogelijk, net door de invloed van de schok en PTSD op het geheugen.

Vaak is gebleken dat getuigenissen van dergelijke feiten, enkele dagen later, veel betrouwbaarder zijn dan kort na de feiten. Het probleem is dat PTSD vandaag veel beter begrepen wordt dan toen en dat ook het verhoren van getuigen van schokkende feiten, tegenwoordig beter wordt aangepakt.

Sommige getuigen zullen wel degelijk een exacte beschrijving gegeven hebben. Speurders leren om het totaalpakket te bekijken. Als 3 van de 5 getuigen over zwart haar spreken, kunnen we aannemen dat de kans groot is dat de dader zwart haar had. Als men dan ook nog eens de achtergrond van die 5 getuigen bekijkt (beroep, ervaringen, opleidingen) dan kan dat ook helpen de getuigenis kracht bij te zetten.

Servo per Amikeco

14

Een interessant artikel over de psychologische elementen die meespelen rond schietincidenten » www.crimescenejournal.com

15

Interessant YouTube-filmpje over onthouden en vergeten » YouTube

Het filmpje geeft het voorbeeld van een vrouw die na haar werk getuige is van een misdaad en hoe zij deze gebeurtenis zal onthouden.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

16

Nog een voorbeeld uit het boek "Het web van de Mossad":

Tegen het einde van de week kondigde Riff aan dat we les zouden krijgen in persoonlijke beveiliging. Hij was net begonnen met de les toen de deur van het klaslokaal onder veel lawaai werd ingetrapt en twee mannen binnen sprongen. Een droeg een groot pistool, een Eagle, de ander een machinegeweer en ze begonnen onmiddellijk te schieten. De cadetten doken naar de vloer, maar zowel Riff als Ran S. vielen achterover tegen de muur en zaten onder het bloed.

Voordat je tot vier had kunnen tellen (*) waren de twee kerels alweer verdwenen en reden weg in hun auto. We waren totaal overstuur. Maar voordat we konden reageren, stond Riff op, wees naar Jerry S., een van de cadetten en zei: "Okay, ik ben daarnet gedood. Ik wil dat je ons een beschrijving geeft van degenen die het hebben gedaan en hoeveel schoten er zijn gelost. Het maakt niet uit hoeveel informatie je geeft, als het maar genoeg is om de moordenaars op te sporen."

Terwijl Jerry zijn beschrijving gaf, noteerde Riff die op het bord. Toen raadpleegde hij ook de andere cadetten en liep daarna naar buiten om de twee 'moordenaars' bij zich te roepen. Ze leken absoluut niet op de personen die wij hadden beschreven. We herkenden ze totaal niet.

(*) Een overval van de Bende van Nijvel duurde wel langer dan "vier tellen".

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

17

La mémoire manipulée - Les faux souvenirs dans les entrevues d’enquête auprès des témoins ou victimes

La création de faux souvenirs peut avoir des conséquences catastrophiques dans le domaine de la justice. En effet, lorsqu’un témoin ou une victime imprime dans sa mémoire des éléments qui ne sont pas fondés sur la réalité des faits criminels, alors le risque d’erreur de justice augmente dramatiquement. Les travaux en psychologie menés par Elizabeth Loftus et ses collaborateurs avaient permis, dès les années 70, de montrer à quel point il était facile de créer de faux souvenirs dans la mémoire des gens, y compris des souvenirs d’événements traumatiques ne s’étant en réalité jamais produits. L’un des moyens sans doute les plus efficaces pour cela consiste à poser des questions suggestives, c’est-à-dire des questions comprenant un élément non mentionné au préalable par la personne interrogée, élément qui peut être exact, mais aussi, souvent, erroné, et qui est susceptible de l’influencer (ex. "Elle était bien rouge, la voiture?").

Les risques d’influence sur la mémoire

Ce type de questions présente tout d’abord un risque immédiat d’influence. Dans un contexte d’entrevue judiciaire, c’est un témoin ou une victime qui acquiesce à une question suggestive soit parce que sa mémoire est floue au sujet de cet élément, soit parce qu’il veut faire plaisir à l’enquêteur, soit parce qu’il a davantage confiance en ce que dit l’enquêteur qu’en ses propres souvenirs, etc. Dans tous les cas, le résultat est que sa réponse à la question sera prise en compte pour le reste de la procédure judiciaire et pourra induire les enquêteurs en erreur dans le cadre d’une enquête éventuelle.

Ensuite, les questions suggestives présentent un risque d’influence à plus long terme sur la mémoire. C’est le cas de l’élément contenu dans la question suggestive qui va s’imprimer dans les souvenirs du témoin, rendant difficile, voire impossible, l’accès au souvenir original par la suite (ex. la voiture était bleue. Le souvenir original du témoin était bien relatif à une voiture bleue. Mais à la question "Elle était bien rouge, la voiture?", le témoin a répondu "oui". Avec le temps, il ne se souvient plus de la couleur originale, voire il se souvient d’une voiture effectivement rouge. Ici, un faux souvenir vient d’être créé).

Un phénomène très fréquent

D’un côté, de nombreuses études en psychologie ont permis de montrer à quel point les questions suggestives pouvaient avoir des effets néfastes sur la mémoire des témoins ou victimes, en créant notamment de faux souvenirs. Et, d’un autre côté, des études d’observation des pratiques policières ont permis de révéler qu’il s’agissait d’un phénomène très fréquent dans les entrevues judiciaires. Ginet & Py (2001) ont, par exemple, montré qu’une question sur trois en moyenne posée par un policier français était suggestive, y compris après une phase de sensibilisation aux méfaits de ces questions. Compte tenu de l’ampleur du phénomène et de sa fréquence sur le terrain, des psychologues ont tenté d’apporter des solutions en évaluant le bénéfice, dans le cadre des entrevues judiciaires, de certains outils susceptibles de favoriser la réminiscence tout en réduisant éventuellement l’impact d’influences sur les témoins. Il en est ainsi de l’hypnose.

Des outils pour favoriser la réminiscence en réduisant les risques d’influence

Le cas de l’hypnose

Plusieurs études ont consisté à évaluer le bénéfice de l’hypnose pour recueillir davantage d’informations auprès des témoins. Les études de laboratoire dans ce domaine présentent l’avantage de permettre de distinguer les informations correctement rappelées (c’est-à-dire conformes à l’événement original) des informations erronées. En effet, dans ce type d’études, des participants visionnent généralement un film à caractère criminel et sont interrogés ensuite sur celui-ci. Le chercheur peut alors clairement comparer la version produite par le participant avec la réalité. C’est ainsi que les travaux récents de Graham Wagstaff, à l’université de Liverpool, mettent clairement en évidence une augmentation du nombre de détails corrects rappelés par des témoins hypnotisés par rapport à des témoins non hypnotisés.

Toutefois, l’explication de l’origine de cet effet bénéfique sur la mémoire ne fait pas l’objet d’un consensus chez les psychologues. Pour certains, l’hypnose crée un état de conscience modifiée, et c’est cet état particulier qui produirait certains effets sur la mémoire. Pour d’autres, avec une approche davantage socio-cognitiviste, ce n’est pas l’hypnose en soi qui produirait des effets bénéfiques sur la mémoire, mais des éléments non hypnotiques associés à l’hypnose, tels que des consignes d’imagerie mentale, (par lesquelles la personne va s’imaginer dans un contexte relaxant, par exemple), l’état de relaxation induit par la technique, etc.

S’il n’existe pas de consensus des psychologues sur l’origine de l’effet bénéfique de la technique sur le rappel des témoins, il existe en revanche un sujet d’accord entre eux : les risques engendrés par l’hypnose. Il a été démontré que l’hypnose, si elle permettait d’augmenter la quantité d’informations correctes recueillie auprès des témoins, pouvait également augmenter la quantité d’erreurs produites tout en rendant les personnes interrogées plus sensibles aux questions suggestives, pouvant aller jusqu’à la création de faux souvenirs. Par ailleurs, l’hypnose semble avoir le pouvoir d’augmenter artificiellement la confiance en soi du témoin, sans que cela soit lié à une amélioration conjointe de l’exactitude de ses propos.

Il est possible que ces effets néfastes soient en partie liés aux attentes engendrées par le label même d’hypnose. Cette technique est en effet associée à un imaginaire collectif issu de l’hypnose de spectacle. De ce fait, les témoins, se sachant hypnotisés, sont en attente d’une amélioration quasi magique de leur mémoire. Ils n’hésiteront pas alors à abaisser leur critère de réponse pour se conformer à ces attentes, c’est-à-dire en mentionnant plus d’informations, au prix de leur exactitude. Les travaux de Wagstaff vont d’ailleurs dans le sens de cette explication, puisqu’il a montré que l’hypnose pouvait diminuer le nombre d’erreurs produites en réponse à des questions suggestives lorsque les personnes étaient placées en état hypnotique sans que le terme d’hypnose ne soit mentionné (la technique était présentée sous le terme de "méditation focalisée").

Si l’hypnose présente des bénéfices au niveau du recueil des témoignages, une limite importante en France concerne son acceptabilité par la Justice, puisqu’un témoignage obtenu sous hypnose ne peut pas être retenu comme preuve au niveau de la procédure pénale. Compte tenu des problèmes posés par cet outil en termes d’influences et au niveau légal, les psychologues ont alors essayé de proposer des méthodes d’audition alternatives. C’est ainsi qu’ils ont développé la technique de l’entretien cognitif.

L’entretien cognitif

L’entretien cognitif est un protocole d’audition des témoins ou victimes à l’usage des professionnels de la Justice proposé initialement par deux psychologues américains : Edward Geiselman et Ronald Fisher. Il a été élaboré à partir de connaissances scientifiques dans le domaine de la communication, des dynamiques sociales, de la cognition et de la mémoire humaine. Il présente une philosophie générale qui consiste à laisser le plus possible parler la personne et à l’écouter de manière respectueuse. Dans le détail, ce protocole est divisé en cinq étapes.

Depuis trente ans, une centaine de recherches scientifiques ont été effectuées dans le monde au sujet de l’entretien cognitif et ont permis de démontrer son efficacité, puisque celui-ci apporte en moyenne plus de 40 % d’informations correctes supplémentaires par rapport à un entretien plus classique, sans que l’exactitude globale du témoignage n’en soit affectée. Mais surtout, les témoins entendus à l’aide de l’entretien cognitif deviennent plus résistants aux questions suggestives. Ce résultat a souvent été interprété comme un indice selon lequel l’entretien cognitif favoriserait la concentration et optimiserait ainsi l’accès aux souvenirs en mémoire. Des souvenirs plus nets sont alors plus difficiles à influencer.

Avec les derniers protocoles hypnotiques (omettant en particulier "l'étiquette" d'hypnose) ou avec l’entretien cognitif, les psychologues ont relevé le défi de diminuer l’impact des influences sur les souvenirs des témoins, au travers notamment des questions suggestives. Il s’agit d’une première étape vers la diminution du risque de création de faux souvenirs dans un contexte judiciaire.

Pourtant, la Justice n’est pas le seul cadre dans lequel une personne est chargée d’évoquer, de mémoire, un événement personnellement vécu. Il est un autre domaine dans lequel le risque de suggestion est extrêmement élevé : celui des psychothérapies. Le syndrome des faux souvenirs se réfère au phénomène par lequel des personnes ayant prétendument oublié un événement traumatique vécu dans le passé (le plus souvent, un abus sexuel vécu pendant l’enfance) vont se souvenir de l’épisode au cours de certaines psychothérapies. Elizabeth Loftus a été l’une des premières à mettre en garde le public contre le risque de création de faux souvenirs dans ce cadre, pour peu que des méthodes de questionnement suggestives aient été employées par le psychothérapeute, éventuellement en association avec l’hypnose.

Des travaux scientifiques récents ont permis de distinguer les souvenirs récupérés graduellement, généralement au cours d’une thérapie suggestive, des souvenirs récupérés spontanément, par inadvertance (souvent hors contexte thérapeutique), provoquant d’ailleurs souvent choc et surprise chez la personne concernée. Par exemple, Geraerts et ses collaborateurs (2008) ont montré que cette dernière catégorie de souvenirs était plus souvent corroborée par des faits externes que les souvenirs retrouvés graduellement. Ces travaux permettent d’aborder le sujet de l’amnésie d’évènements traumatiques anciens avec prudence et discernement.

Het volledige artikel (met bronnen) vind je hier » www.pseudo-sciences.org

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Cold case-teams Nederland telt honderden ‘mond-tot-mondgetuigen’

In Nederland lopen vermoedelijk honderden mensen rond met informatie over onopgeloste moordzaken. Vaak gaat het om cruciale informatie die kan leiden tot opheldering van een zaak, maar waarmee mensen níet naar de politie stappen.

Die conclusie trekt recherchekundige Evelien Aangeenbrug (Landelijke Eenheid). In het kader van haar Master of Criminal Investigation onderzocht zij samen met een Haagse recherchekundige 48 moordzaken die de politie in eerste instantie niet wist op te lossen, maar die later als zogenoemde cold case alsnog met succes werden onderzocht.

Onopgelost
Het aantal gevallen van moord en doodslag in Nederland daalt al jaren. Van zo’n 250 per jaar in de jaren ’90 tot 115 vorig jaar. Verreweg de meeste levensdelicten worden (relatief) snel door de politie opgehelderd. Maar de afgelopen decennia bleven in totaal zo’n 1.000 kapitale delicten onopgelost. Ondanks uitgebreid politieonderzoek lukte het niet een verdachte in beeld of veroordeeld te krijgen.

Deze zaken staan – samen met ongeveer 500 andere zeer ernstige, onopgeloste misdrijven – te boek als cold cases. Speciale cold case-teams van de politie proberen deze zaken alsnog op te lossen. Elke eenheid beschikt over een dergelijk team, die met elkaar het samenwerkingsverband Cold case Nederland vormen. 

Relatie
Recherchekundige Aangeenbrug vergeleek 48 levensdelicten die door een van de Nederlandse cold case-teams zijn opgelost met zaken die tijdens het initiële politieonderzoek worden opgehelderd. Het meest opvallende verschil heeft betrekking op de relatie tussen dader en slachtoffer. In 87 procent van de moordonderzoeken die snel tot resultaat leidden, bleken slachtoffer en dader elkaar te kennen. Bij de opgeloste cold cases bestond in slechts 44 procent een relatie tussen dader en slachtoffer.

‘Bij de opgeloste cold cases waren de slachtoffers vaak op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats’, zegt recherchekundige Evelien Aangeenbrug. ‘Dat gold bijvoorbeeld voor Marianne Vaatstra. Zij fietste in het voorjaar van 1999 naar huis en kwam haar latere moordenaar toevallig tegen.’

Het ontbreken van een connectie tussen dader en slachtoffer kan het rechercheonderzoek bemoeilijken. In elk geval lijkt de meest gehanteerde recherchestrategie in een moordonderzoek, die zich richt op de omgeving van het slachtoffer, niet automatisch de meest geschikte, stelt Aangeenbrug. Als ook andere onderzoeksstrategieën en -methodes geen resultaat opleveren, gaat een zaak na verloop van tijd als onopgelost de boeken in. 

Tijd
De politie sluit een onopgeloste zaak nooit definitief af. Zodra nieuwe informatie binnenkomt of een cold case-team nieuwe onderzoeksmogelijkheden ziet, kan het onderzoek worden heropend. ‘De factor tijd kan zelfs een positieve invloed hebben op een onderzoek’, zegt Aangeenbrug.

Ze doelt onder meer op de mogelijkheden met DNA. ‘Relatief veel daders van onopgeloste levensdelicten pleegden in de jaren erna opnieuw een misdrijf. Ze werden voor dat misdrijf wel gepakt, waarna hun DNA in de databank terecht kwam en er een match bleek met DNA-materiaal dat bij de onopgeloste zaak was aangetroffen. Bovendien maken technische ontwikkelingen vergelijkingen van DNA-materiaal steeds beter mogelijk.’  

Profielen
Van de 48 zaken die Aangeenbrug onderzocht werd bijna een derde door een DNA-match opgelost. ‘Dat benadrukt wat ons betreft hoe belangrijk het is om DNA-profielen in de DNA-databank op te slaan’, zegt Aangeenbrug.’

Uit het onderzoek van de recherchekundige blijkt ook dat veel daders uiteindelijk gaan praten over hun misdrijf. En ook dat biedt mogelijkheden om een onopgehelderde zaak alsnog op te lossen. Van de 48 zaken die zij onderzocht, werden er 9 opgelost, omdat de dader zelf naar de politie stapte. ‘Ze kregen wroeging’, zegt Aangeenbrug. ‘En dat schuldgevoel werd na verloop van tijd zo sterk dat zij besloten de waarheid te vertellen’. 

Getuigen
Maar wat de recherchekundige vóóral opviel was de loslippigheid van daders tegenover anderen dan de politie. Aangeenbrug: ‘In 40 procent van de onderzochte zaken bleken daders aan gemiddeld twee mensen in hun omgeving te hebben verteld wat zij hadden gedaan. De meeste van deze getuigen kwamen pas in beeld toen de politie de dader op een andere manier op het spoor was gekomen.’

Hoe belangrijk het is dat een getuige naar de politie stapt, blijkt wel uit het onderzoek naar de gewelddadige dood van Marcel Kretzer. De kunstenaar werd in 1995 in Hilversum op straat doodgeschopt. De daders bleven buiten schot, tot een vriendin van een van hen zich na zeven jaar bij de politie meldde. Een van de daders had zijn betrokkenheid bij de zaak tegen haar opgebiecht. Mede dankzij deze getuige kon de zaak alsnog worden opgelost.

Brieven
Ook de moord op de Haagse Daisy Gijsbers kan 42 jaar na dato mogelijk worden opgelost met hulp van getuigen. Anonieme briefschrijvers benaderen sinds vorig jaar een vrouw en wijzen haar overleden echtgenoot als dader aan. De briefschrijvers beschikken over gedetailleerde informatie over het misdrijf dat in 1974 werd gepleegd. Het cold case-team van de Eenheid Den Haag probeert nu de identiteit van de briefschrijvers te achterhalen. Hoewel de zaak verjaard is en de vermoedelijke dader is overleden, wil het team de zaak toch graag ophelderen.

Op basis van haar onderzoek vermoedt Aangeenbrug dat in Nederland nog veel meer getuigen rondlopen met relevante en mogelijk zelfs cruciale informatie over onopgeloste levensdelicten. Als zij de bevindingen uit haar onderzoek afzet tegen het aantal onopgeloste levensdelicten in ons land schat zij dat het om ruim 800 mensen gaat.

Huiverig
Aangeenbrug begrijpt dat mensen soms huiverig zijn om met die informatie naar de politie te stappen. ‘Ze zijn bang voor de dader of vrezen zelf te worden vervolgd, omdat zij niet eerder naar ons zijn toegekomen.’
Het zijn begrijpelijke en soms ook terechte zorgen, zegt Aangeenbrug. ‘Ik snap dat mensen soms kampen met een duivels dilemma. Maar er zijn manieren waarop getuigen buiten beeld kunnen blijven, bijvoorbeeld door contact op te nemen met Meld Misdaad Anoniem.’

Onzekerheid
Aangeenbrug vraagt getuigen die twijfelen om naar de politie te stappen bij hun afweging rekening te houden met nabestaanden: ‘Wie informatie heeft over een onopgeloste moordzaak kan mogelijk een einde maken aan de knagende onzekerheid waarmee zij leven. Nabestaanden vragen zich vaak nog elke dag af wie hun naaste heeft omgebracht en waarom. Wat mij betreft is elke dag van onwetendheid er een te veel.’

Het onderzoek door Aangeenbrug is voor de Nederlandse cold case-teams niet alleen aanleiding om zich tijdens nieuwe onderzoeken extra te richten op potentiële getuigen, maar ook actief naar hen op zoek te gaan. Over de manier waarop zijn de teams nog in overleg.

Mailen
Mensen die informatie over een oude moordzaak hebben, kunnen zich bij de politie melden via het algemene nummer 0900-8844 of Meld Misdaad Anoniem: 0800-7000. Mailen kan naar coldcase@politie.nl.

Dat iemand de exacte datum van het misdrijf niet weet of wellicht zelfs het jaartal niet kent, is geen probleem. Wel is het handig als een getuige bij zijn melding duidelijk maakt dat het vermoedelijk om een oudere zaak, een zogenoemde cold case, gaat. Op deze manier komt de informatie snel bij het cold case-team terecht.

Bron: www.politie.nl

19

Op de site is nog een artikel gepubliceerd over dit onderzoek. Het artikel kan je hier lezen » Nieuws

Hieronder een aantal interessante uitspraken uit het artikel:

"In 40 procent van de onderzochte zaken bleken daders aan gemiddeld twee mensen in hun omgeving te hebben verteld wat ze hadden gedaan. De meeste van die getuigen kwamen pas in beeld toen de politie de dader op een andere manier op het spoor was gekomen."

Walter Van Steenbrugge: "Vaak zwijgen ze uit schrik. Of omdat ze er zelf financiële belangen bij hebben."

Het eigenbelang primeert meestal volgens Van Steenbrugge. "Mensen willen hun eigen hachje redden. Zo kunnen ze bang zijn voor represailles. Of willen ze het risico dat er bij een strafonderzoek ook minder frisse zaken over hen naar boven kunnen komen, niet nemen."

Is het opmerkelijk dat mensen hun mond houden over daders, dan is het evengoed opvallend dat daders met hun moorden te koop lopen. "Slim is het inderdaad niet", geeft meester Vermassen toe. "Maar je ziet vaak dat daders het in hun eigen milieu verklappen. Of dan hebben ze gedronken en gaan ze erover opscheppen op café."

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Opscheppen op café... Doet me aan Tinck denken.