Joan De Winne (54) de oprichter van het DVI, het slachtoffer identificatie team van de federale politie gaat met pensioen na jarenlange carrière in Belgisch identificatieteam. De man leidde de opgravingen naar de slachtoffertjes van Dutroux. Het DVI bouwde dankzij De Winne een internationale reputatie op.

Meer » Nieuws

Joan De Winne: "Ik ben geen man van de dood, wel van het leven"

Joan De Winne, commandant van het Identificatie team van de federale politie, raakte bekend als ‘de flik met het petje’, die midden jaren negentig maandenlang onvermoeibaar op zoek was naar slachtoffers van Marc Dutroux. Een hele carrière lang bouwde hij aan de faam van zijn identificatieteam, door, tegen de lachers in, steeds nieuwe technieken uit te proberen. Maar op zijn 54ste houdt hij het om familiale redenen voor bekeken bij de politie. "On fêt todi on drole di mèstî", staat er op de koffiebeker die Joan De Winne zopas voor zijn 54ste verjaardag heeft gekregen van zijn adjunct. "Luiks dialect", legt hij uit. "Het betekent: We doen toch een vreemde job."

Geen loze woorden in zijn geval. Meer dan twintig jaar lang heeft De Winne het Disaster Victim Identification-team (DVI) van de federale politie geleid. De ramp met de Herald of Free Enterprise in Oostende, de opgravingen naar de slachtoffers van Dutroux, de treinbotsing in Pécrot, het vliegtuigdrama in het Roemeense Tarom dat aan 33 Belgen het leven kostte: altijd waren De Winne en zijn team erbij om slachtoffers te bergen en te identificeren.

De vitrinekast met souvenirs die hij eraan heeft overgehouden, puilt uit. Het is een rommeltje van bekers, foto’s, medailles en andere prullaria, met daartussen één opvallend handgemaakt, wit beeldje. ‘Gekregen van de moeder van een slachtoffer uit die vliegtuigramp’, zegt hij. ‘Op een dag stond ze hier om het ons te geven. Uit dankbaarheid, omdat we haar overleden dochter hadden gevonden.’ De passie voor het werk straalt nog altijd van hem af, maar toch gaat hij weg bij zijn DVI. Nog een week en dan gaat hij met pensioen. Het is tijd voor een nieuw leven. Eentje zonder lijken.

Verbrande, verdronken, begraven lichamen Hebt u enig idee hoeveel lijken u hebt gezien tijdens uw carrière?

Joan De Winne: ‘Neen, de tel ben ik ergens onderweg ergens kwijt geraakt. Maar het moeten er zeker meer dan duizend zijn.’

Zijn er bij die u ’s nachts achtervolgen?

‘Gelukkig niet. Het kan misschien raar klinken, maar ik heb nog nooit in mijn leven een nachtmerrie gehad en hoop dat zo te houden. Zo’n lijk heeft voor ons ook niets gruwelijks. Ik wil niet oneerbiedig klinken, maar we proberen het te zien als een object dat we zo goed mogelijk moeten onderzoeken. Voor de doden kunnen we toch niets meer doen, voor hen is het te laat. Wij werken voor de nabestaanden. Dat is ook het motto van DVI: Spreken met de doden, om de levenden te beschermen.’

Maar jullie brengen die ‘levenden’ wel altijd slecht nieuws?

‘Wij brengen zekerheid. Voor de nabestaanden is het heel belangrijk dat hun man, vrouw, zoon of dochter na een ramp geïdentificeerd wordt. Zoals het ook belangrijk is te weten wat er gebeurd is, en daarom moeten wij alle sporen zo goed mogelijk vrijwaren.’

‘Maar ik moet toegeven dat het contact met de nabestaanden mij soms moeilijker valt dan dat met de lichamen die we moeten onderzoeken. Tegenover die lijken kan je afstand inbouwen. In het contact met nabestaanden spelen er plots emoties mee. En ja, soms krijgen ook wij tranen in de ogen. We zijn ook maar mensen. Sterker zelfs: wie die emoties niet voelt, heeft bij ons geen plaats. Bij ons geen macho’s...’

...zegt de man die ook jarenlang aan het hoofd heeft gestaan van het undercover-team van de politie.

‘(lacht) Dat was een heel andere tijd, met heel ander werk. Undercoverwerk en operaties tegen drugsdealers is pure jacht- en visvangst. Als je daarmee bezig bent, krijg je een ongelooflijke adrenalinestoot. Maar laat ons eerlijk zijn: je verandert er de wereld niet mee. Voor elke opgepakte dealer staan er tientallen anderen klaar. Bij DVI had ik het gevoel meer te kunnen doen voor de mensen.’ Wie denkt dat jullie alleen maar lijken opgraven, heeft het dus verkeerd voor? ‘Ik vergelijk het wel eens met op restaurant gaan. Als je bij het aperitief een lekker, huisgemaakt hapje krijgt, dan begin je met een positief gevoel aan de maaltijd omdat je meer kreeg dan je verwachtte. Dat ietsje meer is belangrijk. Bij het DVI proberen we ook meer te bieden dan nabestaanden of het gerecht verwachten. Als nabestaanden het lichaam van hun man, vrouw of kind nog eens willen zien bijvoorbeeld, zelfs als het verschrikkelijk toegetakeld is. Samen met maatschappelijk assistenten en slachtofferhelpers van de lokale politie, zorgen we er dan voor dat die mensen het lichaam op een zo respectvol mogelijke manier kunnen zien. Twee leden van ons team hebben een opleiding gevolgd om toegetakelde gezichten weer toonbaar te maken. Ook een bloemetje of een kaars bij het opgebaarde lichaam maakt al een heel verschil. Daar moeten wij ook aandacht voor hebben. Dat is onze plicht, hoewel het strikt gezien ons werk niet is.’

Wat gaat u het meest missen nu u ermee stopt?

‘De samenwerking met het team, met andere politiemensen en met al die andere mensen uit verschillende disciplines: de wetsdokters, de tanddeskundigen, de civiele bescherming, de antropologen, de vrijwilligers van het Rode Kruis,... Maar ook het gevoel dat je permanent opgeroepen kan worden. Het besef dat er elk moment iets onverwachts kan gebeuren waarvoor ik dan moet uitrukken.’

Hebt u het nodig om nodig te zijn?

‘Neen, dat is het niet. Ik wéét dat ik niet onmisbaar ben. Het DVI-team kan best zonder mij, want het is enorm geëvolueerd. We zijn niet langer het groepje vrijwilligers dat aanvankelijk deeltijds bezig was met de identificatie van lichamen. Naast losse medewerkers bij rampen, hebben we nu ook een permanent team, dat heel gespecialiseerd is. We hebben een archeologe, een speleoloog, een duiker en een forensisch ecologe en cartografe. Allemaal bekwame mensen. En ook mijn opvolging is verzekerd. Met Tatiana Ivaneanu is mijn opvolging ook verzekerd. Zij zal mijn werk voortzetten en ze zal dat goed doen. Misschien zal ze zelfs meer kunnen bereiken dan ik. Ze is immers diplomatischer en sleurt niet het imago van vrijbuiter met zich mee.’

Want voor vrijbuiters is er geen plaats bij de politie?

‘(Aarzelt even) Laat ik het zo zeggen: ik krijg met mijn pensioen eindelijk de kans om mijn eigen baas te zijn. Ik zal alleen nog aan mezelf verantwoording moeten afleggen. Bij de politie was dat anders. Ik had bij de politie af en toe het gevoel dat ik tegengehouden werd. Als ze mij hadden laten doen, hadden we in België veel verder gestaan op vlak van wetenschappelijk gerechtelijk onderzoek. Maar binnen een organisatie als de politie stuit je, zoals binnen elke organisatie, altijd op regeltjes en hindernissen. Je moet de geijkte hiërarchische paden bewandelen. En soms zegt die baas ja, soms neen, soms ja maar. Daarvan ben ik nu verlost.’

Wat gaat u eigenlijk doen?

‘Samen met mijn vrouw, die gecertifieerd trainer in communicatie en een psychotherapeute is, ga ik vormingen geven in leiding geven. We zullen bedrijfsleiders technieken aanleren om met hun personeel te communiceren en hen te motiveren. Technieken in verband met team building, communicatie, omgaan met mensen. Tegenwoordig heeft iedereen de mond vol van management. Maar managers zijn nu te behoudend. We hebben hoge nood aan echte leiders, die mensen inspireren en boven zichzelf doen uitstijgen.’

Heeft de politie daar ook last van: te veel managers en te weinig leiders?

‘Ach, door die hele politiehervorming zijn veel politiemensen sowieso tot bureaucraten verworden. Ze zijn te weinig fier op wat ze doen en wie ze zijn. Ik mis passie. Overal willen ze premies voor, voor overuren bijvoorbeeld. Flauwekul is dat. Wie zijn job graag doet, heeft al die premies niet nodig.’

Ik zal eens iets zeggen waarmee ik mij niet populair zal maken: politiemensen worden momenteel beschamend goed betaald. We verdienen te veel, zeker in vergelijking met andere risicoberoepen. We zijn met z’n allen zo duur geworden dat te veel geld opgaat aan verloning. Er is amper nog geld over om de werking te verbeteren. Maar mensen motiveren, kan je niet met loon alleen. Dat zal ik ook tijdens mijn opleidingen vertellen.’

En ik die dacht dat u rustig olijven zou gaan telen.

‘Wie heeft dat verteld? Mijn vrouw en ik hebben in Umbrië in Italië inderdaad een olijfgaard gekocht, als huwelijkscadeau aan elkaar. We zullen die olijven daar zelf gaan plukken om er onze eigen olie van te persen. Maar ik ben nog te jong om alleen dat te doen. Die olijven groeien tenslotte vanzelf.’

Het verbaasde me ook al. U staat tenslotte bekend als een eeuwige zoeker. De leugendetector hebt u mee geïntroduceerd, de ondervraging onder hypnose ook.

‘En al in 1987 de Set Seksuele Agressie. Een idee dat ik in Canada heb ontdekt en dat nog altijd gebruikt word. Het is een pakket met enerzijds een handleiding voor politiemensen over hoe ze moeten omgaan met slachtoffers van seksuele misdrijven en anderzijds al het materiaal dat de wetsgeneesheer nodig heeft om forensische vaststellingen te doen. Sociaal en wetenschappelijk materiaal in een pakket verenigd. Maar ik ben geen uitvinder hé. Ik heb gewoon allerlei wetenschappelijk publicaties uitgeplozen op zoek naar nieuwe technieken die we konden gebruiken bij ons politiewerk.’

Hebben ze u nooit uitgelachen als u weer met zo’n vreemd idee kwam aandraven? ‘Vermoedelijk waren er velen die dachten: Waar komt hij nu weer mee af? En ja, ze zullen achter mijn rug ook wel gelachen hebben. Ik gun hen dat plezier. Lachen is gezond.’

Zoals toen u het idee lanceerde om mensen aan de hand van hun oren te identificeren.

‘Dat was geen loos idee. De universiteiten van Gent en Leuven ontwikkelen momenteel een computerprogramma om oren met elkaar te vergelijken. Want Het is mogelijk om slachtoffers te identificeren aan de hand van hun oren. We moeten gewoon het geduld leren hebben om dat soort technieken op punt te stellen. Nadien bewijzen ze vanzelf hun nut.’

Zijn er nog meer van dat soort vreemde projecten?

‘We onderzoeken of we alternatieven kunnen vinden voor de lijkenhonden. Die leveren goed werk bij het zoeken naar lichamen, maar ze hebben hun beperkingen. We zijn er intussen al in geslaagd om sluipwespen te conditioneren zodat ze reageren op de geur van een menselijk lichaam in ontbinding. In een kwartier zijn die dieren getraind. Het nadeel is wel dat ze maar een paar dagen leven. De faculteit Agronomische Wetenschappen van Gembloux probeert het gebruik van sluipwespen nu te optimaliseren.’

‘Ook met een kalkoengier, die snel een groot gebied kan afzoeken, loopt er zo’n project. En op aanraden van onze forensische duiker hebben we het ook eens geprobeerd met goudvissen. Zelfs dat lukte. De vissen kwamen na een tijdje af op een lijkgeur.’ Het departement Biologische Gedragswetenschappen van de universiteit van Luik probeert nu karpers te trainen.

‘Kijk, met lijken valt geen geld te verdienen. Anders zou er al lang een feilloze manier ontwikkeld zijn om lichamen te vinden. Maar nu is die er niet, en dus moeten we onszelf behelpen. Ook na mijn pensioen zal ik dat forensisch onderzoek trouwens blijven steunen, onder meer via de opbrengst van Als Doden een Gezicht Krijgen, het boek over DVI.’

Wat is trouwens dat mysterieuze Babe-project, dat genoemd zou zijn naar het varken uit de gelijknamige film?

‘Na de zaak-Dutroux hebben we op verschillende plekken in België kadavers van varkens begraven, om op die manier de ontbinding te kunnen bestuderen. We trainen op die varkens ook onze opgravingsmethodes. En we gaan na hoelang we de krengen kunnen vinden met de warmtecamera op een helikopter.’ ‘In de Verenigde Staten hebben ze een zogenaamde Body Farm, waar ze gelijkaardige onderzoeken doen op menselijke lichamen die aan de wetenschap geschonken zijn. Hier is zoiets onbespreekbaar. Vandaar: Babe.’

Maken al die Amerikaanse series, zoals CSI, Bones, The Mentalist, het niet gemakkelijker om uw ideeën aan de man te brengen?

‘Ze helpen wel, moet ik toegeven. Vooral omdat veel van die technieken echt bestaan en ook echt resultaten opleveren. Persoonlijk ben ik nogal een fan van de serie Lie to me, over een team dat micro-expressies bestudeert, zoals het knipperen van ogen of het samenknijpen van vuisten. Fascinerend én echt. In 1999 heb ik al een dergelijke prof naar België gehaald die hier uitlegde wat nu op televisie te zien is. Jammer genoeg is dat hier niet van de grond geraakt. We staan nog te weinig open voor zulke vernieuwingen.’

Als u nu onmiddellijk een aantal nieuwe technieken zou mogen invoeren, welke zou u dan kiezen?

‘Ik zou onmiddellijk de vingerafdrukken van alle Belgen laten registreren. Dat zou de identificatie van slachtoffers flink versnellen. En ik zou alle ondervragingen laten opnemen op video, zodat we ze door allerlei experts kunnen laten bestuderen. Alleen zijn veel agenten daar absoluut tegen. Het zou een veel professionelere aanpak vereisen. Nu zijn er geen getuigen bij zo’n verhoor. Niemand die hoort wat ze zeggen. Niemand die het ziet als ze een verdachte een klap geven, mocht dat nog gebeuren. Als alles opgenomen wordt, dan mogen de ondervragers geen fouten meer maken.’

Tot slot: mag ik u nog veel vrolijkheid wensen in de rest van uw leven, na een carrière tussen de doden.

‘Bedankt. Maar je hebt het verkeerd voor. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik met de dood bezig was. Het leven heeft altijd centraal gestaan. Het leven van diegenen die achterbleven.’