41 (edited by Pat 28-08-2012 11:27)

Klopt helemaal, staat in Nederlands' Maffia (1985). Mitric blijkt gewoon gelijk te hebben. Hij zegt ook later dat Koos lid was van de IDB (Inlichtingen Dienst Buitenland) daar viel dus de Nederlandse Gladio onder.

42

De zweedse connectie

In 1976 beschuldigde Elseviers-Weekbladredacteur Rene de Bok de politici Bram van der Lek en Han Lammers van KGB-connecties. Slepende processen volgden, maar de bron bleef onbekend. Nu spreekt De Bok. Over de duistere wegen van Carl Magnus Torsten Armfelt.

Op 24 april 1976 verscheen in Elsevier Magazine een artikel van redacteur Rene de Bok dat een cause celebre zou worden in de Nederlandse journalistiek. Onder de kop 'KGB drong door in Tweede Kamer' viel te lezen: 'Elsevier beschikt over een lijst met namen van min of meer vooraanstaande Nederlanders van wie volgens een functionaris van de Amerikaanse geheime dienst met volstrekte zekerheid mag worden aangenomen dat ze in Nederland als KGB-agenten opereren.

Zij hebben, aldus dezelfde bron, meermalen geheime KGB-bijeenkomsten in Oosteuropese landen bezocht. Op die lijst bevinden zich een PvdA-lid uit de Amsterdamse gemeenteraad, een Tweede-Kamerlid van een andere progressieve partij, twee voormalige studentenleiders, een vrouwelijk lid van een communistische jeugdorganisatie en twee hoogleraren uit Utrecht en Leiden.'

Op 6 mei onthulden De Stem en De Limburger, de namen van het gemeenteraadslid en de progressieve parlementarier. Het waren PvdA'er Han Lammers en de PSP'er Bram van der Lek. De Roermondse journalist Nico Bergkamp van De Limburger zou deze kennis hebben van een plaatsgenoot, Elseviers-Magazineredacteur Pierre Huyskens.

Meer » Gladio Nederland

43

Recentelijk verschenen: een scriptie van een voormalige lid van de Nederlandse variant van Gladio. Hier te downloaden » igitur-archive.library.uu.nl

44

Uit de scriptie waarnaar hierboven een link staat, haal ik volgende - interessante - info over de wapenopslagplaatsen van het Nederlandse stay-behind-netwerk:

Er is al vermeld dat de agenten thuis over een eigen uitrusting beschikten, die zij zelf beheerden. Er waren ook centrale voorraden aangelegd. In een brief van 10 juli 1952 van de leiding van de organisatie aan de Luitenant Generaal B.R.P.F. Hasselman, chef van de Generale staf, wordt gemeld:

"Belangrijke proeven zijn gehouden om een methode te vinden om het materiaal dat in oorlogstijd nodig is, reeds in vredestijd op te bergen zonder dat dit materiaal tijdens een eventuele langdurige bewaring door de inwerking van vocht zou bederven. Het vinden van 21 plaatsen die zó zijn gelegen dat men er menselijkerwijze ook tijdens een bezetting ongemerkt bij kan, het ingraven van deze bergplaatsen gedurende de nachtelijke uren, het voorkomen van ontdekking zowel tijdens de graafwerkzaamheden als daarna, vereist een techniek en een vindingrijkheid waarmee jaren gemoeid zijn."

Engelen stelt in zijn rapport vast dat er in 1988 al 39 geheime bergplaatsen, caches genoemd waren voorbereid. Deze bergplaatsen bevatten wapens, sabotagemateriaal, gecodeerde gegevens, verbindingsapparatuur en zendplannen. Daarnaast waren er nog 15 geheime bergplaatsen waar waardemiddelen lagen opgeslagen, contanten, gouden munten en edelstenen. Voor 1980 vond het aanleggen van deze caches plaats door eigen medewerkers van de staf. Een zeer zwaar nachtelijk werk, bij voorkeur onder slechte weersomstandigheden wanneer de kans op pottenkijkers klein was. Een en ander trok een zware wissel op de mensen. Gaten graven, met containers slepen en daarna de boel weer camoufleren was een titanenklus. De auteur van deze scriptie heeft dit uit eigen ervaring vastgesteld. Sommige agenten werden na hun voltooide opleiding nog enkele maanden geschoold in het beheer van zo'n geheime bergplaats.

In 1966 werd een wapenvondst gedaan in de Wieringermeerpolder, de vinder was een gepensioneerde wachtmeester van de rijkspolitie. De wapenvondst werd afgedaan als zijnde wapens uit de Tweede Wereldoorlog. In 1966 had dat geen hoge attentiewaarde, de pers besteedde er nauwelijks aandacht aan.

In 1980 vond er weer een incident plaats waardoor er tijdelijk aandacht in de pers en de politiek ontstond voor een mogelijke ondergrondse organisatie. Het bestaan van een wapendepot kwam in april 1980 aan het licht toen bij het Limburgse Heijthuisen mensen met een metaaldetector op een bergplaats stuitten. De plaatselijke rijkspolitie wilde doen geloven dat het een ’rommeltje uit de Tweede Wereldoorlog was. De Limburger Maas en Roerbode meldde dinsdag 8 april 1980:

"Kisten vol wapens gevonden. Volgens de eerste gegevens zou het gaan om kisten vol mitrailleurs, geweren, granaten en grote hoeveelheden munitie. Volgens de rijkspolitie afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog."

De truc welke in 1966 werkte ging deze keer niet op. Jan de Klerk, redacteur van Het Limburgs Dagblad, liet zich niet met een kluitje in het riet sturen. De Klerk bleef doorvragen, door de Rijkspolitie werd hij naar de officier van justitie verwezen, vandaar naar het ministerie van Justitie en vervolgens via Binnenlandse Zaken naar het ministerie van Defensie. Hem werd afgeraden nog verder te zoeken, in verband met de veiligheid van de staat zouden er toch geen mededelingen meer volgen. Voor De Klerk was de zaak niet afgedaan. Landelijke dagbladen zoals Vrij Nederland en de Volkskrant plaatsten op 21 juni artikelen over de wapenvondst. In de Tweede Kamer werden door het PSP-Kamerlid F. van der Spek vragen gesteld. Minister Scholten van Defensie wilde nergens op antwoorden, hij beriep zich op artikel 68 van de Grondwet.

Van der Spek heeft bij het Amerikaanse congres nagevraagd of daar bekend was waar de in Nederland gevonden kisten met wapens en onderhoudsmaterialen mogelijk vandaan kwamen. Hij wilde weten of de geheime dienst CIA er iets mee te maken had. Een bevredigend antwoord heeft hij niet gekregen.

In de herfst van 1983 vonden gravende schooljongens bij Rheden opnieuw een wapenopslagplaats. De pers maakte er melding van en opnieuw was er ophef en publiciteit. Volgens burgemeester H.V. van Walsum waren het wapens van de Nederlandse staat. Van der Spek vroeg de regering op 21 september 1983 schriftelijk om opheldering. De vicevoorzitter van de vaste Kamercommissie voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (de commissie stiekem) Van den Bergh (PvdA) hoopte dat minister De Ruiter zich niet weer achter artikel 68 van de grondwet ging verschuilen.

De (beknopte) rapportage van die commissie over deze periode is inmiddels openbaar. Het verslag op 6 maart 1985 gaat over de voorgaande periode van bijna vijf jaar, het beslaat zeven pagina's met weinig tekst. In het verslag wordt uiteraard de BVD besproken. In één alinea wordt aandacht besteed aan de Inlichtingendienst Buitenland, waarachter de stay-behind zich verstopte, over de geheime organisatie wordt niets vermeld. Publiekelijk werden er vragen gesteld. Het dagblad Het Parool kopte op 13 april 1985 op pagina twee. 'Onvoldoende zicht op de speurders De Ruiter.' In het artikel wordt vastgesteld dat de commissie in vijf jaar "geen nieuws heeft gehoord, niets belangwekkends heeft meegemaakt en niets van belang heeft opgespoord. Dat komt omdat deze commissie, gemeten naar de normen van parlementaire controle, de minst actieve en de minst mededeelzame van de Kamer is, niet van zichzelf geneigd het de regering lastig te maken, niet van zichzelf geneigd achter de feiten aan te jagen en wel het minst geneigd veel bijeen te komen."

De commissieleden uit 1983, Den Uyl, De Vries, Nijpels en Engwirda konden dit in hun zak steken. Deskundigheid op het gebied van geheime diensten zal bij deze politici niet aanwezig zijn geweest. De commissieleden waren echter geen mensen die zich gemakkelijk met een kluitje in het riet lieten sturen.

Het probleem was de tegenstelling tussen geheim en openheid met de bijbehorende verantwoording. De enkele Kamerleden die wel interesse toonden werden door de minister vrolijk afgescheept. Het PPR- Kamerlid Lankhorst verklaarde "We worden van het kastje naar de muur gestuurd." De minister kon langzamerhand niet alles meer in de doofpot stoppen. De Ruiter verklaarde ondermeer:

"Onder verantwoordelijkheid van de minister van Defensie zijn op een paar plaatsen in Nederland wapens opgeslagen met het doel deze zo nodig te gebruiken in een bepaalde fase van een eventuele oorlog. Deze wijze van opslag wordt thans beëindigd."

Het was nu wel duidelijk dat de ondergrondse onbewaakte caches een groot risico vormden. In 1984 werd besloten het cacheren "uit te besteden" aan geheime specialisten van de Koninklijke Marechaussee. De caches voor sabotagemateriaal, dus met wapens en explosieven waren voorbereid maar zij zouden pas bij oorlogsdreiging worden gevuld.

In een zeer geheime brief van de minister van Defensie aan de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, gedateerd 25 april 1984, geeft de minister opdracht om ten eerste: overleg te voeren met een gedelegeerde van de organisatie over de aard en de behoefte aan sabotagemateriaal, wapens en munitie. Ten tweede: een plan voor te bereiden voor het cacheren in vredestijd van sabotagemateriaal, wapens en munitie. In geval van dreigend oorlogsgevaar moesten de caches worden gevuld. Ten derde: in geval van een dreigende oorlogssituatie vijftig man gedurende een week ter beschikking te stellen voor het daadwerkelijk cacheren van het materiaal. Als de dreiging over zou zijn, moesten de caches onmiddellijk weer worden ontruimd. Meer mensen waren zo bij de voorbereiding van stay-behind betrokken.

Na korte tijd verdween de aandacht van de pers voor "geheime wapenvondsten", een link naar stay-behind werd niet gelegd. In 1989 viel de Berlijnse muur, de dreiging uit het Oosten was voor velen niet langer reëel.

Rond 1990 bestond er nog een professionele en efficiënte geheime organisatie. In 1992 werd besloten om de Nederlandse stay-behind-organisatie op te heffen. Het is bijzonder dat in alle jaren van het bestaan van de organisatie en ook nog jaren erna alle betrokkenen loyaal hun mond hebben gehouden. Dick Engelen schrijft in zijn artikel 'Lessons learned':

"Men kan bewondering hebben voor de veldmedewerkers, de tientallen mannen en vrouwen die - soms jarenlang - belangeloos hun tijd en energie daartoe hebben ingezet. Bewondering ook voor het feit dat men, staven en veldmedewerkers, in staat is geweest de organisatie zo lang geheim te houden.".

Bron: Een geheime organisatie in beeld (scriptie) | Herman Schoemaker

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

45

En over de pas die de Nederlandse stay-behind-agenten kregen:

De stafmedewerkers reisden over grote afstanden door heel Nederland naar bijeenkomsten met collega's of agenten, vaak met oefenmateriaal en uitrusting, per openbaar vervoer of bij nacht en ontij met eigen vervoer. Voor eventuele rugdekking bij calamiteiten, bijvoorbeeld een aanrijding of een politiecontrole, beschikte de medewerker over een speciale pas met pasfoto, "de groene pas".

Koninklijke Marechaussee, Rijks- en Gemeente Politie werd opgedragen 'hem/haar bij de uitoefening van zijn taak ongemoeid te laten en desgevraagd bij te staan.' Was getekend door De Chef van de Landmachtstaf tevens Bevelhebber en de Secretaris-generaal namens de Minister van Justitie.

De pas werd nooit gepubliceerd, bij eventueel gebruik kon de betrokken autoriteit een nummer in Den Haag bellen. Wanneer dit een medewerker bij gebruik van zijn eigen auto of via andere koppeling aan zijn echte identiteit zou overkomen was hij/zij natuurlijk "aangebrand". Het is in al die jaren niet voorgekomen dat een medewerker om die reden moest afhaken.

Bron: Een geheime organisatie in beeld (scriptie) | Herman Schoemaker

Dit doet een beetje denken aan het verhaal van Eric Lammers over de lidkaarten van WNP.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

Hierbij een getuigenis van een gewezen Nederlandse Gladio medewerker » detielenaar.nl

Ook hij heeft het over schaduwoefeningen, schietoefeningen en een kaart dat gebruikt zou worden om hem uit een politiecel te krijgen. Net hetzelfde dus als bij de WNP.

Soms reden we naar een schietbaan (waarschijnlijk) ergens op de Veluwe. "Hoeveel verzetsmensen moet het gespeten hebben dat ze geen vuurwapen hadden toen de Moffen onder aan de trap stonden om hen te arresteren - te folteren wellicht en uiteindelijk toch te fussileren ?!". Ik leerde dus schieten. Liefst vanuit de heup met het wapen nog in de broekzak. Daarvoor trok ik vaak in de bus al een voor mij meegebrachte oude broek aan. Enkele malen kwam ik in een militaire "sportschool" terecht voor gevechtstraining of in een vertrek waarin ik verhoord heette worden en tijdens een rustige treinreis kwam er wel eens iemand tegenover me zitten waarvan ik gevoel kreeg dat ik verleid moest worden.

Er werd veel aandacht besteed aan het volgen en overbrengen van berichten waarbij de zogenaamde DLB (death letter box) een grote rol speelde. Praktijkoefeningen in het volgen en vervolgers van je afschudden werden steevast (voor mij althans) in Amsterdam gehouden. Daarbij waren "overtredingen" als door rood licht lopen, een damestoilet in duiken etc. toegestaan zolang daarmee niemand geschaad werd. Voor het geval dat ik in een politiecel zou terechtkomen had mijn instructeur een kaart, die hij slechts hoefde te tonen om van mij weer een vrij man te maken.

Ik kreeg lessen in het coderen en decoderen, maar de hoofdmoot bestond voor mij toch wel in lessen over psychologische oorlogsvoering, misleiden van het gezag, politiek, historie en cultuurfilosofie.  (...)

47

Is er nog nieuws over deze zaak?

De zweedse connectie

In 1976 beschuldigde Elseviers-Weekbladredacteur Rene de Bok de politici Bram van der Lek en Han Lammers van KGB-connecties. Slepende processen volgden, maar de bron bleef onbekend. Nu spreekt De Bok. Over de duistere wegen van Carl Magnus Torsten Armfelt.

Lees hier het hele artikel » Daders

Niets is wat het lijkt.

'Kloosters zijn vaak depot voor inlichtingendiensten'

"Kloosters zijn vaak als onderdak gebruikt door inlichtingendiensten om er tijdelijk geheim agenten onder te brengen. Via aalmoezeniers of oversten is er ook informatie bij inlichtingendiensten terecht gekomen. Zo was er een overste Belpair, die over unieke bronnen beschikte en ons veel informatie heeft verstrekt over immigranten uit Oost-Europa. Die contacten zijn al in de Tweede Wereldoorlog ontstaan."

De voormalige Belgische inlichtingenofficier André Moyen in Brussel, die naar eigen zeggen tientallen jaren als spion heeft gewerkt en goed van de activiteiten van de Gladio-organisatie op de hoogte zegt te zijn, sluit niet uit dat het klooster van de redemptoristen in het Belgische Essen hand- en spandiensten aan Gladio heeft verleend. "Andere kloosters, zoals die in Chimay, deden dat ook. In sommige ordes is het gebruik dat er of helemaal niet wordt gesproken of dat op bepaalde tijden een monnik aanspreekbaar is. Als geheime dienst kun je niet beter treffen."

Een voormalige Gladio-topman maakte bekend dat in een voormalige ijskelder van het klooster jarenlang een partij wapens en springstof is verborgen door Gladio. In april 1992 is het oorlogstuig door twee Gladio-agenten weggehaald. "De leiding van het klooster was van het bestaan van die bergplaats op de hoogte", zegt de voormalige Gladio-topman. Hij rept over innige contacten tussen de rooms-katholieke kerk en de inlichtingendienst.

Moyen zegt over informatie te beschikken dat Nederlandse Gladio-agenten nog immer actief zijn in Brabant, met name in het grensgebied tussen Eindhoven en Hasselt. Ook kunnen ze nog beschikken over geheime bergplaatsen op Belgisch grondgebied. Hij acht het uitgesloten dat de Belgische Gladio-tak nog actief is in zijn land. "Dat zou ik zeker geweten hebben. Begin 1990 is de organisatie in mijn land ontbonden en zijn de bergplaatsen met wapens en munitie ontmanteld, op twee na die ónder het beton van een snelweg terecht zijn gekomen."

De SP heeft gisteren opheldering gevraagd aan de minister Sorgdrager van justitie en minister Dijkstal van binnenlandse zaken over de suggestie van een Gladio-topman, dat Gladio-agenten honderden kilo's springstof verkocht zouden hebben aan de IRA en de ETA. Ook wil de SP weten of het ministerie van justitie misdrijven van agenten in de doofpot heeft gestopt.

Gladio was, of is, een ultrageheim netwerk, dat na de Tweede Wereldoorlog op initiatief van de Amerikanen in alle West-Europese landen is opgericht om een eventuele Russische bezetting te saboteren. Ex-premier Lubbers heeft de Nederlandse tak in 1992 officieel opgeheven, toen duidelijk was dat vanuit het Oosten niets meer te vrezen viel.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden | 13 september 1994

Gladio groeit uit tot 'grootste schandaal in Navo-historie - Regering België bevestigt contact tussen groepen

"Het grootste schandaal uit de geschiedenis van de Navo," zo noemde een woordvoerder van de Duitse SPD de Gladio-affaire deze week. Nederlandse politici, met uitzondering van die van Groen Links, drukken zich vooralsnog veel gematigder uit, maar over de Nederlandse Gladio-tak zijn dan ook nog niet zulke pijnlijke details bekend geworden als over met name de Italiaanse, Duitse en Belgische afdelingen.

Het eerste tipje van de sluier over Gladio werd opgelicht in Italië. Parlementariërs hadden op Sardinië een basis ontdekt, waar sabotagetechnieken kunnen worden geoefend. Bovendien werd bekend dat het geheime commando mogelijk bij rechts-extremistische aanslagen betrokken is geweest. Vervolgens bleken alle Navo-landen, maar ook onder meer Turkije en Scandinavische landen, supergeheime diensten te hebben, opgericht aan het begin van de Koude Oorlog. Deze hadden de taak gekregen ten tijde van een communistische bezetting gewapend verzet te bieden en vitale communicatielijnen open te houden. De commando's zouden worden gefinancierd door de CIA, en bewapend door de Navo. De Westduitse tak werd 'Het Zwaard' genoemd, de Belgische SDRA-8 of 'Glaive'.

De Nederlandse organisatie bestaat uit zowel burgers als militairen, aldus premier Lubbers in een brief aan de Tweede Kamer, en heeft mede tot taak de regering in ballingschap tijdens een bezetting van informatie te voorzien. Volgens Lubbers opereert de geheime dienst echter volstrekt zelfstandig, zonder Navotoezicht, en zonder contact met overige commando's. De naam van het Nederlandse commando is vrijwel zeker 'O. en I.', wat vermoedelijk Operaties en Inlichtingen' betekent, en komt op geen enkele begroting voor.

De Belgische regering, die SDRA-8 zo snel mogelijk wil opheffen, maakte gisteren bekend dat er wel degelijk contact bestond tussen de diverse commando's. Het coördinerende comité zou in oktober nog bijeen gekomen zijn in Brussel.

"Dergelijke verbindingen hebben altijd bestaan," zegt André Moyen, voormalig lid van de Belgische militaire geheime dienst SDRA. "In de beginjaren werden de contacten tussen het Nederlandse commando en SDRA-8 onderhouden door iemand van de Nederlandse ambassade in Brussel. Dat was een goede vriend van mij. Het hoorde niet tot zijn gewone werk, dat deed hij er in stilte bij. Hij had overal uitstekende contacten, onder meer bij de recherche van de marechaussee," aldus Moyen.

De voormalige agent wordt in België als een betrouwbare bron gezien, maar niet uitgesloten wordt dat hij door SDRA is gestuurd om selectief informatie te verstrekken: flink de nadruk leggen op de Koude Oorlog, en zo de aandacht afleiden van mogelijke betrokkenheid bij terroristische aanslagen waarvan ook in Italië sprake is. 'Het Zwaard' in Duitsland zou zelfs voor een groot deel hebben bestaan uit oud-SS'ers.

In zijn brief aan de Kamer ontkent Lubbers dat 'O. en I.' zou zijn toegerust voor sabotage. Begin jaren tachtig echter werden in Limburg en Gelderland bij toeval geheime wapenopslagplaatsen gevonden, waarvan de toenmalige minister van defensie De Ruiter toegaf dat die "voor bepaalde fases in de oorlogsvoering' bestemd waren.

Bron: Het Parool | 15 november 1990