Topic: Julien Decock
Julien Decock is een gewezen paracommando en hij is lid geweest van het Front de la Jeunesse. Hij was onder andere bevriend met Jean Bougerol en Gaston Dossogne. Hij was bekend als een wapentrafikant. Hij verkocht uit legerkazernes gestolen wapens aan Franse criminelen.
In 1972 werd hij door de Krijsraad veroordeeld wegens het martelen van soldaten tijdens NAVO-manoeuvres :
Tijdens NAVO-manoeuvres van 22 tot 27 november 1971 in de buurt van Robertville martelden zes Belgische paracommando’s zogenoemde “krijgsgevangenen” in een schuur die als commandopost diende. De slachtoffers werden gebonden, opgehangen aan balken, geslagen, met sneeuw ingewreven en onderworpen aan elektrische schokken via een veldtelefoon.
Julien Decock, eerste sergeant, speelde daarbij een centrale en actieve rol: volgens meerdere getuigen bond hij gevangenen vast, hielp hen ophangen aan een balk en plaatste de draden van de veldtelefoon tegen hun keel of halsslagader om stroomstoten toe te dienen.
Getuige Willy Denutte verklaarde dat Decock daarbij zei: “Ik heb Korea meegemaakt, ik weet wel hoe ik krijgsgevangenen aan de praat moet krijgen.” Decock ontkende de zwaarste beschuldigingen of minimaliseerde ze, maar verschillende getuigen bevestigden zijn betrokkenheid. Voor de krijgsraad van Luik werd hij uiteindelijk veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met uitstel (voorwaardelijk voor drie jaar); samen met de andere veroordeelden moest hij bovendien een symbolische schadevergoeding van 1 frank betalen aan een burgerlijke partij.
Para’s martelden “krijgsgevangenen” tijdens manoeuvres
Vermoedelijk kreeg majoor Blondiau in zijn hele loopbaan als voorzitter van de krijgsraad te Luik zelden een moeilijker zaak op te lossen als die welke hem thans werd voorgelegd. Zelden ook kreeg krijgsauditeur Baiwir een delicater zaak voor de krijgsraad te behandelen. En zelden ook was de burgerlijke rechter Laurent sprakelozer tijdens een militair proces dan bij de beestachtige zaak die de krijgsraad deze keer onder handen kreeg. Het verhaal kan kort zijn: zes Belgische paracommando's - elitekorps van onze strijdkrachten - presteerden het om tijdens manoeuvres, uitgevoerd van 22 tot 27 november 1971 in de buurt van Robertville, enkele zogenaamde “krijgsgevangenen” te martelen op een schrikwekkende wijze.
De feiten : luitenant Luc Morel (30) uit Koksijde, eerste-sergeant Julien Decock (27) uit Luinge, sergeant Patrick Martinus (25) uit Lombardsijde, korporaal Freddy Morlion (23) uit Nieuwpoort, korporaal Gaston Dujardin (32) uit Moeskroen en korporaal Jean-Louis Beauduin (22) uit Bergen opereerden tijdens de oefeningen in nauwe samenwerking met Britse, Amerikaanse, Nederlandse en andere Belgische eenheden tijdens de NAVO-oefeningen.
Op het programma stond duidelijk dat eventuele ”krijgsgevangenen” dienden te worden overgebracht naar het kamp van Elsenborn. Aangezien de weersomstandigheden echter uitzonderlijk slecht waren, kwam er een tegenorder: elke eenheid die “gevangenen maakte” diende die naar de commandopost over te brengen. Daar zouden zij dan worden ondervraagd. Dat alles - zo stond ook duidelijk in de instructies - gebeurde op een vriendschappelijke basis. Het waren immers maar oefeningen.
Als dieren
De 15e compagnie van de para's installeerde het hoofdkwartier in een oude boerderij te Robertville. En toen men een paar “krijgsgevangenen” had gemaakt, begon het. De eerste gevangenen, die in de commandopost werden binnengebracht, werden aan handen en voeten gebonden, als dieren naar een hogere verdieping gehesen en daar hard op het beton neergesmeten. Een tweede ploeg gevangenen, onder wie luitenant Deldael, werd nog harder aangepakt. Eén van de “krijgsgevangenen” viel verscheidene malen flauw, waarop de man enkele aspirinetabletten in de mond geduwd kreeg. Voor de paracommando's was dat voor de patiënt voldoende.
Hard was men vooral tegenover luitenant Deldael, die enkele bezwarende papieren op zich droeg. De man kreeg door de para's enkele elektrische schokken door het lichaam gejongd. Daarna zette men een lege emmer omgekeerd op zijn hoofd, waarna een paracommando gedurende een half uur op de emmer bleef trommelen. Tenslotte werd de half bewusteloze luitenant uitgekleed, de sneeuw ingejaagd en daarna nog eens voorzien van meerdere elektrische schokken. Na al die belevenissen werden de “gevangenen” naar Elsenborn overgebracht.
Op 23 november maakten de para’s nog enkele kriigsgevangenen tijdens de vriendschappelijke oefeningen. Die worden op een even beestachtige manier behandeld. Aan de martelgang van de gevangenen kwam pas een einde, toen een majoor op de hoogte werd gebracht van wat er allemaal gebeurde in de commandopost, en ingreep.
Voor de krijgsraad van Luik kwamen de para's nauwelijks uit hun woorden. “Ik liet mijn jongens hun gang gaan”, hakkelde luitenant Morel. “Ik dacht dat het er allemaal bij hoorde.”
Eerste sergeant Decock: “Ik meende dat ik het zo moest doen. Het was de enige methode om de nodige inlichtingen uit de gevangenen los te krijgen.”
Sergeant Martinus: “Nee, tijdens de training in het kamp doen we zoiets niet. Maar ik vond wel, dat die elektrische schokken erbij hoorden. Ik zag er niets abnormaals in.”
De rest van de getuigenissen van de para's was ongeveer in dezelfde toon. Zij konden nauwelijks anders, aangezien een twaalftal getuigen - walgend van wat zij gezien hadden tijdens die vriendschappelijke oefeningen - voor de krijgsraad kwamen vertellen wat er allemaal gebeurd was.
Vandaag worden nog eens tien getuigen gehoord. De uitspraak werd vastgesteld op 30 oktober.
Bron: De Standaard | 25 Oktober 1972
Manoeuvres voor Krijgsraad te Luik: “Ik heb Korea meegemaakt”
“Als de ambiance eenmaal goed op dreef is wordt er wel eens overdreven in het spel, maar ten slotte ben ik er niet van gestorven”, lachte Pierre De Vleeschouwer (29) uit Leopoldsburg, die gisteren voor de Krijgsraad van Luik als getuige gehoord werd in de zaak van de folteringen die paracommando's tijdens overlevingsoefeningen in een schuur bij Robertville aan hun kameraden toebrachten in de nacht van 22 op 23 november 1971. Maar die uitspraak stond wel schril in tegenspraak tot de formele beschuldigingen die andere slachtofférs volhielden.
Luitenant De Vleeschouwer gaf kalm toe dat hij aan handen en voeten gebonden een emmer koud water in het gezicht kreeg. Bedoeling van deze handelwijze was van de “krijgsgevangenen” enkele inlichtingen over het verloop van de operatie los te krijgen. Toen de gebonden luitenant een meer comfortabele positie wou innemen kreeg hij stampen tegen zijn knie.
Kwam dan Luc Cops (21) uit Alken ten tonele, een blond rosse jongen met blauwe ogen en open roze hemd. Hij kijkt een beetje timide naar de militaire rechters die zoveel decoraties dragen. Ook hij werd in de fameuze schuur aan handen en voeten gebonden op zolder gelegd. Iemand kwam hem met een zaklamp belichten en dan kreeg hij slagen in het aangezicht.
- Deed dat pijn, vroeg de voorzitter Blondiau.
- Miin oren gloeiden ervan, antwoordde Cops.
- Hoorde je beneden iemand roepen?
- Meer dan dat, het was werkelijk kermen.
Bij het vooronderzoek vertelde Cops dat hij achteraf tevreden was over de manoeuvres. De advocaat van de verdediging wil hem doen toegeven dat de folternacht een essentieel onderdeel van dergelijke manoeuvres is. “Dat hoort er niet bij”, zegt Cops, na een steekspel tussen de advocaat en auditeur Baiwir, een zeer gladgeschoren man.
Derde getuige is Jacobus Soors, een jongen met een schuchter ringbaardje. Toen hij gebonden lag hoorde hij beneden roepen “Laat me los” en “Ge doet me pijn”.
Simon Leppens is een blozende knaap met lang wit haar. “Gebonden en geblinddoekt hebben ze mij naar de zolder getrokken”, verklaart hij. “Ze smeten mij op de grond alsof ik een voddepop was. Toen hoorde ik beneden luitenant Deldaele roepen en tieren dat ze van hem moesten afblijven.” Leppens heeft ook gezien hoe een para twee keer met de voet op het gezicht van een gebonden soldaat stampte. “En daarna hebben ze de jongen nog in de rug geschopt.”
Aan de balk
Voor enige sensatie zorgt sergeant Willy Denutte uit Leopoldsburg. “Als ik in de schuur kwam heeft luitenant Morel, toen nog onderluitenant, mij ondervraagd over de oefeningen. Ik gaf alleen mijn identiteit. Zij hebben mij afgetast en vastgebonden aan een horizontale balk.”
Denutte wijst met uitgestoken arm naar luitenant Morel en eerste sergeant Julien Decock. “Eerst bonden zij mijn handen op de rug, dan werden ook mijn polsen geboeid. Ik moest voor een balk gaan zitten en mijn handen werden daaraan vastgemaakt, en mijn voeten samengebonden. Daarna werden mijn voeten aan mijn handen gebonden zodat ik nog alleen met mijn knieën de grond kon raken. Willy Denutte zegt het zonder enige passie.
De advocaat van de verdediging begint stilzwijgend te klapwieken. “Ik had toen al een dag door de sneeuw gelopen. Hoe lang ik daar gebonden aan die balk hing weet ik niet meer. Vlak voor ons gingen de bewakers sardientjes eten. Wij kregen niets.”
Het wordt zeer stil in de rechtszaal als Denutte verklaart hoe sergeant Decock twee draden van de veldtelefoon tegen zijn halsslagader zette - met twee vingers wijst hij onder de linker wang - “en toen hebben ze verscheidene keren stroom door mijn keel gejaagd.”
Sergeant Decock springt recht om dat vurig te loochenen, maar Denutte bevestigt dat verhaal met evenveel overtuiging. Die nacht hoorde Denutte Decock ook nog roepen: “Ik heb Korea meegemaakt, ik weet wel hoe ik krijgsgevangenen aan de praat moet krijgen.”
Toen Denutte zich trachtte op te richten werd hij bij de haren getrokken en kreeg hij een stamp tegen zijn dijen. Daarna werd een buis van dertig à veertig centimeter doorsnee over zijn hoofd geduwd en met metaal werd daarop geklopt. Tot hij het niet meer kon uithouden van de pijn en inlichtingen wou geven. Dan heeft men nog op zijn bil geslagen om de spierpijn weg te werken. Een soort heil-massage dus.
Denutte houdt ook vol dat de zwengel van de veldtelefoon die de elektrische stroom door zijn keel moest jagen, door soldaat Baudouin bediend werd en dat tezelfdertijd sergeant Martinus op een buis klopte die over het hoofd van Laeremans geschoven was.
Ingewreven met sneeuw
Jozef Laeremans is een zeer beschaafde onderwijzer uit Heist-op-den-Berg. Hij is 22 en draagt een zwart baardje. Zijn “ondervraging” duurde twee uur.
Het scenario in de rechtszaal wordt nu een beetje eentonig: gebonden, geblinddoekt, aan balk opgehangen, tot Jozef Laeremans affirmeert: “Toen hebben ze mijn hemd uitgetrokken en mijn buik met ijskoude sneeuw ingewreven. Ik had die nacht een zweer op mijn kin. Die heeft men opengemaakt door aan mijn baard te trekken. Dat is het pijnlijkste dat ik ooit heb meegemaakt. Daarna heeft men nog tegen mijn geslachtsdelen gestampt.”
Ook Laeremans kreeg elektrische stroom door zijn lichaam, niet alleen op zijn keel maar ook op zijn borst. Opnieuw ontkent sergeant Decock deze beschuldigingen. Decock negeert alles met zo weinig mogelijk woorden, en vanonder zijn martiale snor waarvan de punten als in een tekenverhaal naar beneden flodderen.
In de late avond werden nog enkele officieren gehoord die bij de overlevingsoefeningen betrokken waren. De uitspraak wordt maandag verwacht.
Bron: De Standaard | 26 Oktober 1972
Folterende militairen door krijgsraad gestraft
Bepaald geen zware straffen sprak de krijgsraad te Luik, onder voorzitterschap van majoor Blondiaux, uit tegen zes militairen die ervan beschuldigd werden andere Belgische militairen tijdens internationale manoeuvres in november 1971 te Spa te hebben “gefolterd”.
Luitenant Morel (30) uit Koksijde kreeg 5 maanden gevangenisstraf, 1e sergeant Julien Decock (27) uit Luigne 4 maanden, sergeant Patrick Martinus (25) uit Lombardsijde 3 maanden, korporaal Freddy Moloon (23) uit Nieuwpoort 1 maand, korporaal Gaston Dejardin (32) uit Moeskroen 16 dagen, korporaal Jean-Louis Beaudiun (21) uit Bergen 16 dagen.
Alle straffen zijn voorwaardelijk voor een periode van 3 jaar, want - zo motiveerde het vonnis - de beschuldigen hebben goede antecedenten en liepen nog geen veroordelingen op.
Een van de slachtoffers had zich burgerlijke partij gesteld, zijn aanvraag werd ontvankelijk verklaard. Omdat de betrokkene echter weinig geweldpleging had ondergaan, besloot de krijgsraad hem een symbolische schadevergoeding toe te kennen. De. zes veroordeelden moeten bijgevolg samen 1 fr. schadevergoeding betalen.
Het vonnis was uitvoerig gemotiveerd en stelde o.m. dat de zes militairen geen andere bedoeling hebben gehad dan hun gevangenen kwaad te berokkenen.
Bron: De Standaard | 21 November 1972