Re: Freddy Troch
Over de overheveling van het dossier van Dendermonde naar Charleroi en het einde van Trochs mandaat als onderzoeksrechter doen veel mythes de ronde.
Over de overheveling staat in het topic Mythevorming een uitgebreide analyse. Over de stopzetting van Trochs mandaat kan je hieronder een analyse lezen:
Freddy Troch: van onderzoeksrechter tot symbool van een vermeende doofpot
In de publieke beeldvorming rond de Bende van Nijvel is Freddy Troch uitgegroeid tot meer dan een onderzoeksrechter. Voor velen werd hij het symbool van een gerechtelijk onderzoek dat bewust werd gesaboteerd. De beëindiging van zijn mandaat als onderzoeksrechter en de overheveling van het dossier naar Charleroi worden daarbij vaak voorgesteld als het ultieme bewijs van een doofpotoperatie.
Die voorstelling van zaken is echter veel minder vanzelfsprekend wanneer men het verslag van de Tweede Bendecommissie leest.
De commissie onderzocht uitvoerig de omstandigheden waarin Troch zijn mandaat als onderzoeksrechter verloor. Daarbij maakt zij een duidelijk onderscheid tussen de juridische en de feitelijke aspecten van de zaak. Juridisch stelt de commissie vast dat er discussie mogelijk is over de vraag of een onderzoeksrechter vóór het einde van zijn mandaat uit zijn functie kan worden ontlast. De rechtsleer was hierover verdeeld en de beslissing blijft daarom juridisch betwistbaar. Tegelijk merkt de commissie op dat er historische precedenten bestonden waaruit blijkt dat dergelijke ingrepen in het verleden al waren gebeurd.
Ook feitelijk komt de commissie tot een genuanceerder beeld dan vaak wordt aangenomen. In 1991 werd Troch ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Dendermonde. Volgens het parket-generaal was die functie moeilijk verenigbaar met het ambt van onderzoeksrechter. Bovendien liep zijn mandaat enkele maanden later sowieso af. Dat vormde de officiële reden om hem als onderzoeksrechter te ontlasten.
Nog belangrijker is de chronologie. De commissie wijst erop dat Troch reeds op 11 december 1990 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Bende-onderzoek was ontlast. Zijn formele ontlasting als onderzoeksrechter volgde pas maanden later. De beëindiging van zijn mandaat kan dus moeilijk worden voorgesteld als de maatregel waarmee hij uit het Bende-onderzoek werd verwijderd, aangezien die verwijdering op dat moment al een feit was.
Dat betekent uiteraard niet dat er geen kritiek mogelijk is op de manier waarop het dossier werd overgeheveld. De commissie beschrijft een geschiedenis van rivaliteit tussen onderzoeksdiensten, slechte samenwerking tussen parketten, institutionele conflicten en procedurele problemen. Maar tussen die vaststelling en de bewering dat Troch persoonlijk uit het onderzoek moest worden verwijderd omdat hij te dicht bij de waarheid was gekomen, gaapt een grote kloof. Voor die stelling vond de commissie geen bewijs.
Precies daar zien we hoe mythevorming ontstaat. Een juridisch betwistbare beslissing groeit in de publieke perceptie uit tot een bewezen complot. Een complexe institutionele strijd wordt herleid tot een eenvoudig verhaal met helden en tegenstanders. Freddy Troch wordt daarin de eenzame onderzoeksrechter die door hogere machten aan de kant werd geschoven.
Het verslag van de Tweede Bendecommissie ondersteunt dat verhaal echter niet. De commissie laat ruimte voor kritiek op de genomen beslissingen, maar vindt geen aanwijzingen dat de beëindiging van Trochs mandaat bedoeld was om hem persoonlijk uit te schakelen of om het Bende-onderzoek te saboteren. Het verschil tussen die conclusie en de populaire voorstelling van de feiten illustreert hoe hardnekkig bepaalde mythes rond het Bende-dossier zijn geworden.