Na de moord op het echtpaar kwam er een boekhoudkundig onderzoek naar de juwelier en zijn cliënteel, en de leveranciers werden doorgelicht. De boeken waren in orde. Tijdens zijn verhoor door de parlementaire onderzoekscommissie verklaarde onderzoeksrechter Schlicker dat zijn medewerkers het verleden van het echtpaar hadden uitgeplozen. Het ging om een rustig koppel, dat zich bezighield met twee dingen, hun zaak en de opvoeding van hun dochters.
"Wij waren arm, en mijn broer herstelde horloges en wekkers. Hij kreeg een goede reputatie en kon zich opwerken en zelf een winkel beginnen. Hij had elke frank eerlijk verdiend, maar hij was naïef", vertelde Marius. Hij was er niet over te spreken dat in het parlementair verslag gesuggereerd werd dat zijn broer het slachtoffer zou zijn van zijn eigen gesjoemel, terwijl hij volgens hem juist slachtoffer werd omdat hij niet wilde sjoemelen.
Marius wist dat omdat hij de moordenaars van zijn broer zelf was gaan zoeken toen hij merkte dat de politie ze niet vond. Dat bracht hem in Polen, Italië en Frankrijk en Luxemburg. "Zo gauw ik de kans kreeg in de tweede helft van de jaren '90, ben ik ook het gerechtelijk dossier gaan lezen. Het was een meter hoog en er was hard in gewerkt. Dat moet ik toegeven."
De aanzet voor dat harde werken had hij tien jaar eerder zelf gegeven. Zijn broer en schoonzus waren geliquideerd, dat stond vast, ze waren niet het slachtoffer van een uit de hand gelopen diefstal. Hem had Jean niks verteld, hoewel ze heel close waren. Vermoedelijk had hij hem willen beschermen. Maar misschien had de schoonfamilie in Polen iets opgevangen? Jean was daar elk jaar met zijn gezin op vakantie gegaan.
Onderzoeksrechter Lacroix en de politieman die jarenlang moederziel alleen in het dossier had gewerkt, moedigde hem aan om die mensen op te zoeken. Op 2 januari 1988 reisde Marius naar Polen. De volgende dag arriveerde hij bij de schoonfamilie van zijn broer. Op 4 januari was hij terug in België. Wat hij gehoopt had was waar: zijn broer had er in de zomer voor de dubbele moord zijn hart uitgestort.
"De familie vertelde wat mijn broer gezegd had, maar toen ik vroeg of ze dat op papier wilden zetten, durfden ze niet. Ik zat in de woonkamer en ze waren even naar de keuken verdwenen en ik hoorde Jeans schoonzus en haar man opgewonden praten in het Pools. Ik kon het gesprek volgen. Ze smeekte haar man om niets te tekenen. 1500 kilometer van hier, in een boerengat in Polen, hadden die mensen angst om op te schrijven wat ze wisten. Maar die man heeft het toch gedaan. Ik kon een verklaring in het Pools meenemen naar België voor onderzoeksrechter Lacroix."
Wat daarin stond? Marius Szymusik was erg terughoudend en ik [Hilde Geens] kon het verhaal dat hij vertelde niet goed volgen. Blijkbaar speelden er drie dingen een rol, en alle drie draaiden ze rond een onduidelijke maffia, en twee ervan rond de West-Vlaamse vertegenwoordiger P. P. had gewerkt bij de Brusselse juwelenhandelaar Valère Valcke, die eind 1980 in Rode vermoord werd. Valckes vertegenwoordiger was kort na die nooit opgehelderde moord ontslagen en overgestapt naar de concurrentie maar hij en Szymusik waren in contact gebleven en bevriend geraakt.
Het eerste motief voor de executie zou te maken hebben met een oorlog binnen een maffiaclan. Op een dag zou de juwelier een oude man op bezoek gekregen hebben, een brocanteur uit de streek die een aantal juwelen aanbood en daar een 'gunstige' prijs voor had gevraagd. De Szymusiks hadden toegehapt. Ze waren zo in de wolken met die 'buitenkans' dat ze er niet over konden zwijgen. Ze vertelden het ook aan P.
"Wat mijn broer en schoonzus niet wisten", zei Marius "was dat de partij afkomstig was van diefstallen." In de verslagen van de tweede parlementaire onderzoekscommissie staat uitvoerig beschreven hoe het systeem in elkaar zat. Dieven en inbrekers leverden gestolen juwelen aan helers van de maffia, die buit verscheepte vanuit Rotterdam naar Tanger, waar de stenen eruit gehaald werden en het goud gesmolten werd. Van het goud werden in Milaan nieuwe juwelen gemaakt, waar in Antwerpen briljanten werden in gezet. Drie groepen waren daarbij betrokken, de dieven, de opkopers van de Italiaanse maffia en malafide diamanthandelaren in Antwerpen.
Wat de Szymusiks volgens Marius ook niet wisten, was dat een heler hun partij juwelen "tegen een betere prijs" van de hand had gedaan bij de brocanteur in plaats van ze aan de eigen organisatie te leveren. Die had er lucht van gekregen - via P? - en ze stuurden ambassadeurs naar de juwelier. Drie mannen eisten drie keer 300.000 frank, zowat 7.500 euro, voor elk van de betrokken benadeelde 'vleugels', de dieven, de mafiosi en de diamantcriminelen.
Een tweede motief was dat P. Szymusik partijen gouden juwelen probeerde op te dringen en hem bedreigde toen de juwelier daar niet op inging. De Szymusiks raakten in paniek. Jean stapte onmiddellijk naar de politie van Anderlues. Hij deed aangifte. En daar liep het mis. De speurders van de Cel Waals Brabant vroegen later de stukken op en vonden volgens Marius geen spoor van dat proces-verbaal.
Als de politie niet kon helpen, waren de juweliers weerloos. De angst groeide. Maria stuurde haar kinderen naar boven om hun huiswerk te maken, dat leek veiliger. Jean kocht een revolver.
Er was nog een derde mogelijk motief. Een klant getuigde bij de Cel Waals Brabant dat ze een tijd voor de moord in de zaak geholpen werd door Maria Szymusik. In de winkel kon ze achter de accordeondeur de radeloze stem van de juwelier horen, die in de woonkamer aan de telefoon was. "Ik betaal niet meer, het is genoeg geweest." De maffia zou beschermgeld geëist hebben. In het dossier las Marius dat andere juweliers in de streek gedwongen werden om pizzo te betalen. Zijn speurtocht bracht hem onder meer in Italië. In een bijlage bij het verslag van de tweede parlementaire onderzoekscommissie stond dat de moord een soort van strafexpeditie zou zijn, gestuurd vanuit Italië.
De Szymusik-speurder bij de politie had contacten met Nederlandse collega's die op dat ogenblik volop verwikkeld zaten in Operatie Spaghetti, een onderzoek naar de hold-up in juni 1988 op een juwelier in Almelo. Drie met vuurwapens en stiletto's gewapende gemaskerde mannen beschoten daar de politie. Het spoor leidde niet alleen naar Italianen in Almelo, maar ook naar een club Sicilianen uit La Louvière en Anderlues met connecties met de Cosa Nostra.
In de streek rond Anderlues wemelde het van de Italianen, vooral in Binche, en Marius ging naar de cafés waar ze kwamen, en stelde met luide stem vragen. "Wat een imbeciel ben ik geweest", zei hij in 2013. "Ik was jong en ik had geen idee met wie ik te doen had."
Bron: Beetgenomen | Hilde Geens