André Moyen werkte reeds voor de oorlog voor de Belgische militaire inlichtingendienst ("Deuxième bureau") onder leiding van kolonel René Mampuys, meer bepaald als infiltrant in rexistische milieu's en voor het vergaderen van informatie in Duitsland onder de dekmantel van student geneeskunde. Tijdens de oorlog zou hij in het verzet de "Service 8" oprichten, een interventiegroep die ondermeer gericht was op het executeren van landsverraders.
Samen met Mampuys was hij lid van het verzetsnet "Athos" dat samenwerkte met de Amerikaanse OSS, die in 1944 Moyen in dienst zou nemen. Ook na de oorlog bleef Moyen voor de Amerikanen werken, met René Solborg uit Parijs als contactpersoon. Moyen zou in 1948-1949 benaderd geweest zijn door Henri Ribière van de Franse geheime diensten (SDECE), om Gladio-correspondent te worden in België. "Gladio" zou volgens Moyen de naam geweest zijn voor "slapende" Stay Behind-operaties bedoeld voor oorlogssituaties, terwijl "Catena" ook actief zou geweest zijn tijdens vredestijd.
Hij ontwikkelde zich onder de naam "Captaine Freddy" als journalist voor extreem-rechtse tijdschriften zoals Europe-Amérique (voorloper van NEM), Vrai en Septembre, waarin hij anticommunistische artikels schreef. In 1948 kreeg hij de leiding over Milpol, een privé-inlichtingennetwerk opgericht door Marcel De Roover, kolonel Mampuys en Herman Robilliart (directeur Union Minière in Haut-Katanga), dat gefinancierd werd door Brufina en zich schuilhield achter het Brusselse bedrijf "Infor". Op vraag van generaal Keyaerts zorgde Moyen in 1949 via Milpol voor het oprichten van een tiental Stay Behind-groepjes.
In Congo werd door Moyen in parallel het "Crocodile"-netwerk opgezet, gefinancierd door Union Minière. De sterk anticommunistische Albert De Vleeschauwer (minister van Binnenlandse zaken, 1949-1950) bracht Moyen in contact met zijn Italiaanse (Mario Scelba) en Franse (Jules Moch) collega's, die net als in België zorgden voor de uitbouw van een anticommunistische "speciale" politie. Samen met Henri "colonel Leloup" Martin, theoreticus van het Franse fascistisch netwerk La Cagoule, zorgde Moyen op 21 augustus 1950 voor de evacuatie van minister Albert de Vleeschauwer naar Bretagne, die repressailes vreesde voor de moord op Julien Lahaut. Moyen was betrokken of had op zijn minst weet van het moordcomplot.
Moyen reisde vaak naar het buitenland waar hij allerlei contacten had, voornamelijk West-Duitsland (kolonel Heinze Hückelheim), Spanje (een officier van de Alto Estado Major), Italie (minister Scelba en generaal Galli van de Publica Sicurezza), Frankrijk (Henri Martin en Solborg) en Zwitserland (kolonel Paul Schautelberg). Moyen wees trouwens in het bijzonder naar Spanje en Zwitserland als landen die onderschat worden wat betreft hun rol in Stay Behind. In het Verenigd Koninkrijk ontmoette hij Poolse officieren van de anticommunistische oppositie. Van 1965 tot 1980 werkte hij bij de firma Securitas in Erps-Kwerps, als directeur. Nadien bleef hij werken voor inlichtingenbureau's, ondermeer met Georges V.D. die een vennoot is van Francis Dossogne in het agentschap "G".