“De overheveling van het onderzoek van Dendermonde naar Charleroi was een doofpotoperatie.”
Wanneer ergens een gesprek of discussie over de Bende van Nijvel ontstaat, duurt het meestal niet lang voor de overheveling van het onderzoek van Dendermonde naar Charleroi ter sprake komt als hét voorbeeld van een doofpotoperatie. Volgens die redenering kwam Dendermonde te dicht bij de waarheid of stond het op het punt de zaak op te lossen, waardoor moest worden ingegrepen.
De Tweede Bendecommissie heeft deze kwestie uitgebreid onderzocht. Haar conclusie is duidelijk: de overheveling verliep volgens de geldende procedures en de commissie vond geen aanwijzingen dat het om een doofpotoperatie ging.
Uitgebreide analyse op basis van het verslag van de Tweede Bendecommissie
De overheveling van het Bende van Nijvel-dossier van Dendermonde naar Charleroi in december 1990 wordt vaak voorgesteld als een plotse beslissing waarbij onderzoeksrechter Freddy Troch opzij werd geschoven. De analyse van de parlementaire onderzoekscommissie schetst echter een genuanceerder beeld.
Volgens de commissie was de overheveling in de eerste plaats het gevolg van een structureel probleem. Sinds het begin van het onderzoek liepen er parallelle gerechtelijke onderzoeken in verschillende arrondissementen naar feiten die steeds duidelijker met elkaar verbonden bleken. De vondst van de wapens in Ronquières versterkte dat inzicht nog. Daardoor groeide de overtuiging dat één onderzoeksrechter het volledige dossier moest behandelen.
Jarenlang werd geprobeerd die centralisatie te vermijden. De magistraten van Dendermonde, Nijvel en later Charleroi hielden vast aan een systeem waarbij verschillende onderzoekscellen naast elkaar werkten. In de praktijk leidde dat echter tot voortdurende coördinatieproblemen.
De commissie stelt vast dat afspraken over de uitwisseling van informatie niet altijd werden nageleefd, dat Dendermonde herhaaldelijk klaagde over achtergehouden processen-verbaal en dat de relaties tussen bepaalde magistraten gaandeweg verslechterden. Ook de betrokken parketten-generaal verdedigden uiteenlopende visies op de organisatie van het onderzoek.
Om die problemen op te lossen werd een compromis voorgesteld: één gezamenlijke onderzoekscel in Brussel, onder gedeelde leiding van Dendermonde en Charleroi. Dat voorstel kreeg steun vanuit Gent, maar botste op verzet van het parket-generaal van Bergen, dat ernstige juridische en organisatorische bezwaren formuleerde.
In die context kwam de commissie tot de conclusie dat de overheveling niet uit de lucht viel. Ze vormde het eindpunt van jarenlange discussies over samenwerking, bevoegdheden en de noodzaak om het onderzoek te centraliseren.
De commissie vond daarbij geen aanwijzingen dat de overheveling bedoeld was om Freddy Troch persoonlijk uit het dossier te verwijderen. Integendeel, uit de analyse blijkt dat Troch zelf jarenlang had gepleit voor een gezamenlijke onderzoekscel waarin hij een rol zou blijven spelen.
Bovendien gebeurde de overheveling via de normale gerechtelijke procedures, met beslissingen van de raadkamer en uiteindelijk de Kamer van Inbeschuldigingstelling. De centrale redenering bleef daarbij steeds dezelfde: een goede rechtsbedeling vereiste dat één onderzoeksrechter het volledige dossier behandelde.
Conclusie
De parlementaire onderzoekscommissie beschouwt de overheveling dan ook vooral als het gevolg van structurele problemen binnen justitie en van de moeilijkheden om verschillende parallelle onderzoeken op elkaar af te stemmen. Van een geheime of plotse operatie tegen Troch vond zij in het onderzochte materiaal geen bewijs.