8,121

(23 replies, posted in Organisaties)

Historisch gezien ligt dan het belangrijkste aanknopingspunt bij het Front de la Jeunesse. Deze groepering ontstond in 1973-1974 als een soort van jeugdbeweging uit de zogenaamde NEM-clubs. Dit waren clubs waarvan de leden bestonden uit lezers van het extreem-rechtse tijdschrift Nouvel Europe Magazine (NEM). In 1975 werd vergeefs geprobeerd om vanuit deze clubs een nieuwe politieke beweging, zelfs een nieuwe politieke partij, op te zetten: Forces Nouvelles.

Maar terwijl deze beweging bij de verkiezingen van 1977 een zware nederlaag leed, deed het FJ, onder leiding van Francis Dossogne, vanaf dat moment steeds meer van zich spreken. In de jaren 1978-1980 maakten leden van deze groepering zich schuldig aan brandstichtingen en vernielingen allerhande. Deze acties leidden er niet alleen toe dat de harde kern van het FJ in juni 1981 door de rechtbank te Brussel werd veroordeeld als privé-militie, maar werkten ook in de hand dat er via perspublicaties en via het "parlementair onderzoek betreffende de problemen in verband met de ordehandhaving en de private milities" meer en meer bekend werd over de organisatie, de werking en de aanhang van het FJ.

Meer bepaald is het relevant om enerzijds te memoreren dat een aantal leden van het FJ daadwerkelijk werd getraind in de beoefening van vechtsporten en in de hantering van vuurwapens, onder meer door militairen op schietbanen van het leger en de politie, en anderzijds dat, volgens verschillende vooraanstaande leden van het (toenmalige) CEPIC, een rechtse formatie binnen de (Brusselse) PSC, geregeld betrekkingen onderhielden met het FJ, in het bijzonder Benoit de Bonvoisin, de penningmeester van het CEPIC; van en structurele, permanente band tussen het CEPIC en het FJ zou echter geen sprake zijn geweest.

De Brusselse afdeling van het FJ kwam in 1978 onder de hoede van Paul Latinus. Deze zette zijn medestanders al vrij vlug aan om zich toe te leggen op het verzamelen van inlichtingen over linkse en/of progressieve organisaties en personen. In de loop van 1981, toen het FJ onder de druk van het overheidsoptreden in elkaar stuikte, bracht hij deze activiteit onder in een nieuwe organisatie, Westland New Post (WNP).

Mede omdat nogal wat leden Post (WNP) van het vroegere FJ deze organisatie vervoegden, slaagden Latinus en anderen erin haar in Brussel van de grond te trekken en zelfs enigermate te verbreiden naar andere steden van het land. In de korte tijd van haar bestaan (tot 1983-1984) ontwikkelde de WNP zich niet alleen verder als inlichtingendienst, maar ook tot een organisatie waarvan leden in staat en bereid waren om gewelddadige acties te ondernemen, kortom als een para-militaire organisatie.

Bron: Verslag Tweede Bendecommissie (bijlage 1 en 2)

8,122

(6 replies, posted in Gladio - Staatsveiligheid)

(...) Robert Chevalier van zijn kant stelt achteraf (opnieuw?) dat:

"(...) de terreur van de jaren tachtig niet de stempel droeg van enkele geïsoleerde bandieten. De aanslagen waren zo goed voorbereid dat ze alleen maar het werk konden zijn van een sterke en goed georganiseerde macht." (Welke waren dan "de drijvende krachten achter de destabilisatie"?)

"In de veronderstelling dat de druk van binnen ons land kwam, kunnen we denken aan politieke opposanten, bepaalde legerkolonels of rijkswachtofficieren die de Belgische manier van politiek bedrijven kotsbeu waren. (...)"

"Er was ook vanuit het buitenland heel wat kritiek op het politieke bedrijf in ons land. Staatshoofden uitten geregeld hun ongerustheid over de wankelende regeringen en de weinig doortastende politiek. Velen beschouwden de Belgische overheid als "te laks". Of wat moesten de kernmachten anders denken van de vele anti-rakettenbetogingen in de jaren tachtig?"

Bij deze verklaringen moet wel worden opgemerkt dat de directie van de veiligheid van de staat ten overstaan van de parlementaire onderzoekscommissie formeel tegensprak dat - van haar uit gezien - het extreem-rechtse spoor was verwaarloosd.

Zij voegde hier zelfs aan toe dat haar omvattende onderzoeken nooit één spat bewijs hadden opgeleverd voor de stelling dat het optreden van de Bende van Nijvel iets te maken heeft met extreem-rechts. Albert Raes, administrateur-directeur-generaal van de openbare veiligheid, verklaarde dat de hypothese dat extreem-rechts in de veiligheid van de staat infiltreerde in het kader van een plan tot destabilisering van de staat, waarin de bende van Nijvel een functie heeft, "door geen enkel bewijs wordt gestaafd."

Bron: Verslag Tweede Bendecommissie (bijlage 1 en 2)

8,123

(65 replies, posted in Bewijsstukken)

Over dit onderwerp schrijft de Tweede Bendecommissie in bijlage 1 en 2:

Herhaaldelijk werd melding gemaakt van problemen in verband met dossiers, processen-verbaal, andere stukken en overtuigingsstukken. Zo werd gemeld dat door een administratieve vergissing bij de rijkswacht de Volkswagen Santana waarmee de overval bij wapenhandelaar Dekaise was gepleegd, naar de schroothoop werd gebracht. Ook zou een bebloed polohemd met achtentwintig kogelinslagen dat door de bende-leden in het Zoniënwoud was achtergelaten, onvindbaar zijn.

Verder is geschreven dat op 8 maart 1990 in een goederenstation in Brussel negen postzakken werden aangetroffen die waren verstuurd door Jean Bultot vanuit Paraguay, en waarvan de inhoud bestond uit - voornamelijk fotokopieën van - stukken en documenten afkomstig uit gerechtsdossiers, en in het bijzonder uit het dossier betreffende de Bende van Nijvel.

Coveliers schrijft dat Bultot hem in november 1988 meedeelde dat er "een aantal documenten uit de bundels verdwenen zouden zijn", en dat hij dit aan de voorzitter van de eerste parlementaire parlementaire onderzoekscommissie meedeelde, maar dat de gerechtelijke diensten het ontkenden. Bultot bevestigde een en ander zelf in de BRTN-Panorama-uitzending van 9 november 1995.

Ponsaers en Dupont wijzen op de teloorgang, in de loop van het onderzoek, van de munitie die was opgevist uit het Canal du Centre, op het verlies van stukken uit het onderzoek betreffende de Sturm Ruger van Cocu, uitgevoerd door de deskundige Tombeur en later door de deskundige Ceccaldi, op de verdwijning van processen-verbaal uit dossierfardes - waarbij een lijst van nummers van de betreffende processen-verbaal wordt afgedrukt - die vervolgens werden vervangen door copies, en op het feit dat bij de aanduiding van de afmetingen van de loop van het wapen van Cocu verschillen tot twee millimeter werden opgegeven; hierbij wordt de vraag opgeworpen of het wapen niet werd vervangen in de loop der jaren.

Bij de bespreking van de feiten die worden toegeschreven aan de Bende van Nijvel en de onderzoeken hieromtrent, geeft Gijsels aan dat met betrekking tot de moord op taxichauffeur Constantin Angelou, onderzoeksrechter Lacroix van Charleroi voor de eerste parlementaire onderzoekscommissie verklaarde "dat het gerechtelijk dossier over deze zaak op mysterieuze wijze verdwenen is". (*) Het verlies van dit dossier wordt ook aangestipt door Haquin, die eraan toevoegt dat het dossier via fotacopies werd gereconstrueerd. Deze auteur besluit hierbij:

"Que penser des pertes de pièces à conviction, des pertes ou des vols de dossiers, d'irrégularités ou de lenteurs de certaines procédures? Des faits isolés ou des manipulations organisées?"

In zijn getuigenis voor de eerste parlementaire onderzoekscommissie bevestigde ook gewezen hoofdcommissaris van gerechtelijke politie Hoyois dat het dossier Angelou, dat oorspronkelijk in het gerechtelijk arrondissement Mons werd behandeld, om nadien te worden gevoegd bij het onderzoek te Nijvel, en later dus ook werd overgeheveld naar het arrondissement Charleroi, was verdwenen tijdens de overzending "van Nijvel naar Charleroi". Volgens de getuige had niemand er belang bij het dossier te laten verdwijnen, temeer omdat de materiële bewijsstukken (hulzen en kogels) nog steeds in het bezit waren van de gerechtelijke overheid.

In hun verhoor stelden substituut-procureur des Konings Jonckheere en onderzoeksrechter Lacroix echter dat het dossier "tussen Mons en Nijvel" was zoekgeraakt, en dat, zodra zij de verdwijning hadden vastgesteld, zij zich daarover hadden beklaagd. Er heeft vervolgens een onderzoek plaatsgevonden, doch men slaagde er niet in een aanvaardbare uitleg voor het verlies te vinden. Niettemin stelden zij dat het weinig waarschijnlijk is dat men dit dossier opzettelijk heeft doen verdwijnen. Gezien de wanorde die vaak in griffies heerst was het zo goed als zeker gewoon zoekgeraakt.

Anderzijds stelde commissielid Coveliers nog de vraag aan onderzoeksrechter Lacroix of het klopte dat bepaalde originele stukken uit het dossier waren verdwenen. Coveliers had dit vernomen uit de brief die hem was toegestuurd door Bultot vanuit Paraguay. Uit de pers blijkt wel dat de grief inhoudt dat originele stukken waren verdwenen, en dat in de plaats hiervan copieën werden ingevoegd in het dossier. Dit werd formeel tegengesproken door onderzoeksrechter Lacroix, die de stukken toonde waar het om ging.

(*) Bij deze zin staat in het verslag van de commissie volgende voetnoot:

Bij de bespreking van het dossier betreffende de dood van Latinus, dat klaarblijkelijk niet werd gevoegd bij het dossier omtrent de Bende van Nijvel, schrijft Gijsels dat, nadat het dossier in 1986 werd afgesloten en het vervolgens na een verzoek van Minister van Justitie Wathelet in juni 1989 was heropend, verschillende documenten uit het dossier waren verdwenen. Een van de vermiste documenten zou een proces-verbaal zijn dat betrekking had op de genaamde Faez Al Ajjaz (GI, 122).

DeadLetterBox wrote:

Ik heb echter nooit begrepen waarom Bouten het niet heeft aangedurfd om met Bouhouche te praten.

Guy Bouten heeft toch geprobeerd om Bouhouche op te sporen? In zijn eerste boek heeft hij een gesprek met de ex-vrouw van Bouhouche:

Een burgerhuis in een vuilgrijze steen in een triestige straat in Jette op een regenachtige dag in december 2005. Op de gelijkvloerse verdieping heeft een dokter zijn praktijk en op de bovenste bel staat de naam van David Bouhouche. Ik druk op de middelste. Een slonzige vrouw met kort, blond geverfd haar doet open. Een opgezwollen gezicht verwoest door slaappillen en tranquillizers, futloos en troosteloos. Ik herken haar niet meteen, het is nochtans Anne Quittner, de echtgenote van Madani Bouhouche van wie ze al jaren gescheiden leeft.

Niets herinnert me aan de knappe vrouw met lang zwart haar die aan een glas champagne nipt of die fier poseert met een gouden Cartier Baignoire. Op de foto lacht ze ondeugend naar de fotograaf, hoogstwaarschijnlijk Bouhouche. Ik wil van haar vernemen waar Dany momenteel verblijft en hoe het met hem is gesteld. 

"Bouhouche est décédé."

Bron: De Bende van Nijvel | Guy Bouten

Ik kan daar alleen maar uit concluderen dat Bouten wel degelijk de intentie had om Bouhouche te vinden en te ontmoeten. Wat vanwege het overlijden van Bouhouche nooit gelukt is.

8,125

(201 replies, posted in 1983)

Ben wrote:

Volgens de parlementaire onderzoekscommissie hadden de speurders geprobeerd om uit te maken of er een verband kon worden gelegd tussen de moord op Szymusik en sommige leden van WNP.

Er is dus mogelijk een verband tussen deze overval en WNP. Ik haal daarom onderstaande zin uit deze post van Merovinger:

Eén van de mannen lijkt te manken, precies of hij juist verwond werd, terwijl de juwelier de kans niet heeft gehad om zijn wapen te gebruiken. Dit manken wordt nadien toegeschreven aan de reus van de bende.

Dit zou mogelijk een link kunnen zijn naar Jean-Paul Dauphin, 'le bancal' van WNP.

8,126

(5 replies, posted in Organisaties)

Ben wrote:

In een gesprek met Guy Bouten heeft Bougerol het onomwonden over de "gewapende actie" van zijn netwerk. "Dit was mijn werk."

Voor de volledigheid kan je hieronder de belangrijkste stukken uit dat gesprek lezen:

"Mag ik u wijzen op het schema van Trotski, die zoals u weet door zijn communistische broeders in Mexico werd vermoord?" De majoor neemt een pen en tekent op een blad drie cirkels die 'ideologie', 'revolutie' en 'subversie' voorstellen. Waar de cirkels elkaar kruisen ontstaat de 'gewapende actie'. "Dit was mijn werk. Daar moet u het PIO situeren."

Bouten: En organiseerden u en kolonel Militis de gespierde acties om de rijkswacht meer middelen te verschaffen?

"Exact, u heeft dat goed gezien. Brussel was toen le ventre mou de l'Europe. Maar over Militis kan ik u met de beste wil van de wereld geen info meer verschaffen. Vraag het hemzelf!" (...)

"Ik weet wel dat men mijn netwerk de naam gaf van le réseau-Miller, zo genoemd naar de naam van mijn eerste echtgenote. Een ondergronds leger dat klaarstond voor het voeren van een guerrillaoorlog. Dit is nu mijn nieuwe vrouw. U ziet haar daar staan." (...)

Bouten: Had de réseau-Miller banden met WNP?

"Ik ontken dit ten stelligste."

Bouten: Maar u ontmoette toch regelmatig Bernard Mercier, de Landesverteter-Inspektor van WNP en vooraanstaand lid van de CEPIC van de Bonvoisin. Getuigen zagen u samen een laatste groet brengen aan het graf van de Spaanse dictator Franco. Mercier was ook lid van het Comité Hongrie, een CIA-antenne opgericht in 1977 om de opstand van 1956 tegen de Sovjets te herinneren.

"So what? Mercier woonde vlakbij. Hij was een boeiend personage, een historicus, nogal excentriek. Een groot intellectueel. Neen, u moet daar niets achter zoeken. De linkse pers heeft me beschuldigd een complotteur te zijn omdat ik zogezegd een wapen droeg. Dit is toch normaal als men bedreigd wordt. Men heeft ons stokken in de wielen gestoken, wat zeg ik, men heeft ons geboycot. Gelukkig bleef mijn netwerk intact na het verbod van de legerleiding om onze activiteiten voort te zetten."

Bron: De Bende van Nijvel | Guy Bouten

8,127

(80 replies, posted in Gladio - Staatsveiligheid)

In de carrière van Mampuys (zie Milpol) dook echter geregeld André Moyen op. Moyen was reedsvoor de oorlog één van Mampuys' inlichtingenagenten, met onder meer als schuilnaam Freddy Bastogne. Tijdens de oorlog zette hij een eigen stootgroep op, Service 8, die niet alleen militaire inlichtingen verzamelde, maar ook acties uitvoerde tegen de Duitse bezetter. In 1942 kwam Moyen in contact met Fernand Cannoot, de oprichter van Athos, en zo ontmoetten Mampuys en zijn trouwe inlichtingenagent elkaar opnieuw. Het sprak voor zich dat eenmaal Mampuys na de oorlog opnieuw aan het hoofd van het Tweede Bureau kwam te staan, hij Moyen opnieuw inschakelde als agent.

Mampuys werkte nauwgezet samen met de OSS, maar over zijn inlichtingenagent André Moyen was de OSS evenwel minder te spreken. In een dossier over Helena Bogaerts, dd. 12 januari 1946, die ervan verdacht werd inlichtingenwerk te verrichten voor de Duitse geheime dienst, komt een ronduit negatieve beoordeling van Moyen aan het licht. Zo zou hij, nadat Helena was opgepakt door de Amerikanen, haar gevraagd hebben de gegevens (bezwarende informatie over mishandelingen van Duitse gevangenen door Amerikaanse soldaten) door te geven aan het Tweede Bureau.

Onder zijn schuilnaam Capitaine Freddy beloofde hij haar in ruil de vrijlating en een toekomstige job als inlichtingenagent voor het Tweede Bureau. Capitaine Freddy overhandigde vervolgens dit bezwarende rapport over het wangedrag van de Amerikanen aan zowel Mampuys als aan kapitein Brittenham. Na wat zoekwerk werd Moyen als volgt geïdentificeerd:

"This office subsequently identified Capt. Freddy as André Moyen. From two sources it was ascertained that André Moyen was at one time jailed by the American Authorities, that he is bitterly anti-American and a mercenary. It was also learnt that he has been dismissed at least officially from the Belgian 2eme Direction."

Officieel werkte Moyen niet voor het Tweede Bureau, maar Mampuys bediende zichwel van de inlichtingen verkregen van Milpol. Naast zijn werk als inlichtingenagent was Moyen na de oorlog ook erg actief als recensent in diverse extreem-rechtse bladen als Europe-Amérique, VRAI en Septembre, onder diverse schuilnamen als Capitaine Freddy, André de Saint-Michel en Cincinnatus. Zijn discours was ronduit anticommunistisch en reactionair. Maar hij vertoefde hier bij die redacties alvast in het goede gezelschap van figuren als Jo Gérard, Paul Vanden Boeynants, Emile Lecerf en oud-leden van het vooroorlogse Nationaal Legioen zoals Fernand Dirix en Gaston Jacqmin (die twee laatsten richtten het blad Septembre op).

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite | Klaartje Schrijvers

8,128

(3 replies, posted in Gladio - Staatsveiligheid)

Om het ontstaan van het stay-behind-netwerk in België te begrijpen, is het noodzakelijk om terug in de tijd te gaan. Naar het einde van de Tweede Wereldoorlog en de oprichting van Milpol:

Na de oorlog zette Marcel De Roover in ieder geval zijn inlichtingenwerk verder in onder meer het in 1946 opgerichte Milpol, een privé-inlichtingendienst die gefinancierd werd door twee financiële groepen, de Société Générale en Brufina van Paul de Launoit, waar De Roover intussen directeur van geworden was. Milpol focuste vanzelfsprekend op de strijd tegen het communisme en hield zich bezig met politieke en militaire inlichtingen.

Milpol stond onder leiding van André Moyen, maar werd van bovenuit duidelijk gedirigeerd door de geestelijke vaders ervan, Marcel De Roover, kolonel René Mampuys en Herman Robilliart (directeur bij de Union Minière du Haute Katanga). Er werd van bij de oprichting overeen gekomen dat alle verslagen ook bezorgd werden aan Mampuys, De Roover en generaal Keyaerts.

Generaal Keyaerts was de rechterhand van Moyen bij Brufina. Samen bezochten ze trouwens regelmatig Jean-Paul David van Paixet Liberté in Parijs. Moyen op zijn beurt stond in voor de praktische uitbouw van Milpol. Als officiële dekmantel voor Milpol werd de pvba Infor opgericht, die zichmet financiële, commerciële en economische informatie bezighield en het blad Météo-Economique uitgaf.

Milpol had ook een Kongolese sectie, met name Crocodile, eveneens geleid door Moyen en waarin we zijn vroegere collega inlichtingenagent Raf Van Os ("Pierre-Paul") terugvinden. Ook hier stond de anti-communistische actie centraal, maar dan in de toenmalige Belgische kolonie Kongo.

Zowel inhoudelijk als ook wat betreft de financiering via de grootindustrie, lijkt Milpol eigenlijk een voortzetting van het vooroorlogse SEPES (Société d’Etudes Politiques, Economiques et Sociales). Bovendien werkten heel wat vroegere SEPES-agenten na de oorlog voor Milpol. Maar vooral opmerkelijk was de samenwerking met Mampuys. Sinds 1935 was deze kolonel werkzaam op het ministerie van Landsverdediging en leidde hij de Militaire Geheime dienst. Hij was de bezieler van het Tweede Bureau dat werd gevormd door de Militaire inlichtingendienst en de dienst voor contra-informatie.

Tot in 1951 stond Mampuys ervan aan het hoofd. Hij werd krijgsgevangene in 1940 en meteen na zijn vrijlating in 1942 vervoegde hij het clandestiene net Athos. Samen met enkele andere 'slapende agenten' kon Mampuys zijn vooroorlogse werk verder zetten. Bij de bevrijding werd het toenmalige hoofd van het Tweede Bureau kolonel Neefs opgevolgd door Jean Marissal, maar die werd na een paar maanden al opzij geschoven door Mampuys. In 1945 was een groot deel van de dienst Athos aan het Tweed Bureau gehecht en werd er actief samengewerkt met de Counter Intelligence Corps en de OSS. 

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

8,129

(22 replies, posted in Organisaties)

Waar in de literatuur van extreem-rechtse invloeden in de rijkswacht sprake is, wordt vaak in één adem ook gesproken van relaties tussen extreem-rechtse groepen en het leger, althans militairen in actieve dienst. Hun vermeende aandeel in de misdaden van de Bende van Nijvel wordt in de literatuur echter niet zo uitgerafeld als dat van bepaalde ex-rijkswachters. Het enige echte belangrijke aanknopingspunt waar somtijds op wordt gewezen, is het optreden van een zekere majoor Jean Bougerol.

Deze legerofficier kreeg - blijkens het rapport van de onderzoekscommissie die in 1990-1991 het bestaan in België van een clandestien internationaal inlichtingennetwerk naging - in 1974 de leiding over het Public Information Office (PlO). Dit bureau werd toen door de legerleiding opgericht om enig tegenwicht te kunnen bieden aan wat zij beschouwde als subversieve berichtgeving over het leger in de media. Het kende - want het werd eind 1978 ontbonden - twee afdelingen.

Enerzijds een militaire afdeling die niet alleen conferenciers telde maar ook een actiegroep omvatte die niet-welgevallige conferenties saboteerde en infiltreerde in verenigingen en groepen die a priori geacht werden de stellingen van het leger gunstig gestemd te zijn: de NEM-clubs, het CEPIC en ook genootschappen als de Confrérie des hospitaliers de Notre-Dame d'Aulne in de streek van Charleroi. Anderzijds een burgerlijke afdeling die vanaf 1977 een anti-communistisch persoverzicht verspreidde, INFOREP genaamd.

Verder bouwde Bougerol onder de dekmantel van het PlO een (illegale) parallelle inlichtingendienst op - de Miller-groep -, die was samengesteld uit verschillende eenheden (van 4 personen), verspreid over een aantal streken van het land en met name in Henegouwen.

Wat heeft dit alles te maken met de Bende van Nijvel? De gedachte van sommige auteurs is natuurlijk niet dat het PlO zelf een aandeel heeft gehad in de misdaden van de Bende van Nijvel. Ook valt nergens de these te lezen dat Bougerol hier in persoon bij betrokken zou zijn geweest. Wat wel wordt gesuggereerd is dat het PlO, in al zijn gedaanten, mede voorwaarden heeft geschapen waarin, enkelejaren later, de Bende van Nijvel tot ontwikkeling kon komen. Om het te zeggen met de woorden van [Hugo] Coveliers :

"Is het echt 'staatsgevaarlijk' te denken dat er mogelijke aanwijzingen over de motieven van de Bende van Nijvel gevonden zouden kunnen worden in het kader van dit vrij bizarre Public Information Office? Blijkt de band met extreem-rechts niet voldoende?"

Om het belang van deze suggestie - die volgens de beschikbare literatuur niet serieus is uitgediept - te begrijpen is het noodzakelijk om iets te weten over "de band met extreem-rechts". Ook volgens de eerder genoemde onderzoekscommissie moet hierbij allereerst worden gedacht aan het feit dat, ook al hebben er geen structurele banden tussen het PlO, het Front de la Jeunesse en de WNP bestaan, Bougerol wel in persoon sterke bindingen had met leden van beide extreem-rechtse organisaties; zo werd in 1977 Latinus als inlichtingenagent door het PlO aangetrokken.

Verder is al sedert het begin van de jaren tachtig bekend dat Bougerol nauwe contacten onderhield met extreem-rechtse voormannen van het CEPIC en dat het tijdschrift INFOREP, waarvan hij tussen 1976 en 1978 de hoofdredacteur was, tot 1980 (dus tot na de opheffing van het PlO) voor een deel werd gefinancierd door de PDG (Société de Promotion et de Distribution Générale) die op haar beurt, via een tussenpersoon, onder toezicht stond van de Bonvoisin.

Tenslotte moet worden vermeld dat Bougerol zich zeker tot in 1980 bleef bezighouden met inlichtingenwerk en tot op dat moment zeker nog contacten onderhield met één lid van de veiligheid van de staat. Van structurele contacten tussen deze dienst, de algemene dienst inlichting en veiligheid van het leger (SGR), en het PlO is evenwel nooit gebleken.

Bron: Verslag Tweede Bendecommissie (bijlage 1 en 2)

8,130

(5 replies, posted in Organisaties)

Je kan jezelf afvragen of de "nébuleuse" uit de befaamde X-nota (die mogelijk over Bougerol gaat) niet deze Miller-groep is.