8,281

(19 replies, posted in Organisaties)

Het schandaal rond de loge P2 en de bank van het Vaticaan

Toen de Milanese magistratuur de villa van Gelli te Arezzo de Gardia binnenviel, was dit in het kader van een grootscheeps onderzoek naar het frauduleuze failliet van de Bank van het Vaticaan, namelijk het Institut des Oeuvres de Religions (IOR). Tot hun grote verbazing rolde ze gelijktijdig een clandestiene anticommunistische loge op.

Het begon allemaal met een zekere Michel Sindona, gelieerd aan de maffia en geroutineerde oplichter, maar die zich had opgeworpen tot schatbewaarder van het Vaticaan. Hij werd tijdens het pontificaat van Paulus VI de beheerder van het hele bezit van de Heilige Stoel.

In 1961 kocht Sindona de Banca Privata Italiana. Bij financiën kreeg hij als het ware een vrijgeleide, en bovendien ging hij door voor een ware christen-democraat. In 1969 voegde hij daar de Banca Unione bij en maakte zich aldus een gigantisch imperium rijker. De leiders van de christen-democratische partij Andreotti en Colombo bevolen hem aan bij het Vaticaan. Gedurende 5 jaar, van 1969 tot 1974 waren monseigneur Marcinkus, bewaker van het pauselijke korps en chef van het IOR, en Sindona co- beheerders van de IOR.

In 1972 kocht Sindona de Franklin National Bank op, de 20ste bank van de VS. In 1973 trok Sindona echter de aandacht van de controlecommissie van de Amerikaanse beurs. Marcinkus en Roberto Calvi van de Banco Ambrosiano, waren gealarmeerd en keerden hem de rug toe. Het gevolg was een totale krach van de Franklin National Bank en bijgevolg van het hele financiële imperium dat Sindona had opgebouwd. Sindona werd in de VS veroordeeld tot 25 jaar en vloog de gevangenis in. Maar Sindona zinde op wraak. Na acht jaar kwam hij vrij en zijn wraak was dan ook magistraal.

Roberto Calvi was hem intussen opgevolgd in het IOR. In zijn nieuwe functie was die kleine onopvallende bankier één van de belangrijkste mannen in Italië geworden. De macht steeg hem naar het hoofd en hij droomde ervan de occulte leider van Italië te worden. Wat hem ook bijna lukte, dankzij de clandestiene organisatie de loge P2.

Het was wel Sindona die Calvi aan Gelli voorstelde. Calvi werd vervolgens in de maçonnieke loge opgenomen en hielp P2 in het transfereren van haar geld naar het buitenland. En ook via Calvi’s bemiddeling richtte P2 een bank op in Latijns-Amerika, de Bafisud, bedoeld om lokale dictaturen te steunen. Wijzen we er op dat Gelli nauwe banden had met de Italiaanse terrorist Delle Chiaie, die op dat moment in Bolivië woonde in het gezelschap van de ex-nazi Klaus Barbie, dan wordt duidelijk hoe Sindona’s wraak op Calvi zich moest voltrekken.

De kleine onopvallende bankier vertoefde voortaan middenin het criminele milieu en was er zelf deelachtig aan. Na de inval in de villa van Gelli, ontdekte justitie na veel en lang diepgaand onderzoek het hele netwerk rond de loge P2, en op 20 mei 1981 werden 953 namen bekend gemaakt van betrokken ministers, afgevaardigden, magistraten, politiemannen, militairen enz., die deel uitmaakten van loge P2. Tussen 20 mei en 20 juli evolueerde het schandaal verder en verkreeg men inzicht in het complot en de oplichting door eerst Sindona en later Calvi.

Op 20 juli werd Calvi veroordeeld wegens frauduleus bankroet, illegale transfer van kapitaal, oplichting en schending van vertrouwen. Gelli vluchtte naar Latijns-Amerika. Calvi panikeerde volledig en stuurde geheime afgezanten naar Gelli, maar die had intussen bij Pinochet politiek asiel gekregen. Calvi had echter geld nodig, maar iedereen weigerde hem dit te geven. Hij verdween, en men vond hem op 18 juni 1982 terug onder een Londense brug met twee maçonnieke stenen in zijn zakken. Toeval of niet, maar diezelfde dag waren de mannen van Delle Chiaie ook in Londen.

Sinds deze pseudo-zelfmoord werd het schandaal alleen maar grotesker. De politieke banden zijn tot op de dag van vandaag nog niet helemaal uitgeplozen. In ieder geval was de enige die in de gevangenis terecht kwam Sindona.

Pittig detail. In de fraude georganiseerd onder de dekmantel van de bank van het Vaticaan, verscheen ook Carlo Pesenti. Carlo Pesenti was immers een sleutelfiguur in die bank. Om de schulden van de OIR af te betalen zag hij zich genoodzaakt twee van zijn eigen banken te verkopen.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

8,282

(33 replies, posted in Plaatsen)

Het is in dit relaas [het doctoraat van Klaartje Schrijvers] opgevallen hoe meermaals de zogenaamde Gladiatoren, de "Gladiatori", hun toevlucht zochten in Spanje. Dit hoeft niet te verwonderen. De bijzondere nauwe samenwerking tussen Spanje onder Franco en de CIA resulteerde reeds in 1948 in een Spaanse Gladiocel in Las Palmas op de Canarische eilanden.

Vooral de leden van het Buro Segundo Bis waren sterk betrokken in het geheime stay-behind netwerk en dit tot ver in de jaren 1960 en 1970. De Belg André Moyen, die van 1938 tot 1952 lid was van de Belgische militaire geheime dienst SDRA, wees er trouwens in een interview op dat de Spaanse stay-behind in het Gladio-onderzoek teveel werd onderbelicht, terwijl ze juist een sleutelrol had gespeeld.

In het bestek van deze doctoraalscriptie is het vooral interessant dat Spanje als een toevluchtsoord fungeerde voor uiterst rechtse terroristen die deel uitmaakten van de geheime anticommunistische oorlog in Europa. Laten we er immers aan herinneren dat ook de hoofdzetel van CEDI in Madrid gelegen was, in dezelfde periode dat Franco over Spanje en zijn geheime militaire en inlichtingendiensten heerste.

Laten we er ook op wijzen dat zowel CEDI als de AESP bevolkt werden door protagonisten die tezamen een sterke Spaanse, Italiaanse, Franse, Duitse en Belgische as vormden in hun anticommunistische strijd en hun streven naar een rechts Europa.

Tot slot is die Spaanse connectie ook opmerkelijk, gezien het feit dat Spanje pas toetrad als lid van de EU in 1986.

Twee notoire Italiaanse terroristen die hun toevlucht namen in Spanje brengen ons bij Gladio Italië. Prins Valerio Borghese vluchtte naar Spanje na zijn poging in december 1970 om via een neofascistische coup de Italiaanse regering omver te werpen. Meer dan honderd medeplichtigen herenigden zich in Spanje onder leiding van een andere notoire terrorist Stefano Delle Chiaie. Deze laatste werd geboren in 1936 en is één van de bekendste terroristen uit de geheime legers die tegen het communisme in Europa vochten. Zijn codenaam was "Caccola".

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

8,283

(3 replies, posted in Terrorisme)

Na de Anjerrevolutie vluchtte Guérin-Serac naar Spanje en samen met andere leden van Aginter voerde hij in opdracht diverse aanslagen uit tegen leden van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Maar ook de Spaanse dictatuur werd na de dood van Franco omver geworpen en in 1975 zag Guérin-Serac zich genoodzaakt, net als Delle Chiaie en andere Aginter-Presseleden, om naar Latijns-Amerika te vluchten, alwaar ze met open armen in het Chili van Pinochet werden ontvangen. Yves Guérin-Serac werd het laatst in Spanje gezien in 1997.

8,284

(3 replies, posted in Terrorisme)

Op 27 januari 1969 organiseerde Florimond Damman in de salons van het Metropole hotel te Brussel zijn 12de Charlemagne diner. De 300 genodigden uit rechts België en Europa ontmoetten er elkaar in de grootse luxe die zo eigen was aan Dammans "journées européennes". Eén genodigde maakte echter bij die gelegenheid zijn eerste entrée in dit gezelschap. Hij behoorde trouwens tot de 38 gelukkigen die op persoonlijke uitnodiging van Damman het diner gratis mochten bijwonen.

Anderen die van dit privilege konden genieten waren onder meer Gaston Eyskens en Otto von Habsburg. De nieuweling in dit gezelschap was niemand minder dan Yves Guérin-Serac van het obscure Portugese Aginter Presse. Guérin-Serac nam plaats aan tafel G en bracht de avond door in het gezelschap van onder meer Jack de Spirlet, de prins en prinses de Merode, Emile Lecerf en Adelin van Ypersele de Strihou.

Zowel in de maanden maart als mei van datzelfde jaar vonden diverse ontmoetingen plaats tussen Yves Guérin-Serac en Florimond Damman, alwaar ze aan de creatie werkten van een grote Europese federalistische en anticommunistische beweging, het CREC. Op 19 mei 1969 stelde Guérin-Serac (via wie de contacten met extreem-rechts moesten verlopen) hieromtrent een vertrouwelijk rapport op dat hij aan Damman overmaakte. Het was de bedoeling om met CREC de standpunten van het "klassieke" rechts met die van extreem-rechts te verzoenen. De organisatie leek echter niet goed van de grond te komen omwille van:

"Les difficultés dans lesquelles est plongé le groupe ami Italien [waarmee verwezen wordt naar de neofascistische terroristen onder leiding van Stefano Delle Chiaie] du fait de la situation chaotique et révolutionnaire de leur pays; et les tendances centrifuges du groupe français dont la reconversion n’est pas encore terminée ..."

Vast staat dat al een eerste voorbereidende vergadering plaats vond tussen de Fransen en de Belgen te Brussel in maart 1969, waarin de gezamenlijke standpunten voor een eengemaakt Europa werden geformuleerd. Maar Guérin-Serac verdween nadien volledig uit de dagboeknotities van Damman. Het vermoeden rijst dan ook dat CREC nooit officieel werd opgericht. We kwamen die organisatie in ieder geval niet meer tegen.

Wat we wel weten uit diverse briefwisseling tussen Otto von Habsburg en Florimond Damman, is dat beiden de Portugese zaak nauw aan het hart lag. Wel te verstaan het Portugal van Salazar. Naar aanleiding van de Anjerrevolutie en het omverwerpen van de dictatuur zette Otto von Habsburg in een brief aan Damman zijn plannen uiteen voor het oprichten van een Portugees hulpcomité ter ondersteuning van de reactionaire strijdmachten. Hij voegde hier aan toe om financiële steun bij Franz Josef Strauss te hebben gevraagd.

"Je ne vois pas pourquoi les communistes soient les seuls à pouvoir soutenir leurs amis et que nous devions pratiquer la non-intervention."

De naam Guérin-Serac valt evenwel niet in die briefwisseling, maar ook in het vermelden van andere personen wordt met betrekking tot de Portugese zaak opvallend omzichtig omgesprongen.

In ieder geval is het duidelijk dat Guérin-Serac zich van Damman en andere personaliteiten uit het rechts Europa bediende om een eigen netwerk uit te bouwen. De vraag rijst in hoeverre de meeste mensen die hij ontmoette op de door Damman georganiseerde congressen en reünies op de hoogte waren van de werkelijke activiteiten van Aginter Presse. Met Aginter Presse bevinden we ons immers in het hart van Gladio.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

8,285

(3 replies, posted in Terrorisme)

Yves Guérin-Sérac (alias Jean-Robert de Guernadec, alias Yves Guillou, alias Ralf) was een Franse anti-communisist en katholiek activist, een gewezen officier van het Franse leger en een veteraan van de eerste Indochina-oorlog (1945-54), de Koreaanse oorlog (1950-53) en de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1955-1962).

Hij was ook een lid van de "11e Demi-Brigade Parachutiste du Choc", een elite-eenheid die samenwerkte met de SDECE (de Franse geheime dienst). Hij was ook één van de oprichters van OAS, een terroristische groep die vocht tegen de onafhankelijkheid van Algerije. Hij wordt eveneens genoemd als één van de aanstekers van de strategie van de spanning in Italië en als de organisator van de Piazza Fontana-bomaanslag in  (waarbij 17 mensen stierven).

http://guillaumeorigoni.blog.lemonde.fr/files/2012/03/YGSy3.jpg

Bron: Wikipedia

8,286

(2 replies, posted in Organisaties)

Paix et Liberté was (alvast in haar interne substructuur) een clandestiene actie-eenheid, in 1950 door de CIA opgericht en royaal gefinancierd. Ze werd in Frankrijk geleid door Jean-Paul David, een transportondernemer, volksvertegenwoordiger en burgemeester van Mantes-La-Jolie. David stond bekend als een verdediger van de vrije economie en om zijn afkeer van het communisme.

Met afdelingen in verschillende landen zoals België, Nederland, Italië, Denemarken, Griekenland, Turkije, Zwitserland en Groot-Brittannië, voerde Paix et Liberté CIA- operaties uit in psychologische oorlogvoering en het verspreiden van anticommunistische propaganda via posters, sponsoring van radioprogramma’s, folders, pamfletten en het organiseren van demonstraties.

Volgens Jean Paul David was de core-business van Paix et Liberté deze psychologische oorlogvoering, waarin de vijand zo min mogelijk doelwitten mochten worden geboden. Het meest bijzondere aan Paix et Liberté was dan ook haar internationale vertakking. Al die afdelingen opereerden weliswaar onafhankelijk, maar kwamen elke twee maanden samen om hun acties te coördineren en informatie uit te wisselen.

De Italiaanse afdeling, Pace e Liberta, stond onder leiding van Edgardo Sogno en had haar hoofdzetel in Milaan. Naar aanleiding van het Gladio-onderzoek, ontdekte de Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie dat Paix et Liberté onder directe orders van de NAVO opereerde. In Frankrijk nam Paix et Liberté tezamen met de Force Ouvrière het leeuwendeel op zich van de CIA-inspanningen in het promoten van massa anticommunistische organisaties in de jaren 1950.

In België werd de organisatie officieel in oktober 1951 opgericht en was hiermee het tweede land waar een afdeling van Paix et Liberté ontstond. De stichters in België waren een Luikse industrieel Jean Moyaerts, de onvermijdelijke Marcel De Roover, Jean Wolf (journalist bij het extreem-rechtse blad Septembre), Emile Delcourt (oprichter van de extreem-rechtse naoorlogse verzetsbeweging FNBI), Gaston Jacqmin (gewezen hoofdredacteur van Septembre) en naast enkele anderen ook Christian Doat (die we nog kennen als medeoprichter tezamen met Florimond Damman van de Cercle de Politique Etrangère).

Voor de verspreiding van het blad was onder meer de inlichtingenagent André Moyen betrokken. Via Marcel De Roover werd de Belgische afdeling van Paix et Liberté onder meer gefinancierd door Brufina. De banden tussen beide bleek trouwens al uit het adres waar zowel de zetel van Paix et Liberté als die van Brufina gevestigd was, namelijk de Kleine Karmelietenstraat n° 7 te Brussel.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

8,287

(7 replies, posted in Gladio - Staatsveiligheid)

Het onwaarschijnlijke verhaal van het Gladio-netwerk in Duitsland. Uit "De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw" van Klaartje Schrijvers:

Wat opvalt is dat het Gladioverhaal zich in elk land weer anders voltrok, maar dat tevens sommige parallellen te trekken zijn. Zo konden we zien dat de twee dictaturen, Spanje en Portugal, hun vooroorlogse politiek probleemloos verderzetten in de Koude Oorlog en met Gladio rekruteerden bij hun trouwe aanhangers van tijdens het interbellum. Het gedoogbeleid van de CIA ten aanzien van die twee fascistische regimes te midden van het nieuwe Europa, getuigde dan ook van een dubbele moraal.

Ten aanzien van Frankrijk en Italië was dan weer de doorn in het oog van de CIA het electorale succes van de communisten, dat zij te danken hadden aan hun heldhaftig verzet tijdens de oorlog. De VS en de CIA voerden dan ook in Frankrijk en Italië een meedogenloze stijd tegen het binnenlandse communistische gevaar. Van een stay-behind in geval van een Sovjetinvasie, was hier in feite geen sprake.

Frankrijk, Portugal en België vertoonden dan weer parallellen in de mate waarin de stay-behind tussenkwam in de koloniale kwesties. Met Italië zagen we hoe de CIA probleemloos rekruteerde in de oude fascistische kaders. Welnu, met Duitsland gingen zij hierin nog een stapje verder.

Toen de geallieerden Duitsland hadden overwonnen, controleerde het VS-leger als bezettingsmacht samen met de Franse, Britse en Russische legers het gehele territorium. Voor de VS waren de naoorlogse chaos in Duitsland ideaal om reeds in 1945 een eerste stay-behind netwerk op te zetten. Bovendien was het aanbod aan anticommunistische getrainde guerrilla er overvloedig. De VS gingen dan ook zonder scrupules over tot het rekruteren van voormalige nazi’s voor hun stay-behind netwerk.

Op bevel van het Pentagon werd het zopas opgerichte Counter Intelligence Corps (CIC) belast met zowel het opsporen van nazi’s voor de Nürnbergprocessen, als het selecteren van rechtse extremisten voor de stay-behind. In 1947 rekruteerde het CIC Klaus Barbie, die nadien bescherming genoot en zorgvuldig verborgen werd gehouden voor de onderzoekers die met het opsporen van oorlogsmisdadigers belast waren. Barbie stond tijdens de oorlog bekend als de "slachter van Lyon": tijdens zijn verblijf in Frankrijk van 1943 tot 1944 was hij verantwoordelijk voor de deportatie van 15.000 joden naar de concentratiekampen.

Klaus Barbie werd hoger reeds aangehaald in verband met zijn verblijf in ballingschap in Bolivië in het gezelschap van de Italiaanse terrorist Stefano Delle Chiaie. Toen de recuperatie van Barbie als CIA-spion werd ontdekt, waren de schijnwerpers dan ook zo op deze monsterachtige nazi gericht, dat het Amerikaanse departement van defensie aanvankelijk met de verklaring weg kon komen dat het hier om de enige ex-nazi ging. De ware toedracht, zoals in 1952 uitlekte, was evenwel nog schokkender. Eén van de meest prominente nazi’s die door het CIC werd gerekruteerd was niemand minder dan generaal Reinhard Gehlen.

Reinhard Gehlen

Generaal Gehlen startte zijn carrière in de geheime dienst onder Hitler toen hij in april 1942 hoofd werd van de Fremde Heere Ost (FHO) met als taak de Sovjetunie te bestrijden. Als verantwoordelijke voor de gruwelijke uithongering en foltering van 4 miljoen sovjet-gevangenen, besefte Gehlen dat hij onvermijdelijk bovenaan de zwarte lijst van de Sovjet geheime dienst zou staan. Toen het eenmaal tot hem doordrong dat Duitsland de oorlog aan het verliezen was gaf hij zichzelf aan bij het CIC.

Hij besefte dat zijn informatie voor de VS van nut kon zijn, en speelde die uit als vrijgeleide. Op het einde van de oorlog had hij immers het extensieve archief van de FHO over de USSR op microfilm gezet en vervolgens in de Oostenrijkse Alpen begraven. Na verschillende weken gevangenis door het CIC ontmoette hij generaal Edwin Luther Siber, aan wie hij zijn geheim verklapte. Siber was danig onder de indruk en zou in de toekomst bepalend worden voor de carrière van Gehlen. Hij introduceerde deze ex-nazi bij diverse hoge officiële vertegenwoordigers van de Amerikaanse inlichtingendiensten zoals Walter Bedel Smith (directeur van de CIA van 1950 tot 1953) en andere OSS- en CIA-vertegenwoordigers zoals William Donovan, Allen Dulles, Franks Wisner (die via de OPC de stay-behind in Europa installeerde).

De microfilms werden opgegraven en naar Washington overgebracht. President Truman was zo onder de indruk dat hij Gehlen, en in zijn gevolg een groot deel van diens nazi- netwerk, hoofd maakte van de eerste naoorlogse Duitse geheime dienst, Organisation Gehlen (ORG).

Na verloop van tijd traden honderden andere voormalige Duitse officieren in Gehlens voetsporen en sloten deals met de VS en Groot-Brittannië. Maar Gehlen zou de geschiedenis ingaan als de belangrijkste van allemaal. Het ORG hoofdkwartier kwam met financiële steun eerst nabij Frankfurt te liggen, vervolgens nabij München in het voormalige Waffen SS-trainingskamp Pullach.

CIA en ORG ondertekenden een samenwerkingscontract en alle 150 agenten van Gehlen werden door de CIA in file gezet. De Duitse inlichtingendienst was aldus stevig in Amerikaanse handen, maar Gehlen werd beschouwd als de spirituele vader van de Duitse stay-behind en zijn rol hierin was van meet af aan gekend door Konrad Adenauer.

In tegenstelling tot elders in Europa werd een deel van het geheime CIA stay-behind netwerk in Duitsland reeds in 1952 gelekt, en wel door een voormalig SS-officier, Hans Otto. De publieke opinie was diep geschokt en een politieonderzoek werd ingesteld. Twee lokale diensten te Hesse werden vervolgens ontmanteld, de Bund Deutsches Jugend en de Technische Dienst.

De werkelijke Duitse stay-behind en inlichtingendienst ORG van Gehlen kwam echter zonder kleerscheuren uit dit verraad, dankzij de hoge bescherming van de CIA. Gehlen bleef in dienst en in 1956 werd de ORG getransformeerd tot de BND. Pas met de ministers Kurt Georg Kiesinger en Willy Brandt werd de BND aan een serieus onderzoek onderworpen, wat leidde tot het ontslag van Gehlen in 1968.

Dit resulteerde evenwel niet in de opheffing van de stay-behind in Duitsland. In 1955 was Duitsland immers lid van de NAVO geworden en net als alle andere stay-behind netwerken werd ook het Duitse netwerk geïntegreerd in de NAVO-plannen voor een geheime onorthodoxe oorlog, die boven de nationale soevereine regeringen werd georkestreerd.

8,288

(0 replies, posted in Andere Personen)

Abdelhaq Melloul-Khayari was de luitenant van Hassan Maâche en heeft een lange staat van dienst in de Belgische onderwereld. 

Net als Sekkaki is de 42-jarige Abdelhaq Melloul-Khayari met deze ontsnapping niet aan zijn proefstuk toe. In 1992 wandelde hij al eens de gevangenis van Verviers buiten, terwijl hij zich voordeed als zijn broer. Hij was op dat moment veroordeeld tot veertien jaar cel wegens een reeks overvallen. 

In de jaren tachtig en negentig was Melloul de luitenant van Hassan Maâche, de baas van de beruchte bende Maâche. Die was gespecialiseerd in zeer gewelddadige overvallen, onder meer op geldtransporten. De bende was de zwaarste die ons land ooit heeft gekend, naast bende Haemers. De bende Maâche was ook verantwoordelijk voor een golf van overvallen waarbij met vrachtwagens geldautomaten uit de muur werden gerukt.

Na zijn ontsnapping uit Verviers werd Melloul weer ingerekend en in 2005 kwam hij vrij. Maar na drie jaar ging het terug richting gevangenis. Vorig jaar pakte de politie hem op na een wilde achtervolging op de Brusselse Ring, waarbij Melloul met een kalasjnikov naar een politiehelikopter had geschoten. Samen met een kompaan was Melloul op de terugweg van de overval op de Record bank in Ronse.

Begin dit jaar werden de twee veroordeeld tot 8 en 7 jaar cel, voor in totaal vijf overvallen. Abdelhaq Melloul-Khayari kreeg de zwaarste straf. Hij bekende dat hij de helikopter had beschoten. Melloul, van Brusselse afkomst, stamt uit een beruchte Brusselse gangsterfamilie. De vier broers Khayari en de broers Maâche groeiden op rond het Tulpplein in Elsene en evolueerden van jongerenbende tot zware gangsterbende. 

Ook de vier andere broers Khayari zijn betrokken geweest bij gewelddadig banditisme. In 1990 werden twee van zijn broers doodgeschoten bij een overval op een Brusselse wisselagent. De wisselagent was een ex-paracommando die zich niet zomaar liet overvallen en dat ondervonden de broers. Zijn broer Redouan werd in 1998 bij verstek tot negen jaar veroordeeld wegens gewelddadige overvallen. Zijn vierde broer Fouad liep in totaal acht jaar cel op wegens gewapende overvallen.

Bron: De Standaard

8,289

(17 replies, posted in Bende Farcy)

Ben wrote:

Daarnaast had hij ook goede contacten met Léon De Staerke.

Hij hielp Philippe De Staerke en zijn familie meer dan eens bij kleinere diefstallen. In 1982 vluchtte Lippens naar Frankrijk, waar hij in Perpignan een villa kocht. Daar werd hij later door commissaris Frans Reyniers gearresteerd.

8,290

(54 replies, posted in 1983)

noorderling wrote:

Volgens het Overzichtsschema is de Peugeot 504 die gebruikt is voor de overval in Genval ook betrokken bij deze diefstal.

De Waterloo op het schema is niet deze Waterloo. Daarmee duiden ze enkel de vindplaats van de Peugeot 504 aan.