In het boek Beetgenomen heeft Hilde Geens het ook uitgebreid over Delhuvenne:
Delhuvenne had zijn kantoor in een burgerhuis vlak bij de Tervurenlaan in Brussel. De rolluiken waren er naar beneden. Het was er schemerig en unheimlich, en ik kreeg het gevoel dat ik de set van "De derde man", de spionageklassieker met Orson Welles, binnenstapte. De moeder van de advocaat stommelde zwijgend voor ons de smalle trap op naar boven, de zoon praatte tot hij er blauw van zag. We zijn er een keer of vier langs geweest en het werden altijd lange nachten.
De advocaat vertelde zijn roman fleuve met monotone stem en ik zou zijn ingedut als zijn verhalen niet zo ijzingwekkend waren. Op strategische momenten plaatste hij stiltes, maar die duurden nooit lang omdat hij gewoon niet kon zwijgen. Zijn steelse blikken en zijn afgemeten pauzes waren besmettelijk en de eerste uren nadat ik bij hem vandaan kwam, vond ik alles en iedereen verdacht.
Delhuvenne beschreef tot in het kleinste detail de Brusselse burgerij, waarin hij als zoon van een topambtenaar gepokt en gemazeld was, en de verwevenheid van dat milieu met de Belgische onderwereld. Op een dag namen we plattegronden mee die een in Nederland van de trein gegooide, kaalgeschoren Brusselse arts – slachtoffer van een uit de hand gelopen drugstransactie, beweerde hij – had zitten schetsen terwijl hij in een grenspensionnetje herstelde van zijn kneuzingen en op een nieuwe bril zat te wachten. Dat was tenminste het verhaal dat die boom van een man aan de opticien had gedaan, aan wie hij voor hij vertrok zijn oeuvre had gegeven en die het aan ons had doorgespeeld, met zo veel angst in zijn ogen dat hij zijn eigen naam niet wilde zeggen.
Elk van de tekeningen gaf een plek weer die belangrijk was in het bendeonderzoek, Ukkel, Ronquières, Court-Saint-Etienne enzovoort, en op allemaal stonden adressen waar drugs te koop waren, en adressen van BOB-kantoren en namen van verdachten en getuigen in het dossier. Bij elk van die namen had Delhuvenne een verhaal van een paar uur.
Toen ik deze advocaat leerde kennen, was hij een zinkend schip waarvan alleen de boeg nog boven water stak. Discretie was niet zijn sterkste punt en dat werd hem door zijn milieu niet in dank afgenomen. Van raadsman van onder meer prins Jan van Luxemburg – zijn woorden – gleed hij in blitztempo verder af. Hij werd beschuldigd van de verkrachting van een minderjarig meisje, belandde in voorarrest in de gevangenis, maar werd vrijgesproken. Hij verloor zijn cliënten en zijn reputatie.
Er werd een val voor hem opgezet om hem te betrekken bij de moord op gewezen PS-voorzitter André Cools (zijn verhaal was plausibel volgens de belangrijkste speurder in dat onderzoek). Hij werd beschuldigd van en veroordeeld voor gesjoemel met vastgoed. Zijn vriendin, die uit het beruchte Roze Ballettennetwerk kwam van hoerenkoningin Lydia Montaricourt, gaf hem aan voor pooierij en, het kon nog erger, op een dag was ze dood en totdat een aannemer en zijn zoon werden opgepakt en veroordeeld, was de advocaat een verdachte.
De laatste keer dat ik Delhuvenne zag, dook hij schichtig op van achter een pilaar in brasserie Falstaff met een gebreide muts op zijn kop. Hij zag eruit als een kleurloze paranoïde kabouter.