Van het schrift naar een belangrijke nieuwe piste: Marc Goesens
Het schrift staat niet op zichzelf. Zodra je het opnieuw zijn werkelijke belang geeft, leidt het rechtstreeks naar een andere belangrijke piste: de para-commando Marc Goesens.
Aanvankelijk doet Bille precies wat je van een onderzoeker zou verwachten die het oude dossier opnieuw ernstig onderzoekt.
In een PV van 15 januari 1997 noteert hij onder de rubriek “DEVOIR À EFFECTUER” onder meer:
« Recherches du groupe sanguins de ces personnes (armée belge). »
Met andere woorden: nagaan welke bloedgroep deze personen hadden, onder meer via het Belgische leger.
Dat was geen vrijblijvende onderzoeksdaad. Er bestond immers een concreet vergelijkingspunt: het sperma dat bij Christine was aangetroffen, was afkomstig van iemand met bloedgroep A, secretor.
Marc Goesens had bloedgroep A+.
Dat betekent uiteraard niet dat hij daarmee geïdentificeerd is als donor van het sperma. Een bloedgroep kan iemand alleen uitsluiten of als mogelijk compatibel aanwijzen. Voor een individuele identificatie zou DNA-onderzoek nodig zijn geweest.
Maar binnen de context van dit dossier was die mogelijke compatibiliteit wel degelijk belangrijk.
Marc Goesens dook namelijk niet toevallig ergens in de marge van het onderzoek op. Verschillende elementen rond Christine wezen al in de richting van een jonge para-commando met de voornaam Marc.
Christine had zelf in haar correspondentie melding gemaakt van een parachutist die zij had ontmoet. Een vriendin had verklaard dat Christine onlangs een “Marc” had leren kennen. Een andere verklaring vermeldde dat zij bij metrostation Pétillon een parachutist zou ontmoeten. En er was ook een getuige die verklaarde Marc Goesens met Christine te hebben zien praten.
Daarom is het des te opvallender wat er in 1997 gebeurt.
Wanneer Aimé Bille Marc Goesens opnieuw verhoort, vraagt hij hem blijkbaar niet eens rechtstreeks of hij Christine kende.
Dat is opmerkelijk, omdat bepaalde gegevens over Goesens zelfs in Christines eigen schrift voorkwamen, onder meer dat hij para was geweest en naar Corsica was gegaan voor oefeningen.
Volgens de synthese van Bille was Goesens diezelfde vraag in 1984 overigens wel gesteld, en had hij toen ontkend Christine te kennen.
De synthese van Vergnon neemt op pagina 658 het verhoor van Goesens door Aimé Bille van 8 juni 1997 over:
« 151.935 08/06/97 BILLE
AUDITION de GOESENS Marc (10/12/62)
Il fréquentait le café “LES BOUFFONS”
Sur photos il reconnaît CHRISTINE
Il a été au 3° Para à TIELEN - groupe sanguin A+
Il a été à la Légion de 85 à 90
[..]
Dans le carnet de CHRISTINE il était fait mention du fait qu’il est para, qu’il est allé en CORSE et d’autres manoeuvres
[..]
GOESENS a été identifié suite à la déclaration de LAMARQUE Dominique
GOESENS se prénomme MARC et a été aux para-commandos
[..] »
Dit fragment bevat een aantal behoorlijk belangrijke elementen.
Goesens kwam in café Les Bouffons, hij herkende Christine op foto, hij had gediend bij het 3de Para in Tielen, hij had bloedgroep A+, en in Christines schrift stonden gegevens die overeenkwamen met zijn persoonlijke parcours: dat hij para was en dat hij onder meer in Corsica oefeningen had gedaan.
Maar hier ontstaat ook een bijzonder ongemakkelijke vraag: hoe kon Bille eigenlijk weten wat er in dat schrift over Goesens stond?
Eerder beschrijft hij het in zijn synthese immers als een schrift met “feuilles quadrillées vierges” — blanco ruitjesbladen.
Toch schrijft hij hier zelf dat in Christines schrift concrete informatie stond over Goesens: dat hij para was, naar Corsica was geweest en aan andere manoeuvres had deelgenomen.
Als dat over hetzelfde schrift gaat, zijn die twee voorstellingen nauwelijks met elkaar te verzoenen.
De meest voor de hand liggende verklaring is dan dat Bille wel degelijk beschikte over, of kennis had van, de inhoud van het schrift dat in het kraakpand aan Brand-Witlock was gevonden.
En als dat zo is, wordt zijn eerdere omschrijving van dat schrift als bestaande uit “blanco ruitjesbladen” nog moeilijker te begrijpen.
Dat maakt de vraag of Christine en Goesens elkaar werkelijk kenden veel belangrijker dan de synthese uiteindelijk doet vermoeden.
Er is bovendien nog een ander gevolg.
Het profiel A secretor past niet bij een specifiek onderdeel van de verklaringen van Regina Louf. Zij verklaarde dat vijf personen Christine zouden hebben verkracht, onder wie Michel Nihoul en Marc Dutroux.
Maar zowel Nihoul als Dutroux hadden bloedgroep O.
Zij konden dus niet de donor zijn van sperma dat afkomstig was van iemand met bloedgroep A secretor.
Dat bewijst op zichzelf niets over wie de donor dan wél was. Maar het verzwakt wel dat specifieke onderdeel van Loufs verklaring, terwijl Goesens op ABO-niveau juist niet werd uitgesloten.
En precies daarom lijkt mij de piste-Goesens veel belangrijker dan zij later in het dossier is voorgesteld.