Oplichters: criminelen zonder scrupules
Een andere categorie van parasieten zijn de oplichters. Het voor ons bekendste voorbeeld in dit dossier is Peter Van Haperen. Lange tijd op dit forum actief onder de naam "Insider", nu niet meer welkom.
Peter van Haperen is niet zomaar een “omstreden getuige”, maar iemand met een lange geschiedenis van fantasieverhalen, dubieuze claims en beschuldigingen van oplichting. Dat maakt het bijzonder problematisch dat Douglas De Coninck hem gebruikt als bron in een artikel over de vermeende geënsceneerde dood van Madani Bouhouche.
Van Haperen dook jarenlang op in verhalen rond staatsgrepen, geheime operaties en internationale complotten. In Suriname presenteerde hij zichzelf als ex-commando en medewerker van Nederlandse militaire inlichtingendiensten. Hij beweerde betrokken te zijn geweest bij plannen om het regime van Desi Bouterse omver te werpen. Volgens zijn eigen versie van de feiten zou hij in de jaren tachtig huurlingen hebben getraind, wapens hebben geregeld en betrokken zijn geweest bij een geheime invasieoperatie waarbij ook Belgische doodseskaders een rol speelden.
Dat verhaal bevatte echter hoogstens een beperkte kern van waarheid, maar dan uitsluitend in de context van een oplichtingsconstructie. In Nederland bestond destijds effectief een kleine kring van fanatiekelingen met een uitgesproken anti-Bouterse ideologie. Dat moet ook gezien worden in de context van de relatief grote Surinaamse gemeenschap in Nederland en de politieke spanningen van die periode. Men kan dit vergelijken met een hypothetische situatie waarin zich in België rond 1960 een kleine groep burgers had georganiseerd met als droomscenario de afzetting van Patrice Lumumba om vervolgens een Belgischgezinde regering te installeren.
Van Haperen speelde handig in op die ideologische overtuigingen. Hij benaderde leden van die groep onder een valse hoedanigheid en presenteerde zichzelf als een soort “geheime” trainer, organisator en contactpersoon met banden binnen Nederlandse militaire structuren. Hij beweerde kandidaten te rekruteren voor deelname aan een staatsgreep in Suriname en stelde dat zij na een korte, intensieve opleiding zouden worden ingezet, bewapend en begeleid richting Suriname.
Om zijn verhaal geloofwaardig te maken organiseerde hij effectief trainingssessies, onder meer rond gevechtstechnieken. Die vonden plaats op een terrein naast een militair domein, maar in werkelijkheid ging het om publiek toegankelijk terrein. Door die locatie zorgvuldig te kiezen, wekte hij bewust de indruk dat de activiteiten een officiële militaire achtergrond hadden. Dat soort mise-en-scène paste perfect binnen zijn methode: genoeg militaire symboliek gebruiken om indruk te maken op mensen die zelf weinig zicht hadden op echte militaire structuren.
Voor de organisatie van de operatie, en vooral voor de vermeende aankoop van wapens, was volgens Van Haperen financiering nodig. Daar zat het eigenlijke oplichtingsmechanisme. Hij bouwde een schijnbaar geloofwaardig verhaal op om geld los te krijgen onder het voorwendsel dat dit nodig was voor een “hoger doel”. De deelnemers werd voorgehouden dat het geld niet voor persoonlijk gebruik bestemd was, maar diende voor de uitvoering van de staatsgreep, mogelijk zelfs met de impliciete belofte dat zij later beloond zouden worden zodra het regime was omvergeworpen.
Wie daar kritisch over nadenkt, merkt uiteraard meteen hoe absurd dat verhaal eigenlijk was. Een overheid of geheime dienst die werkelijk een staatsgreep organiseert, gaat normaal gezien geen geld inzamelen bij burgers om wapens te kopen. Maar precies daar spelen oplichters op in: ze verklaren zulke inconsistenties met argumenten als “het mag nergens officieel geregistreerd staan” of “alles moet volledig clandestien gebeuren”. Dat soort redeneringen klinkt geheimzinnig en plausibel genoeg om goedgelovige mensen mee te krijgen.
Nadat de groep fondsen had verzameld en overgemaakt aan Van Haperen, verdween hij met het geld. De zogenaamde commando-operatie bleek niets meer dan een opgezette zwendel. Wanneer Van Haperen jaren later beweerde dat hij effectief een commando-eenheid had samengesteld met het oog op een staatsgreep in Suriname, bevatte dat dus enkel een element van waarheid in de zin dat hij mensen had samengebracht binnen een fictief operatieverhaal dat in werkelijkheid diende om hen financieel op te lichten.
Dat patroon is belangrijk, want exact dezelfde technieken keren later opnieuw terug in zijn communicatie met Douglas De Coninck. Ook daar profileerde Van Haperen zich als iemand met exclusieve contacten, geheime informatie en toegang tot verborgen netwerken. Hij beweerde dat hij Bouhouche in Spanje zou kunnen opsporen omdat hij “de juiste mensen” kende. Aanvankelijk werd daarbij benadrukt dat hij het zogezegd “niet voor het geld deed”, maar uiteindelijk kwam opnieuw hetzelfde mechanisme naar boven: reizen naar Spanje, contacten aanspreken en onderzoek voeren zouden uiteraard geld kosten en moesten dus gefinancierd worden. Het verschil met de Suriname-affaire is vooral dat men hier blijkbaar niet verder op dat voorstel is ingegaan.
Die werkwijze zie je trouwens vaker bij fantasten en oplichters die zich in de sfeer van geheime diensten, militaire operaties en complotten bewegen. Ze strooien met namen van hogere officieren, obscure militaire functies of vermeende insiders die voor buitenstaanders moeilijk controleerbaar zijn. Juist daardoor maken ze indruk. Mensen denken dan: “Die naam kan hij alleen kennen als hij echt verbonden is met die wereld.” In werkelijkheid waren zulke namen vaak perfect terug te vinden in publieke bronnen zoals militaire tijdschriften, het Staatsblad of andere officiële publicaties. Vandaag kan men dat snel online controleren, maar in de jaren tachtig was diepgaande verificatie voor de meeste mensen veel moeilijker.
Zelfs uiterlijk speelde Van Haperen volgens sommige getuigen bewust een rol. Hij droeg militaire kledij die gemakkelijk verkrijgbaar was in winkels zoals een Stock American, maar tegelijk merkten sommigen op dat hij helemaal niet de uitstraling had van een echte commando. Zo werd onder meer gewezen op zijn haarsnit, die veel te lang was voor iemand uit een professionele commando-eenheid, waar een zeer korte militaire coupe eerder de norm was. Dat soort details lijkt banaal, maar toont hoe zijn imago vooral steunde op oppervlakkige symboliek en gecreëerde indrukken.
Het Nederlandse ministerie van Defensie verklaarde bovendien expliciet dat Van Haperen niet voorkomt in de personeelsbestanden en dat men hem daar niet kende. Ook in Suriname zelf werd hij door verschillende betrokkenen omschreven als een fantast. Nabestaanden van de slachtoffers van de Decembermoorden en critici van Bouterse noemden hem zelfs openlijk een “notoire oplichter”.
Dat patroon is cruciaal. Van Haperen lijkt telkens op te duiken in dossiers waar grote complotten, geheime diensten en spectaculaire theorieën circuleren. Zijn verhalen zijn sensationeel, moeilijk controleerbaar en draaien opvallend vaak rond zijn eigen vermeende centrale rol. Daardoor is hij precies het soort figuur dat aantrekkelijk wordt voor complotdenken: iemand die beweert toegang te hebben tot verborgen informatie die niemand anders kan verifiëren.
Dat maakt het journalistiek bijzonder onverantwoord om hem als geloofwaardige bron op te voeren in een dossier als dat van Bouhouche. Zeker wanneer het gaat over zware beweringen zoals het in scène zetten van een overlijden. Zo’n hypothese vereist harde bewijzen: officiële documenten, forensische elementen, controleerbare getuigenissen of concrete materiële aanwijzingen. Niet het woord van iemand die al decennia gelinkt wordt aan fantasieverhalen en oplichtingspraktijken.
Bovendien toont dit opnieuw een fundamenteel probleem in een deel van de berichtgeving rond de Bende van Nijvel: spectaculaire theorieën krijgen soms meer aandacht dan kritische broncontrole. Wanneer journalisten zich laten meeslepen door kleurrijke figuren als Van Haperen, vervaagt de grens tussen ernstig onderzoek en sensatie. Dat is des te problematischer in een dossier dat al decennialang gebukt gaat onder mythes, desinformatie en zelfverklaarde “insiders”.
Het wrange is dat een minimale achtergrondcheck al voldoende was geweest om ernstige vragen te stellen bij de geloofwaardigheid van Van Haperen. Wie enkele minuten zoekt, vindt meteen artikels over zijn dubieuze verleden, zijn onbewezen claims over geheime operaties en de controverse rond zijn rol in Suriname. Dat net zo iemand vervolgens wordt gebruikt om nieuwe speculaties rond Bouhouche kracht bij te zetten, zegt uiteindelijk misschien meer over de journalistieke methode van De Coninck dan over Bouhouche zelf.