1

(48 replies, posted in Onderzoeksdaden)

Darty wrote:

Waarom legt het parket geen beslag op zijn (eigen) paperassen (of die van de politie of rijkswacht) onder Bouten? Dan ben en blijf je als dienst wel een enorme loser, maar wordt geen enkel beroepsgeheim geschonden.

Zoals ik het begrijp is het probleem dat er zaken ontbreken in het dossier dat de cel (magistraten en politie) heeft, waarvan zij vermoeden dat die ooit in het strafdossier zaten waarvan een integrale (?) kopie aan het slachtoffer werd bezorgd.

Aan de heer Bouten werd daarentegen volgens mij nooit een integrale kopie bezorgd. Ik weet ook niet waarop Bouten zijn beweringen steunt dat men juist naar die pv's op zoek is. Indien dat het geval mocht zijn lijkt het inderdaad veel gemakkelijker om deze aan Bouten zelf te vragen, die volgens mij geen enkel probleem zou hebben om kopies te bezorgen.

Welk beroepsgeheim zou zijn geschonden? Uiteraard zou enige briefwisseling tussen het slachtoffer en haar advocaat die in beslag zou genomen onder het beroepsgeheim vallen, waardoor dit moet worden teruggegeven, maar welke andere beroepsgeheimen zouden zijn geschonden?

Ik begrijp eigenlijk nog altijd niet goed of de cel wéét wat (welke pv's) ze zoeken, dan wel of men gewoon beseft dat er veel weg is en dit dossier op deze manier tracht weder samen te stellen zonder concreet te weten wat allemaal momenteel ontbreekt.

2

(48 replies, posted in Onderzoeksdaden)

kabouterpiet wrote:

De speurders zijn toch niet meer aan het onderzoeken met het idee dat er ooit een proces komt. Ze zijn louter nog opzoek naar de daders en het ware motief. Na 35 jaar kan je de verdachten geen eerlijk proces meer garanderen. Alibi's zijn haast niet meer te controleren en je moet al zeker zijn dat je de juiste personen voor de rechtbank brengt. Voor het zelfde geld verdenk je onschuldige personen en deze kunnen zich amper verdedigen. Er is een reden waarom misdaden verjaren.

Ik vrees dat deze actie inderdaad een zoveelste bevestiging is van het feit dat enig proces alleen kan uitdraaien op een vrijspraak omwille van de onmogelijkheid om nog een eerlijk proces te houden. Als het parket zijn eigen strafdossier al moet gaan wedersamenstellen door de kopies die ooit aan de slachtoffers werden gegeven opnieuw op te vragen, dan zal het niet moeilijk zijn voor de raadsmannen van de beschuldigden om het gebrek aan geloofwaardigheid van het strafdossier aan te tonen.

Ikzelf vrees dat al sinds lang, en dit nieuws sterkt die overtuiging alleen.

De magistraten zelf vrezen dit volgens mij ook, hetgeen mij eigenlijk benieuwd maakt naar hun beweegredenen voor deze demarche. Hoewel zijzelf en de speurders hoogstwaarschijnlijk niet persoonlijk de oorzaak zijn van het kwijtraken van de ontbrekende documenten moeten ze zelf toch ook beseffen dat hun eigen geloofwaardigheid mee ondergraven wordt. Waarom dan toch overgaan tot deze werkwijze ? Ik leidt daaruit af dat ze toch denken dat er wel eens iets belangrijk in dat dossier kan steken.

Hoewel de inbeslagname van het dossier op zijn minst te zeggen onorthodox is, is het volgens mij niet illegaal. Een inbeslagname is volgens artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering mogelijk voor "alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te brengen". Welnu, de stukken die het slachtoffer onder zich had kunnen worden beschouwd als zaken die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Uiteraard zou het wel begrijpelijk zijn als de advocaat van mevrouw Callebaut zich tegen de inbeslagname verzet. Dan zal waarschijnlijk ook duidelijker worden wat de speurders precies dachten te vinden in het dossier.

Wat de overheveling van het dossier van Dendermonde betreft, twee professoren hebben zich daar indertijd over gebogen en kwamen toen tot de conclusie die Ben aanhaalt. Het dossier zou niet onwettelijk zijn ontnomen. Het verhaal van de overheveling en de juridische aspecten ervan zijn uiteengezet in de documenten van de Tweede Bendecommissie. Ik verwijs verder naar post 273 in het onderwerp "snelle vragen" (van 14 januari 2020).

3

(27 replies, posted in Vragen)

robert wrote:

Ik vermoed dat Pint eerder verwees naar de gebruikte wapens dan naar de schietkunsten.

Pint werd verhoord n.a.v. de tweede Bendecommissie over zijn uitspraken en daarover staat in de documenten van die Bendecommissie het volgende:

Pint maakte er ook in zijn verhoor geen geheim van dat hij op 9 november 1985, nadat hij ter plaatse had gehoord hoe er was opgetreden tijdens de aanslag op de Delhaize te Aalst, her en der de vraag had opgeworpen: "Het waren toch niet de onzen?", omdat de manier van optreden van de kerels in Aalst een tacktiek was die aangeleerd werd binnen de groep Dyane." Hierom had hij ook onmiddellijk actie ondernomen toen hij thuiskwam: "Ik ben thuis gekomen, heb naar generaal Bernaert gebeld en hem gevraagd om de ganse groep Dyane te checken en door te lichten, omdat ik mij niet van de indruk kon ontdoen dat de gebruikte tactiek bij de overval ontzettend geleek op wat wij hadden aangeleerd in de groep Dyane. Achteraf heeft men mij gezegd dat dat gebeurd is in een weekend en dat er langs die kant geen enkele aanduiding werd gevonden."

Bron: Verslag Tweede Bendecommissie, Bijlage V. Een nadere analyse van enkele controversiële kwesties aan de hand van getuigenverhoren en aanvullende onderzoeken, 235).

Hij verwijst dus wel naar "tacktiek" en "de manier van optreden". De vraag die ik mij dan stel is: wat heeft Pint dan gehoord over hoe er was opgetreden? Hij heeft verhaal op 9 november 1985 ter plaatse zelf meegekregen. Hoe kon hij dan een zicht hebben op de manier van optreden? Hoe kon hij toen bv. weten hoe welke dader zich bewoog en welke posities de overvallers steeds innamen? Over dergelijke zaken kan men eigenlijk pas uitsluitsel hebben na een reconstructie of minstens een uitgebreid verhoor van alle getuigen.

Een dergelijke oefening (wie trok op basis van welke gegevens op welk ogenblik welke conclusie?) wou ik dus ooit eens maken voor elke terug te vinden uitspraak i.v.m. de schutterskunsten van de Bende.

coconut wrote:

Opmerkelijk dat je in je "beschouwingen" net die drie aanhaalde. De eerste was een lid van het SIE, de derde verdacht leden van het SIE en de tweede was lid van het groepje waar Bouhouche zo graag mee op stap ging (en nog liefst van al in ganzenpas). Kunnen we daar uit afleiden dat Pint de meest geloofwaardige getuige zou kunnen zijn?

Neen. De geloofwaardigheid van een getuige kan niet afhangen van de conclusie die hij trekt en de mate waarin die overeenstemt met de eigen mening.

We zouden moeten kijken wat Pint daadwerkelijk weet en wist over de manier van optreden. De SIE getuige op het proces van de Borains zou een grondige uitleg hebben gegeven op basis van de posities bij de schietpartij, dat maakt zijn stelling in zekere zin meetbaar en verifieerbaar. Indien we zijn uitleg kennen kunnen we die bv. voorleggen aan militair getrainde vrienden en kennissen en vragen of wat gezegd is ook klopt.

Een dergelijke oefening moet natuurlijk beginnen zonder een bevooroordeeld standpunt. Indien de conclusie die op het einde zal worden getrokken eigenlijk al vaststaat voor eraan wordt begonnen, dan heeft al die moeite weinig zin.

4

(27 replies, posted in Vragen)

robert wrote:

Hetzelfde eigenlijk met de bewering dat het om erg getrainde schutters gaat; Blijkbaar zouden bij de overval op de juwelier vele schoten zijn afgevuurd op een vrouw die in de zetel lag van korte afstand en de meeste waren er naast. Verder moet je niet echt een geoefende schutter zijn om mensen van een paar meter te treffen met een riotgun. Om zoiets in koelen bloede te doen moet er wel iets niet juist zijn in de bovenkamer of flink onder invloed van een of ander. Het "schieten op al wat beweegt" zoals in Aalst wijst volgens mij ook meer op druggebruik dan op practical shooting. 

Ook de keuze van riotguns lijkt me in die richting te wijzen, op korte afstand tegen ongewapende mensen is dit een zeer doeltreffend wapen.

Ben benieuwd naar jullie opinie over deze zaken.

De vraag of de Bende van Nijvel nu kunnen catalogeren als ("militair"?) geoefende schutters dan wel als een stel amateurs is een vraag die mij reeds geruime tijd intrigeert. Ik heb mij (reeds lange tijd geleden) eens voorgenomen om dit aspect dieper te analyseren door de beschikbare literatuur en openbare documenten te bestuderen en de verschillende argumenten en observaties naast elkaar te leggen en te bestuderen wie wat wanneer waarover heeft gezegd. Dit blijft voorlopig slechts een verre toekomstdroom.

In elk geval lees en hoor ik vaak dat de Bende ("overduidelijk") "militair" en "geoefend" tekeerging, doch zonder dat dit goed onderbouwd wordt met voorbeelden en observaties uit reconstructies etc.

Hilde Geens was hierover eerder sceptisch in haar boek en haalt o.a. journalist Gérard Rogge aan die vertelde dat tijdens het proces tegen de Borains een lid van SIE getuigde dat het zogenaamde kruisvuur na de overval te Nijvel bijzonder amateuristisch was en dat de schutters geen idee hadden over de juiste posities die ze hadden moeten innemen om niet op elkaar te schieten. Hij schijnt dit uitgebreid te hebben aangetoond. Ook Fons Baeyens, een practical shooter, vertelde dat de Bende hem slechts een stel amateurs leek.

Anderzijds zou Pint, oprichter van het SIE, op een bepaald moment hebben gedacht dat het wel leden van het SIE zouden kunnen zijn.

Voer voor onderzoek en discussie dus.

5

(142 replies, posted in Andere)

De referenties naar de publicaties van Faradec in het Staatsblad zijn terug te vinden op » www.ejustice.just.fgov.be

Uit de referenties blijkt dat in 1985-1986 de zetel van Faradec werd verplaatst van Hoeilaart naar Mortsel.

Volgende maand verschijnt het boek Geheim België. De geschiedenis van de inlichtingendiensten 1830-2020 van Kenneth Lasoen.

Over het boek:

De spannende geschiedenis van de Belgische geheime diensten

Met haar oprichting in de eerste dagen na de onafhankelijkheid, is de Belgische Veiligheid van de Staat de op een na oudste inlichtingendienst ter wereld. Alleen die van het Vaticaan is ouder. Ondanks die lange en vaak roemruchte geschiedenis blijft de rol van de Staatsveiligheid en haar militaire tegenhanger in de werking van de Belgische staat sterk onderbelicht. Dit boek vult die leemte.

De auteur analyseert de invloed van de geheime diensten op het Belgische veiligheidsbeleid, de successen en de mislukkingen, en de uitdagingen van vroeger en nu. Centraal staat de vraag hoe de diensten gedurende bijna twee eeuwen zijn omgegaan met de staatsgevaarlijke elementen van hun tijd: de republikeinen, de Commune, het anarchisme, de Duitse expansiezucht, de Russische spionage, het internationale terrorisme.

Een nieuw referentiewerk met tal van ongelooflijke verhalen, die een geheel ander licht werpen op de politieke geschiedenis van België.

Product details:

  • Afwerking: Paperback

  • Aantal pagina's: 400

  • Afmetingen: 240x160

  • Verschijningsdatum: 12/05/2020

  • EAN: 9789401458191

  • Nur-code: Vaderlandse geschiedenis

  • Uitgever: Lannoo

  • Druk: 1

Zie » www.lannoo.be

7

(6 replies, posted in Bibliografie)

Ik heb in mijn post juist proberen uit te leggen waarom het verschil verdrag - akkoord zo belangrijk is. De regering had alleen een verplichting om bepaalde verdragen (zelfs niet elk verdrag) door het parlement te laten goedkeuren. Andere verdragen moesten alleen worden meegedeeld aan het parlement in die mate dat het belang en de veiligheid van de staat dat toelieten. U kunt dan wel zeggen dat er een verschil is tussen de "waarheid" en de "juridische waarheid", in deze is de enige relevante waarheid die laatste. Alleen bepaalde verdragen moesten kenbaar gemaakt worden, andere afspraken (zelfs verdragen) mochten geheim blijven volgens de grondwet.

Ik ga akkoord als u zegt dat het deels misleidend was. Het is echter hoegenaamd geen flagrante leugen. Dat is juist mijn punt. De heer Barbé kadert zijn betoog zo dat het lijkt alsof Eyskens heeft ontkend dat er een akkoord was. Dat is echter niet het geval

Het voorbeeld in verband met het coronavirus is dan ook niet vergelijkbaar. De zin "In Spanje zijn er in 24 uur tijd 849 mensen overleden aan de gevolgen van het coronavirus" is gewoon niet juist.

Ik wil nog begrijpen dat het punt i.v.m. Eyskens voor sommigen te juridisch klinkt. Hetgeen Barbé schrijft over het omzeilen door Spaak en de parlementsleden die de buitenlandse media niet volgens mij met eender welke bril niet ernstig te nemen. Spaak heeft op 3 juli 1947 het bestaan erkend van de akkoorden. Senator Glineur verwijst in zijn vraag zelf naar recente berichtgeving over uraniumleveringen. Advocaat of niet, zo is het nu eenmaal gegaan.

8

(6 replies, posted in Bibliografie)

De geschiedenis van de Belgische diplomatie i.v.m. uranium is inderdaad een uiterst interessant onderwerp. Ikzelf heb dit boek niet gelezen maar gezien het bovenstaande citaat vrees ik dat in dit boek de feiten niet altijd volledig waarheidsgetrouw zullen worden weergegeven.

Dit is de passage aangehaald door forumlid coconut:

Ze [de communisten] stellen vragen in de regering – waar ze enkele jaren deel van uitmaakten – en in het parlement. De minister van Buitenlandse Zaken Spaak omzeilt de lastige vragen·,maar eerste minister Gaston Eyskens vliegt uit de bocht. Op 18 augustus 1949, bijna vijf jaar na het ondertekenen van het eerste akkoord, wordt eerste minister Eyskens in de Senaat erover ondervraagd. De communistische senator Glineur stelt – heel terecht – dat die akkoorden de goedkeuring van het parlement vergen en wil uitleg van de regering. Eerste minister Eyskens ontkent formeel dat er geheime uraniumakkoorden zijn. “Ma déclaration est nette et formelle”, voegt hij er aan toe. Een eerste minister die zo flagrant liegt, dat gebeurt niet elke dag. Gelukkig voor hem las blijkbaar geen enkel parlementslid of journalist The New York Times van een maand eerder. Daarin stond zwart op wit te lezen dat de Verenigde Staten en België een akkoord over uranium gesloten hadden en dat er al duizenden tonnen geleverd waren. Zoals straks nog zal blijken, was dit niet de laatste leugen van een toppoliticus in een kernwapendossier.

Als we naar de bronnen kijken dan zien we dat de zaken toch enigszins anders verliepen. Hieronder ga ik er dieper op in. Op het einde van mijn post haal ik de vier fouten/onnauwkeurigheden kort samenvattend aan.

De communisten stelden inderdaad verschillende malen vragen i.v.m. de leveringen van uranium aan de VS. Op 3 juli 1947 gaf P.H. Spaak, de toenmalige eerste minister en minister van buitenlandse zaken het volgende antwoord op vragen van senator Glineur:

Eh bien, puisu’il n’y a plus qu’une chose qui vous intéresse, l’uranium, voici ce que j’ai à vous répondre. Il a été nécessaire, durant la guerre, d’assurer aux alliés une quantité aussi grande que possible de matériaux indispensables au développement de l’energie atomique. Dès lors, avec l’approbation complète du gouvernement belge, des arrangements furent conclus pour que les minerais d’uranium du Congo fussent mis à la disposition des Etats-Unis et du Royaume Uni.

D’après ces arrangements, les intérêts légitimes de la Belgique furent complètement sauvgardés. Ces conventions sont toujours en viguer et le gouvernement belge espère qu’un accord international sur le contrôle de l’énergie atomique interviendra bientôt, comme résultat des travaux de la commission instaurée auprès de l’O.N.U. (eigen onderlijning) (Vergadering Senaat 3 juli 1947, Handelingen Senaat 1946-1947, nummer 67, pagina 1239, tweede kolom.)

Verder weigerde Spaak in te gaan op verdere vragen van senatoren Glineur, Coenen en Sironval en zei hij dat ieder maar zijn conclusies mocht trekken uit zijn eerdere verklaring.

Spaak heeft dus het bestaan van een akkoord over de leveringen van uranium uitdrukkelijk bevestigd in 1947.

Dan naar de zogenaamde flagrante leugen van Eyskens. Om het antwoord goed te kunnen vatten moet eerst de vraag worden weergeven. Op 18 augustus 1949 wordt Eyskens, dan eerste minister, geconfronteerd met een vraag van diezelfde senator Glineur over verschillende onderwerpen, waaronder uranium. Senator Glineur verwijst naar recente onthullingen van “een Brits agentschap dat” (“une agence britannique révélait que ...”) tijdens de duur van een geheim akkoord (“accord secret”) 100.000 ton uranium aan een prijs van 9000 frank per ton werd geleverd aan de Verenigde Staten. Glineur verwijst naar artikel 68 van de toenmalige grondwet dat bepaalde dat bepaalde “verdragen” (“traités”), waaronder handelsverdragen (“traités de commerce”) moesten worden goedgekeurd door kamer en senaat. Vervolgens vraagt de senator of het juist is dat het geheim akkoord op 1 augustus zou zijn verlopen en wat in dat geval het beleid van de regering is. Dat deel van de vraag van Glineur is terug te vinden in Handelingen van de Senaat B.Z. 1949, nummer 6, pagina 69, tweede kolom.

Eyskens gaat in zijn eerste antwoord niet in op het uranium. Na een rappel aan het einde van de vergadering zegt Eyskens dan dit:

Je suis en mesure de déclarer à la Haute Assemblée qu’il existe aucun traité secret par lequel la Belgique se serait engagée à livrer à je ne sais quelle puissance étrangère de l’uranium ou n’importe quel produit similaire. Ma déclaration est nette et formelle (eigen onderlijning) (Hand. Senaat, B.Z. 1949, nummer 6, pagina 80, eerste kolom).

Een zeer belangrijk element en de crux van het antwoord van Eyskens is het gebruik van het woord “traité” i.p.v. het woord “accord”. Eyskens ontkent niet dat er een akkoord bestaat, hij ontkent dat er een verdrag bestaat dat aan de goedkeuring van het parlement onderworpen is.

Ik begrijp dat dit misschien overkomt als juridische muggenzifterij maar dit is wel degelijk een belangrijk verschil in de internationale diplomatie en het internationaal recht.

Een verdrag is namelijk opgesteld om de partijen te binden, zoals wanneer private personen een contract sluiten. In het internationaal recht bestaat nog een ander instrument waarin niet afdwingbare afspraken worden opgenomen. De meest voorkomende benaming is “Memorandum of Understanding” (MoU) of “Memorandum of Agreement”. In een dergelijk instrument nemen de landen bepaalde afspraken en clausules op die zij zeggen te zullen naleven, doch die hen niet binden. Dergelijke MoUs worden vaak gebruikt in technische en militaire kwesties. MoUs moeten namelijk normaalgezien niet worden voorgelegd aan het parlement omdat de staat zelf niet gebonden is, in tegenstelling tot een verdrag. Een MoU is in dat opzicht slechts een “gentlemans agreement”. Een nieuwe regering kan een MoU dan ook zonder probleem terzijde schuiven, i.t.t. een verdrag, dat de staat bindt ongeacht welke regering aan het hoofd staat. Het voordeel is dat dergelijke MoUs geheim kunnen blijven.

Het opschrift van het uraniumakkoord luidt “Memorandum of Agreement Between the United States, the United Kingdom and Belgium Regarding Control of Uranium. De positie van de Belgische regering was hoogstwaarschijnlijk dat het akkoord geen verdrag dat moest worden voorgelegd aan het parlement.

Of dat juist is of niet vereist een dieper juridisch onderzoek van het akkoord, waar ik thans geen tijd voor heb. In elk geval moeten bepaalde elementen in overweging worden genomen. Zo kon de regering van België zich eigenlijk niet binden tot de levering van het uranium om de eenvoudige reden dat het uranium in kwestie geen eigendom was van Belgie maar van Union Minière. Er bestond dan ook naast het uraniumakkoord met België een apart contract met Union Minière. De Belgische regering was blijkbaar niet op de hoogte van de inhoud van dat contract, alleen van het bestaan ervan. Verder bepaalt het akkoord ook uitdrukkelijk dat het moet beschouwd worden als een militair geheim. Het was dus absoluut niet de bedoeling van de partijen dat de inhoud ervan in de openbaarheid kwam.

Verder moet ook worden gekeken naar wat de grondwet indertijd uitdrukkelijk bepaalde i.v.m. verdragen. Artikel 68 luidde:

De Koning voert het bevel over land- en zeemacht, verklaart oorlog, sluit de vredes-,verbonds-en handelsverdragen.
Hij geeft er kennis van aan de Kamers, zodra het belang en de veiligheid van de Staat het toelaten, onder bijvoeging van de passende mededelingen. De handelsverdragen en de verdragen, waardoor de Staat zou kunnen worden bezwaard of Belgen persoonlijk gebonden, zijn slechts van kracht nadat zij door de Kamers zijn goedgekeurd. Geen afstand, geen ruiling, geen aanhechting van grondgebied kan plaats hebben dan krachtens een wet. In geen geval kunnende geheime artikelen van een verdrag de openbaar gemaakte artikelen te niet doen.

De grondwet zelf voorzag dus uitdrukkelijk dat verdragen geheim konden worden gehouden in het belang en voor de veiligheid van de staat. Hetgeen in dit geval zou kunnen worden geargumenteerd. Over de vraag of het akkoord een verdrag is dat aan het parlement moet worden voorgelegd kan worden gediscussieerd. Zo zou kunnen worden gezegd dat het nooit de bedoeling was dat het akkoord juridisch “van kracht” was, omdat het een soort gentleman’s agreement is. Verder erkende de grondwet ook de mogelijkheid om een verdrag goed te laten keuren dat geheime artikelen bevatten, voor zover die de openbare artikelen niet tegenspraken. Hetgeen nogmaals bevestigd dat de grondwet toestond dat bepaalde zaken geheim werden gehouden.

Dat het verschil tussen het woord “accord” en “traité” belangrijk was wordt verder bevestigd in Amerikaans diplomatiek verkeer. Hieronder een passage uit een memo van een Amerikaanse ambtenaar aan de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken:

1. Following the Blair House meeting on July 16th there was a considerable flurry of comment on the uranium question in both the leftist and rightist Belgian newspapers, most of it quite inaccurate as to such details as tonnages exported and duration of the agreement, which, unfortunately, served to reawaken Belgian sensitivity to the problem of distribution of Congolese uranium.

2. The press furor had about quieted down when, on August 18th, Prime Minister Eyskens in answer to questioning by a Communist senator made the very surprising statement: “No secret treaty exists with any foreign country whatever for the purpose of delivering to it uranium or any other raw material. My declaration is forthright and formal.” Both Sengier and Millard believe it inconceivable that Eyskens could be ignorant of the agreement and that he was probably making a play on the word treaty as distinguished from agreement. However, it is most unfortunate that Eyskens did not refer to Spaak’s4 carefully worded statement made in reply to questioning by the same Communist senator on July 3, 1947, which was

(...) The press in both this country and Belgium has insinuated that the secret agreement expired July 31, 1949 and that it will now be necessary to negotiate a new one. These reports are patently inaccurate since, as you are aware, the agreement and the contracts provide an exclusive option to the Agency for purchase of all uranium which can be mined at Shinkolobwe in a ten-year period which will expire February 6, 1956. (eigen onderlijning) (Beschikbaar op » history.state.gov)

Uit de derde paragraaf van dat telegram blijkt trouwens verder dat alleen Spaak op de hoogte was de gehele tekst van het akkoord en dat zelfs hij geen weet had van de bepalingen van het contract met Union Minière.

Het bovenstaande i.v.m. het verschil verdrag-akkoord wordt trouwens beschreven in een boek dat Barbé zelf als bron gebruikt (Gathering Rare Ores: The Diplomacy of Uranium Acquisition, 1943-1954 door Jonathan E. Helmreich, op pagina 194).

Wat zijn nu de onnauwkeurigheden in die vrij korte passage uit het boek van Barbé?

  1. Spaak erkende het bestaan van een akkoord over de levering van uranium aan de VS en het UK op 3 juli 1947 in de Senaat. Hij “omzeilde” slechts verdere vragen.

  2. Of de akkoorden de toestemming van het parlement nodig hebben is prima facie niet met zekerheid te zeggen en is een ingewikkelde juridische kwestie dat toch enig onderzoek vergt.

  3. Eyskens ontkende het bestaan van een “verdrag”, hij ontkende niet dat een “akkoord” zou bestaan. Het antwoord is misschien wel misleidend maar van een flagrante leugen is geen sprake, daar dit verschil ertoe doet.

  4. De Belgische media en de parlementsleden lazen wel degelijk de recente berichtgeving over de leveringen van uranium. Senator Glineur verwees hier zelfs expliciet naar in zijn vraag aan Eyskens.

Punten 1, 3 en 4 zijn eigenlijk voor ieder die zich er even in verdiept vrij makkelijk terug te vinden a.d.h.v. openbare bronnen. Dit kan twee dingen betekenen: Of de heer Barbé doet onvoldoende bronnenonderzoek, of hij negeert bepaalde zaken moedwillig. In beide gevallen zaken die in het achterhoofd moeten worden gehouden bij het lezen van zijn boek.

9

(733 replies, posted in Westland New Post)

Het WNP-spoor is waarschijnlijk een van de sporen die het meest en diepst is onderzocht. Indien men overtuigd is van de betrokkenheid van de WNP maar na lang zoeken niets kan bewijzen, rijst de vraag of men die overtuiging eventueel dient aan te passen.

10

(733 replies, posted in Westland New Post)

Bedankt, Het probleem blijft echter dat we geen manier hebben om te verifiëren hoe die bronnen op de hoogte waren van het feit en of beide bronnen onafhankelijk zijn, en dus niet dat een van beide bronnen het verhaal van de ander heeft.

Bedankt ook aan forumlid coconut voor het delen van die uitspraak van David Van de Steen. Deze is terug te vinden in post 84 van het topic getuigenis van David Van de Steen. Twee posts verder verwijst deze ook naar het feit dat de joggers Dauphin en Elnikoff zouden hebben herkend en verder ook dat deze getuigenis in het dossier zou zitten.