21

Re: Mythevorming

Politie en justitie hebben de CCC kunnen pakken, waarom de Bende van Nijvel dan niet?

De vergelijking tussen de CCC en de Bende van Nijvel wordt vaak gebruikt als argument dat er “meer achter de Bende van Nijvel moet zitten” omdat de CCC wel werd ontmanteld en de Bende nooit officieel werd opgelost. Maar die redenering houdt weinig rekening met de fundamentele verschillen tussen beide dossiers.

De CCC opereerde als een ideologische organisatie. Ze communiceerden via pamfletten, eisten aanslagen op en bewogen zich binnen een milieu van extreemlinkse activisten dat al jarenlang in het vizier stond van de Staatsveiligheid. De Belgische inlichtingendiensten hadden bovendien al infiltranten en informanten in linkse subversieve milieus.

Daardoor ontstonden vrij snel concrete pistes over wie bij de CCC betrokken kon zijn. De CCC-leden maakten ook fouten: ze lieten sporen na, onderhielden contacten binnen gekende netwerken en hun acties hadden een politieke logica die onderzoekers konden analyseren.

Bij de Bende van Nijvel lag dat volledig anders. Het ging niet om een openlijke ideologische organisatie die communiceerde met de buitenwereld, maar om extreem gewelddadige criminelen die tijdens korte overvallen opereerden en nauwelijks bruikbare sporen achterlieten.

Bovendien moet men het dossier bekijken binnen de bredere criminaliteitscontext van de jaren ’80. De ophelderingsgraad van zware criminaliteit in België was toen bijzonder laag. In 1985 bedroeg de globale ophelderingsgraad van criminele feiten amper 21%. Voor hold-ups lag dat nog lager: van de 754 hold-ups in België in 1985 werden er slechts 106 opgelost, goed voor amper 14,06%.

Over de periode 1976-1985 werden 3.345 hold-ups gepleegd, waarvan slechts 674 werden opgelost, ongeveer één op vijf. In 1984 zakte de oplossingsgraad zelfs tot 10,86%.

Dat betekent dat het niét uitzonderlijk was dat gewapende overvallen en moorden onopgelost bleven. Integendeel: het was in die periode bijna de norm. Achteraf ontstaat gemakkelijk mythevorming omdat de Bende van Nijvel zoveel media-aandacht kreeg en door de extreme geweldpleging een traumatische plaats in het collectieve geheugen heeft ingenomen.

Maar het feit dat de CCC werd ontmaskerd terwijl de Bende van Nijvel onopgelost bleef, is op zichzelf geen bewijs van een complot of bewuste sabotage van het onderzoek. Het zegt vooral iets over het verschil tussen een ideologisch netwerk dat reeds onder observatie stond en een vorm van gewelddadige banditisme waarvan in die periode heel veel dossiers nooit opgelost raakten.

Meer informatie:

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | YouTube

22

Re: Mythevorming

De hardnekkige mythes rond de Bende van Nijvel blijven terugkomen

Op maandag 18 mei 2026 gaf journalist Douglas De Coninck in Oudenburg een lezing over de Bende van Nijvel. Tijdens die avond werkte hij onder meer een piste uit rond de Duitse extreem-linkse terreurgroep Rote Armee Fraktion en het mogelijke onderscheid tussen een eerste en tweede golf van feiten binnen het Bende-dossier.

Ik was er zelf niet bij maar op de website www.indegazette.be staat een uitgebreid verslag over de lezing. In dat verslag staan een aantal "mythes" die blijven terug komen.

"De eerste golf schoot niet op kinderen"

Een van de centrale argumenten in de lezing was dat de daders tijdens de eerste golf geen kinderen viseerden, terwijl dat in 1985 wel gebeurde. Dat zou volgens de these wijzen op een andere mentaliteit of andere daders.

Maar die redenering houdt nauwelijks stand wanneer men de feiten concreet bekijkt. Bij verschillende feiten uit de eerste golf waren eenvoudigweg geen kinderen aanwezig. In Nijvel, Beersel (1982), Ohain, Halle of bij wapenhandel Daniel Dekaise waren geen kinderen betrokken. Het is dus onmogelijk om daaruit af te leiden dat de daders bewust een onderscheid maakten.

In Temse lag de situatie anders: daar ging het om zeer jonge kinderen die geen bedreiging vormden. Dat zegt weinig over morele grenzen van de daders. In Anderlues merkten de daders de kinderen vermoedelijk niet op.

Op basis van de reconstructies van verschillende feiten lijkt het geweld van de daders in veel gevallen vooral gericht geweest te zijn tegen mensen die in hun onmiddellijke omgeving kwamen, weerstand boden, begonnen te roepen of een risico konden vormen tijdens de overval of de vlucht. Dat patroon komt zowel in de eerste als in de tweede golf terug.

Ook in Aalst en Overijse tonen de feiten dat sommige aanwezigen konden ontsnappen terwijl anderen werden neergeschoten op het moment dat ze met de daders in contact kwamen. Vanuit die reconstructies kan men moeilijk een duidelijke morele grens afleiden waarbij de daders bewust onderscheid maakten tussen volwassenen en kinderen.

De feiten wijzen eerder op een extreem gewelddadige en opportunistische manier van handelen dan op twee duidelijk verschillende "morele codes" tussen de eerste en tweede golf.

Het idee van twee totaal verschillende bendes

Ook het onderscheid tussen een "gerichte eerste golf" en een "terroristische tweede golf" wordt vaak sterk benadrukt. Toch vertonen beide periodes opvallende gelijkenissen: telkens gaat het om kleine groepen zwaarbewapende daders, snelle vluchtauto’s, geweld tegen politie en getuigen, en overvallen waarbij geld en buitgemaakte goederen duidelijk een centrale rol blijven spelen.

Bij de grote warenhuisovervallen van 1985 werd bovendien telkens gesproken over drie daders of een kern van drie uitvoerders. Of het effectief steeds om exact dezelfde personen ging, is nooit bewezen. Wel tonen de reconstructies en getuigenissen dat de werkwijze, de taakverdeling en het optreden van de daders bij verschillende feiten sterke overeenkomsten vertoonden.

Dat sluit uiteraard niet uit dat er bijkomende helpers, logistieke steun of wisselende betrokkenen geweest kunnen zijn.

Walter Verstappen en de zoektocht naar "symbolische doelwitten"

De moord op Colruyt-directeur Walter Verstappen in Halle werd tijdens de lezing voorgesteld als mogelijk bewijs dat bedrijfsleiders specifiek geviseerd werden, naar analogie met methodes van de RAF.

Ook dat blijft speculatief. Niemand weet exact wat zich afspeelde in de ruimte waar Verstappen werd doodgeschoten. Er waren geen directe getuigen aanwezig. Het is dus onmogelijk om met zekerheid te stellen dat er "geen verzet" was of dat de moord een ideologisch motief had. Het kan even goed gegaan zijn om pure koelbloedigheid, nervositeit of de beslissing van een dader om geen risico achter te laten.

Dat geldt trouwens voor meerdere slachtoffers in het dossier: achteraf wordt vaak geprobeerd een "symbolische betekenis" te zoeken, terwijl gewone criminele logica vaak een eenvoudiger verklaring biedt.

Volkswagen, Saab en de overschatting van symboliek

Nog problematischer wordt het wanneer gewone praktische keuzes achteraf ideologisch geïnterpreteerd worden. Zo werd tijdens de lezing gesuggereerd dat het gebruik van Volkswagen- en Peugeot-wagens zou passen bij het profiel van de RAF, omdat die groep zogezegd een afkeer had van luxemerken zoals Mercedes of BMW.

Maar in de jaren tachtig reden heel wat criminelen met Volkswagens of Peugeots omdat die wagens overal voorkwamen, snel waren en makkelijk gestolen konden worden. Bovendien gebruikte de Bende ook een Saab, wat net wél een luxemerk was.

Wanneer men zulke details achteraf ideologisch probeert te kleuren, ontstaat het risico dat men overal patronen begint te zien die eigenlijk weinig betekenis hebben.

Blaupunkt-radio’s en pseudo-technische pistes

Hetzelfde probleem duikt op bij de theorie rond Blaupunkt-autoradio’s. Tijdens de lezing werd verwezen naar RAF-netwerken die dergelijke radio’s zouden gebruikt hebben in een communicatiesysteem.

Maar technisch klopt die redenering nauwelijks. Een autoradio is in essentie een ontvanger, geen volwaardig communicatiemiddel. Bovendien waren Blaupunkt-radio’s in de jaren tachtig bijzonder populair en wijdverspreid. Het verwijderen van logo’s of onderdelen op gestolen voertuigen gebeurde ook in gewone criminele milieus.

Hier ziet men opnieuw hoe losse details achteraf een bijna mystieke betekenis krijgen, terwijl er vaak banale verklaringen bestaan.

"Vreemde buit" die eigenlijk helemaal niet vreemd was

Ook de zogenaamde "vreemde buit" van sommige feiten wordt vaak verkeerd voorgesteld. Bij de inbraak in Maubeuge werd bijvoorbeeld gewezen op thee, wijn en champagne als merkwaardige buit.

Maar de daders braken daar in in een handelszaak waar precies die producten verkocht werden. Dat is dus geen mysterieuze keuze, maar gewoon de meest voor de hand liggende buit die aanwezig was.

Hetzelfde geldt voor geweld tegen politieagenten. De suggestie dat gewone criminelen niet op politie zouden schieten, klopt historisch simpelweg niet. Criminelen die dreigen gearresteerd te worden, schieten bijzonder vaak op ordediensten. Dat gebeurde in België in de jaren tachtig regelmatig, ook buiten het Bende-dossier.

Het gevaar van patroon-denken

Dat betekent niet dat elke hypothese waardeloos is. Het dossier van de Bende van Nijvel blijft uitzonderlijk complex en internationale contacten zijn nooit volledig uit te sluiten. Maar het gevaar ontstaat wanneer losse elementen - autoradio’s, nummerplaten, automerken, depots, identiteitskaarten - achteraf samengebracht worden tot één groot verklarend verhaal zonder harde bewijzen.

Precies daarin schuilt al decennialang een groot probleem van het Bende-dossier: de neiging om patronen te construeren die overtuigend klinken, maar uiteindelijk grotendeels steunen op interpretatie.

Het resultaat is dat mythes blijven circuleren alsof ze bijna vaststaande feiten zijn. Terwijl veel van die ideeën bij nader inzien vooral tonen hoe moeilijk het is om in een dossier van miljoenen pagina’s onderscheid te maken tussen harde feiten, hypotheses en pure projectie.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | YouTube

23

Re: Mythevorming

Ben wrote:

"De nummerplaat van Vanden Abiel was een bedreiging."

Dit kan verklaard worden door een eenvoudige administratieve fout (verkeerd genoteerde nummerplaat) of door kopie door andere criminelen. Er is geen bewijs dat dit een gerichte bedreiging was.

Ik begrijp deze uitspraak in het topic Mythevorming niet.

Topic: Theorie van Aubanel

club_le-happy-few wrote:

Ik denk dan o.a. aan de dreigtelefoons aan het adres van grootvader Van Den Abiel. Hij kreeg constant pv's binnen voor fout parkeren op plaatsen waar hij nooit kwam!
Ze hadden zijn nummerplaat gekopieerd, en op verkeerd geparkeerde wagens etc. in buurt van Brussel gehangen!

Nadien heeft hij een dreigtelefoon gekregen dat als hij verder ging met zijn onderzoek ze met zijn nummerplaat een kind gingen doodrijden.

Topic : Aalst: 9 November 1985

the end wrote:

Wat David meemaakt ... Sterkte David! De bedreigingen kort na Aalst waarbij de bellers de link leggen naar de aanslag op Vernaillen, alsook dat ze dreigen met iets in scene te zetten waarbij een kind sterf om het daarna in de schoenen van de grootvader te schuiven, is niet zomaar een element. Tevens ook de Nederlands taal die gesproken word.

De mythe van bedreiging?

Feit:

  1. Vanden Abiel ontvangt parkeerboete, de nummerplaat werd genoteerd op Flageyplein.

  2. Vanden Abiel ontvangt dreigtelefoon, de nummerplaat gaat gevonden worden bij een kind aan de schoolpoort.

De parkeerwachter noteert met zijn bic de verkeerde nummerplaat & de andere bende van de dreigtelefoon (Vernaillen v.s. Beijer en Bouhouche?) was verkeerd verbonden?

24

Re: Mythevorming

S.v.P. wrote:

Ik begrijp deze uitspraak in het topic Mythevorming niet.

De reden waarom het in dit topic staat, heb ik reeds uitgelegd.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | YouTube

25

Re: Mythevorming

“De overheveling van het onderzoek van Dendermonde naar Charleroi was een doofpotoperatie.”

Wanneer ergens een gesprek of discussie over de Bende van Nijvel ontstaat, duurt het meestal niet lang voor de overheveling van het onderzoek van Dendermonde naar Charleroi ter sprake komt als hét voorbeeld van een doofpotoperatie. Volgens die redenering kwam Dendermonde te dicht bij de waarheid of stond het op het punt de zaak op te lossen, waardoor moest worden ingegrepen.

De Tweede Bendecommissie heeft deze kwestie uitgebreid onderzocht. Haar conclusie is duidelijk: de overheveling verliep volgens de geldende procedures en de commissie vond geen aanwijzingen dat het om een doofpotoperatie ging.

Uitgebreide analyse op basis van het verslag van de Tweede Bendecommissie

De overheveling van het Bende van Nijvel-dossier van Dendermonde naar Charleroi in december 1990 wordt vaak voorgesteld als een plotse beslissing waarbij onderzoeksrechter Freddy Troch opzij werd geschoven. De analyse van de parlementaire onderzoekscommissie schetst echter een genuanceerder beeld.

Volgens de commissie was de overheveling in de eerste plaats het gevolg van een structureel probleem. Sinds het begin van het onderzoek liepen er parallelle gerechtelijke onderzoeken in verschillende arrondissementen naar feiten die steeds duidelijker met elkaar verbonden bleken. De vondst van de wapens in Ronquières versterkte dat inzicht nog. Daardoor groeide de overtuiging dat één onderzoeksrechter het volledige dossier moest behandelen.

Jarenlang werd geprobeerd die centralisatie te vermijden. De magistraten van Dendermonde, Nijvel en later Charleroi hielden vast aan een systeem waarbij verschillende onderzoekscellen naast elkaar werkten. In de praktijk leidde dat echter tot voortdurende coördinatieproblemen.

De commissie stelt vast dat afspraken over de uitwisseling van informatie niet altijd werden nageleefd, dat Dendermonde herhaaldelijk klaagde over achtergehouden processen-verbaal en dat de relaties tussen bepaalde magistraten gaandeweg verslechterden. Ook de betrokken parketten-generaal verdedigden uiteenlopende visies op de organisatie van het onderzoek.

Om die problemen op te lossen werd een compromis voorgesteld: één gezamenlijke onderzoekscel in Brussel, onder gedeelde leiding van Dendermonde en Charleroi. Dat voorstel kreeg steun vanuit Gent, maar botste op verzet van het parket-generaal van Bergen, dat ernstige juridische en organisatorische bezwaren formuleerde.

In die context kwam de commissie tot de conclusie dat de overheveling niet uit de lucht viel. Ze vormde het eindpunt van jarenlange discussies over samenwerking, bevoegdheden en de noodzaak om het onderzoek te centraliseren.

De commissie vond daarbij geen aanwijzingen dat de overheveling bedoeld was om Freddy Troch persoonlijk uit het dossier te verwijderen. Integendeel, uit de analyse blijkt dat Troch zelf jarenlang had gepleit voor een gezamenlijke onderzoekscel waarin hij een rol zou blijven spelen.

Bovendien gebeurde de overheveling via de normale gerechtelijke procedures, met beslissingen van de raadkamer en uiteindelijk de Kamer van Inbeschuldigingstelling. De centrale redenering bleef daarbij steeds dezelfde: een goede rechtsbedeling vereiste dat één onderzoeksrechter het volledige dossier behandelde.

Conclusie

De parlementaire onderzoekscommissie beschouwt de overheveling dan ook vooral als het gevolg van structurele problemen binnen justitie en van de moeilijkheden om verschillende parallelle onderzoeken op elkaar af te stemmen. Van een geheime of plotse operatie tegen Troch vond zij in het onderzochte materiaal geen bewijs.

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | YouTube

Re: Mythevorming

Bronnenkritische interpretatie van het daderbeeld, de gele affiches en de mobiliteitslogica

Het daderbeeld rond de Bende van Nijvel werd in belangrijke mate gevormd door getuigenverklaringen, robotfoto’s, opsporingsaffiches, profileringshypothesen, media-aandacht en latere uitspraken van speurders. Begrippen zoals “de Killer”, “de Reus” en “de Oude” zijn daardoor sterk verankerd geraakt in het publieke beeld van de zaak. Toch moeten deze termen voorzichtig worden gebruikt. Zij verwijzen niet naar geïdentificeerde daders, maar naar operationele werkhypothesen die voortkwamen uit waargenomen rollen, uiterlijke kenmerken, gedragingen, getuigenherinneringen en latere interpretaties.

De gele affiches met robotfoto’s hadden in de eerste plaats een opsporingsdoel. Zij moesten de bevolking opnieuw inschakelen, herkenningen uitlokken en nieuwe tips verzamelen in een dossier dat al jaren vastzat. Door de vermoedelijke daders zichtbaar voor te stellen in de publieke ruimte, hoopte men dat getuigen, kennissen of personen uit de omgeving van mogelijke daders alsnog informatie zouden aanbrengen. De affiches waren dus bedoeld als instrument om het onderzoek opnieuw te activeren.

Tegelijk hadden deze affiches een belangrijk neveneffect. Door de vermoedelijke daders visueel voor te stellen en te koppelen aan herkenbare rollen zoals “de Killer”, “de Reus” en “de Oude”, gaven zij het dossier een duidelijke en eenvoudig communiceerbare structuur. Daardoor werd een operationele werkhypothese in het publieke geheugen geleidelijk ervaren als een bijna vaststaand daderbeeld. De affiches gaven de Bende gezichten en rollen, maar geen bewezen identiteit.

Deze beeldvorming was begrijpelijk als opsporingsstrategie, maar blijft methodologisch problematisch wanneer zij als feitelijke zekerheid wordt behandeld. De affiches bewezen immers geen identiteit. Zij vertaalden getuigenherinneringen, gedeeltelijke waarnemingen, latere verhoren, eventuele hypnosesessies, profiling en interpretatie van modus operandi in een visueel daderbeeld. Sommige robotfoto’s steunden mogelijk op directe waarneming van een onbedekt of gedeeltelijk onbedekt gezicht, terwijl andere voortkwamen uit gefragmenteerde herinneringen, gedeeltelijke gezichtswaarneming, vermommingen of latere interpretatie. Het bestaan van een robotfoto betekent dus niet automatisch dat de dader volledig ongemaskerd werd gezien.

De labels “Killer”, “Reus” en “Oude” maakten het dossier herkenbaar, maar zij vereenvoudigden tegelijk een complexe werkelijkheid. Zij reduceerden onzekere en gefragmenteerde getuigenwaarnemingen tot drie vaste figuren: de extreem gewelddadige schutter, de uitzonderlijk grote man en de oudere of als ouder waargenomen dader. Door herhaling in affiches, pers en speurderscommunicatie kregen deze figuren bijna het karakter van karikaturen. Het werden herkenbare types, maar geen bewezen identiteiten.

In die zin moet het beeld van “de Killer”, “de Reus” en "de Oude" worden gezien als een onderzoeks- en communicatieconstructie. De termen konden nuttig zijn om het dossier begrijpelijk te maken en om getuigenherkenning uit te lokken, maar zij kunnen ook meer zekerheid suggereren dan de onderliggende gegevens toelaten. Een bijnaam is geen identiteit en een robotfoto is geen bewijs van daderschap.

Ook uitspraken van speurders over bewuste manipulatie door de daders moeten bronkritisch worden gelezen. Voormalig speurder Eddy Vos stelde dat de daders mogelijk goed wisten hoe politie en justitie werkten, bewust dwaalsporen nalieten en gebruik maakten van de Belgische institutionele versnippering. Daarbij zou het opereren over de taalgrens en in verschillende gerechtelijke arrondissementen het onderzoek hebben bemoeilijkt.

Die visie is relevant, omdat de feiten zich inderdaad afspeelden in een bestuurlijk en gerechtelijk complexe ruimte. De taalgrens, verschillende parketten, politiediensten en onderzoeksstructuren kunnen de informatie-uitwisseling objectief hebben bemoeilijkt. De spreiding van de feiten over meerdere arrondissementen en taalgebieden is dus een belangrijk gegeven. Toch hoeft daaruit niet noodzakelijk te volgen dat deze versnippering het primaire doel van de daders was.

De hypothese dat de daders het onderzoek bewust versnipperden, mag niet worden verward met het feit dat het onderzoek versnipperd raakte. Het is minstens even plausibel dat de daders hun feitenlocaties in de eerste plaats kozen op basis van operationele logica: bereikbaarheid, snelheid van uitvoering, vluchtmogelijkheden, lokale terreinkennis en aansluiting op belangrijke verkeersassen. In die lezing was de gerechtelijke versnippering mogelijk eerder een gevolg van de gekozen actieruimte dan het oorspronkelijke doel ervan.

De daders waren in deze interpretatie niet noodzakelijk meesterlijke manipulatoren van het gerechtelijk apparaat. Zij beschikten mogelijk vooral over een operationeel voordeel. Zij kozen plaatsen die praktisch bruikbaar waren, sloegen snel toe, verdwenen via gekende routes en profiteerden achteraf van een combinatie van extreem geweld, chaos, angst, versnipperde bevoegdheden, gebrekkige coördinatie tussen politiediensten, onderzoeksmatige fouten, verlies van sporenmateriaal en toeval.

De spreiding over meerdere gerechtelijke arrondissementen hoeft daarom niet noodzakelijk te wijzen op een bewuste strategie om het onderzoek te bemoeilijken. Zij kan ook voortvloeien uit een rationele keuze voor locaties langs logische vluchtcorridors, op korte afstand van elkaar maar gesitueerd in verschillende bevoegdheidsgebieden. In een grenszone zoals Brussel, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant kunnen daders zich binnen één praktische actieruimte bewegen, terwijl het onderzoek administratief wordt opgesplitst.

Binnen deze mobiliteitshypothese spelen de R0, de aansluiting op de E19 en de as Brussel–Waterloo–Genappe via de N5 een belangrijke structurerende rol. De feitenlocaties lijken niet uitsluitend bepaald door het doelwit zelf, maar ook door de verkeerskundige bruikbaarheid van de omgeving. De ring rond Brussel en de zuidelijke corridor via de N5 verbonden stedelijke zones, randgemeenten, warenhuizen, bosrijke gebieden, secundaire wegen en mogelijke terugtrekzones. Deze infrastructuur bood de mogelijkheid om snel te wisselen tussen drukke, perifere en landelijke omgevingen.

De ruimtelijke spreiding van de feiten moet daarom niet alleen worden gelezen als een verdeling over gemeenten of arrondissementen, maar ook als een verdeling langs mobiliteitsassen. De R0, de E19 en de N5 lijken mee de operationele actieruimte te hebben gestructureerd. In dat opzicht kunnen de feitenlocaties worden geïnterpreteerd als het resultaat van doelwitkeuze én vluchtlogica. Niet de institutionele versnippering lijkt dan noodzakelijk het uitgangspunt, maar de operationele bruikbaarheid van de zone. De versnippering van het onderzoek was mogelijk vooral een gevolg van die geografische keuze.

Het langdurig onopgeloste karakter van het dossier heeft bovendien een belangrijk interpretatief effect gehad. De blijvende niet-opheldering van de zaak creëerde een verklaringsvacuüm waarin uiteenlopende complottheorieën konden ontstaan en blijven circuleren. Hoe langer een dossier onopgelost blijft, hoe groter de neiging wordt om het uitblijven van een oplossing te verklaren door verborgen machten, bewuste manipulatie, institutionele bescherming of interne sabotage. Zulke hypothesen zijn begrijpelijk binnen de context van een langdurig mislukt onderzoek, maar zij moeten methodologisch worden onderscheiden van vastgestelde feiten.

Het falen om de zaak op te helderen is op zichzelf geen bewijs van een complot. Het kan ook wijzen op structurele tekortkomingen binnen het opsporings- en gerechtelijk systeem. Daarbij kan worden gedacht aan versnipperde bevoegdheden, gebrekkige coördinatie tussen diensten, taal- en arrondissementgrenzen, verlies of gebrekkige verwerking van sporenmateriaal, wisselende onderzoekshypothesen, institutionele rivaliteit en discontinuïteit in het onderzoek. In die lezing zegt het onopgeloste karakter van de zaak niet alleen iets over de daders, maar ook over de beperkingen van het systeem dat hen moest opsporen.

Ook verklaringen van speurders kunnen in dat licht een rationaliserende functie krijgen. Wanneer een onderzoek decennialang geen daders identificeert en de zaak niet wordt opgehelderd, kan de neiging ontstaan om het falen te verklaren door uitzonderlijke kennis, planning of manipulatiecapaciteit van de daders. Dat betekent niet dat speurders bewust onwaarheden vertellen. Het betekent wel dat hun verklaringen niet zonder meer als neutrale vaststellingen mogen worden overgenomen.

Een bijkomend risico bij langdurig onopgeloste dossiers is dat de daders achteraf slimmer, strategischer of beter geïnformeerd worden voorgesteld dan op basis van de feiten strikt kan worden aangetoond. Door het uitblijven van een oplossing kan de neiging ontstaan om het falen van het onderzoek te verklaren door de uitzonderlijke bekwaamheid of manipulatiecapaciteit van de daders. Dat kan echter ook functioneren als een vorm van rationalisering: de verantwoordelijkheid verschuift dan van onderzoeksmatige tekortkomingen naar de vermeende superioriteit van de daders.

Men moet daarom vermijden dat het falen om de zaak op te helderen wordt gecompenseerd door de daders achteraf uitzonderlijk intelligent of strategisch voor te stellen. Een dergelijke lezing kan onbedoeld dienen om tekortkomingen van het opsporings- en gerechtelijk systeem minder zichtbaar te maken. Dat de daders niet werden geïdentificeerd en de zaak niet werd opgelost, bewijst niet noodzakelijk dat zij het onderzoek beheersten. Het kan evenzeer wijzen op fouten, versnippering, verlies van informatie en structurele zwaktes binnen het systeem.

Samenvattend toont dit dossier hoe een onopgelost onderzoek geleidelijk een eigen beeldtaal kan ontwikkelen. Getuigenverklaringen, robotfoto’s, affiches, media en speurdersuitspraken gaven de Bende herkenbare gezichten en rollen, maar geen bewezen identiteit. De labels “Killer”, “Reus” en “Oude” moeten daarom worden behandeld als onderzoeks- en communicatieconstructies, niet als vaststaande dadercategorieën.

Tegelijk moet de geografische spreiding van de feiten niet automatisch worden gelezen als bewuste manipulatie van gerechtelijke grenzen. Een nuchtere mobiliteitshypothese blijft minstens even plausibel. De daders kozen mogelijk locaties die operationeel gunstig lagen, langs snelle vluchtassen en binnen een vertrouwde actieruimte. Dat deze ruimte samenviel met taalgrenzen en meerdere arrondissementen, kan het onderzoek hebben bemoeilijkt zonder dat dit noodzakelijk het oorspronkelijke doel was.

De kern van deze benadering is dat harde vaststellingen, operationele hypothesen en achterafinterpretaties strikt van elkaar moeten worden onderscheiden. De affiches maakten de Bende herkenbaar, maar ook eenvoudiger dan het dossier zelf toeliet. De speurdersverklaringen zijn relevant, maar niet neutraal. En het falen om de zaak op te helderen bewijst geen complot, maar legt mogelijk wel de structurele kwetsbaarheden van het opsporings- en gerechtelijk systeem bloot.

27

Re: Mythevorming

"Gangsters vermoorden geen kinderen"

In discussies over de Bende van Nijvel wordt regelmatig beweerd dat "echte" of professionele gangsters nooit op kinderen zouden schieten. Volgens die redenering zouden de daders van de bloedige overvallen geen gewone criminelen zijn, omdat zij ook kinderen onder hun slachtoffers maakten. Die stelling klinkt aannemelijk, maar is historisch moeilijk te onderbouwen.

Het idee dat criminelen een ongeschreven erecode hebben die geweld tegen kinderen verbiedt, is grotendeels gebaseerd op mythevorming en een geromantiseerd beeld van de georganiseerde misdaad. Binnen organisaties als de Siciliaanse Cosa Nostra, de ’Ndrangheta en de Camorra bestonden inderdaad ongeschreven regels of erecodes. Daarin werd onder meer gesproken over respect voor familiebanden, de zwijgplicht (omertà) en het vermijden van geweld tegen vrouwen en kinderen. Die regels dienden echter vooral om de interne discipline en het imago van de organisatie te bewaren. Het waren geen morele principes die onder alle omstandigheden werden nageleefd.

De historische werkelijkheid laat zien dat dergelijke regels keer op keer werden geschonden zodra macht, wraak of eigenbelang zwaarder wogen. Alleen al in Calabrië werden sinds de jaren vijftig tientallen kinderen door de ’Ndrangheta vermoord. Sommigen waren het eigenlijke doelwit, anderen kwamen om bij een vergissingsmoord of een aanslag op hun vader. Er waren kinderen die werden gedood door bomexplosies, ontvoerd en gemarteld of toevallig in de vuurlinie terechtkwamen. De vermeende erecode bood hun geen enkele bescherming.

Dat de mythe toch hardnekkig blijft bestaan, heeft verschillende oorzaken. Films, romans en televisieseries – met The Godfather als bekendste voorbeeld – hebben het beeld van de "gentleman gangster" sterk beïnvloed. Criminelen worden daarin vaak voorgesteld als mannen met een strikt eergevoel, die bepaalde grenzen niet overschrijden. Ook criminelen zelf hebben dat beeld soms bewust in stand gehouden door zichzelf af te schilderen als mensen met principes. Journalisten namen dergelijke uitspraken geregeld over, waardoor het idee van een erecode verder werd verspreid.

Daarnaast speelt selectieve waarneming een rol. Wanneer een kind het slachtoffer wordt van georganiseerde misdaad, krijgt dat begrijpelijk veel media-aandacht. Daardoor lijkt het alsof dergelijke gevallen uitzonderingen zijn. In werkelijkheid tonen zowel historisch onderzoek als talrijke concrete dossiers aan dat kinderen wel degelijk slachtoffer worden wanneer zij toevallig aanwezig zijn, een getuige vormen, als drukmiddel kunnen worden gebruikt of wanneer criminelen zonder onderscheid geweld toepassen.

Criminologen hebben dan ook nooit kunnen aantonen dat er onder "professionele gangsters" een universele gedragsregel bestond die het doden van kinderen verbood. Er zijn wel aanwijzingen dat sommige criminele organisaties dergelijke normen op papier of in de traditie kenden, maar even duidelijk is dat ze regelmatig werden genegeerd zodra de omstandigheden daarom vroegen. Dat geldt niet alleen voor de Italiaanse maffia, maar ook voor drugskartels, straatbendes en gewelddadige overvallers in verschillende landen.

De vaak gehoorde stelling dat "professionele gangsters niet op kinderen schieten" berust daarom eerder op beeldvorming dan op historische feiten. Ze vormt geen betrouwbaar criterium om uitspraken te doen over het profiel van de daders van de Bende van Nijvel.

De geschiedenis van de georganiseerde misdaad levert tal van voorbeelden op. Een van de bekendste is de moord op Giuseppe Di Matteo (11), de zoon van een voormalige maffioso die met justitie samenwerkte. Hij werd in 1993 ontvoerd door de Siciliaanse Cosa Nostra, ruim twee jaar gevangen gehouden en uiteindelijk gewurgd. Om alle sporen uit te wissen werd zijn lichaam opgelost in zuur.

Ook de Calabrische ’Ndrangheta spaarde kinderen niet. In 2009 werd Domenico "Dodò" Gabriele (11) dodelijk geraakt toen huurmoordenaars het vuur openden op een voetbalveld. Hun eigenlijke doelwit was een lokale maffioso, maar de jongen werd per vergissing getroffen en overleed na drie maanden.

Nog recenter is de zaak van Nicola "Cocò" Campolongo (3), die in 2014 samen met zijn grootvader werd vermoord. De daders staken vervolgens de auto met de lichamen in brand. Deze zaken tonen aan dat kinderen binnen de georganiseerde misdaad soms bewust worden vermoord, soms als vergeldingsmiddel worden ingezet en soms het slachtoffer worden van willekeurig of onverschillig geweld.

Bronnen:

  • Save the Mafia Children. An Italian Model in the Fight Against Organized Crime (2024) - hoofdstuk 3

  • Dead Silent: Life Stories of Girls and Women Killed by the Italian Mafias, 1878-2018 - University of Wisconsin Milwaukee

  • Teksten samen gevoegd en verbeterd met ChatGPT en Google AI

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | YouTube