Samenvatting
Een bende die vooral actief was in West- en Oost-Vlaanderen en in de periode 1968-1971 meer dan 40 feiten pleegde.
Feiten:
Februari 1970: Inbraak op het postkantoor van Jabbeke
Augustus 1970: Gewapende overval op een kantoor van de Kredietbank in Aalst
Inbraak in een garage in Lokeren, waar auto-onderdelen werden gestolen
Inbraken in buitenverblijven in de omgeving van Dendermonde en Oostende
Overval op een oude vrouw langs het kanaal Oostende-Brugge
In maart 1971 werd de bende opgerold. De bende werd voor al deze misdaden vreemd genoeg niet voor de Correctionele Rechtbank maar - in maart 1973 - voor het Assisenhof van Oost-Vlaanderen gebracht. Van de in totaal 43 ten laste gelegde feiten wegen de meeste niet erg zwaar door op de gerechtelijke balans. Ze gingen er herhaaldelijk van door met fotoplaten, sigaretten, een tafelkleed, een bontmantel, sterke drank en zelf met vlees uit de diepvries.
Leden:
Jacob Bracke, 23 jaar
Omer Samaey, 45 jaar
Reginald Titeca, 23 jaar
Karel Van den Berghe, 25 jaar
Gregoire Veldeman, 30 jaar
Leopold Samaey, 35 jaar, broer van Omer Samaey
Willy De Bruyne, 34 jaar
Daniël Van Roose, 34 jaar
Jean Van Heule, 36 jaar
Hedwig Vermeire, 34 jaar
Georges Borms, 38 jaar
Gerard Thys, 31 jaar
De belangrijkste bende-leden:


De Bende Titeca tijdens het proces:


Geniet vooral van de soms hilarische artikels.
Twee hold-ups op één dag
Hoewel Brussel het geliefkoosd operatieterrein blijft voor bankovervallers, versmaden zij toch de provincie niet. Woensdag waren zij weer zeer bedrijvig, en in de hoofdstad en in Aalst. Een verdere parallel tussen deze overvallen leidt tot de conclusie dat de gangster steeds driester te werk gaan; dat zij een meer amateuristische opvatting hebben gekregen over hun bedrijvigheid en dat de sommen die zij buit maken steeds kleiner worden. Ditmaal 70.000 en 500.000 fr. Het tijdstip der overvallen is over het algemeen goed gekozen voor wat het ontbreken van getuigen betreft en ook de omgeving blijkt steeds goed verkend te zijn. Maar eens in het gebouw schijnen de gangsters nogal vlug hun koelbloedigheid te verliezen en aarzelen zij niet gebruik te maken van hun wapens. Er wordt geschoten en neergeklopt. (…)
Goed voorbereid
De tweede overval van de dag, ditmaal op een bijkantoor van de Kredietbank te Aalst, scheen beter voorbereid te zijn. De overvallers dekten hun vlucht uit het kantoor met een rookbom en stapten toen in een Volvo, die met ronkende motor stond te wachten. De wagen werd later teruggevonden. Doch ook hun buit was vrij mager: 500.000 fr.
Het kantoor is gelegen aan de Moortselbaan te Aalst. Dit is een vrij drukke straat op een vijftigtal meter van de Leopoldlaan. Omstreeks 16 uur stapten twee gemaskerde mannen het kantoor binnen. Zij hadden hun ogenblik goed gekozen want er waren in heel de zaak slechts twee mensen aanwezig: de kassierster, Mw. Matthijs en de kantoordirecteur, de h. Wolf, die pas was aangekomen.
De kassierster, die zich onmiddellijk bewust was van de toestand, liet zich op de grond vallen om zich te verbergen. In gebroken Nederlands eisten de twee overvallers het beschikbare geld. Onder bedreiging van vuurwapens moesten Mw. Matthijs en de h. Wolf deze eis inwilligen. Daar de eindafrekening van de dag nog niet was opgemaakt kan enkel geschat worden hoeveel geld er toen aanwezig was. Aangenomen wordt dat het ongeveer 500.000 fr. zal zijn.
Tevergeefs
Voordat zij het gebouw verlieten, wierpen de mannen nog een rookbom. Zij vluchtten langs een achterdeur, via een grasplein. De auto werd later teruggevonden in de omgeving van de abdij van Affligem (grondgebied Hekelgem). De weg Aalst-Hekelgem laat toe een grote snelheid te ontwikkelen, zodat de gangsters reeds een heel eind uit de buurt moeten gewest zijn vooraleer de politie haar speractie kon beginnen. Deze leverde dan ook voorlopig nog geen resultaat op.
Drie jaar geleden had in dezelfde omgeving een overval plaats op een postkantoor.
Bron: Gazet van Antwerpen | 13 Augustus 1970
Zegeldiefstal te Jabbeke opgehelderd
Vorig jaar werd in het postkantoor te Jabbeke een vrij belangrijke diefstal gepleegd van fiscale zegels. De totale waarde van de verdwenen zegels bedroeg inderdaad meer dan 1 miljoen. Thans heeft het gerecht de hand kunnen leggen op één der daders, nl. Titeca Reginald uit Jabbeke. Vooralsnog werden de ontvreemde zegels niet teruggevonden, maar er lijkt hiervoor wel goede hoop te bestaan.
Bron: Gazet van Antwerpen | 11 Juni 1971
Oostendse BOB rekent op opheldering van belangrijke misdrijven
Sinds enkele maanden zitten elf inbrekers en helers te Dendermonde op het droge. Reeds zijn door hun aanhouding een aantal diefstallen met inbraak opgehelderd. De BOB Oostende, die nauw samenwerkt met de collega’s van Dendermonde en Aalst, hoopte dinsdag een belangrijke stap te kunnen zetten in het onderzoek dat nog steeds aan de gang is. Maar de duikerploegen van de zeemacht, die hiervoor werden ingeschakeld hebben geen resultaat behaald.
Eerst werd getracht een auto Renault terug te vinden in de vaart Oostende-Brugge, in de laatste bocht voor de brug van Stalhille. De duikers vonden echter niets. Nadien ging men in de vaart Nieuwpoort-Plassendale duiken nabij de eerste brug bij Oudenburg. Daar hoopte men een slijpsteen op te halen maar ook die poging leverde niets op. Tenslotte ging men, steeds op aanwijzingen van de aangehoudenen, naar een revolver zoeken aan de Snaaskerkebrug, maar de derde maal was geen scheepsrecht. Het verder onderzoek zal moeten uitmaken of onnauwkeurige inlichtingen aan de basis liggen van deze vergeefse opsporingen.
Zware jongens
Het begon allemaal toen de Oostendse BOB vier kerels wist aan de haak te slaan: Reginald Titeca (Jabbeke), Jacky Bracke (Berlare), Gregoire Veldeman (Dendermonde) en Carlo Vandenberghe (Aalst). Titeca was reeds in januari door de BOB verontrust geworden, maar wilde toen de hem ten laste gelegde feiten niet bekennen.
De aanhouding van dit viertal heeft achteraf geleid tot het klissen van Hedwig Vermeiren (Oostende), Omer en Leopold Samaey (Oudenburg), Willy Deckmyn (Koekelare), Daniël Van Roose (Zedelgem) en enkele vrouwen van voornoemden die waren ingeschakeld om te Oostende gestolen auto’s te helpen verplaatsen.
Dat men hier met een belangrijke bende te doen heeft blijkt uit hun bekentenissen in verband met de hold-up te Aalst, waarbij rookbommen werden gebruikt, in verband met inbraak in het postkantoor te Jabbeke, waar een brandkast werd gekraakt waaruit voor 1.200.000 fr. geld, fiscale zegels en loterijbriefjes werden meegenomen; ook in verband met een inbraak in een garage te Lokeren waar ze de hand legde op auto-onderdelen voor een waarde van 350.000 fr.
Vast staat dat de bendeleden zelden stil zaten en ze bekenden nog een hele reeks inbraken in buitenverblijven in de omgeving van Oostende en Dendermonde. Langs de vaart Oostende-Brugge overvielen ze een oud vrouwtje en ontnamen haar juwelen. Deze werden nu reeds aan het slachtoffer terug geschonken. De dieven hadden ook een goed oog voor antiquiteiten en brachten hierdoor een paar helers achter slot en grendel.
Het onderzoek gaat nog steeds verder, want de gang wordt ervan verdacht de hand te hebben gehad in nog belangrijker misdrijven.
Bron: Gazet van Antwerpen | 14 Juli 1971
Zeven overvallers naar OostVlaams Assisenhof verwezen
Door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent werden dinsdag een zevental aangehoudenen verwezen naar het Hof van Assisen van Oost-Vlaanderen, onder de beschuldiging van gewapende overvallen.
Na een dergelijke overval op het postkantoor van Jabbeke kwam de BOB op het spoor van Reginald Titeca uit Jabbeke, en Omer Samaeye, uit Oudenburg. Uit het onderzoek bleek vrij vlug dat het tweetal ook betrokken was bij de hold-up op een filiaal van de Kredietbank te Aalst. In samenwerking met de BOB-afdelingen van Aalst, Dendermonde en Oostende werd dan de ganse bende opgerold, die nog verschillende andere feiten op haar actief heeft.
Naast Titeca en Samaeye werd overgegaan tot de arrestatie van Gregroire Veldeman, uit Overmede, Karel Van de Berghe, uit Zele, Jacob Braecke, uit Aalst, Willy De Bruyne uit Aalst en Leopold Samaeye uit Oudenburg. Het bleek vooral dat Veldeman als inlichtingsman fungeerde en samen met Titeca voor de coördinatie zorgde in Oost- en West-Vlaanderen.
Wat de overval op de bank in Aalst betreft, schijnt Braecke de man achter de schermen te zijn geweest. Het aangehouden zevental werd door de KIB naar het Assisenhof verwezen. Karel Van den Berghe weigerde te verschijnen, maar werd eveneens verwezen. Op het proces zullen nog een vijftal verdachten niet aangehouden verschijnen. Er wordt verwacht dat de behandeling van de zaak geruime tijd zal in beslag nemen. Er zullen aan de jury ongeveer driehonderd vragen gesteld worden.
Bron: Gazet van Antwerpen | 15 November 1972
Gangsterbende van twaalf man voor Assisenhof van Oost-Vlaanderen
Maandag 26 maart krijgt het Hof van Assisen van Oost-Vlaanderen, onder voorzitterschap van raadsheer André Maes, een taaie brok te verwerken. Op die dag moeten twaalf zware jongens verantwoording komen afleggen voor een ganse reeks overvallen die zij in Oost- en West-Vlaanderen pleegden tijdens de periode 1968 tot 1971. Voor vijf van de twaalf - Jacob Bracke, Omer Samaey, Reginald Titeca, Karel Van den Berghe en Grégoire Veldeman - ziet de toekomst er maar somber uit want zij gelden veruit als de meest actieve bendeleden terwijl de anderen een eerder bescheiden rol speelden en eerder als nevenfiguren moeten beschouwd worden.
Van de in totaal 43 ten laste gelegde feiten wegen de meeste trouwens niet erg zwaar door op de gerechtelijke balans - de heren gingen er herhaaldelijk van door met fotoplaten, sigaretten, sterke drank en zelf met vlees uit de diepvries - maar er waren ook enkele uitschieters die bezwaarlijk tot de categorie van de kruimeldiefstallen kunnen gerekend worden en die hen nu een Assisenhof opleveren. Als zwaarste punt van beschuldiging geldt een overval in augustus 1970 op een bijkantoor van de NV Kredietbank te Aalst die in onvervalste gangster verliep en die Bracke, Samaey, Titeca en Van den Berghe een buit van 413.950 fr. opleverde.
Ook de nachtelijke inbraak (februari 1970) in het postkantoor van Jabbeke was geen kleinigheid. Ofschoon deze kraak eerder amateuristisch verliep werd daar toch voor een waarde van 1,3 miljoen fr. gestolen door Bracke, Samaey, Titeca en Veldeman. En als je al de andere inbraken, diefstallen en diefstalletjes bij elkaar telt en een gezamenlijke rekening opmaakt kun je er niet onderuit dat deze twaalf een gevaarlijk dozijn uitmaakten, ook al hebben ze dan nooit iemand omvergeschoten of ernstig lichamelijk letsel toegebracht.
Gerechtelijk wordt het opmaken van de balans alvast een ingewikkelde geschiedenis, zelfs louter materieel want twaalf beschuldigden en twaalf advocaten vormen een voor een Assisenhof ongewoon ruime bezetting. Mede om die reden wordt voorzien dat de debatten een ganse week in beslag zullen nemen.
Bron: Gazet van Antwerpen | 24 Maart 1973
Proces tegen twaalf gangsters moeizaam gestart
De zaal in het Gentse justitiepaleis, waar het hof van Assisen zitting houdt, zag er maandag meer naar uit alsof ze in allerhaast was aangepast geworden om er een academische zitting in te laten doorgaan. Door een reeks naast elkaar geschoven houten banken zaten zeventien ernstig kijkende advocaten in hun plechtige zwart en witte toga’s. Achter hen, twaalf netjes geklede en meestal nog jonge mannen, die zich zeer hoffelijk gedragen en die op het eerste gezicht gemakkelijk hadden kunnen doorgaan voor de eregenodigden. De griffier kan je ook al dit academisch kader plaatsen in de rol van de gastspreker die voor dit eminente gezelschap een literaire lezing kwam houden. De man kreeg namelijk de taak toegewezen een akte van beschuldig voor te lezen van zo maar eventjes vijfentwintig bladzijden.
Alleen de rijkswachters waren een complete mislukking in dit zo netjes afgeborstelde gezelschap. Hun uniformen herinnerden er gestreng aan dat al deze heren niet met wetenschappelijke bedoelingen waren komen plaatsnemen, maar dat het wel degelijk ging om de behandeling van een, zij het dan een beetje van het klassiek patroon afwijkende, Assisenzaak.
Twaalf beschuldigden in één klap, dat maak je inderdaad niet alle dagen mee. En een beschuldigingsakte waarin in totaal 43 aanklachten vermeld zijn, is al evenzeer een uitschieter van formaat.
Voorzitter raadsheer André Maes, die er nogal geagiteerd uitzag in al die drukte, heeft zich maandag echter met het proces als dusdanig nog maar nauwelijks kunnen bezighouden. De opening van de zitting was immers pas in de namiddag gepland. Maar het heeft er lang naar uitgezien dat het alleen bij die bedoeling zou blijven. Blijkbaar waren administratieve moeilijkheden van het laatste uur komen opduiken bij de identificatie van de kandidaat-juryleden en ten slotte was het tien minuten voor vijf uur toen raadsheer Maes de zitting van het Hof van Assisen officieel voor geopend kon verklaren. En dan nam het nog eens drie kwartier in beslag om de jury te installeren. Plus de voorstelling van de twaalf beklaagden natuurlijk, die een voor een moesten rechtstaan om zich voor het hof en de jury te presenteren en te zeggen wie en wat ze waren.
Kwamen daarbij, om het geheel af te ronden, nog enige technische moeilijkheden. Want een der advocaten aan het eind van de lange rij beklaagde er zich over dat hij de voorzitter van het hof moeilijk kon verstaan, omdat hij bijna in het midden van de zaal zat. Nu, dat kon de h. Maes ook bezwaarlijk helpen en zijn goedbedoelde raadgeving om “dan wat dichter bij elkaar te schuiven” was wat je een slag in het water noemt, vermits de heren advocaten nu al bijna op elkaars schoot moesten zitten.
De serene ontwikkelingen van deze gigantische rechtsgeschiedenis zal dus voor een groot deel afhankelijk worden van de kwaliteit van de micro’s. Als die het laten afweten, gaat de hele zaak finaal de mist in.
De plaatsen van de beklaagden komt trouwens neer op wat bedoeld wordt in het spreekwoord dat het venijn hem in de staart zit. De allerlaatste in het rijtje van de twaalf is namelijk de Limburger Gerard Cornelis Thys, die overigens - en gelukkig voor hem - slechts zijdeling met de zaak te maken heeft. En deze Gerard Cornelis is zijn plezierig klinkend dialect uit het dorpje Peer nog langs geen kanten kwijt geraakt. Als de debatten zo’n nefaste wending zouden nemen dat deze Gerard Cornelis actief in het gesprek betrokken geraakt, dan wordt deze Oost-Vlaamse gerechtszaak een propagandastunt voor de noodzaak om de Vlamingen uit de verschillende provincies de grondbeginselen van het algemeen beschaafd Nederlands bij te brengen.
Incident
Maar goed, toen al de administratieve geplogenheden ten slotte toch afgehandeld waren, was het reeds zes uur in de avond geworden en kon men eindelijk beginnen aan de voorlezing van de akte van beschuldiging. Meteen ontstond een eerste en vinnig incident. Voorzitter Maes had het bij al die voorgaande moeilijkheden zo op de zenuwen gekregen, dat hij die bijkomende tijdsbelasting wou uitschakelen door de akte van beschuldiging in geschreven vorm aan de twaalf juryleden en de twee plaatsvervangers over te maken. Dat plannetje ging evenwel niet door. In het lange zwart-witte lint van advocaten stonden er op dat van de voorgeschreven procedure niet afgeweken zou worden. De akte moest, zoals de wet het voorschrijft, in haar geheel door de griffier voorgelezen worden. Indien dit niet zou gebeuren, behielden de advocaten zich het recht voor klacht in te dienen wat tot cassatie en ongeldigheid van het proces zou kunnen leiden.
Die strakke houding was niet van aard om het humeur van voorzitter Maes in meer zonnige banen te leiden, maar wet is wet en daar moet zeker een voorzitter van een Assisenhof zich bij neerleggen. En zo gebeurde dus. Terwijl achter de ramen de avondschemering groeide, begon voor de griffier de marathonopdracht vijfentwintig bladzijden getypte tekst op een verstaanbare manier voor te lezen.
Veel kruimeldiefstallen
Eigenlijk is die akte van beschuldiging - en daar gaat het tenslotte toch om - de grote ontgoocheling van dit proces, dat twaalf man op het bankje van beschuldiging brengt van wie zeven nevenfiguren en vijf gangsters van betekenis: Jacob Bracke, Omer Samaey, Reginald Titeca, Karel Van den Berghe en Gregoire Veldeman. De overgrote meerderheid der punten van beschuldiging komt neer op wat je kruimeldiefstallen kunt noemen: flessen alcohol, een tafelkleed, vlees uit de diepvries, koperdraad, kleine geldsommen en allerlei voorwerpen die je in verlaten bungalows aantreft. De heren die als gangsters worden voorgesteld, zullen nog heel wat moeten bijleren als ze naam willen maken in het milieu.
Gewoonlijk kwamen ze in groepjes bij elkaar, dronken een pint en trokken er in de nachtelijke uren zonder veel voorbereiding op uit om hier of daar, waar ze buit vermoedden, binnen te breken. Van die tochten kwamen ze dan in de regel terug met alles was niet te heet of te zwaar was. Dit amateuristisch gedoe gebeurde in de periode van 1968-1971.
In die lange reeks strooptochten zonder klasse waren echter twee uitzonderingen die zwaar zijn gaan doorwegen in de gerechtelijke balans. Een door Bracke, Omer Samaey, Reginald Titeca en Gregoire Veldeman gepleegde inbraak in het postkantoor van Jabbeke (een buit aan fiscale zegels, postzegels, nationale loterijbiljetten en kasgeld van in totaal 1.333.538 fr.) en een brutale gewapende overval, in augustus 1970, in een bijkantoor van de nv Kredietbank te Aalst.
Vooral die laatste overval wijst er duidelijk op dat deze would-be gangsters het stadium van amateurisme aan het ontgroeien waren en hoger wilden mikken. Bracke, Omer Samaey, Reginald Titeca en Karel Van den Berghe gingen er in echte filmstijl op los. Terwijl Bracke en Van den Berghe als chauffeur optraden, drongen Samaey en Titeca het kantoor binnen, roofden 413.000 frank en hielden de kantoordirecteur en drie vrouwelijke bedienden onder schot. Toen ze er vandoor gingen, wierpen ze een rookgranaat het lokaal binnen wat een dubbel voordeel opleverde: de hoestende en half verstikte bedienden konden hen niet onmiddellijk achterna en geburen, die rook zagen opwarmen, dachten dat vuur was ontstaan en telefoneerden naar de brandweer in plaats van naar de politie.
Toen de verwarring eindelijk voorbij was, waren de gangsters al lang in veiligheid. Ze zouden trouwens pas in maart 1971 tegen de politielamp aanvliegen, omdat zij geregeld in een café te Waasmunster samenkwamen en daar in contact waren met kerels die over een zwaar gerechtelijk verleden beschikten. Dat begon de politie verdacht te vinden en zo kwamen er uiteindelijk ondervragingen van en op de lange duur ook bekentenissen.
Maar dit alles staat te lezen in de akte van beschuldiging. Wat de betrokkenen er zelf over te zeggen hebben, zullen we heden weten. Dat kan nog boeiend worden, want deze heren-gangsters hebben bijna allemaal een blanco strafregister en ze stammen meestal uit een degelijk gezin. Dat kun je zo op hun gezicht aflezen. Maar dat zal wel een ouderwetse benadering zijn. Wij zijn immers allemaal geëmancipeerd, van luxe gesatureerd en we hebben minstens tot zestien jaar gestudeerd. In deze tijd heeft de misdaad geen gezicht.
Bron: Gazet van Antwerpen | 27 Maart 1973
Correctionele sfeer op Assisenhof van Gent
’t Is allemaal goed en wel voorbeelden te willen stellen en een bende van twaalf man - eigenlijk maar vijf “echten” want de andere zeven hebben met de hele affaire niet veel te maken - voor het Assisenhof te willen brengen voor een reeks misdrijven die je volgens de letter van de wet bij de categorie “overvallen” kunt klasseren, maar dan moet je er natuurlijk wel rekening mee houden dat de publieke behandeling ervan enig risico inhoudt voor de gerechtelijke waardigheid.
De kwestie is dat het totale bundel van 43 punten van de aanklacht inderdaad indrukwekkend is en te denken geeft, maar dat de andere detailontleding ervan bijzonder schraal uitvalt.
Met uitzondering van de overval op het bijkantoor van de Kredietbank te Aalst, de nachtelijke rooftocht in het postkantoor van Jabbeke en hier en daar nog enkele brokjes misdaad van enige betekenis, is al de rest een verzameling wetsinbreuken, die je onder de rubriek pekelzonden kunt klasseren.
Terwille van het recht en van de volledigheid werden dinsdag al die pekelzonden tot in de kleinste bijzonderheden ontleed, gewikt en gewogen. Het noodzakelijke gevolg hiervan was dat het hof nogal gehavend uit de debatten kwam, omdat het onmogelijk is aan een reeks feiten, die normaal gesproken in spoedtempo worden afgewikkeld voor een correctionele rechtbank, die aparte sfeer van ernst en bewogenheid te verlenen die kenmerkend is voor een zitting van het Assisenhof, traditioneel het hoogste gerechtshof, dat de rol vervult uitsluitend zeer ernstige misdrijven te behandelen.
Wijn, hammen en een bontmantel
Het ging er - om enkele typerende voorbeelden te noemen - dinsdag als volgt aan toe.
In de nacht van 8 op 9 mei 1968 waren Omer Samaey en Reginald Titeca, twee der hoofdbeschuldigden, er te Ettelgem samen op uit getrokken om te gaan stropen. Maar die nachtelijke tocht bracht beiden in een wat filosofische stemming en ze zegden tegen elkaar dat een haasje toch ook niet alles was, dat bracht ten slotte niet veel op. Waarom niet eens in de gauwte een inbraak plegen? Wel ja, waarom niet, temeer daar vlakbij een landhuisje stond waar de weduwe Stephhanie V.M. woonde, helemaal op haar eentje. Zo gezegd, zo gedaan. De twee breeddenkende stropers duwden een rolluik omhoog en kropen binnen in het kleine huisje. Mogelijk maakten ze wat lawaai, maar dat deed mw. V.M. ook. Die maakte zoveel geluiden in haar slaap, dat ze er geen flauw benul van had dat er ongewenst bezoek was. Omer Samaey was in zijn nopjes: “’t Is goed, zei hij, ze snurkt.” De twee kerels gingen naar boven, duwden de valdeur van de verdieping weg, drongen de slaapkamer binnen en zochten hier en daar wat rond tot ze 3.300 fr. bij elkaar hadden. En mw. V.M. die snurkte voort. Een meevaller natuurlijk voor Titeca en Samaey, maar die lieten ter zitting duidelijk horen dat ze - onafgezien nog van het voordeel voor hen - het mens die rustige diepe slaap van harte gunden.
“Voilà”, zei Omer Samaey, “en dat was alles”. Als om te zeggen; “zo kwaad bedoelden we het niet”.
Te Zandhoven - februari 1968 - gingen Omer Samaey en Reginald Titeca in gelijkaardige omstandigheden op stap, dit keer in gezelschap van Willy De Bruyne. In het landhuisje van Willy Libert werd een fototoestel gestolen, dat Titeca nadien in het kanaal Oostende-Brugge wierp “omdat hij er toch niets mee kond doen”. Maar dat was niet alles. Bij die gelegenheid gingen ze ook aan de haal met enkele flessen wijn. De grote vraag is alleen hoeveel flessen het eigenlijk waren, twee of drie? Het hof boog zich enkele minuten over deze kwestie, maar ofschoon het er waarschijnlijk drie zullen geweest zijn - eentje per man - zekerheid is er niet gekomen. Of Willy Libert nu twee of drie flessen wijn kwijtraakte zal ook in de toekomst een vraagteken blijven, de benadeelde zelf kon het ook niet vertellen.
En wat te zeggen over die twee hammen die op een andere plaats werden meegepikt. Niet veel, want die werden opgegeten. Anders was het gesteld met de dure bontmantel die toen ook werd meegegapt. “Akkoord, hij is teruggevonden, maar hij was beschadigd”, zegt voorzitter André Maes.
Omer Samaey is verontwaardigd. “Beschadigd, meneer de voorzitter”, protesteert hij. “Mijn vrouw is lang en die bontmantel was te kort. Ze heeft hem wat uitgelengd.”
En zo sukkelde het hof verder van het ene overvalletje naar het andere. Soms ging het er wat ernstiger aan toe - er waren ook diefstallen van 16.000 fr. en meer en van bepaald waardevolle voorwerpen - maar in de regel kregen raadsheer Maes en zijn bijzitters te maken met producten als een aluminium wasbak, een tafeltapijt, een paar konijnen en tussendoor een pullover.
De vijf
De individuele ondervragingen van de twaalf gaf al evenmin de indruk dat men te maken had met keiharde gangsters, al sluimerde bij sommigen van hen wel de aanleg - en de bedoeling bovendien - om het verder te brengen dan op een amateuristische manier hier en daar wat mee te pikken.
Meneer Jacob Bracke bv. had bepaald een misdadig trekje in zijn karakter, al heeft hij een tijd lang een normaal familieleven geleid toen hij werkte in het schrijnwerkersbedrijf van zijn vader. In 1968 kwam de ommezwaai. Samen met Gregoire Veldeman organiseerde hij een stuntvertoning aan het Donkmeer te Overmere. De stunt bestond erin dat iemand - een zekere Roland Van de Putte als we het goed hebben - met een auto via een houten steiger met volle geweld in het meer reed. Dat soort voorstellingen deed het een tijdje bij het publiek en Bracke zegde dat hij er 400.000 fr. aan verdiende, een bedrag dat ook getrokken werd door Gregoire Veldeman. In die periode was Bracke - een heel fijne meneer van 30 jaar in een goed zittend modisch pak - een zaak begonnen in tweedehands wagens. Geleidelijk verzeilde hij in de wereld van de misdadigheid, want daar was gemakkelijk geld te verdienen.
“Voor mezelf heb ik het nooit gedaan”, legt hij op de zitting uit. “Mijn ongeluk is dat ik te gevoelig ben van inborst en alle misdrijven die ik beging hadden als uitsluitende bedoeling mijn vriend Gregoire Veldeman uit de financiële schulden te halen.”
Omer Samaey (45 jaar en de oudste van de twaalf) geeft de indruk naïef-eerlijk te zijn in zijn uitleg. Dat is al iets, maar het nadeel van zijn verklaringen is dat hij bijzonder snel praat en in plat Brugs dialect, wat dit Oost-Vlaams gezelschap in grote moeilijkheden brengt. Hij komt er rondweg voor uit dat hij verkeerd handelde, maar zijn leven heeft nooit veel kleur gehad. Hij werd als tweede van tien kinderen geboren in een arbeidersgezin dat aan de steenbakkerij woonde. Vanaf zijn dertiende jaar reeds werkte hij in die steenbakkerij. Zijn vrouw is zenuwziek en verblijft veelal in een inrichting. Verder zijn er twee kindjes waar niemand over praat. En er waren de duivensport en de stroperij die voor Samaey een passie werden. Plus de misdaad waar hij zijn hand niet voor omdraaide.
Reginald Titeca spreekt ook zonder omwegen. “Ik werd aangetrokken door het avontuur”, zegt hij. “Ik weet zelf niet hoe dat komt.” Ook hij stamt uit een goed aangeschreven gezin en hij leidde een onberispelijk leven tot het mis liep. Hij heeft een kindjes dat geboren werd toen hij in de gevangenis zat. “Als ik dat kind maar wat eerder had gehad”, mijmert hij vandaag. “Het was misschien allemaal niet zo ver gekomen. Nu gaat het niet goed meer thuis”, mijnheer de voorzitter, “nee, ’t gaat niet goed”.
En met Karel Van den Berghe ging het ook al scheef, ook al studeerde hij goed, had hij een bloeiende handelszaak en een la even goede reputatie. “Het spijt me zeer”, legt hij uit, “ik ben tot bezinning gekomen nu het te laat is.”
En Gregoire Veldeman, als laatste van de vijf hoofdbeschuldigden, windt er helemaal geen doekjes om. Hij was zo zwaar in de schulden geraakt dat hij uit stelen ging om een uitweg te vinden, welbewust daarom. Nu heeft hij er spijt van, maar gelukkig heeft zijn vrouw hem niet in de steek gelaten. “Ik moet ze bewonderen”, zegt hij.
En de zeven
De andere zeven speelden slechts een nevenrolletje. Leopold Samaey (35), de broer van Omer die bij gelegenheid “zomaar meedeed”, Willy De Bruyne die zo streng werd opgevoed “dat het misschien daarom is, mijnheer de voorzitters at ik een tijdje losbandig leefde”, en Daniël Van Roose (34), die de hele zaal aan het schrikken brengt als hij met een stem als een trompet aan het praten gaat bij een opmerking van de voorzitter die zegt dat deze beklaagde gescheiden is, maar wel in zijn voordeel.
“Het zal nog niet zijn”, barst Daniel los als in een leeuwenkuil. “Mijn vrouw was iedere dag stomdronken als ik thuis kwam van mijn werk. We zijn na een tijdje in een café gaan wonen, daar is het begonnen hé. Keus genoeg aan drank. Ze ronk een pintje, en nog eentje en nog een. Ten slotte stond ze ’s nachts op om te gaan drinken. Amai. Enfin, ge weet hoe dat gaat hé, mijnheer de voorzitter.”
De voorzitter staat er op te zeggen dat hij niet weet hoe dat gaat en om het gesprek in een andere richting te sturen, zegt hij “En ge hield van wapens, nietwaar?”
“Wat belieft er u?”
“Dat ge graag wapens bij had.”
Daniel Van Roose straalt van genoegen. “Wapens”, glundert hij, “dat is mijn leven.” Maar hij wil hieromtrent geen misverstand zien ontstaan.
“Let wel, meneer de voorzitter, dat is gewoon een liefhebberij. Het zijn er die andere liefhebberijen hebben, vrouwen bv. of drank. Hewel voorbij zijn dat wapens. Kleiduiven schieten om maar een voorbeeld te noemen.”
Daniël staart in verrukking naar het plafond, voor zijn geestesoog passeren ongetwijfeld een hele reeks brownings en mausers en wat snelle kleiduiven erbij.
De overigen, Jean Van Heule, Hedwig Vermeire, Georges Borms en Gerard Thys komen nauwelijks aan bod. Als helers - zonder het te weten zeggen ze - blijven ze op het achterplan. Voor hen is het al erg genoeg dat ze voor een Assisenhof moeten verschijnen.
Gelukkig maar dat dinsdag ook de overval op de Kredietbank te Aalst, waarbij Bracke, Omer Samaey, Titeca en Van den Berghe betrokken waren, aan de orde kwam. Zo werd het prestige van dit Assisenhof nog enigszins gered.
De Limburger Gerard Cornelis Thys, als twaalfde van de beschuldigden - niet aangehouden overigens - steekt het niet onder stoelen of banken dat hij niet goed begrijpt waarom hij eigenlijk voor een Hof van Assisen moet verschijnen voor heling van een partij van 950 kg. koperdraad. “Ik hoor hier dat er nog aan iemand anders koperdraad werd verkocht”, viel hij uit, “maar ik zie die hier nergens zitten.”
Dat werd onmiddellijk een fel incident en openbaar aanklager Jules D’Haenens voer nijdig uit “dat het niet de beschuldigden zijn die moeten zeggen wie er moet vervolgd worden en wie niet.”
Daarmee kon Thys gaan zitten. En gelukkig maar dat die woordenwisseling ontstond toen de zitting al een tijdje bezig was, anders had zelfs dat niet gekend vermits er aanvankelijk geen zitplaats was voor Gerard Thys. Maar ze hebben hem dan maar gauw een stoel gegeven en van Gerard Cornelis Thys werd aldus tenminste het zitvlak gespaard. Dat is dan ook zijn enige meevaller geweest.
Bron: Gazet van Antwerpen | 28 Maart 1973
Assisenhof van Gent klaar voor advocaten-finale
Op 12 augustus 1970 om tien minuten voor vieren - dat was vlak voor sluitingstijd - stapte het veertienjarig meisje Georgette Huybrechts van haar fiets (ze was boodschappen gaan doen) en wou aan de Moorselbaan het gebouw binnengaan waar haar ouders een appartement bewoonden, vlak boven het bijkantoor van de Kredietbank. Het werd een sensationele thuiskomst, want net tevoren waren Omer Samaey en Reginald Titeca het kantoor van de Kredietbank binnengevallen om de overval te plegen, terwijl Jacob Bracke buiten achter het stuur van een gereedstaande auto zat te wachten.
Toen Georgette langs het kantoor stapte, beleefde ze meteen de grootste schok van haar jonge leven. Iemand die een revolver in de hand hield en die zijn gelaat verborg achter een hoog opgetrokken pullover - dat was de h. Titeca - duwde haar zonder complimenten de kamer binnen en bedreigde haar met zijn wapen.
Georgette Huybrechts had goed te stamelen. “Maar meneer - Georgette had een goede opvoeding genoten - ik heb toch niets gedaan”, de man met de pullover voelde weinig voor een uitgebreide conversatie en riep bars: “Hier blijven staan of ik schiet iedereen dood.” Zijn collega in de misdaad Omar Samaey leverde eveneens een overtuigende bijdrage in dit korte gesprek.
“Gauw, gauw, ‘k heb hier bommen bij en dat moet hier vooruitgaan”, zei Omer in zijn plat Brugs dialect.
Dat zijn zo van die omstandigheden die weinig bevorderlijk zijn voor een verdere gedachtenwisseling. En dus hield Georgette wijselijk haar mondje. Dat deden ook de kantoordirecteur en de drie vrouwelijke bedienden. Titeca en Samaey scharrelden ruim 400.000 fr. mee, wierpen een rookbom op de kantoorvloer en gingen er als de wind vandoor.
Die overval op de Kredietbank waarbij verder nog, zij het dan minder direct in de uitvoering, Karel Van den Berghe betrokken was, vormt meteen de hoofdaanklacht in een lange reeks van beschuldigingen van minder belang, en deze stunt in Aalst heeft er voor gezorgd dat het uiteindelijk een aangelegenheid werd voor het Assisenhof.
Het hof heeft zich ook vandaag met deze hold-up te Aalst bezig gehouden, want Georgette Huybrechts moest getuigenis komen afleggen. Maar op die twee jaar is de situatie op meerdere gebieden duidelijk geëvolueerd. Het spring-in-’t-veldje van twee jaar geleden is nu een aantrekkelijk kindje geworden met een lief gezichtje dat de bekroning vormde boven een charmant modisch-ensemble van zwart en rood.
Maar er is nog iets anders gebeurd. Toen de bende in 1971 achter de tralies ging en het tot een wedersamenstelling kwam, is Reginald Titeca, ditmaal zonder pullover over het hoofd, naar Georgette Huybrechts gegaan en heeft hij zich bij haar hoffelijk verontschuldigd. En heel stilletjes heeft hij haar gevraagd (hij is een timide en teergevoelige jongen, zei eerste opperwachtmeester Hoornaert later tijdens zijn moraliteitsverslag over Titeca) of zij hem een briefje wilde schrijven in de gevangenis. En vermits in de lente van een meisjesleven alles mogelijk is, heeft zij - ook heel stilletjes - beloofd dat zij dat zou doen. Georgette hield woord. Ze schreef een briefje en nog een - de correspondentie duurt nog altijd voort. Naar beweerd wordt heeft zij hem, deze timide revolverzwaaiende en knappe jonge, heel onlangs een cadeautje opgestuurd.
Begrijpelijkerwijze glijdt voorzitter Maes met spoed over dit vervelend detail heen. Maar toch wou hij er haar even over polsen. In de klassieke ambtelijke taal stelde hij haar de volgende vraag:
“Werd in deze brieven alleen gehandeld over de feiten?”
“Ja”, zei Georgette, maar ze bloosde.
Blozen deed de bediende van de Kredietbank Irma Piron niet, ze is er ook al vijfendertig. Over de bankroof weet ze trouwes niet veel te vertellen. “Er waren twee kerels die binnenstormden, geld roofden en een bom gooiden.”
“Een bom?” Vraagt de voorzitter. “Is er geen sprake geweest van een granaat?”
Voor Imra Piron zijn bommen en granaten allebei even gevaarlijk. Maar die vrouwen zegden dat het een bom was, dus zal dat wel zo geweest zijn. Zij kan alleen maar vertellen dat ze als gevolg van al die rook de volgende dag fikse hoofdpijn had en nog keelpijn erbij. Dat is alles. Irma Piron schenkt de voorzitter met zijn witte haren een stralende glimlach.
En daarmee was de bankroof te Aalst definitief afgehandeld en voorzitter Maes gaf alle aanwezigen een kwartiertje vrije tijd om er daarna met nieuwe moed aan te herbeginnen. Bij het buitengaan - ho, toeval - liepen Georgette en Reginald Titeca heel eventjes naast elkaar. Titeca (23) kneep haar eventjes in de arm. “Merci”, zei hij.
De moraliteit
Voor de rest is er woensdag weinig gebeurd in dit sukkelachtige procesje, van mini-formaat ondanks de vele beschuldigden. Omzeggens de ganse dag werd besteed aan het beluisteren van de moraliteitsverslagen , die opgesteld werden door diverse wachtmeesters van de rijkswacht. Die moraliteitsbevindingen vallen over het algemeen nogal mee. Niet dat de heren nu bepaald tot de categorie van de engelachtige behoren, maar van het ware gangstertype zijn ze toch ook niet. Dat bleek ook uit wat de wachtmeesters te vertellen hebben. Alleen omschrijven die de hoedanigheden van elke beklaagde op een manier die moeilijk verenigbaar is met een rustige niet geëngageerde benadering. Als deze heren in uniform tijdens hun “moraliteitsonderzoek” ook goede eigenschappen vinden, verwoorden zij die in regel als volgt: “Toch moet ik toegeven, meneer de voorzitter, dat X goed aangeschreven stond”, of iets in die trant.
Wat er voor een moraliteitsgetuige in feite “toe te geven” valt, mag Joost weten. Niet dat zoiets bewust gebeurt of de waarheid verdraaien wil, nee dat is waarschijnlijk beroepsmisvorming - te veel processen-verbaal opgesteld.
Overigens kun je bezwaarlijk iedereen over dezelfde kam scheren. Er waren er ook, bv. opperwachtmeester Hendrik Coppieters van de BOB Dendermonde, die een zeer knap, weloverwogen en in stijl gebrachte verklaring aflegde.
Dat deed ook onderzoeksrechter Leo Tas, van Dendermonde, die een bijzonder objectief en in fraaie bewoordingen uitgesproken relaas bracht over het geheel van de ten laste gelegde feiten. Hij werd er trouwens om gefeliciteerd door voorzitter Maes.
En voor de eerste keer in dit proces zijn er woensdag ook enkele tranen geweest. Dat gebeurde toen de moeder van Karel Van den Berghe getuigenis kwam afleggen. Zij laat haar jongen niet in de steek, zij vindt trouwens dat haar man de kinderen veel te streng opvoedde, dat kon alleen maar wrok aankweken.
Ook de vrouw van Van den Berghe heeft haar echtgenoot niet verloochend. “Met open armen zal ik hem ontvangen als hij thuiskomt”, zei Simonne Stalpaert. “Ons kindje van vier jaar snakt naar dat moment. Iedere week ga ik mijn man in de gevangenis bezoeken. Het kleine meisje gaat dan mee, maar gelukkig beseft ze het niet. Ze denkt dat papa in de gevangenis werkt.”
Voor de Limburger Thijs verloopt het proces minder bewogen. Als laatste van de reeks beschuldigden - een helingsaffaire van 950 meter koperdraad - werd hij ook “moreel” onderzocht - een meevaller trouwens over de hele lijn.
Alleen vond voorzitter Maes het toch een beetje raar dat iemand die te Oudenburg bij Oostende kennelijk zo enorm sympathiek is niet verkozen is geworden toen hij opkwam tijdens de gemeenteraadsverkiezingen.
Maar de te Peer in Limburg geboren Thys wou niet de (…) worden van die gedachtenwisseling. “Dat komt”, zei hij met galmende stem, “omdat ik als laatste op de lijst stond. Dat is al hetzelfde als hier. Daar ben ik ook de laatste van de rij.”
En meteen is alles klaar voor de langdurige finale als alle advocaten aan de beurt komen om hun zegje te doen. Het wordt tijd voor de voorzitter dat het zo ver is. Woensdag heeft hij zich al eens flink vergaloppeerd toen hij op een merkwaardige manier inpikte bij een bemerking van moeder Van den Berghe, die er zo min of meer haar beklag over maakte dat haar man de kinderen zelfs niet toeliet op straat te spelen.
“Ik vind dat ook”, aldus raadsheer Maes, “kinderen moeten niet op straat spelen. Daarbij, de meeste beschuldigden die ik in een assisenzaal ontmoet, hebben op straat gespeeld toen ze klein waren.”
Mr. Piet Van Eeckhaut was daar heel erg boos om. En dat was te begrijpen. Er zijn nogal wat kinderen van advocaten - hier aanwezig - die op straat spelen …
Bron: Gazet van Antwerpen | 29 Maart 1973
Een rekwisitoor zonder genade
Ik heb een rekwisitoor gehoord zoals ik het verwacht had, zei Mr. Dhooge. De procureur-generaal wil een collectieve bestraffing van deze beklaagden. Aan de jury wordt gevraagd een voorbeeld te stellen om onze maatschappij te beveiligen, maar dat kan alleen door het schuldig uit te spreken en een zware straf op te leggen. Ik ben het niet eens daarmee. De gerechtelijke traditie wil dat een oordeel wordt uitgesproken over een individuele schuld.
De advocaat, een bekend strafpleiter met 36 jaar ervaring, hield donderdag een meesterlijk pleidooi voor het Gents Assisenhof, waar twaalf beklaagden terechtstaan voor een lange reeks misdrijven van minder ernstige aard en velen van hen voor een overval op een bijkantoor van de Kredietbank te Aalst, wat uiteindelijk ertoe leidde dat het ganse gezelschap als een bende werd beschouwd en voor de hoogste gerechtsinstanties werd gedaagd om verantwoording af te leggen.
Het lot van deze twaalf ligt nu in de handen van de jury die vermoedelijk vrijdag - en dat kan zeer laat worden - een uitspraak moet doen en zich moeizaam een weg moet banen door deze ingewikkelde doolhof van tientallen en tientallen vergrijpen en vergrijpjes, daarbij afwegend wiens visie het meest de serene rechtvaardigheid van de procureur-generaal of (er moet nu eens een einde komen aan die gevaarlijke en steeds maar stijgende criminaliteit) of die van de verdediging die beklemtoont dat angst een slechte raadgeefster is bij het nemen van een beslissing en dat bovendien rond deze hele geschiedenis een zodanige sfeer van banditisme en keiharde gangsterpraktijken werd geweven, dat de werkelijkheid volkomen vertekend werd.
Waarbij - volgens de verdediging - nog komt dat het opleggen van zware straffen de criminaliteit in feite bevordert, en dat zeker de gevallen mens recht heeft op begrip en bijstand van zijn medemensen.
Hard rekwisitoor
Het werd donderdag inderdaad een rekwisitoor dat in niets afweek van het klassieke patroon. Voor de openbare aanklager de h. Dhaenens valt er geen enkel goed woord te zeggen over de twaalf beklaagden. Zelfs de zeven die slechts zijdelings in de affaire betrokken waren - meestal als helers - kregen een grote nul op het rapport van de substituut.
“Ik wil speciaal onderstrepen”, aldus de h. Dhaenens, “dat het hier niet ging om occasionele misstappen zoals er zoveel komen voor de correctionele rechtbank. Nee, hier gaat het duidelijk om en bendevorming en om een escalatie van het geweld over de laakbare mentaliteit dat het langs de misdaad om toch zo gemakkelijk is om aan geld te komen.”
De overval op het kantoor van de Kredietbank te Aalst in augustus 1970 is daar een duidelijk voorbeeld van. Dat was geen amateurisme. Nee, hier werd het scenario gevolgd van de ware beroepsmisdadigers. Dat er daarbij geen doden vielen is volgens de aanklager een gelukkig toeval “want zij zouden geen moment geaarzeld hebben om te schieten als zij in het nauw zouden geraakt zijn”.
Over de moraliteit en de persoonlijke achtergronden van de betrokkenen kan de h. Dhaenens kort zijn. Geneesheer-psychiater Dr. J. De Wilde heeft woensdagavond klaar en duidelijk gezegd dat alle beklaagden toerekenbaar zijn en dat ze in het leven een goede kans hebben gehad. Al de rest is literatuur.
Dat zij hier nu niet komen spreken over de opvoeding, de gezinssfeer en andere beschouwingen, vaart de aanklager uit, die daaraan absoluut geen belang hecht. Het gaat hier om een gevaarlijke criminaliteit waaraan paal en perk moet gesteld worden. De juryleden zouden er goed aan doen even te denken aan al die mensen achter het loket die iedere dag gevaar lopen slachtoffer te worden van gewetenloze bankovervallers.
Wij moeten de maatschappij beschermen, wij moeten onszelf beschermen en dat op een krachtdadige manier, luidt de slotbedenking van deze magistraat, die hoopt dat de beklaagden er niet licht zullen afkomen. Mildheid zou een gevaarlijk effect kunnen hebben. Het zou een aanmoediging kunnen betekenen voor banditisme.
Geen wraak
Veel genuanceerder was het pleidooi van Mr. Dhooge, de verdediger van beklaagde Bracke, die zijn opdracht echter ruimer zag en vooral bezwaren had tegen de repressieve taal van de openbare aanklager die de gerechtigheid ziet als een middel tot wraak - de beklaagden moeten definitief afgeschreven worden en verwijderd uit de maatschappij. Dat neemt Mr. Dhooge niet. Dat is een te gemakkelijke formule.
In de criminaliteit, zegt hij, bestaan geen toevallige oorzaken. En de meeste beklaagden hier zijn gaan doorhollen omdat ze als gevolg van geldelijke moeilijkheden hun maatschappelijke positie dreigden te verliezen. En iedereen weet zo stilaan wel hoe hardvochtig de wereld is als het op geld aankomt. Wie daaraan twijfelt moet vanavond zijn goede vrienden maar eens telefoneren en hun een geldelijke lening vragen om uit een onvoorziene miserie-situatie te geraken. Dat wordt dan bijna zeker een ontgoocheling.
Nee, het gaat er Mr. Dhooge niet om de schuld van zijn cliënt en van de anderen te ontkennen, daarover pleit hij niet eens. Ze zijn fout en ze moeten gestraft worden, maar straffen en straffen is twee. Het gevaar dreigt dat de jury in een reflex van angst en vergelding deze beklaagden weer in de onderwereld trapt in plaats van hen de kans op een nieuw leven te gunnen waarop zij recht hebben. Van Bracke werd door Dr. De Wilde gezegd dat hij recuperabel is. Welnu, bij ’n onmeedogende veroordeling met jaren gevangenis is hij niet meer recuperabel en kan hij niet meer op zijn stappen terugkeren. Dat geldt ook voor de anderen die nog betrekkelijk jong zijn en die staan voor het belangrijkste deel van hun leven - het middenstuk tussen de dertig en de vijfenveertig jaar.
Mr. Van Hulle, die Titeca verdedigt, komt ook even tussenbeide. Deze vrouwelijke magistraat gelooft niet meer in het voorbeeld dat Oost-Vlaanderen wil stellen, diezelfde taal hoorde ze reeds in 1967 en sindsdien is de situatie er zeker niet op verbeterd.
Ook Mr. Van Londerzele en eveneens verdediger van Reginald Titeca trok scherp van leer. Het recht zegt hij is meer dan het stellen van een voorbeeld. Het is trouwens gebleken dat de misdaadcurve steeg bij een scherpe beteugeling. Maar er zijn andere middelen om de criminaliteit terug te drijven. Alleen worden die in België niet toegepast. Wij moeten op dit gebied aan investering doen en preventieve maatregelen nemen.
Deze advocaat, die spreekt met galmende stem, situeert een werk van de gewezen procureur-generaal Bekaert die niet mals was in zijn beoordeling over de manier waarop in ons land de misdaad als maatschappijverschijnsel aangepakt wordt. Dat gebeurt aldus Mr. Van Londerzele en tegelijkertijd Bekaert, alsof iemand met stokken optrekt tegen tanks.
Ook de bankfilialen kregen een veeg uit de pan. In plaats van ernstige voorzorgen te nemen tegen bankovervallen en zich te voorzien van aangepaste apparatuur, betalen ze liever een verzekeringspremie. Dat komt goedkoper uit.
Nog een ganse reeks advocaten - er zijn er zeventien in totaal - kwamen aan bod om hun zienswijze te geven over dit mager proces dat heel nipt, zonet zonder kritiek Assisen haalde. De verdediger van Grégoire Etienne, Mr. Etienne De Ridder, ging er bepaald met de vuile voeten door. Zijn pleidooi was in feite een aanklacht en hij moest eens lachen met al dat gedoe over “een van de gevaarlijkste benden die Oost- en West-Vlaanderen drie jaar lang teisterden”. “Kom nou”, zegt mr. De Ridder, “als dat een bende is, dan was die van Baeckelandt indertijd andere koffie.”
“Maar ja, men heeft nu eenmaal nodig geacht er een groot proces van te maken in plaats van het voor de correctionele rechtbank te brengen. Met als gevolg ondermeer dat enkele mensen er hun reputatie bij inschieten, zoals die man die 950 meter koperdraad aankocht van twijfelachtige oorsprong. En als ge dan hoort over diefstallen van een wasbak en een paar flessen wijn en een tafelkleed - en dat in een Assisenhof - dan kan deze advocaat niet meer volgen. “Oh ja”, zegt hij, “er zijn ergens ook twee lammeren gestolen en gedood om opgegeten te worden.” De moord op twee schuldige lammeren, mr. De Ridder heeft er geen woorden voor.
Vermoeid en gelaten heeft iedereen de donderdagavond gehaald. Vermoedelijk worden hedenmorgen reeds de vragen over de schuld gesteld - dat zijn er meer dan honderd alstublieft. Nadien wordt het hele procedé nog eens herhaald en komen de procureur en de hele rij advocaten nog eens om de beurt aan het woord om over de strafmaat te pleiten. Dat wordt een marathon, die volgens sommig sombere voorspellingen kan duren tot een stuk in de nacht. Pas dan weten de twaalf of ze naar huis kunnen of verder op staatskosten het celregime moeten volgen.
De misdaad wordt duur betaald en niet alleen door misdadigers.
Bron: Gazet van Antwerpen | 30 Maart 1973
De meeste beklaagden werden schuldig bevonden
Na een beraadslaging die zes uur duurde, heeft de jury van het Hof van Assisen te Gent geantwoord op de 179 vragen die haar gesteld werden over de schuld van de twaalf mensen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken waren in een reeks overvallen, diefstallen en diefstalletjes gepleegd in Oost- en West-Vlaanderen tijdens de periode van 1968 tot 1971. De zwaarste aanklacht was de betichting van een bankoverval op een bijkantoor van de Kredietbank te Aalst - in augustus 1970 - die gepleegd werd door Jacob Bracke, Karel Van den Berghe, Reginald Titeca en Omer Samaey.
Zoals te verwachten was, hebben de twaalf gezworenen de voornaamste beklaagden schuldig bevonden aan wat hen ten laste was gelegd, met uitzondering van enkele punten van aanklacht in de lange reeks waarover twijfel bestond. De advocaten hadden trouwens de schuldigheid van hun cliënt geen ogenblik betwist tijdens hun pleidooien.
Wel enigszins verrassend was dat het een vrijspraak werd voor vier van de vijf betichten die zich voor heling te verantwoorden hadden. Dat de Limburger Gerard Thijs de dans netjes ontsprong is nauwelijks verbazend te noemen - omwille van de aankoop van 950 meter koperdraad voor een Assisenhof gedaagd worden is inderdaad nogal sterke koffie - maar dat ook Daniel Van Roose en zeker Jean Van Heule en Hedwig Vermeiren (die laatste twee wegens heling van fiscale zegels) volledig van schuld gezuiverd worden en zonder enige blaam naar huis kunnen terugkeren, is een beslissing die niet op voorhand als een zekerheid kon gelden.
Daarmee heeft de jury, die onze maatschappij vertegenwoordigt, in zekere zin te kennen gegeven dat er wel degelijk ernstige gronden aanwezig moeten zijn om een Assisenhof-procedure te rechtvaardigen en wellicht ligt in deze uitspraak de bedenking gesloten dat deze vier mensen al hard genoeg op de vingers werden getikt, omdat zij voor het assisenhof als hoogste gerechtsinstantie gebracht werden. Alleen voor Georges Borms, eveneens beticht van heling, gaat deze regel niet op. Deze Aalstenaar, die aangehouden ter zitting verscheen omdat hij zich nog voor een andere beschuldiging te verantwoorden heeft buiten het kader van het Assisenhof, werd namelijk wel schuldig bevonden, zij het dan met een stemmenverhouding van zeven tegen vijf. Het hof, dat zich hieromtrent te beraden had, heeft zich bij deze uitspraak aangesloten, wat voor de hand lag.
Vermeire en Van Heule waren zwaar onder de indruk van deze uitspraak, ze wilden iedereen die voorbij kwam de hand drukken en ze straalden van opluchting. Thijs, die zijn ongerustheid nochtans het hele proces lang achter een reeks kwinkslagen verborgen had, vierde de uitslag op zijn manier. Hij riskeerde een paar uitgelaten danspasjes in de lange wandelgang en hij vertoonde de neiging het inzicht te hebben (oh die ambtelijke taal) een paar geweldige luchtsprongen te riskeren, desnoods tot aan de luchters - een eventuele betrachting die overigens tot de onmogelijkheden behoort omdat luchters in dit oude, zich kommervol overeind houdende justitiepaleis al lang vervangen werden door neonbuizen.
Nog een hele dag
Met deze ja’s en eens is het proces echter nog lang niet afgelopen. De hoofdbrok moet in feite nog komen, want heden zaterdag gaat de marathon verder. Voorzitter Maes verwacht alle betrokkenen te 9u in de ochtend. Dan zal openbare aanklager Dhaenens andermaal aan het woord komen om zijn strafvordering te eisen en die zal niet licht uitvallen. Donderdagavond nog - er werd toen tot 22u gezeteld - heeft de substituut het reeds op voorhand duidelijk gemaakt dat hij strenge straffen zal vragen. Hij houdt zijn mening staande dat de heren nu maar eens goed hun lesje moeten leren, omdat het al te gortig wordt met de misdaadbeoefening in dit land en bankovervallen tot de dagelijkse gewoonte beginnen te behoren.
De advocaten der verdediging zijn het daarmee uiteraard niet eens en zij zullen eveneens omstandig aan het pleiten gaan om de straftoepassing in redelijke banen te houden. Daarna moeten de jury en hof samen uitspraak doen.
Als het een beetje wil tegenzitten wordt het middernacht en dus zondag 1 april. Jammer genoeg geen aprilvis.
De taal van de wet
Alles bij elkaar genomen heeft de jury zich vrijdag nog erg snel door de beraadslaging over de schuld heengewerkt. 179 vragen in een tijdsbestek van zes uur verwerken is inderdaad een prestatie van belang. Des te meer omdat al deze vragen in een taal zijn gesteld die een behoorlijke concentratie vereist om er de juiste waarde van af te meten. Openbare aanklager Jules Dhaenens had de twaalf gezworenen er donderdag reeds voor gewaarschuwd dat zij misschien verrast zou zijn door de stijl en door de zonderlinge taal.
Die geestelijke voorbereiding was beslist op haar plaats, vermits de taalkundige en de grammaticale aankleding van de vragen beslist enige denkacrobatiek vereist voor iemand die niet gewend is aan de gerechtelijke terminologie. “Maar ja”, zei substituut Dhaenens, “dat is nu eenmaal de taal van de wet, daar kunnen we niet onderuit.”
Ter illustratie hiervan de tekst van de eerste vraag:
“Eerste vraag - hoofdfeit (in ieder geval te beantwoorden) is de beschuldigde Bracke Jacob Emiel er aan schuldig, als dader - mededader in de zin van het artikel 66 van het strafwetboek, om het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt of om door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder zijn bijstand, de misdaad niet had kunnen gepleegd worden, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad rechtstreeks te hebben uitgelokt, namelijk om roerende zaken die hem niet toebehoren, meer bepaald een geldsom van ongeveer 413.950 fr. bedriegelijk te hebben weggenomen ten nadele van de NV Kredietbank, afdeling Aalst, filiaal Moorselbaan, te Aalst op 12 augustus 1970”.
Met in gedachten de 178 vragen die daar nog op volgden had vrijwel iedereen er op gerekend dat het gemakkelijk tien uur in de avond zou kunnen worden vooraleer het hele pakket verteerd en beantwoord zou zijn. Maar de twaalf dapperen dachten daar anders over. Mogelijk een snelheidsrecord vestigend - iedere vraag dient individueel beantwoord te worden en nadien worden de stembriefjes elektrisch verbrand - kwamen de dames en heren reeds om half zes en nauwelijks getekend door het voorbije denkproces uit de beslotenheid van hun vergaderkamertje te voorschijn om hun verdict kenbaar te maken.
In de loop van de namiddag werd door de zich beradende juryleden een briefje opgesteld en onder de deur geschoven, de gang in. Daarin stond te lezen dat het gezelschap dorst had en erg graag een kopje koffie wou drinken. Meteen werd echter de toegelaten verbruiksnorm overschreden, want er staat geschreven dat de leden van de jury slechts recht hebben op een door de staat betaalde warme maaltijd, gevolgd door één kopje koffie per persoon.
Voorzitter Maes ging met dit voorstel van mensen in nood evenwel akkoord. “Goed zo”, besloot hij, “maar dan op eigen kosten.” Wet is wet.
Bron: Gazet van Antwerpen | 31 Maart 1973
Van tien jaar tot negen maanden opsluiting
Na een laatste lange en afmattende dag, die al om 9u ’s morgens begon, heeft voorzitter André Maes zaterdagavond om halftien het vonnis voorgelezen dat over acht mensen werd geveld die er van beschuldigd werden van 1968 tot 1971 een lange reeks diefstallen te hebben gepleegd in de provincies Oost- en West-Vlaanderen met als enige grote uitschieter een in augustus 1970 uitgevoerde roofoverval op een bijkantoor van de Kredietbank te Aalst.
Dit verdict is al bij al nog een meevaller geworden voor de beklaagden, want de jury, die samen met de leden van het Hof de straf bepaalde, heeft niet willen ingaan op de naar verhouding zware vordering van openbare aanklager Dhaenens die vijftien jaar had geëist tegen de hoofdbeschuldigde Jacob Bracke, Omer Samaey, Reginald Titeca en Karel Van den Berghe, en tien jaar tegen Gregoire Veldeman.
Ook de beklaagden van tweede rang kregen het in de strafeis van de procureur zwaar te verduren en het was alleen Leopold Samaey die een eenzame uitzondering maakte. “Hij is de ongevaarlijkste en de sympathiekste”, zei de procureur. “Tegen hem vraag ik twee jaar waarvan een gedeelte voorwaardelijk zodat hij vanavond nog naar huis kan gaan.”
Gemilderd
Jury en Hof zagen het anders. Na een beraadslaging van drie en een half uur las een vermoeide voorzitter volgend vonnis voor:
Tien jaar dwangarbeid voor Jacob Bracke, zeven jaar opsluiting voor Omer Samaey, negen jaar voor Titeca, acht jaar voor Van den Berghe en Veldeman, achttien maanden voor Leopold Samaey, vijftien maanden voor Willy De Bruyne en negen maanden voor Georges Borms plus een boete van vijftig frank (maal dertig).
Voor deze laatste, die uitsluitend van heling beschuldigd werd - de enige trouwens van de vijf helers die schuldig bevonden werd - geldt dat zeven van de negen maanden voorwaardelijk zijn. Ook Leopold Samaey kreeg tien van de achttien maanden voorwaardelijk en vermits hij reeds 8 maanden uitzat in voorarrest mocht hij dezelfde avond nog als vrij man naar het West-Vlaamse Oudenburg terugkeren waar het voorbije proces - in deze kleine gemeenschap - enorm veel beroering heeft verwerkt.
Maatschappijkritiek
Dat het getij voor deze half-en-half-gangsters dus uiteindelijk nog ten dele gekeerd is, hebben ze aan hun advocaten te danken van wie sommigen zaterdag een pleidooi hielden van een allure die een heel stuk uitsteeg boven wat gebruikelijk op een Assisenhof wordt gehoord.
Bepaald merkwaardig in hun tussenkomsten waren de verdedigers van Omer Samaey, de wildstroper en de duivenmelker die, misschien zonder het zelf te beseffen, het pad opging van de misdaad.
Mr. Johan Weyts uit Sint-Kruis-Brugge concentreerde zich op de mens Omer Samaey, de “domme kracht”, die gebruikt werd en misbruikt werd, de wildstroper en steenbakker uit het lage West-Vlaamse polderland, iemand die behoort tot de eenvoudigen van geest en die zweeft aan de rand van de debiliteit zoals de psychiater zei. “Ik bid u, vroeg Mr. Weyts, wees mild voor Omer Samaey. Hij is vijfenveertig en heeft toch niets onherstelbaar gedaan”.
En toen kwam Mr. Leo Martens, de kleine al wat oudere advocaat uit Sint-Amandsberg, die wegging van zijn cliënt om de misdaad als maatschappijverschijnsel te ontleden en die zaterdag in de sombere Gentse Assisenzaal uitgroeide tot een reus.
“Ik ben onthutst”, zei Mr. Martens, “als ik de taal hoor van de openbare aanklager. Hij eist zeer strenge straffen tegen deze mensen, niet alleen om wat zij misdeden maar ook om wat anderen doen. In hen wil hij ook de anderen waarschuwen, want hij wil een voorbeeld stellen: een afschrikmiddel. Maar ik moet u zeggen dat deze theorie in het moderne strafrecht als verwerpelijk geldt.”
Mr. Martens ontkende niet dat het Westen een golf van criminaliteit beleeft. “Maar dat komt omdat in de welvaartssituatie, die wij nu kennen, een gevaarlijk element zit: de onrechtvaardige verdeling van de welvaart. Ge kunt straffen zo hard als ge wilt”, meneer de procureur, “ge kunt uw politiekorpsen uitbreiden en sterker maken maar ge zult in ons land geen vermindering krijgen in de misdadigheid. Dat is een wetenschappelijke determinant”.
Ook Piet van Eeckhaut, die Van den Berghe verdedigde, deed in een bewogen pleidooi aan felle maatschappijkritiek. “’t Is weer klaar, hé”, riep hij uit, “kraakt ze maar, stopt z’er maar In, in de gevangenis. Zo eenvoudig is dat. Maar de oorzaken van de miserie, daarover praat niemand. Durft men zeggen dat in dit land een opvoeding wordt gegeven die leidt naar burgerzin? Nee, dames en heren, geld, consumptie en geldingsdrang, dat zijn de grote waarden”.
Voor het gevangenissysteem had deze advocaat alleen harde woorden over. “Ik ga u een voorbeeld geven”, zei hij. “Weet ge waar deze beklaagden zaten terwijl gij uw beraadslaging hield? Welnu, ze zaten in kleine hokjes met tralies voor, hier beneden in de diepe muffe kelders. Dat is geen drama, maar het is wel typerend. Het hele gevangeniswezen in België is een schandaal en wie dat wil ontkennen spreekt de waarheid niet. En de reclassering die doet het ook al langs geen kanten. Deze beklaagden moeten volgens de aanklager verpletterd worden, ze zullen in het gevangenismilieu terechtkomen en terugkeren als echte gangsters. Dat zal het gevolg zijn.”
De dames en heren van de jury schrokken van die harde taal. Ze milderden de straffen en als hun gezichten ernstig getekend waren dan is dat niet van vermoeidheid alleen. Als gelegenheidsrechters immers hebben zij dezer dagen geleerd hoe moeilijk het is een oordeel te vellen over medemensen, want de bestrijding van de misdaad is veel meer dan de toepassing van strafwetboekartikels - dat is een langzaam doordringend besef in onze tijd waarin de criminaliteit vaste voet heeft gekregen.
Maar of het voorbeeld, dat Oost-Vlaanderen heeft willen stellen dor een eigenlijk correctionele zaak naar het Assisenhof te brengen, ook helpen zal, dat is een andere kwestie. Zoals de advocaten het al zeggen: de ware oorzaken zitten veel dieper.
Bron: Gazet van Antwerpen | 2 April 1973
