
You are not logged in. Please login or register.
Bende van Nijvel → Posts by Ben
Via het Franstalig forum vond ik al een leesbare versie van de inleiding. Ik hoop dat de rest ook snel online komt:

Dezelfde avond [na de overval in Overijse] drongen politiemannen zonder huiszoekingsbevel de villa van de gedode bankier Finné binnen. Ze hadden officieel de opdracht om twee Mechelse en een Belgische scheper te doden omdat die te veel blaften en brachten meteen vijf puppy's naar het hondenasiel. Hetzelfde weekend ging ook een delegatie van Finnés Luxemburgse werkgever langs om bepaalde documenten mee te nemen. De vrouw en dochter van de bankier, van wie hij gescheiden leefde, werden pas op maandag op de hoogte gebracht. (...)
De dood van Léon Finné heeft me altijd geïntrigeerd. Hij runde een filiaal van de Banque Copine op de Louizalaan waar heel wat politielui, advocaten en magistraten klant waren. Na het faillissement van de bank trad hij in dienst van een Luxemburgse zakenbank. De Banque Copine had zakelijke belangen met de Credit Commercial et Financier (CCF) en de verzekeringsmaatschappij North Europe. De CCF telde naast gerespecteerde zakenlui ook heel wat zware jongens onder haar cliënteel, zoals enkele Italiaanse koppelbazen uit de streek van La Louvière. Het vastgoedbedrijf Progime, een dochteronderneming van de Banque Copine, verhuurde vanaf 1981 appartementen en garageboxen aan Bouhouche en Beijer, die daarvoor valse namen gebruikten.
Finné werd letterlijk geëxecuteerd toen hij terug naar zijn wagen liep, waarschijnlijk om zijn wapen en mobiele telefoon te grijpen. Aan een vriendin die in een Brusselse bar werkte, had hij enkele dagen eerder gezegd dat hij zich bedreigd voelde. De uitbaatster bevestigde dat: "Si vous saviez ce qui va se passer" ...
In 1981 had Finné majoor Vernaillen een groot geheim toevertrouwd. Er stond een staatsgreep in de steigers met dezelfde roergangers als in 1973, toen de namen de ronde deden van enkele topofficieren uit het leger en de rijkswacht uit de entourage van VDB. De operatie stond bekend onder de codenaam Blauwe Orde-Ordre Bleu en verwees naar het blauw van de rijkswacht, want de groep Diane, het latere SIE en het Mobiel Legioen, zouden het voortouw nemen. De operatie werd uiteindelijk afgeblazen omdat de luchtmacht niet wilde meedoen.
Finné onderhield ook nauwe contacten met Glennon Cooper, vanaf 1981 de antennechef van de CIA in Brussel. In Finnés agenda, die ik kon inkijken, vond ik de naam van Cooper, met de volgende vermelding: "100 millions dollar, 5 pourcent pour en sortir, liasses billets 1000 dollar, 8 bateaux, Libie, telex Hassan". Dat ging dus duidelijk om een wapentransactie naar Libië, een land dat officieel een vijand van de VS was. Gebruikten bepaalde Amerikaanse diensten Léon Finné als tussenpersoon of als financier?
De kapper Victor Portenart, uitgever van NEM, kende een van de vriendinnen van 'le gros Léon' Finné. Ik mocht de memoires van Portenart inkijken en stelde vast dat hij zwaar onder de indruk was omdat zijn vriend was afgemaakt met negen kogels. Finné had volgens hem extreemrechtse sympathieën en wist meer over een geplande staatsgreep. Van Patricia Bingoni, een gemeenschappelijke Zaïrese vriendin die een schoonheidssalon runde in Ukkel, had ook hij vernomen dat de bankier zich kort voor zijn dood bedreigd voelde.
Jacques Depret, ambtenaar bij het Hoog Comité van Toezicht, bezat een lijst van deelnemers aan seksfuiven die georganiseerd werden door een vriend van Finné. Opnieuw doken de namen op van prominenten uit de zakenwereld, magistratuur en rijkswacht die een beroep deden op "des partenaires de petite taille". Pedofilie of seks met minderjarigen dus. Depret kreeg echter van hogerhand het verbod om dieper te graven. Hij werd zelfs met de dood bedreigd door een ploeg BOB'ers. Zijn conclusie: "Ik weet veel over de rijkswacht, het begint gevaarlijk te worden voor bepaalde personen."
Bron: De Bende van Nijvel - verraad, manipulatie, geheime diensten | Guy Bouten
In juni 1985 bereikte de bommencampagne van de CCC haar hoogtepunt. Twee inspecteurs van de Staatsveiligheid herkenden Pierre Carette in het Brusselse café Nobel op de Buyllaan, vlak bij de ULB. Ze sloegen alarm en zagen hem de tram nemen richting stadscentrum. Tot hun verbazing zagen ze in die tram ook hun collega Piet Browaeys, een vertrouweling van Smets en lid van de speciale sectie SSP en een kennis van Bouhouche.
Browaeys ondernam echter niets om Carette - die intussen overal in het land geseind stond - aan te houden. Dezelfde avond werd Carette opnieuw opgemerkt, in café Dolle Mol. Het SIE viel omstreeks 23 uur binnen, maar liet weten dat de man die ze moesten arresteren niet Carette bleek te heten. De man had hen een geplastificeerde identiteitskaart met een andere naam getoond. Die kaarten waren toen uiterst zeldzaam. Speelde het SIE onder één hoedje met bepaalde lui bij de Staatsveiligheid?
Dat klinkt niet onlogisch, want Daniël Eskenazi, een collega-drukker, had Carette drie maanden eerder het BOB-gebouw aan de Leuvenseweg zien verlaten. Carette droeg een kostuum en had een aktetas bij zich, wat niet zijn gewoonte was. Bovendien had hij zich vermomd met een valse snor en was zijn haar zwart geverfd. Eskenazi, die al jaren met Carette samenwerkte, was er zeker van dat hij zich niet vergiste en bracht journalist Walter De Bock op de hoogte. De Bock werd vanaf dat ogenblik afgeluisterd en geschaduwd door de rijkswacht.
Bron: De Bende van Nijvel - verraad, manipulatie, geheime diensten | Guy Bouten
Ter info: de originele bron van het "tram"-verhaal is het boek "Les Années noires vous intéressent?" van Gerald Damseaux.
Pierre Carette - geboren in Charleroi op 21 september 1952 - is een Belgische activist en veroordeeld crimineel. Hij was leider van de Belgische linkse actiegroep Cellules Communistes Combattantes (CCC). Carette kreeg voor zijn betrokkenheid bij terreuraanslagen in het midden van de jaren 80 levenslange opsluiting. Carettes vader was ambtenaar bij het ministerie van Justitie, zijn moeder was als psychologe in het onderwijs werkzaam. Hij genoot een opleiding gravure aan de Academie voor Schone Kunsten en werkte in drukkerijen.
Zijn politiek engagement begon Carette bij de oprichting van een comité ter ondersteuning van gevangen leden van de RAF in Duitsland. Daarvoor had hij reeds drukwerk uitgegeven dat opriep tot een gewapende strijd tegen het kapitalisme, onder andere vertalingen van RAF-pamfletten. In 1982 geeft hij korte tijd het tijdschrift Subversion uit. Kort daarna was hij de drijvende kracht achter de oprichting van de CCC.
Vanaf oktober 1984 pleegde deze terreurgroep een reeks aanslagen tegen politieke en militaire doelwitten, tot Carette samen met drie medestanders op 16 december 1985 in een Quick-fastfoodrestaurant te Namen gearresteerd werd in een snel geïmproviseerde gezamenlijke actie van de Staatsveiligheid, de Rijkswacht en de Gerechtelijke Politie. De zwaarste menselijke tol die de acties van Carette en de CCC hadden geëist zijn twee gedode Brusselse brandweermannen, die omkwamen in een bomaanslag op het hoofdkwartier van het VBO te Brussel op 1 mei 1985. Dit ongewenste dodental zou te wijten zijn aan de handelingen van de Rijkswacht, die - ondanks hun informatie en kennis omtrent de geplaatste explosieven - de brandweer niet had ingelicht. Een geheimhouding die het CCC - voor het eerst - in een slecht daglicht zou plaatsen bij het merendeel van de Belgische bevolking.
Het assisenproces van de CCC-leden vond plaats in 1988. Vooral de dood van de twee brandweerlieden bij de aanslag op het gebouw van het VBO op 1 mei 1985 in Brussel woog zwaar en in oktober 1988 werd Carette veroordeeld tot levenslang.
Op 25 februari 2003 werd Carette als laatste gevangen CCC-lid vervroegd vrijgelaten. Reeds vanuit de gevangenis had Carette in 2002 zonder toelating een telefonisch interview gegeven aan journalisten van het VRT-programma Ter Zake. In september 2003 was Carette echter te zien in het VRT-programma Nachtwacht in een confrontatie met voormalig premier Wilfried Martens die in de jaren 80 zelf nog politiebescherming gekregen had tegen de CCC; nadat de CCC een bomaanslag op zijn kantoor had gepleegd waar Martens ongeschonden uitkwam.
Hij schoof ook de verantwoordelijkheid voor de twee gedode Brusselse brandweermannen volledig af op de Rijkswacht, hoewel hij en zijn kompanen bij de aanslag van 1 mei 1985 zélf de bomauto geplaatst en de tijdbom geactiveerd hadden. In klassieke militante marxistische bewoordingen maakte Carette duidelijk dat hij nog steeds fanatiek achter zijn overtuigingen staat en dat “de strijd verdergaat”.
Op 5 juni 2008 werd Carette weer opgepakt wegens het zogenaamde schenden van de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating (hij mocht geen activistisch politiek contact meer opnemen met zijn kompanen), al besliste de strafuitvoeringsrechtbank een kleine week later dat hij niet terug naar de gevangenis moet wegens geen bewijs dat de contacten met zijn ex-kompaan Bertrand Sassoye niet pacifistisch waren.
Bron: Wikipedia
Meer informatie over de feiten, het onderzoek en het proces vind je op de website » Zaak CCC
Bouhouche was een vriend van de familie Lammers (dat wisten we al). Maar de echtgenote van Bouhouche werkte als verpleegster in hetzelfde ziekenhuis als de moeder van Eric Lammers.
De voorbije jaren namen de speurders alle mogelijke hypotheses onder de loep: van het klassieke banditisme, een racket door de Amerikaanse maffia tot het extreemrechtse politieke spoor en terrorisme. Evenwel zonder resultaat. Om te redden wat er te redden viel, werden profilers uit Frankrijk en Canada aan het werk gezet. Volgens hen betrof het puur banditisme en was de Killer een serie-moordenaar die 23 van de 28 moorden op zijn geweten had.
De Brusselse profiler Danièle Zucker poneerde zelfs dat de Killer een man van veertig jaar was uit Elsene, corpulent, hedonist, gewelddadig, middelmatig intelligent, die zich gedroeg als de chef. Verder bestond de Bende uit drie marginale criminelen: een garagist, want er moest iemand bij zijn die wagens uit elkaar kon halen, een kok van zo'n achttien jaar, verantwoordelijk voor de diefstal van wijn, twee sauszeven en borden in het restaurant in Beersel en een Spaanse lasser, waarmee Zucker blijkbaar verwees naar de Spaanse krant die men vlak bij het wrak van de Santana na de overval op Dekaise en het openbreken van de toegangspoort in de Colruyt van Nijvel met een snijbrander had gevonden. Volgens onderzoeksrechter Michel en procureur De Valkeneer was Zucker "een intellectuele oplichtster die 57.000 euro in rekening bracht voor een rapport van zeventig pagina's met enkel wat vage algemeenheden".
In het voorjaar van 2014 ontmoette ik [Guy Bouten] deze lieve dame tijdens een lezing in Zeebrugge, waar ze haar toehoorders probeerde te overtuigen van het nut van profiling. Ik twijfelde niet aan haar goede bedoelingen en kon me er volledig in vinden dat profiling in de zaak-Dutroux, die gekenmerkt werd door seksueel afwijkend gedrag, een noodzakelijke onderzoeksmethode kon zijn om een psychopaat op te sporen die gefixeerd was op het ontvoeren, verkrachten, martelen en vermoorden van weerloze meisjes. Maar voor de Bende van Nijvel leek profiling me absoluut niet toepasbaar omdat er diverse kleine bendes actief waren, in het Frans sprekend verwoord door de uitdrukking "des petites mains".
Er waren de talrijke valse sporen die wezen op manipulatie en er was de schaduw van machtige geheime diensten. Zucker mocht weliswaar de Bendemisdaden uit 1982 en 1983 analyseren maar niet die van 1985, laat staan de moord op Mendez. Philippe De Staerke (*) en Bouhouche ontsnapten dus volledig aan haar aandacht. De profiler had beter moeten weten en de opdracht weigeren. Maar haar begeleiders, Vos en Ruth, wilden per se deuren sluiten.
Bron: De Bende van Nijvel - verraad, manipulatie, geheime diensten | Guy Bouten
(*) De Staerke was in 1983 al een verdachte in het onderzoek naar de moord in Ohain.
Waarom Dossogne - en via hem eventueel Mievis - onder observatie werd gezet, werd door Michaux, in antwoord op een vraag van een lid van de Commissie, als volgt Dossogne uitgelegd:
"Uitsluitend om te zien of Mievis ons niet misleidde. Hij beweerde een misstap te hebben begaan in zijn jeugd, in '76. Voor alle betrokkenen - u kan daarover de opinie van de heren Troch en Lacroix vragen - is het daarbij gebleven (groep G). Alvorens contact te hebben met Mievis wilden we zien of hij buiten ons medeweten geen contact had met Dossogne. (...) Ik ben ervan overtuigd dat indien die observatie ons nuttige elementen voor het dossier zou hebben opgeleverd ... Ik heb contact opgenomen met Delta, omdat zij interesse hadden voor Dossogne. Een defensief initiatief? Inderdaad. Beperkend."
"Alvorens die man te verhoren, wilden we namelijk weten of we hem konden vertrouwen. Als we een positief element hadden gehad, hadden we hem uit zijn evenwicht kunnen brengen door hem te zeggen dat hij ons in de maling nam. Maar zo'n element hadden we niet! We hadden alleen de goede trouw van de betrokkene. De mate waarin hij de gebeurtenis heeft gedramatiseerd, toen we hem aan de feiten van '76 herinnerden, heeft een rol gespeeld. Ik denk dat het voor hem vandaag hetzelfde drama betekent."
De voornaamste (schijnbare) tegenspraak die er tussen beide verklaringen zit, betreft het tijdstip waarop Dossogne-Mievis onder observatie werden geplaatst. Waar Bruggeman deze actie na de verwittiging van Mievis plaatste, daar situeerde Michaux haar daarvóór. Deze tegenspraak kan echter aan de hand van de dossier-analyse en van de bijkomende documenten gemakkelijk worden opgelost. In het rapport dat Michaux in maart 1989 vervaardigde voor de commandant van de rijkswacht naar aanleiding van het interview met Lekeu, wordt duidelijk gesteld dat de observatie-actie - onder de codenaam "Uniforme" - startte op 25 augustus 1986 en eindigde op 5 september 1986, terwijl Mievis op 1 september 1986 om 15.50 u. werd verhoord.
Dit wil zeggen dat de onderhavige getuigen in zekere zin dus allebei gelijk hadden. En de kopieën van de observatieverslagen die de Commissie op haar verzoek in juli 1997 ter hand werden gesteld, tonen niet alleen duidelijk aan dat de actie inderdaad enkel in de aangegeven periode plaatsvond, maar ook dat er geen contacten werden waargenomen tussen Dossogne en Mievis.
Ter vermijding van verdere misverstanden moet er tot slot op worden gewezen dat - anders dan Bruggeman verklaarde - de telefoongesprekken van Dossogne en Mievis, althans de nummers die zij zouden draaien en de nummers vanaf dewelke zij zouden worden gebeld, niet werden geregistreerd in Dendermonde. Hiertoe werd wel actie ondernomen, maar Delta zag geen mogelijkheid voor het plaatsen van een zoller en een malicieux bij Dossogne.
Bron: Verslag Tweede Bendecommissie (bijlage 5)
Tijdens de hoorzittingen riepen zowel de manier waarop bekend was geworden dat Mievis deel uitmaakte van de Task Force te Nijvel, als de manier waarop hij was verwijderd uit deze speciale eenheid, allerlei vragen op. Kolonel Michaux vertelde hoe hij erachter was gekomen dat Mievis bij de Task Force werkte:
"We schrijven augustus 1986. Toevallig kom ik in het kantoor van luitenant-kolonel Marchoul. Ik telefoneer er naar de Task Force van Nijvel en de secretaris van de Task Force, wachtmeester Mievis, neemt op. Ik spreek dus zijn naam uit. Na dat telefoongesprek zegt kolonel Marchoul me: 'Die naam komt me bekend voor.' Hij herinnert me aan de zaak van groep G in 1976. Vervolgens neem ik de initiatieven waarvan u de chronologie kent, aangezien het allemaal in mijn rapport staat dat ik u samen met andere in december 1996 heb overgemaakt."
"Ik ga bij kapitein Brabant, hoofd van de BOB van Brussel, en vind het oude dossier terug, ondanks de definitieve vernietiging van bepaalde dossiers bij de afdeling OP van de BOB van Brussel. Ik breng er de commandant van op de hoogte via luitenant-kolonel Bruggeman, als ik me niet vergis, die adjunct-directeur van de operaties was. Ik denk dat de top er ook op de hoogte van werd gebracht. We hebben ons de vraag gesteld welke de rol was van Mievis die zich in 1986 toevallig in de cel Task Foree van Nijvel bevindt. Des te meer daar we over zijn zaak uit het verleden hebben gehoord die werd afgesloten met een gewone overplaatsing van het CBO naar het mobiel legioen waartoe in december 1976 werd besloten. Wat doet hij daar in Nijvel?"
"Was zijn rol niet dubbelzinnig? We hebben getracht te weten te komen of Mievis, die vroeger contact had met Dossogne en daar verslag van uitbracht bij kapitein Duterme, nog altijd contact met hem hield buiten het medeweten van de kapitein. We wisten dat hij in 1976 lid was geweest van groep G. Daarom hadden we gevraagd Francis Dossogne onder observatie te zetten en hebben we, via kapitein Sack, inlichtingen ingewonnen bij de magistraat van Dendermonde over de mogelijkheid een zoller en een malicieux te plaatsen om de rol van Mievis in die zaak te ontdekken."
Bruggeman van zijn kant bevestigde deze lezing van de gebeurtenissen:
"In 1986 - de juiste datum kan ik mij niet herinneren - werd ik telefonisch gecontacteerd door kolonel Michaux, die mij ontsteld vertelde dat hij was benaderd door kapitein Duterme, die op dat ogenblik adjunct was in het district Nijvel en die contact had gehad met de heer Mievis, die, ook reeds op het CBO, een schitterend rijkswachter was en op dat ogenblik op het district werkte. Hij was waarschijnlijk op het district terechtgekomen na een aantal mutatie, want hij is uiteraard niet in het mobiel legioen gebleven. Ik heb van Michaux vernomen dat hij zich vrijwillig had aangeboden om versterking te leveren aan Nijvel. Ik heb toen Michaux op de hoogte gebracht van wat ik wist en hier zojuist heb verklaard. Michaux heeft toen, in overleg met Duterme en de onderzoeksrechter, die man onmiddellijk laten verwijderen."
"Dat weet ik zeker, omdat ik toen - ik was hoofd-directeur van de operaties - aan Michaux heb gezegd dat het raadzaam was geen enkele voorzorgsmaatregel over het hoofd te zien. Er is toen onmiddellijk een afluisterapparaat geplaatst op de telefoon van Mievis en Dossogne. Mievis is zelfs onder observatie van het observatieteam geplaatst om zijn reactie op zijn verwijdering te bewaken van juridische zijde. Bij het installeren van dergelijke apparatuur op een telefoon moet een onderzoeksrechter betrokken zijn."
"Ik denk dat de bewaking veertien dagen heeft geduurd en dat er tussen Mievis en Dossogne blijkbaar geen enkel contact is geweest na dit incident. Ik weet van Michaux dat Mievis in overleg met de onderzoeksrechter onmiddellijk uit de Cel is verwijderd nadat iemand Duterme op de hoogte had gesteld van het verleden van Mievis, dat uiteraard niet in overeenstemming was met deze functie."
Bron: Verslag Tweede Bendecommissie (bijlage 5)
Bouhouche oefende op 9 november samen met Beijer en Alain Weykamp met oorlogswapens in de club Target 121 in Leopoldsburg. Zijn naam stond op de aanwezigheidslijst, maar die van Beijer ontbrak. Wanneer Bouhouche de schietclub precies verliet, stond nergens genoteerd.
Bron: De Bende van Nijvel - verraad, manipulatie, geheime diensten | Guy Bouten
Bende van Nijvel → Posts by Ben
Powered by PunBB, supported by Informer Technologies, Inc.