François George, beter bekend onder zijn artiestennaam Friswa of Big Friswa, was een Brusselse gitarist, zanger, karateka, bodyguard en portier. Hij werd vooral bekend als gitarist van de Belgische rockgroep Jenghiz Khan, die tussen 1970 en 1972 tot de opvallendste Belgische rockgroepen van zijn generatie behoorde.
Later werkte hij onder meer als bodyguard van Plastic Bertrand en als portier in de Brusselse discotheek Le Cirque. In het onderzoek naar de Bende van Nijvel kwam zijn naam vooral naar voren door zijn vriendschap met François Ertrijckx, alias Asterix, en door een onderzoek naar een verdwenen 9mm-pistool.
Zijn levensloop is daardoor interessant op twee verschillende niveaus. Enerzijds was George een bekende figuur uit de Belgische rockscene van de jaren zestig en zeventig. Anderzijds bewoog hij zich in de jaren tachtig in een Brussels netwerk waarin muzikanten, portiers, bodyguards, vechtsporters, figuren uit het nachtleven en personen uit de onderwereld elkaar ontmoetten. Dat netwerk werd na de overvallen van de Bende van Nijvel van 1985 ook door de speurders onderzocht.
Er is echter geen enkel bewijs dat George zelf deel uitmaakte van de Bende van Nijvel.
Jeugd in de Brusselse volksbuurten
Volgens de herinneringen van rockjournalist Piero Kenroll was François George een kind van de Brusselse volksbuurten. Hij groeide volgens Kenroll op in de omgeving van Molenbeek en kwam al op jonge leeftijd in aanraking met het straatleven. Kenroll beschrijft een man met een opvallend contrast: enerzijds beschikte George over een groot muzikaal talent en een sterke artistieke gevoeligheid, anderzijds had hij een reputatie als harde straatvechter.
Kenroll omschrijft hem later als ongeveer 1,80 meter groot en 90 kilogram zwaar, met een zwarte band in karate. Die fysieke verschijning zou uiteindelijk ook onderdeel worden van zijn publieke imago. De bijnaam Big Friswa verwees niet alleen naar zijn artiestennaam, maar paste bij het imposante voorkomen waarmee hij optrad.
De beschikbare bronnen laten niet toe om veel verder terug te gaan in zijn jeugd. Over zijn ouders, geboorteplaats, opleiding en precieze geboortedatum is weinig informatie beschikbaar. Zijn vorming lijkt vooral bepaald te zijn geweest door twee werelden die gedurende zijn leven naast elkaar bleven bestaan: de Brusselse straatcultuur en de muziek.
De eerste jaren in de Belgische rock
In het midden van de jaren zestig maakte George onder de naam Friswa zijn entree in de Belgische rockscene. Hij speelde gitaar bij The Partisans, een groep die samen met onder meer de Night Rockers en Stroff and the Jay Five optrad in het Brusselse Rocking Center, vlak bij de Grote Markt.
Het Rocking Center was volgens Kenroll een belangrijke ontmoetingsplaats voor jonge Belgische rockmuzikanten.
De groepen traden er op en trokken daarnaast naar buitenlandse clubs. The Partisans speelden onder meer in Hamburg, waar Belgische muzikanten ervaring opdeden in de intensieve clubcultuur van de jaren zestig. Kenroll ontmoette Friswa daar en raakte met hem bevriend. Hij zou George later omschrijven als een uitzonderlijk getalenteerde muzikant en een loyale vriend.
Die vroege muziekperiode is belangrijk omdat Friswa daarmee al vóór zijn latere activiteiten in het Brusselse nachtleven een herkenbare figuur was. Hij was niet iemand die pas in de jaren tachtig in de publieke belangstelling kwam: zijn naam was al ruim twintig jaar eerder verbonden aan de Belgische rockscene.
Jenghiz Khan
De belangrijkste muzikale periode van George begon rond 1970. Rockjournalist Piero Kenroll had kort daarvoor het Tim Brean Group leren kennen en zag potentieel in de groep. Voor de gitaarpartij stelde hij Friswa voor aan Tim Brean en drummer Christian Servranckx.
De samenwerking leidde tot de oprichting van Jenghiz Khan. Later kwam Pierre Raepsaet bij de groep, die op dat moment uit Tim Brean, Christian Servranckx, Friswa en Raepsaet bestond.
De groep ontwikkelde zich snel. Volgens Kenroll waren Friswa en Tim Brean technisch sterke en zeer gedreven muzikanten. Hun onderlinge competitie stimuleerde de muzikale ontwikkeling van de groep. Friswa was niet alleen gitarist, maar schreef ook composities. Op het eerste album van Jenghiz Khan, Well Cut, verschenen drie composities van zijn hand.
Het album werd in april 1971 uitgebracht door Barclay België. De opnamen vonden plaats in de Reward-studio's in Schelle. Het album bevatte onder meer de nummers Rain, Campus A, Campus B, Hard Working Man, The Moderate, Mad Lover, Trip to Paradise en The Lighter. De teksten werden geschreven door Piero Kenroll.
Jenghiz Khan kende in 1971 een opmerkelijk succes. Well Cut bereikte volgens de historische rockdocumentatie de Belgische hitlijsten en de groep werd in de Pop Poll van Télé Moustique uitgeroepen tot de nummer één van de Belgische rockgroepen. Friswa werd in diezelfde verkiezing als eerste gerangschikt bij zowel zang als gitaar.
Ook op het podium speelde zijn verschijning een belangrijke rol. Kenroll beschreef hem als een imposante figuur die samen met Raepsaet voor veel humor zorgde tijdens optredens. De combinatie van technische vaardigheid, fysieke présence en podiumgedrag werd een belangrijk onderdeel van het imago van Jenghiz Khan.
Een van de bekendste optredens vond plaats tijdens het Festival de la Guitare d'Or in Ciney in juli 1971. Volgens Kenroll wist Jenghiz Khan het publiek daar bijzonder sterk te overtuigen. De groep trad daarnaast onder meer op in Jazz Bilzen, Huy, Gent, Jemelle en het Woluwe Shopping Center.
Het einde van Jenghiz Khan
Het succes van Jenghiz Khan bleek uiteindelijk onvoldoende om de muzikanten financieel onafhankelijk te maken. Volgens Kenroll hadden Belgische rockgroepen begin jaren zeventig grote moeite om voldoende contracten en inkomsten te verwerven. Tegelijkertijd veranderde het muzikale landschap snel door de opkomst van de glamrock.
In 1972 verliet Friswa Jenghiz Khan voor een lucratiever aanbod van Wallace Collection, een groep die internationaal bekender was. Kenroll beschrijft zijn vertrek als een belangrijke factor in het einde van Jenghiz Khan. De overige leden gingen hun eigen weg en de groep hield uiteindelijk op te bestaan.
Na zijn periode bij Wallace Collection speelde George nog bij Two Man Sound. Volgens Kenroll trad de groep zelfs op als voorprogramma van Slade in Vorst Nationaal. Daarna volgden verschillende kleinere muzikale projecten.
In 1974 werkten Friswa en Kenroll samen aan de single I Still Remember Eddie, een hommage aan rock-'n-rollpionier Eddie Cochran. Op de B-kant stond Big Friswa, waarin George zichzelf muzikaal en humoristisch portretteerde. In 1979 verscheen nog de single Johnny's Girl / Back in Town. Geen van deze latere releases kende het commerciële succes van Jenghiz Khan.
De jaren tachtig: muziek en nieuwe activiteiten
In de jaren tachtig probeerde George opnieuw een plaats te vinden in een veranderende muziekwereld. Samen met Piero Kenroll richtte hij het project Frisway op. Het concept combineerde rock-'n-rollachtige zang met zware gitaarpartijen en elektronische invloeden die aansloten bij de nieuwe muziek van de jaren tachtig.
Een nummer, Free Radio, verscheen op de compilatie Sprouts. Een ander nummer, N'Human, werd als single uitgebracht. Het commerciële succes bleef echter uit. George probeerde vervolgens nog andere muzikale formaties uit, waaronder Ma's Kitchen.
De biografische bron van Kenroll beschrijft deze periode als een moeilijke levensfase. Het uitblijven van commercieel succes, persoonlijke problemen en zijn moeilijke karakter zouden volgens hem hebben bijgedragen aan een steeds zwaardere neerwaartse spiraal.
Karate en het Brusselse nachtleven
Naast muziek speelde vechtsport een belangrijke rol in het leven van Friswa. Hij was karateka en behaalde een zwarte gordel. Volgens Hilde Geens, in haar boek “Beetgenomen”, kreeg hij onderricht van Jean-Francis Calmette, een Fransman die in Brussel actief was in de karatewereld en volgens Geens goede contacten had met extreemrechtse milieus.
George werd daarnaast actief als bodyguard. Hij werkte onder meer voor Plastic Bertrand en later als portier van de Brusselse discotheek Le Cirque. Die functies brachten hem opnieuw in een omgeving waarin hij door zijn fysieke verschijning en vechtsportervaring goed paste.
Volgens de beschikbare bronnen vormden muziek, vechtsport, portierswerk en bodyguardwerk dus geen afzonderlijke episoden, maar liepen ze gedeeltelijk door elkaar. Dat verklaart ook waarom George een breed netwerk van contacten kon opbouwen.
De connectie met François Ertrijckx
Voor het onderzoek naar de Bende van Nijvel is vooral de relatie tussen Friswa en François Ertrijckx (Asterix) van belang. Ertrijckx was Brusselse pompenmonteur, diepzeeduiker en volgens Hilde Geens een soort tipgever of “snuffelaar”. Hij werd op 22 januari 1985 doodgeschoten in zijn Pontiac op de parking van het Westland Shopping Center in Anderlecht.
Geens beschrijft Friswa als een van de beste vrienden van Ertrijckx. Daarmee bevonden beide mannen zich in eenzelfde sociaal milieu. Ertrijckx had contacten met onder anderen Marcel Castris, de als verdachte “reus” bekende Pol (*) en personen uit extreemrechtse kringen. De gerechtelijke politie kon volgens de aangehaalde dossieranalyse echter niet vaststellen wat de precieze aard van die contacten was.
(*) Hoogstwaarschijnlijk Paul Bols.
De connectie tussen Ertrijckx en George is daardoor interessant, maar moet worden onderscheiden van een bewezen Bendeconnectie. Dat George bevriend was met iemand die informatie over de Bende van Nijvel zou hebben verzameld, bewijst op zichzelf niet dat George die informatie kende of bij de feiten betrokken was.
Friswa, Calmette en het WNP-milieu
De naam van George komt daarnaast voor in de context van Jean-Francis Calmette en de Westland New Post (WNP). Volgens de door Geens aangehaalde verklaring van Calmette had Friswa samen met Calmette, WNP'er Marcel Barbier, diens zwager en nog een vijfde persoon gratis ingestaan voor de veiligheid tijdens een bal van Paul Vanden Boeynants in de Magdalenazaal.
Dit is een concrete sociale verbinding tussen George en personen uit het WNP-milieu. Het is echter niet hetzelfde als bewijs dat George zelf WNP-lid was. In de beschikbare bronnen wordt hij niet als formeel lid van de organisatie geïdentificeerd.
Ook in de agenda's van WNP-leider Michel Libert kwamen de namen Asterix en Obelix voor. De identiteit van de daarin genoemde Asterix werd echter niet definitief vastgesteld. Dat gegeven kan daarom niet zonder meer worden gebruikt om George via zijn vriendschap met Ertrijckx met WNP te verbinden.
Het verdwenen 9mm-pistool
Een tweede reden waarom Friswa in het Bendeonderzoek interessant werd, was een verdwenen pistool.
Op 15 januari 1982 waren twee rijkswachters in Etterbeek het slachtoffer geworden van een gewapende overval. Daarbij verdwenen onder meer hun wapens. Eén pistool werd later niet teruggevonden. Volgens Hilde Geens werd vervolgens geprobeerd de levensloop van dat wapen te reconstrueren.
In dat onderzoek ontstonden aanwijzingen dat het pistool op een bepaald moment bij Friswa zou zijn geweest. Een brocanteur die later samenwoonde met een voormalige vriendin van George, had in haar woning een kogelinslag vastgesteld. Volgens de vriendin sliep Friswa met een geladen vuurwapen onder zijn hoofdkussen.
Een politietip stelde vervolgens dat het betreffende wapen bij een Bende-actie zou zijn gebruikt. George verklaarde volgens Geens dat hij wel een wapen had gehad, maar dat het om een 7,65 mm ging en dat dit in juni 1985 verdwenen was. Bij het onderzoek naar de kogelinslag stelde de politie volgens Geens echter vast dat deze door een zwaarder kaliber was veroorzaakt.
Dit maakt het wapenonderzoek relevant voor de biografie van George, maar het beschikbare materiaal levert geen sluitende identificatie op waarmee kan worden vastgesteld dat het wapen daadwerkelijk door de Bende van Nijvel werd gebruikt of dat George het aan de Bende had geleverd.
Het onderzoek na de Benderaids van 1985
Na de overvallen van 1985 werd het milieu rond Friswa volgens Geens grondig onderzocht. De speurders voerden onder meer een huiszoeking uit in Anderlecht. Daarbij werden vier matrakken en een mes gevonden.
George verklaarde dat hij Pol al ongeveer vijftien jaar kende, maar dat hij hem op dat moment al twee maanden niet meer had gezien. Volgens Geens leefde George van een uitkering en verdiende hij daarnaast geld als muzikant, bodyguard en soms als acteur of muzikant in televisiereclames.
Het onderzoek naar dit milieu bracht volgens de bron wel drugs, drank en wapens aan het licht, maar leverde uiteindelijk geen concreet bewijs op dat de betrokken personen rechtstreeks met de Bende van Nijvel verbond.
Dat gegeven is belangrijk voor de historische reconstructie. Het toont dat Friswa daadwerkelijk in het vizier van de onderzoekers kwam, maar eveneens dat het onderzoek naar zijn omgeving geen bewezen Benderol opleverde.
De kwestie van Le Cirque en prins Filip
Zijn werk als portier in Le Cirque vormt nog een andere opmerkelijke verbinding met het bredere Brusselse milieu. Volgens Geens werd tijdens het proces-Leroy duidelijk dat een ontvoering van prins Filip uit de discotheek ooit was verhinderd dankzij een tip van Jules Montel.
Friswa wordt in de bron niet als verdachte van die ontvoeringspoging voorgesteld. Zijn betekenis in dit verhaal is dat hij als portier werkzaam was in de discotheek waar de ontvoering zou hebben moeten plaatsvinden. Het is daarom opnieuw een voorbeeld van een plaats waar verschillende figuren uit het Brusselse netwerk elkaar konden ontmoeten, zonder dat daaruit automatisch een criminele betrokkenheid van George volgt.
Een figuur tussen verschillende werelden
De biografie van François George laat daarmee een opmerkelijke combinatie zien. In de jaren zestig en zeventig was hij in de eerste plaats muzikant. Hij maakte deel uit van de vroege Belgische rockscene, speelde bij The Partisans, werd gitarist van Jenghiz Khan en werkte later met Wallace Collection, Two Man Sound en verschillende andere projecten.
Tegelijkertijd ontwikkelde hij zich als karateka, bodyguard en portier. Daardoor kwam hij terecht in een sociaal milieu dat sterk verschilde van de wereld van de Belgische popmuziek. Via zijn werk en persoonlijke contacten raakte hij verbonden met personen uit het Brusselse nachtleven en met figuren die later in het Bendeonderzoek zouden opduiken.
Daarin ligt wellicht de belangrijkste historische betekenis van Friswa voor het Bendedossier. Zijn leven toont hoe verschillende milieus elkaar konden overlappen: de rockscene, het nachtleven, vechtsport, bodyguardwerk, de Brusselse onderwereld en personen uit extreemrechtse kringen.
Die overlap is gedocumenteerd. Wat niet op dezelfde manier is aangetoond, is een operationele rol van George binnen de Bende van Nijvel.
Overlijden
François George overleed op 8 januari 1988, precies op de verjaardag van zijn grote idool Elvis Presley. Volgens de biografische tekst van Piero Kenroll maakte hij op die dag een einde aan zijn leven. Dezelfde bron beschrijft zijn laatste jaren als een periode waarin persoonlijke problemen, teleurstelling over zijn muzikale loopbaan en zijn moeilijke karakter een steeds zwaardere rol zouden hebben gespeeld.
In de door Hilde Geens aangehaalde dossierinformatie wordt zijn overlijden als zijnde gebeurd in “niet-verdachte omstandigheden” omschreven. Volgens die informatie had hij pillen ingenomen die bijna een jaar eerder waren voorgeschreven.
Zijn overlijden maakte een einde aan het leven van een man die in verschillende werelden een plaats had gevonden. Voor de Belgische rockgeschiedenis was Friswa vooral de imposante gitarist van Jenghiz Khan en een muzikant met een opmerkelijk talent. Voor het Bendeonderzoek werd hij later vooral interessant vanwege zijn sociale omgeving en enkele concrete onderzoekssporen.
Plaats in het Bendeonderzoek
De beschikbare bronnen rechtvaardigen een genuanceerde conclusie. Vast staat dat François George alias Friswa een belangrijke figuur was in de Belgische rockscene, dat hij karate beoefende, als bodyguard en portier werkte en bevriend was met François Ertrijckx. Eveneens staat vast dat hij via Jean-Francis Calmette contacten had met personen uit een milieu waarin ook leden van of personen rond WNP voorkwamen. Zijn naam kwam bovendien voor in het onderzoek naar een verdwenen vuurwapen.
Niet bewezen is dat George zelf lid was van de Bende van Nijvel, dat hij deelnam aan Bendeovervallen of dat hij een operationele rol vervulde binnen een georganiseerde structuur rond de Bende. Ook het onderzoek naar zijn milieu na 1985 leverde volgens de aangehaalde bron geen rechtstreeks bewijs voor zo'n betrokkenheid op.
Zijn betekenis voor het dossier ligt daarom vooral in zijn netwerkpositie. Hij was een vriend van Asterix, kende Pol, had contacten via de vechtsport en het Brusselse nachtleven en werd onderzocht naar aanleiding van een mogelijk relevant wapen. Dat zijn stuk voor stuk elementen die zijn biografie relevant maken voor de reconstructie van het Brusselse milieu waarin verschillende Bende-gerelateerde personen zich bewogen.
Maar juist bij een figuur als Friswa is het onderscheid tussen contact, kennis, verdenking en bewezen betrokkenheid essentieel. De bronnen documenteren de eerste drie categorieën, maar leveren voor de vierde geen sluitend bewijs.
In die zin is François George vooral een interessante schakel tussen verschillende Brusselse milieus, eerder dan een bewezen lid van de Bende van Nijvel.
"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via »
Facebook |
YouTube